De bonte Vlinders, de vlijtige Mieren, de lastige Vliegen,
de lichtschuwe Duizendpooten, de kunstig wevende Spinnen en een
onnoemelijk aantal andere dieren, die aan de genoemde zeer nauw verwant
zijn, vormen de hoofdafdeeling, op welker eigenaardigheden wij nu
uw aandacht willen vestigen. Er bestaat een zeer belangrijk verschil
tusschen deze dieren en de Gewervelde, hoewel beider bouwplan in zoover
overeenstemt, dat de linker lichaamshelft het spiegelbeeld is van de
rechter en dat de buikzijde van de rugzijde verschilt. Terwijl echter
de Zoogdieren, Vogels, Reptiliën, Amphibiën en Visschen voorzien zijn
van een inwendig beenig of kraakbeenig geraamte met een meestal uit
wervels samengestelde as, dat steunpunten levert aan alle daaraan
gehechte spieren en, door deze bedekt, zijn geleding niet duidelijk
openbaart, komen bij de tweede hoofdafdeeling lijnrecht hieraan
tegenovergestelde verschijnselen voor. De buitenste laag van de
lichaamsbekleeding, die met het spierstelsel vereenigd is tot een
zoogenaamden huidspierzak, vormt een min of meer stevig pantser,
dat, om bewegingen toe te laten, in leden is verdeeld, die door
betrekkelijk dunne vliezen verbonden zijn. De leden zijn min of
meer ongelijksoortig en vereenigen zich meestal groepsgewijs tot
lichaamsafdeelingen van hoogeren rang; zoo ontstaat bij sommige de
onderscheiding van kop, borststuk en achterlijf; bij andere versmelten
de beide eerste afdeelingen tot één, het zoogenaamde kopborststuk; bij
nog andere is alleen de kop duidelijk onderscheiden van de overige
onderling overeenkomstige leden, die gezamenlijk het borststuk
en het achterlijf vertegenwoordigen. De grenzen van sommige leden
(die men ook wel ringen of segmenten noemt) zetten zich als lijsten,
spitsen en uitsteeksels van verschillende vorm naar binnen voort om
hier als aanhechtingsplaatsen te dienen voor spieren en andere weeke
deelen. Dit stevig pantser vormt, in 't kort gezegd, een uitwendig
huidskelet. Het bestaat uit een stof, die men chitine noemt.
Nog belangrijker dan de geleding van den stam is voor de hier bedoelde
afdeeling van het dierenrijk het bezit van gelede aanhangselen aan het
lichaam, van ledematen. Deze komen steeds bij paren aan de buikzijde
voor en kunnen aan elk segment aanwezig zijn, maar ontbreken meestal
aan sommige segmenten. Oorspronkelijk waren zij gelijksoortig; bij hun
verdere ontwikkeling nemen zij echter zeer ongelijke vormen aan en
dienen na hun voltooiing voor de meest verschillende verrichtingen:
sommige zijn tastorganen, andere zijn bestemd voor het opnemen
en fijnmaken van het voedsel, nog andere spelen een rol bij de
voortplanting; de meeste worden als pooten ter voortbeweging op
vaste voorwerpen of in het water gebruikt. Door hun plaatsing aan
de buikzijde van het dier onderscheidt deze zich duidelijk van de
rugzijde. De gelede aanhangsels van het lichaam vormen zulk een in
't oog loopend kenmerk van de hier bedoelde hoofdafdeeling, dat men
haar met den naam van Geleedpootigen (Arthropoda) aanduidt.
De Arthropoden verschillen van de Gewervelde Dieren niet slechts
door hun uitwendigen vorm, maar ook door hun inwendig maaksel en
meer bepaaldelijk door de ligging der organen met betrekking tot
elkander. Bij de Gewervelde Dieren bevinden de centrale deelen van
het zenuwstelsel zich boven de as van het skelet, dus aan de rugzijde,
bij de Arthropoden vinden wij op deze plaats van het lichaam het hart,
dat wegens den eigenaardigen vorm, dien het bij de Insecten heeft,
ruggevat wordt genoemd. Aan de buikzijde, waar bij de Gewervelde
Dieren het hart voorkomt, zien wij bij de Arthropoden segmentswijs
gerangschikte paren van zenuwknoopen (gangliën), die door dubbele,
overlangsche strengen verbonden zijn en gezamenlijk een eenigszins
op een touwladder gelijkenden gangliënketen, de zoogenaamde
buikzenuwstreng, vormen. Het spijskanaal daarentegen ligt bij beide
diergroepen tusschen de genoemde organen, begint bij de Arthropoden
als mond aan het voorste lichaamsuiteinde, eindigt na een rechtlijnigen
of gekronkelden loop in het laatste segment, waar zich de aarsopening
bevindt en vertoont, op soortgelijke wijze als bij de hoogere dieren,
een splitsing in verscheidene door bouw en verrichting van elkander
verschillende afdeelingen. De zintuigen zijn bij de Arthropoden niet
even volledig voorhanden als bij de Gewervelde Dieren, want alleen
die voor het gevoel en het gezicht komen algemeen verbreid voor;
reuk- en gehoororganen daarentegen werden slechts bij betrekkelijk
weinige vormen aangetoond; de laatstgenoemde zijn trouwens niet
altijd aan den kop geplaatst. Bij sommige Geleedpootigen dient de
geheele oppervlakte van 't lichaam voor de ademhaling; meestal zijn
echter ook hiervoor bijzondere werktuigen voorhanden, die bij de
Schaaldieren een geheel andere samenstelling vertoonen dan bij de
overige vertegenwoordigers der hoofdafdeeling. Bij gene vindt men aan
het lichaam of aan de ledematen buitenwaarts gerichte aanhangsels,
die den naam van kieuwen dragen; bij deze komt de ademhaling tot
stand door een sterk vertakt netwerk van luchthoudende buizen, de
zoogenaamde luchtbuizen of tracheeën, die in den regel door ademgaten
(stigmata), welke bij paren aan de zijden van 't lichaam voorkomen, met
de buitenwereld in gemeenschap staan. Hiernaar kan men de Arthropoden
in twee hoofdgroepen splitsen: de Kieuw-arthropoden (Branchiata)
en de Luchtbuis-arthropoden (Tracheata).
Slechts zeer weinige Arthropoden hebben bij het verlaten van het
ei den vorm der volwassene dieren; de meeste ondergaan gedurende
hun zelfstandig leven een reeks van veranderingen, die men alle te
zamen gedaantewisseling of metamorphose noemt. De jeugdige toestanden
heeten larven; als uitwendig teeken van hunne veranderingen werpen
zij verscheidene malen de chitine-laag van hun huid af: zij vervellen.
Men onderscheidt drie klassen van Tracheaten: de Insecten, de
Duizendpooten en de Spinachtigen, die wij nu nader zullen nagaan.
De Insecten (Hexapoda) zijn uitwendig kenbaar aan de verdeeling van
het lichaam in drie hoofddeelen: de kop, die twee sprieten draagt,
het borststuk, waaraan zes pooten en meestal bovendien 4 of 2 vleugels
voorkomen, het uit 9 of 10 ringen samengestelde achterlijf, dat in den
regel de ledematen mist. De ontwikkeling gaat met gedaantewisseling
gepaard.
De kop kan afzonderlijk bewogen worden: in alle richtingen, wanneer
hij vrij vóór het borststuk geplaatst is, op meer beperkte wijze,
als hij in een holte aan de voorzijde van de borst is opgenomen,
of door deze van boven bedekt wordt. Men vindt hieraan de oogen,
één paar sprieten en drie paar kaken; al deze werktuigen zijn voor
het Insect van groote beteekenis en vereischen daarom een nadere
bespreking. Vooraf moet nog opgemerkt worden, dat de streek tusschen
de bovenste randen der oogen en de mondopening aangezicht heet en
verdeeld wordt in voorhoofd en kopschild (clypeus); de zijden van
den kop, van den achterrand der oogen tot aan de mondopening, noemt
men wangen; de streek boven op den kop achter de oogen heet schedel,
het naar het borststuk gekeerde deel is het achterhoofd; de keel
vormt de onderzijde van den kop en draagt aan haar voorzijde de kin.
De oogen van de Insecten zijn aan beide zijden van den kop
onbeweeglijk aangehecht. Toch overzien zij een grooter gezichtsveld
dan de Gewervelde Dieren met hunne twee beweegbare oogen. Zonder het
lichaam te bewegen, kijken zij te gelijk naar boven en naar onderen,
vooruit en achteruit, zooals de zittende Vlinder ons leert, die zich
niet laat vatten, van welke zijde men hem ook nadert. De reden hiervoor
is te vinden in de samenstelling van het oog. Het bestaat n.l. uit
een verbazend groot aantal kegelvormige, kleine oogjes; elk daarvan
is in den regel uitwendig zichtbaar in den vorm van een klein, meestal
zeshoekig vlakje, van een "facet" of hoornvlieslens; gezamenlijk vormen
deze facetten de oppervlakte van het samengestelde of veellenzige
oog. Het aantal facetten ligt tusschen zeer wijde grenzen: de Mier
heeft er slechts 60, de Huisvlieg 4000, de Waterjuffer 12000, hetgeen
voldoende is om aan te toonen, welke groote verschillen er in dit
opzicht tusschen de Insecten bestaan. De eigenaardige inrichting van
het Insectenoog brengt teweeg, dat er één verkleind, rechtopstaand
beeld van het voorwerp op het netvlies wordt gevormd; de punten van
dit beeld voegen zich aaneen als de steentjes van een mozaïekplaveisel.
Het aantal veellenzige oogen bedraagt steeds twee; zij zijn zeer
ongelijk van grootte, nemen een meer of minder aanzienlijk deel van
de oppervlakte van den kop in; verreweg de meeste volwassen Insecten
bezitten zulke oogen. Dikwijls bezitten zij echter bovendien nog
de in den larvetoestand aanwezige enkelvoudige of éénlenzige oogen
(ocelli, stemmata); deze staan dan meestal ten getale van drie
(soms twee, zelden één) op het voorhoofd of op den schedel. Van
buiten gezien vertoonen zij eenige overeenkomst met een pareltje;
hun inwendig maaksel is ongeveer gelijk aan dat van één der kegels
van het samengestelde oog. Slechts weinige Insecten hebben in den
volkomen toestand geen andere dan enkelvoudige oogen; slechts enkele
missen de gezichtsorganen geheel.
De sprieten of voelhoorns (antennae) bestaan uit een meer of minder
groot aantal leden en leveren het eerste voorbeeld van den oneindigen
rijkdom van vormen, die de Insecten ons te aanschouwen geven. Zonder
nader in te gaan op de verscheidenheid, die de antennen bieden,
merken wij slechts op, dat haar grondlid vaak door buitengewone
dikte of lengte van de overige sprietleden verschilt en van deze, die
gezamenlijk den zweep of geesel (funiculus) vormen, onder den naam
van schaft (scapus) onderscheiden wordt. Soms zijn alle leden van
den zweep gelijksoortig van vorm; soms wijken de laatste in zoover
van de overige af, dat zij gezamenlijk een geheel uitmaken, waaraan
men eenige overeenkomst met een kam, een waaier, een meer of minder
dichten knop, een knots of een ander dergelijk voorwerp opmerkt. Bij
de rechte sprieten zijn alle leden in dezelfde richting tot een reeks
aaneengevoegd, bij de knievormige of gebrokene daarentegen vormt de
zweep een hoek met den meestal verlengden schaft; dit geval gaf het
eerst aanleiding tot de namen zweep en schaft. Bij sommige Insecten
zijn de sprieten zoo klein, dat zij door een ongeoefend oog allicht
niet worden opgemerkt; bij andere daarentegen is hun lengte vele
malen grooter dan die van het lichaam.
Over de beteekenis der sprieten hebben verschillende meeningen
geheerscht. Dat deze organen, wanneer zij een eenigszins
samengestelden bouw vertoonen, bestemd zijn tot het doen van
zintuigelijke waarnemingen, mag men als zeker beschouwen. In de
meeste gevallen zullen zij wel voor het tasten dienen, en bij deze
verrichting door de palpen of tasters (aanhangsels van de monddeelen)
en door de leden van den voet geholpen worden. Bij vele Insecten
is dit echter niet hun eenig doel. Erichson, die een groot aantal
van deze geheimzinnige organen microscopisch onderzocht heeft,
vond in den regel aan sommige leden gaten in de chitine-laag, elk
van onderen gesloten door een gespannen vlies, dat met een kort,
dicht vilt van haartjes begroeid is. Hij meende hierin het reukorgaan
van de Gewervelde Dieren te herkennen. Latere onderzoekingen hebben
deze verklaring niet weersproken. Dat de organen, die men op grond van
ontleedkundige onderzoekingen als zintuigen meent te moeten beschouwen,
werkelijk deze beteekenis hebben, blijkt uit waarnemingen bij levende
Insecten. Ieder die een vrouwelijke Sluipwesp bespiedt, terwijl zij,
om een geschikte plaats voor de ontwikkeling harer eieren te vinden,
de larve opzoekt, die in het hout van een ouden boomstam verborgen is,
zegt, wanneer hij uitdrukkingen bezigen wil, die aan menschelijke
verrichtingen ontleend zijn, dat het dier met de top van de lange
sprieten alle boorgaten besnuffelt, totdat zij het meest geschikte
gevonden heeft. De mannetjes van vele Nachtvlinders zoeken uren ver de
verborgen wijfjes op, door in snelle vlucht hunne lange, kamvormige
sprieten uit te steken en worden ongetwijfeld even zoo goed door
den reukzin op het rechte spoor gebracht als een ander Insect, dat
aas verlangt om hiermede zijn honger te stillen, of om hierin eieren
te leggen.
Dat vele Insecten voor smaakprikkels gevoelig zijn, is nagenoeg
even zeker, als dat zij hooren. Werkelijk heeft men verscheidene
met de monddeelen in gemeenschap staande toestellen gevonden, die,
naar hun bouw te oordeelen, zintuigen zijn en misschien voor den
smaak dienen. Bij vele Insecten ontbreken de gehoororganen evenmin;
zij nemen echter een geheel andere plaats in dan bij ons, komen bij
de Veldsprinkhanen voor aan den eersten ring van het achterlijf,
bij de Sabelsprinkhanen en de Krekels aan den scheen van de voorpooten.
De monddeelen zijn aan het voorste deel van den kop geplaatst; met
behulp van de voorkomende afbeeldingen, waarin de overeenkomstige
deelen steeds met dezelfde letters zijn aangeduid, zullen wij deze
organen en hun werking op de kortst mogelijke wijze beschrijven. Hoewel
zij zeer verschillen in vorm kan men ze in twee hoofdgroepen verdeelen:
bijtende monddeelen, die geschikt zijn om vaste voedingstoffen
fijn te maken en zuigende monddeelen, bestemd tot het opnemen van
vloeibaar voedsel. De onparige bovenlip (labrum, fign. 1 en 9: o),
die in den regel den vorm heeft van een met het kopschild verbonden
chitineplaatje, buiten rekening latend, bestaan de bijtende monddeelen
uit drie paar organen (tot kauwtoestellen vervormde ledematen),
die kaken heeten en aan de drie (of vier) laatste kopsegmenten zijn
vastgehecht. Men beschouwt n.l. den kop als samengesteld uit 4 of
5 segmenten, kenbaar aan de ledematen, die er aan voorkomen. Het
eerste segment draagt de sprieten; de beide volgende vormen ieder
één paar kaken; het derde paar kaken (gewoonlijk onderlip genoemd)
vertegenwoordigt volgens sommigen twee paar ledematen. Bij de meeste
Insecten zijn de monddeelen naar beneden, bij de overige naar voren
gericht.
Bovenkaken, voorkaken of mandibels (mandibulae, fign. 1, 2 en 5:
d) noemt men het bovenste paar monddeelen, dat altijd ongeleed is
en geen tasters draagt; het is beweegbaar verbonden met het voorste
uiteinde van de wangen; deze beide ledematen kunnen in horizontale
richting naar elkander toe bewogen worden als de beide wangen van een
knijptang. Iedere bovenkaak kan, wat haar vorm betreft, vergeleken
worden met een houweel, een schop, een beitel, enz.; gewoonlijk is
zij hoornachtig (met een dikke chitine-laag bekleed), spits of stomp,
alleen van voren of langs de geheele binnenzijde getand. Bij vele
soorten van Insecten dienen de bovenkaken (die juist bij deze soorten
in den regel buitengewoon sterk ontwikkeld zijn) meer voor allerlei
andere doeleinden dan voor het fijnmaken van het voedsel; zij zijn
onontbeerlijk als werktuigen voor het bouwen van woningen, voor het
aanvoeren en verwerken van de bouwstoffen, voor het grijpen van het
voedsel, niet zoozeer echter van het voedsel, dat zij zelf zullen
gebruiken, als van dat, hetwelk voor hunne nakomelingen bestemd is.
Onderkaken, achterkaken of maxillen (maxillae, fign. 1-5: e; fign. 6-8)
noemt men het tweede paar monddeelen; zij zijn uit leden samengesteld,
in den regel zachter dan de bovenkaken, soms echter niet minder hard,
in eenige gevallen zelfs harder dan deze. Meer of minder gemakkelijk
kan men aan elke onderkaak eenige beweegbaar aaneenverbonden deelen
onderscheiden, die wij achtereenvolgens nader zullen beschouwen. Het
hengsel (fign. 4, 7 en 8: f) is een kort, dwars gericht stuk, waardoor
de onderkaak aan de keel, onder en een weinig achter de bovenkaak,
beweegbaar verbonden is. De stam (fign. 2-4 en 6-8: g) is onder een
(rechten) hoek aan het hengsel gehecht en bestaat over 't algemeen uit
een hoornachtig harde plaat, waarvan de lengte 1 1/2 à 6 maal grooter
kan zijn dan de breedte. Aan de binnenzijde van den stam zitten de
kaaklobben (fign. 1-4 en 6-8: h) vast; haar onderste oppervlakte
aan de binnenzijde wordt kauwplaat genoemd. Door dit deel wordt het
voedsel voor het inslikken voorbereid; het is dus het belangrijkste
deel van de geheele onderkaak. Soms (o.a. bij vele Kevers, de Bijen en
andere Insecten) draagt iedere onderkaak slechts één lob (fign. 1-3:
4), die zeer lang, doch ook wel zeer kort kan zijn; vaker evenwel
zijn aan elke onderkaak twee lobben gehecht (h en h'). Zeer veel
verscheidenheid merkt men op in de plaatsing der genoemde deelen,
den vorm der lobben, haar wijze van verbinding aan den stam. Aan of
dicht vóór het einde van den stam, aan de buitenzijde, bevindt zich de
aanhechtingsplaats van den uit 1 à 6 leden samengestelden kaaktaster
(palpus maxillaris, fign. 2-8: i).
Als een product van de vergroeiing van het derde paar kaken (van het
tweede paar onderkaken) wordt de onderlip (labium) beschouwd; dit
onparig orgaan, welks middelstuk hoogstens aan den top een inkerving
vertoont, draagt aan zijn voorrand (of ook wel meer zijdelings) 2
liptasters (palpi labiales, fign. 1-5: c); zij zijn uit 2 à 4 leden
samengesteld en meestal korter dan de kaaktasters. Het achterste,
hoornachtig harde deel van de onderlip wordt onder den naam van kin
(mentum, fign. 2-5: a) aan de voor of op haar gezeten, meer of minder
ontwikkelde, vliezige tong (ligula, fign. 1-4: b) tegenovergesteld. Den
hoogsten trap van volkomenheid bereikt de tong bij de honig lekkende
Bijen, waar zij soms langer is dan het geheele overige lichaam. Aan den
top is zij met haartjes bekleed en in drie deelen gesplitst waarvan
de beide zijwaarts geplaatste den naam van bijtongen (fign. 2 en 3:
b') dragen.
De zuigende monddeelen doen zich voor als kaken, die zulke wijzigingen
hebben ondergaan, dat zij bijna onkenbaar zijn; hoe ongelijk
echter hun maaksel is bij verschillende orden, kan men er toch de
bestanddeelen der bijtende monddeelen in terugvinden, waarvan eenige
echter niet zelden in meerdere of mindere mate onontwikkeld blijven,
terwijl daarentegen de bovenlip en twee andere onparige organen in
dit geval meestal een belangrijker rol spelen dan bij de bijtende
monddeelen. De zuigwerktuigen van de Wantsen, Cicaden en Bladluizen
herinneren door den vorm van 't geheel aan een snavel (fig. 9). De
onderlip vormt hier een uit drie of vier leden samengestelde buis,
een scheede, die in haar enge holte vier fijne, nauw aaneensluitende
borstels bevat. Twee van deze vertegenwoordigen de bovenkaken, de beide
andere de onderkaken. Door de spitsen der borstels in het lichaam van
een dier of plant te steken, verkrijgt het Snavelinsect het vocht,
dat zijn voedsel uitmaakt. Een smal, driehoekig hoornplaatje, dat
aan de bovenzijde van de scheede dicht bij haar oorsprong gelegen is
(fig. 9: o), vertegenwoordigt de bovenlip.
De zuiger van de Vliegen en Muggen, gewoonlijk snuit genoemd, is
weinig samengestelder van maaksel dan die van de Snavelinsecten, maar
vertoont meer verscheidenheid van vorm. Waar hij den hoogsten trap van
ontwikkeling bereikt, zijn de kaken, die de mondopening van onderen
begrenzen en de onderlip vormen, er de voornaamste bestanddeelen
van; deze onderlip (fig. 11: a) is in den regel naar voren verlengd,
vleezig en knievormig gebogen, zoodat zij meer of minder volkomen
in de mondholte teruggetrokken kan worden. Wanneer, zooals bij onze
Huisvlieg, de snuit in een zuigvlakte eindigt, d.w.z. in twee naast
elkander liggende, vleezige lobjes, die aan de onderlip bevestigd zijn
als een hamertje aan den steel, draagt het geheele orgaan den naam
van zuigsnuit (fig. 11): gewoonlijk zijn dan de overige monddeelen,
op de liptasters na, meer of minder rudimentair. Bij andere Insecten
ziet men tegenover de onderlip de meestal hoornachtige bovenlip en
in de tusschenbeide overblijvende ruimte, nauw aaneengesloten, de
overige monddeelen, n.l. de bovenkaken, de onderkaken en een onparig,
aan de onderlip gehecht orgaan, den zoogenaamden hypopharynx (fig. 11:
b); zij hebben den vorm van borstels, de kaken soms dien van messen,
maar zijn zelden alle volkomen ontwikkeld. Dat het Insect met deze
mondborstels een pijnlijken steek kan toebrengen, leeren ons de
bloeddorstige Muggen en Dazen; de spits eindigende scheede mist dan
de zuigvlakte, hetgeen aanleiding heeft gegeven om dezen zuiger onder
den naam van steeksnuit van den vorigen te onderscheiden.
Bij de Vlinders eindelijk (fig. 10) zijn de bovenlip en de bovenkaken
zeer weinig ontwikkeld. Onmiddellijk onder het kopschild is een
meer of minder lange zuiger (roltong) aangehecht, die verschillende
graden van hardheid kan vertoonen; in den toestand van rust is hij
als een horlogeveer opgerold en tusschen de beide drieledige tasters
(c) verborgen. Voor het opzuigen van den honig, waarmede de Vlinder
zich voedt, dienen hier dus alleen de beide gootvormige, tot een buis
aaneengevoegde onderkaken (e).
De tweede groep van segmenten heet borststuk (thorax) en is de
eenige drager van de bewegingsorganen. Het bestaat uit drie leden:
het voorborststuk (prothorax) met de voorpooten, het middenborststuk
(mesothorax) met de middelpooten en de voorvleugels (voor zoover
vliegwerktuigen aanwezig zijn), het achterborststuk (metathorax) met
de achterpooten en de achtervleugels. Bij een groot aantal Insecten
(Kevers, Wantsen, Sprinkhanen, enz.) is het voorborststuk het meest
ontwikkelde van de drie; het is in dit geval vrij (beweegbaar met
het volgende segment verbonden) en schijnt, wanneer het dier van
boven wordt beschouwd, voor zich alleen het middelste hoofddeel van
het lichaam uit te maken. Zijn rugzijde wordt gewoonlijk halsschild
genoemd. Een vrij voorborststuk gaat gepaard met tot schilden,
dekvleugels of vleugelscheeden (elytra) vervormde voorvleugels. Meestal
neemt men achter het midden van den achterrand van het halsschild
een driehoekig stukje waar, dat door glans en kleur van zijn
omgeving verschilt en daarom onder den naam van schildje (scutellum)
onderscheiden wordt; om soortgelijke redenen wordt aan een deel van
het rugschild van het achterborststuk den naam van achterschildje
(postscutellum) gegeven.
De ledematen van den kop dienen als zintuigen en voor het verwerken van
't voedsel, die van de borst, de pooten, zijn bewegingsorganen. Iedere
poot bestaat, bij den wortel beginnend, uit heup, dijring, dij,
scheen en voet. De heup (coxa) is het (altijd korte) lid, waardoor de
poot met den romp verbonden is. De dijring (trochanter) bestaat bij
uitzondering (n.l. bij de meeste Vliesvleugeligen) uit twee leden, in
den regel echter uit één lid; hij is betrekkelijk klein, ligt tusschen
den heup en de dij, wijzigt den stand, dien deze deelen ten opzichte
van elkander innemen en dient om de geschiktheid tot beweging van het
laatstgenoemde deel te vermeerderen. De dij (femur) is in den regel het
krachtigste lid van den geheelen poot, vooral van den achterpoot der
voor 't springen geschikte Insecten. De scheen (tibia) komt gewoonlijk
in lengte met de daarbij behoorende dij overeen en is zeer dikwijls
aan de binnenzijde van den top "gewapend" met beweeglijke doorntjes
of sporen; de buitenzijde is dikwijls over haar geheele lengte bezet
met onbeweeglijke tandjes, stekels of borstelige haren. De voet
(tarsus) bestaat uit korte, beweegbaar met elkander verbonden leden;
het laatste lid eindigt in twee (soms niet meer dan één) beweeglijke
klauwen. Meestal hebben alle voeten hetzelfde aantal leden, nooit meer
dan 5; soms echter zijn zij aan de achterpooten minder talrijk dan
aan de overige. De 3 paar pooten van een Insect zijn nooit in alle
opzichten zoo volkomen gelijk aan elkander, dat het eene paar met
het andere verruild zou kunnen worden; dikwijls heeft het voorste of
het achterste paar verschillende wijzigingen ondergaan; de voorpooten
worden hierdoor voor het grijpen of graven, de achterpooten voor het
springen of zwemmen geschikt, hetgeen natuurlijk in zeer nauw verband
staat met de levenswijze van het dier.
De vleugels zijn dikwijls gelijksoortig en bestaan dan meestal uit
dunne, door chitine-aders gesteunde vliezen; soms echter zijn de
voorvleugels geheel hard geworden en kunnen niet meer voor 't vliegen
dienen; zij heeten dan dekschilden (elytra), omdat zij een beschuttend
bekleedsel vormen voor de dunne, vliezige achtervleugels en voor de
rugzijde van het lichaam. De aders of ribben dienen tot steun voor
de dunne vleugelvliezen en omsluiten aan haar oppervlakte dikwijls
vakjes, die men cellen noemt. De Tweevleugeligen bezitten alleen de
voorvleugels; bij vele viervleugelige Insecten gaan de achtervleugels
later verloren, vele leden der klasse zijn volkomen ongevleugeld.
De derde hoofdgroep van segmenten van het Insect, het achterlijf
(abdomen), bestaat over 't algemeen uit 10 ringen. Slechts zelden is
dit normale getal werkelijk aanwezig, daar de beide laatste leden
meestal eigenaardige vervormingen ondergaan of geheel onontwikkeld
blijven (reductie) of onder de vorige teruggetrokken worden. Ook kan
de eerste ring van het achterlijf onbeweeglijk worden ten opzichte van
het achterborststuk, waardoor het aantal borstsegmenten schijnbaar
toeneemt. Aan den anderen kant kan door splitsing van den laatsten
achterlijfsring (bij Sprinkhanen) een vermeerdering van het aantal
leden tot elf veroorzaakt worden. Eigenlijke ledematen komen aan
het achterlijf der volwassen Insecten niet voor; dikwijls echter
treft men bij hen een legboor, stiften (styli), staarten (cerci),
haken (unci) en andere aanhangsels aan, die men als vervormde
ledematen kan aanmerken. Niet slechts de vorm van het achterlijf,
maar ook de wijze waarop het met het borststuk verbonden is, heeft
een belangrijken invloed op het voorkomen van het Insect. Wanneer
zijn geheele voorvlakte nauw aansluit tegen den achterwand van het
borststuk, noemt men het achterlijf vastzittend; als het met het
borststuk volgens een dwarslijn samenhangt, heet het zittend; als
de verbinding op één punt plaats heeft, noemt men het achterlijf
aanhangend (wanneer het van voren niet dunner wordt, zooals bij de
Honigbij) of gesteeld (wanneer het aan den wortel tot een meer of
minder langen "steel" versmald is, zooals bij de Wegwesp). Terwijl
sommige Insecten een buitengewoon dunne en slanke taille hebben,
ontbreekt deze bij andere volkomen; alle denkbare overgangsvormen
tusschen de genoemde uitersten komen voor en worden gewoonlijk door
beperkende woorden, zooals "bijna" zittend, "nauwelijks" gesteeld,
enz. op eenigszins vage wijze aangeduid.
Het huidskelet van het Insect biedt niet slechts door den vorm en
de grootte der bestanddeelen, het aantal waarin zij optreden,
hun stevigheid en den daarmede samenhangenden toestand der
oppervlakte, maar ook door kleur en bekleeding een buitengewoon
groote verscheidenheid aan. Met allerlei uit chitine samengestelde
vormingen zijn verschillende deelen meer of minder dicht begroeid;
haren, borstels en schubben bedekken niet zelden het lichaam overal zoo
rijkelijk, dat de huid er geheel onder verborgen is. In dit geval hangt
de kleur van het Insect hoofdzakelijk van deze bestanddeelen af. Niet
slechts de bonte Vlinders ontleenen aan de schubben der vleugels hun
kleurenpracht, maar ook Kevers en andere Insecten, vooral die, welke
de tropische gewesten bewonen en als goud, zilver, smaragd en andere
edelgesteenten schitteren, danken al haar schoonheid uitsluitend aan
de structuur van de oppervlakte der hen bedekkende schubben, die,
van verschillende zijden gezien, het licht telkens op andere wijze
terugkaatsen. Haren (borstels) zijn het meest algemeen verbreide
bestanddeel van het kleed der Insecten; waarschijnlijk ontbreken zij
zelden geheel en al; de lichaamsdeelen, waarop zij met het ongewapend
oog niet zichtbaar zijn, noemt men naakt.
Nu wij toch over de kleur van de Insecten spreken, moge terloops
gewezen worden op een merkwaardig verschijnsel, dat hierbij valt
op te merken. Vele Insecten gelijken zoo zeer op de hen omgevende
of op andere (oneetbare) voorwerpen, zooals b.v. op uitwerpselen
van Vogels, dat het groote moeite kost, ze te herkennen. De Groene
Sprinkhaan is bijna niet te onderscheiden van het blad, waarop hij
zit; de bruin gekleurde Vlinder schijnt één geheel te vormen met de
schors van den boomstam, waarop hij rust. Soms wordt de overeenkomst
tusschen de omgeving en het dier nog grooter, doordat ook andere
eigenaardigheden van 't lichaam--zijn vorm en die van de hieraan
voorkomende aanhangselen--tot vergissing aanleiding geven. Daar
door dergelijke inrichtingen een dier aan de oogen zijner vijanden in
meerdere of mindere mate onttrokken wordt, spreekt men van beschermende
kleuren of van beschermende gelijkenis. De Spooksprinkhanen en de
"Wandelende Bladen" leveren hiervan uitmuntende voorbeelden. Er zijn
echter ook andere Insecten, die, getooid met de fraaiste en meest in
't oogvallende kleuren, onbezorgd door de lucht fladderen, of, op
bladen en bloemen gezeten, zich door de zon laten koesteren en toch
van insectenetende dieren niets te vreezen hebben. Hun veiligheid
danken deze volkomen weerlooze dieren aan de treffende overeenkomst,
die zij vertoonen met leden van geheel andere groepen, welke wegens hun
vergiftigen angel of wegens de een of andere afkeerwekkende eigenschap
door hunne vijanden gemeden worden. Deze hoogst zonderlinge toepassing
van beschermde kleuren, waarvan de Engelsche natuuronderzoekers
en reizigers Bates en Wallage in de keerkringsgewesten de eerste
voorbeelden hebben waargenomen, werd door hen "mimicry" (nabootsing)
genoemd en is nog steeds onder dezen naam bekend.
De spieren der Insecten zijn kleurloos of hebben een lichtgele
tint; zij bestaan alle uit dwarsgestreepte spiervezels en vormen,
te zamen met de huid, den "huidspierzak", waaraan een verdeeling in
leden valt op te merken, welke met die van het uitwendig huidskelet
overeenkomt. Op plaatsen waar de sterkste beweegkracht vereischt
wordt, in het borststuk b.v. voor de vlieg- en kruiporganen, worden
natuurlijk ook de meeste spieren gevonden.
Wat het zenuwstelsel betreft, herinneren wij aan hetgeen van den bouw
der centrale deelen bij de Arthropoden in 't algemeen reeds gezegd
is. Het bovenste ganglion van den slokdarmring, de hersenzenuwknoop,
staat niet slechts met de oogen en sprieten, maar ook met de ingewanden
in gemeenschap; de iets kleinere onderslokdarmzenuwknoop innerveert
de monddeelen; de borst- en achterlijfsgangliën zenden zenuwen naar
alle overige organen en door tusschenkomst van een afzonderlijken
"sympathicus" ook naar de luchtbuizen. Bovendien onderscheidt men nog
een met de hersenen samenhangend ingewandenzenuwstelsel, dat uit een
onparige en een parige zenuw bestaat en afzonderlijke gangliën bezit.
De spijsverteringswerktuigen bestaan uit het spijskanaal en de
hiermede verbonden klieren. Het voedsel volgt van den mond tot den
aars een rechten of gekronkelden weg, die soms vele malen langer is
dan de regelrechte afstand tusschen de beide genoemde openingen. Naar
zijn bouw en verrichtingen onderscheidt men in het spijskanaal drie
hoofdafdeelingen, die het best aangeduid kunnen worden met de namen
voor-, middel- en einddarm. De voordarm bestaat uit de mondholte,
waarin een of meer paren speekselklieren uitmonden, en den slokdarm,
die zich dikwijls tot een krop verwijdt of door een langen steel
met een zoogenaamde "zuigmaag" verbonden is of aan zijn einde
een opzwelling (de "kauwmaag") vormt, welks gespierde wand aan de
binnenste oppervlakte met als tanden dienst doende chitine-knobbels
bezet is. In den nu volgenden middeldarm wordt de reeds begonnen
vertering van de spijs voortgezet en het voedingsvocht of "chylus"
bereid; daarom heet deze darm ook wel chylusdarm. De einddarm, die
men verdeelen kan in dunnen, dikken en endeldarm, heeft ten doel de
onverteerde voedseldeelen, den drek, naar buiten te voeren en staat
bij zijn oorsprong in gemeenschap met een meer of minder groot aantal
blinde zakken, die onder den naam van Malpighi'sche vaten bekend zijn
en dezelfde verrichting hebben als de nieren der hoogere dieren.
Voor den bloedsomloop dient een hart, dat den vorm heeft van een
lange, gespierde buis, die onmiddellijk onder de huid van den rug in
het achterlijf gelegen is en daarom ook ruggevat wordt genoemd. Door
insnoeringen is het, in verband met de segmentatie van de overige
organen, in een ongelijk groot aantal kamers verdeeld, die ieder door
een paar spleetvormige openingen het bloed in zich opnemen. Door
spiersamentrekkingen, die aan het als een blinden zak eindigende,
achterste deel aanvangen en naar voren voortschrijden, wordt het
bloed voortgestuwd naar de voorste kamer en door deze uitgestort
in de onmiddellijk daarop volgende "aorta", die zich tot in den kop
uitstrekt en vervolgens de vloeistof vrij in de lichaamsholte laat
uitvloeien. Langs dezen weg begeeft het zich in regelmatige stroomen
naar alle lichaamsdeelen, keert ten slotte, vier hoofdbanen volgend,
naar het hart terug en begint, na hierin door de zijdelingsche
spleetopeningen te zijn doorgedrongen, een nieuwen omloop. Het bloed
is meestal kleurloos, soms geelachtig of groenachtig, zelden rood.
Een tegenstelling met de zooeven genoemde, eenvoudig ingerichte
organen, vormt het voor de ademhaling dienende luchtbuizennet
(tracheeënstelsel), dat zich in alle deelen van het lichaam sterk
vertakt en op sommige punten blaasvormig verwijdt; hierdoor wordt de
zuurstof van de lucht of van het water aan het bloed toegevoerd en het
als eindproduct van de stofwisseling gevormde koolzuur verwijderd. Van
de hoofdstammen leiden korte, dikke takken naar buiten, naar de
ademgaten (stigmata). Deze bevinden zich meestal aan de zijden der
ringen, aan het achterlijf meestal in het vlies, dat twee opeenvolgende
ringen verbindt, en zijn altijd paarsgewijs geplaatst. De opening
van ieder ademgat is door een chitine-ring omgeven en kan naar
verkiezing gesloten of geopend worden. De luchtbuizen zelf worden
door een spiraalvormige verdikking van hun chitineuze binnenste
oppervlakte altijd opengehouden en vertoonen zich, omdat zij met
lucht gevuld zijn, als zilverkleurige draden. De Insecten, die
het water bewonen, komen van tijd tot tijd aan den waterspiegel
om met het viltachtig bekleedsel van de buikzijde van den stam of
met andere voor 't zelfde doel geschikte lichaamsdeelen een zekere
hoeveelheid lucht onder water mede te nemen. Andere Insecten, die
in het water hunne gedaantewisselingen ondergaan, bezitten gedurende
den larvetoestand veder-, draad- of kwastvormige aanhangsels, die de
ademgaten vervangen en door hunne zeer fijne luchtkanaaltjes voor
de uitwisseling van koolzuur tegen zuurstof zorgen. Men noemt deze
organen tracheeënkieuwen en spreekt in dit geval van een gesloten
luchtbuizenstelsel. Verstopping van de ademgaten brengt bij het Insect
vrij schielijk den dood door verstikking teweeg.
De meeste Insecten hebben geen stem. Slechts weinige brengen geluiden
voort, die reeds in overouden tijd door de onderzoekers nagegaan,
door de dichters verheerlijkt werden. Men moet onderscheid maken
tusschen de geluiden, welke veroorzaakt worden door het tegen elkander
wrijven van bepaalde lichaamsdeelen, die met lijsten, rimpels en andere
oneffenheden voorzien zijn, en de tonen, voor welker vorming een echt
stemorgaan aanwezig is, dat, evenals bij de hoogere dieren, met de
ademhalingswerktuigen in gemeenschap staat. Een aantal Kevers maken
een knarsend geluid, vooral wanneer men ze vasthoudt; dit geschiedt
steeds door verschillende harde deelen van hun lichaam tegen elkander
te wrijven. Het op grooten afstand hoorbare gesjirp der Sprinkhanen
wordt voortgebracht door de achterpooten langs de vleugels of deze
tegen elkander te wrijven en heeft met de ademhalingswerktuigen
niets te maken. Bij het gonzen en brommen van de Bijen, Hommels,
Vliegen, enz. gedurende het vliegen spelen niet slechts de snelle
beweging der vleugels, maar ook vliesjes aan het einde van sommige
luchtbuizen een rol. De zoogenaamde Zingcicaden bezitten, behalve
een dergelijk muziekinstrument, ook nog een eigenaardigen klankbodem,
waardoor haar stem op verren afstand hoorbaar wordt.
Dikwijls is het voor een ongeoefend oog moeilijk om aan uitwendig
waarneembare kenmerken de mannetjes en de wijfjes van een en dezelfde
soort te onderscheiden, daar zij bijna volkomen overeenstemmen. Toch
zijn er ook vele Insecten, waar het verschil tusschen de dieren van
beiderlei sekse zoo sterk in 't oog valt, dat men zich er volstrekt
niet over behoeft te verwonderen, dat sommige onderzoekers het
mannetje onder dezen, het wijfje onder een anderen naam beschreven
en als leden van verschillende soorten aangemerkt hebben. Zoo hebben
b.v. bij eenige orden van Insecten de mannetjes vleugels, terwijl de
wijfjes ongevleugeld zijn en is het lichaam van deze op geheel andere
wijze gebouwd of gekleurd dan dat van gene.
Met uitzondering van enkele soorten, welker leden als larven het
lichaam van het wijfje verlaten, leggen alle Insecten eieren tot het
in stand houden van hun soort. Hoewel de zorg voor de nakomelingschap
zich op een geheel andere wijze openbaart dan bij de hoogere dieren,
vooral bij de Vogels, verdient zij in niet mindere mate dan deze
onze bewondering. Terwijl de Vogel zijne eieren zelf uitbroedt en de
jongen grootbrengt, laat het Insect de eerstgenoemde verrichting aan
de zonnewarmte over; het smaakt meestal niet eens het genoegen zijne
jongen te zien en is nog veel minder in de gelegenheid om hen gedurende
hun ontwikkeling te beschermen en te onderrichten. Zijn zorg bepaalt
zich dus tot het leggen van de eieren op een geschikte plaats, welke
taak uitsluitend door de moeder wordt vervuld. Door een aangeboren
begaafdheid geleid, weet het wijfje de plant te vinden, waaraan
het jong na het verlaten van het ei zijn voedsel ontleent. Andere
Insecten, welker jongen zich uitsluitend met rottende plantaardige
of dierlijke stoffen voeden, weten deze voor hunne eieren geschikte
broedplaatsen te vinden. Vele Muggen, Vliegen, Libellen en verwante
soorten, die in den volkomen toestand in den volsten zin van 't woord
bewoners van de lucht zijn, houden zich gedurende haar jeugd in 't
water op; daarom laten de wijfjes van deze Insecten hare eieren in
't water vallen of hechten ze aan waterplanten vast. Zij, die in het
lichaam van andere Insecten of zelfs van warmbloedige dieren hun jeugd
doorbrachten, weten, als voor hen de tijd van eierleggen gekomen is,
het voor "gastheer" hunner jongen geschikte dier te vinden en het met
een of meer eieren te belasten, hetzij door zich direct op hem neer
te zetten, of wel door hun slachtoffer, dat in het hout of op een
andere wijze verborgen is, met hun langen legboor te treffen. Steeds
komt het er op aan, voor de eieren de juiste plaats te vinden, ze op
een doelmatige wijze vast te hechten of met een beschuttend hulsel
te voorzien, als het noodig is, hen tegen de winterkoude of tegen
andere nadeelige invloeden te vrijwaren.
Zoolang het jonge dier door de eihuid omsloten is, heet het embryo of
kiem. Op het oogenblik waarin het de eischaal verlaat, d. i. geboren
wordt, houdt het op embryo te zijn en wordt een larve, daar het in
de meeste gevallen volstrekt niet op het volkomen Insect gelijkt,
maar als 't ware een "masker" draagt, aan een Worm gelijk, op of in
de aarde kruipt en den steeds nijpenden honger met bladen, dieren of
rottende stoffen stilt, terwijl zijne ouders in een geheel andere
gestalte met rappe vleugels door de lucht zwieren en honigsap of
dauwdruppels in zich opnemen. Tusschen beide toestanden ligt die
van pop, een tijdperk van rust, als overgangsstadium. Eerst daarna
verschijnt het imago, het volkomen Insect. In dit geval spreekt men van
volkomen gedaantewisseling (metamorphose). Deze komt echter niet bij
alle Insecten voor. Bij sommige (die echter in de minderheid blijven)
gelijkt de larve in hoofdzaken op hare ouders; alleen de vleugels,
eenige leden van sprieten en tasters of andere eigenaardigheden, die
men gemakkelijk over 't hoofd kan zien, ontbreken; in dit geval is
de gedaantewisseling onvolkomen. Wanneer het geslachtsrijpe dier
in 't geheel geen vleugels heeft, vallen de kenteekenen van de
gedaantewisseling weg.
Bij de Insecten komt een trapsgewijze ontwikkeling voor, die met
verscheidene vervellingen van de larve gepaard gaat. De vervellingen
hebben na bepaalde tijdruimten plaats, bij sommige vroeger, bij
andere later; zij komen meer of minder dikwijls voor, meestal
echter niet vaker dan zesmaal en vertoonen eenige overeenkomst
met een ziektetoestand. De larve blijft zonder beweging zitten,
gebruikt geen voedsel en is in dezen tijd bijzonder gevoelig voor
uitwendige invloeden, vooral voor een ongunstige weersgesteldheid,
totdat eindelijk de oude chitine-laag in den nek een barst verkrijgt
en het met een nieuw kleed bedekte wezen, dat soms ook een andere
kleur aangenomen heeft en op een andere wijze getooid is, zich onder
krampachtige windingen vrijmaakt van het nu noodelooze hulsel. De
verandering bepaalt zich echter niet tot uitwendig waarneembare
lichaamsdeelen, ook van binnen heeft het dier een verjongingskuur
ondergaan. De vrij-levende larven werpen geregeld hun huid af; dit
geschiedt echter niet altijd bij die, welke, van de buitenwereld
en haar vijandigen invloed afgesloten, in andere dieren leven. De
larvetoestand is voor de Insecten het eenige tijdperk van groei; daarom
onderscheiden de larven zich door haar buitengewone vraatzucht en door
de zeer sterke ontwikkeling harer spijsverteringsorganen. In 24 uur
kan de rups van een Vlinder meer dan het dubbele van haar gewicht aan
plantaardig voedsel gebruiken en hierdoor haar gewicht met een tiende
vermeerderen; in 30 dagen wordt haar gewicht 950 maal zoo groot als
het op het oogenblik van de geboorte was. Welke verwoestingen de van
plantaardige stoffen levende larven in tuinen en wouden, op weiden
en akkers kunnen aanrichten, weten zij, die hierdoor schade lijden,
het best te beoordeelen.
De larven der Insecten met volkomen gedaantewisseling hebben voor
't meerendeel een langwerpig, door gelijksoortige ringen begrensd
lichaam, maar verdienen daarom den naam van "Wormen" niet, dien men
hun dikwijls geeft. Vooreerst zijn er larven met en larven zonder
pooten. De eerstgenoemde hebben dan geregeld aan de drie eerste
ringen na den kop, aan het toekomstige borststuk, 3 paar gelede,
in 1 of 2 klauwen eindigende ledematen, die men borstpooten of
ware pooten noemt. Bovendien kunnen aan eenige of aan nagenoeg alle
ringen van de volgende lichaamsafdeeling ook nog achterlijfspooten
of valsche pooten voorkomen; deze zijn nooit geleed, maar eenvoudig
vleezige uitstulpingen van de huid. Zulke larven heeten rupsen. Haar
hoornachtig harde kop is met bijtende monddeelen voorzien, zelfs dan,
wanneer het geslachtsrijpe dier een zuiger bezit. Zeer vele larven
hebben in hun lichaam twee spinklieren, ter bereiding van eene taaie
stof, welke tot draden kan worden uitgetrokken, die aan de lucht
verharden. Zij dient meer bepaaldelijk op zeer jeugdigen leeftijd
maar ook later tot beveiliging, in tijden van nood als middel om
te ontvluchten; vooral echter komt zij te pas bij den overgang uit
den toestand van larve in dien van pop, daar vele larven een spinsel
(cocon) vervaardigen waarbinnen zij zich verpoppen. Zooals bekend is,
levert het spinsel van sommige rupsen de kostbare zijde.
De pootlooze larven heeten maden; sommige hebben een hoornachtig
harden kop; bij andere neemt het voorste deel van 't lichaam geen
bepaalde vorm aan, kan tot een spits verlengd en ver teruggetrokken
worden, maar vertoont zelfs geen sporen van bijtende monddeelen of
van andere den kop kenmerkende organen.
Zooals reeds gezegd is, heeten de Insecten met volkomen
gedaantewisseling pop (pupa) gedurende het tijdperk, dat bij het einde
van het larveleven aanvangt. Men heeft ook wel eens bij Insecten,
die een onvolkomen gedaantewisseling ondergaan, van pop (nympha)
gesproken en dezen naam gegeven aan de larve gedurende het tijdperk
na de voorlaatste vervelling, waarin zij echter slechts zelden
bijzondere eigenaardigheden vertoont. Onmiddellijk na de vervelling,
die aan den overgang in den toestand van pop voorafgaat, kan men
bij deze de ledematen: sprieten, beginsels van vleugels, pooten,
ieder afzonderlijk door een doorschijnend vliesje omhuld, oplichten
en van den romp verwijderen; zij kleven er echter na verloop van
korten tijd stevig aan vast en vormen een geheel, dat niet slechts
door de ledematen, maar ook door de drie hoofdafdeelingen van het
lichaam en door de geleding van het achterlijf een duidelijk beeld
levert van het toekomstige Insect. In vele gevallen echter moet de
laatste larvehuid ook nog dienst doen tot beschutting van de pop,
die uit het door haar bedekte lichaam ontstaat; dit krimpt eenigszins
in en de nu loszittende huid verhardt langzamerhand. Daar het op
deze wijze gevormde hulsel meestal den vorm van een tonnetje heeft,
worden zulke poppen, die een eigenaardigheid zijn van de Vliegen,
tonnetjespoppen genoemd. Soms gelijken zij veel op poppen die op geheel
andere wijze ontstonden. Dikwijls omgeeft, zooals reeds gezegd is,
de larve haar lichaam met een cocon en kan deze wegens zijn dichtheid
en perkamentachtige geaardheid bij uitwendig onderzoek niet herkend
worden als een product van de spinklieren. In de meeste cocons is
trouwens de samenstelling uit een draad nog waar te nemen. De vrije
poppen, die zoomin het eene als het andere hulsel bezitten, zijn nooit
onmiddellijk aan de zonnestralen en aan weer en wind blootgesteld,
maar in den grond, onder bladen of boomschors, binnen in andere
lichamen of op een andere beschutte plaats verborgen. Alleen poppen,
die met een tonnetje of een cocon bedekt zijn, vindt men soms open en
bloot liggen; men mag dus wel aannemen, dat het pophulsel, van welken
aard ook, veiligheid moet verschaffen aan het voor een volkomener
toestand zich voorbereidende dier, daar het niet in staat is zich te
verweren of het gevaar te ontvluchten.
Men zou het Insect kunnen vergelijken met de éénjarige plant, die
slechts éénmaal in haar leven een stengel met bladen, bloemen en
vruchten voortbrengt, en haar levensdoel bereikt heeft, zoodra de
vruchten rijp geworden zijn, omdat door de hierin aanwezige, voor
ontkieming geschikte zaden het voortbestaan van de soort verzekerd
is. Ook het Insect bevindt zich aan den eindpaal van 't leven,
zoodra het, na achtereenvolgens ei, larve en pop te zijn geweest,
geslachtsrijp geworden is en gepaard heeft. Het mannetje sterft
zeer kort daarna, het wijfje niet voordat het de bevruchte eieren te
rechter plaatse heeft neergelegd, waarvoor een korten, doch als de
winter tusschenbeide komt, een langere tijd vereischt wordt. Dat een
bijenkoningin jaren lang voortgaan kan met eieren te leggen is een
van de zeldzame uitzonderingen op den overigens algemeenen regel. Men
mag dus het leven van een Insect kort noemen, hoewel het dikwijls
langer duurt dan dat van de éénjarige plant, waarmede het zooeven
vergeleken werd. Bij sommige soorten geschiedt de ontwikkeling zoo
snel, dat er binnen het jaar eenige geslachten elkander opvolgen, bij
andere soorten zijn verscheidene (hoogstens ongeveer 5) jaren noodig
voor de volledige reeks van verrichtingen van een enkele generatie.
Het is noodig bij deze gelegenheid de aandacht te vestigen op een
uitdrukking, die in het vervolg herhaaldelijk zal voorkomen. Men
spreekt n.l. van een enkelvoudige generatie van een Insect, wanneer
het in één jaar zijne ontwikkelingsstadiën slechts éénmaal doorloopt,
van twee, van drie generatiën, wanneer dit in den genoemden tijd twee-,
driemaal geschiedt; wanneer er twee generaties zijn, onderscheidt
men ze door de namen zomer- en wintergeneratie. Deze omvat altijd
een langduriger tijdperk dan gene, omdat het Insect gedurende den
winter op den eenen of anderen zijner ontwikkelingstrappen blijft
rusten. Bij deze aanduidingswijze denkt men niet aan het burgerlijke
jaar, maar aan een periode van 12 maanden, die voor verschillende
soorten op verschillende tijdstippen kan aanvangen.
Het aantal soorten van Insecten, waarvan de ontwikkelingsgeschiedenis
in de vrije natuur op voldoende wijze werd nagegaan, is gering
in verhouding tot den ontzaglijk grooten omvang dezer klasse. De
tot dusver waargenomen feiten schijnen echter recht te geven tot de
onderstaande gevolgtrekkingen: 1o. Het larvetijdperk duurt langer dan
het leven van het geslachtsrijpe Insect, behalve wanneer dit moet
overwinteren; een andere uitzondering op dezen regel vormen de in
maatschappijen levende Insecten (Bijen, Mieren, Termieten). 2o. De
borende en onder den grond levende larven hebben een langeren tijd
noodig voor haar ontwikkeling dan die, welke vrij op planten en
dergelijke voorwerpen of boven den grond leven. 3o. De pootlooze
larven, maar vooral die, welke zoomin pooten als een kop bezitten,
ontwikkelen zich in den kortsten tijd. 4o. Hoe langer tijd een Insect
voor zijn ontwikkeling noodig heeft, des te korter levensduur heeft
het in den volkomen toestand. Zoomin als deze en andere wetten,
die misschien uit de reeds bekende feiten kunnen worden afgeleid,
algemeen zijn, zoomin ontbreken de uitzonderingen op den regel ten
aanzien van de tijdruimte, waarin een soort haar gedaantewisseling
ten einde brengt.
Het is duidelijk gebleken, dat warmte gepaard met een behoorlijken
vochtigheidsgraad van de omgeving en, zoolang de larventoestand duurt,
een overvloed van voedsel leiden tot bespoediging van de ontwikkeling
en dat deze daarentegen vertraagd wordt door het niet bevredigen van
deze eischen. Ieder die in het opkweeken van Vlinders ervaren is,
weet, dat hij uit de pop, die in de vrije natuur eerst in Mei een
Vlinder geworden zou zijn, dezen reeds omstreeks Kerstmis met even
prachtige kleuren te voorschijn kan lokken, door de pop dichtbij de
warme kachel te plaatsen en haar dikwijls te bevochtigen. Omgekeerd
moet hij de eieren van den Zijdevlinder gedurende de wintermaanden
op eene koele plaats laten, als hij niet gevaar wil loopen, de rupsen
te zien uitkomen, voordat het voor haar geschikte voedsel, de bladen
van den moerbeiboom, aanwezig is. De opmerkzame onderzoeker kan
zich overtuigen, dat de verschijning van een Insect bij ongunstige
weersgesteldheid soms wel 4 weken later plaats heeft dan in andere
jaren, die voor de ontwikkeling dezer dieren gunstiger zijn. Hij
weet, dat een Insect, dat in den zomer gedaantewisselingen ondergaat,
hiervoor een veel korteren tijd noodig heeft dan wanneer de winter
tusschen beide komt.
In landen met een winter, die door vorst en sneeuw gekenmerkt is,
wordt gedurende dit tijdperk al het insectenleven voor ons onmerkbaar;
dat het echter niet opgehouden heeft, blijkt in iedere daaropvolgende
lente opnieuw. Vele Insecten overwinteren steeds als ei; sommige,
o.a. die, welker ontwikkelingsgang 2 of meer jaren duurt, verkeeren
gedurende het ongunstige seizoen in den larvetoestand, andere
in dien van pop, nog andere brengen als geslachtsrijpe dieren
den winter door. Waarschijnlijk komt het slechts zelden voor,
dat Insecten van dezelfde soort nu eens des winters in den eenen,
dan weer in een anderen ontwikkelingstoestand verkeeren. Men kan
een denkbeeld verkrijgen van de talrijkheid der soorten, die als
imago winterslaap houden, door in den herfst, vóór den aanvang van
het tijdperk van schijndood, een wandeling te doen in een bosch. In
de jaarlijks dikker wordende laag van afgevallen bladen, onder de
dorre takken van struiken, die op een beschutte plaats groeien,
onder steenen en in dergelijke tegen den scherpen wind beveiligde
schuilhoeken zal men een onverwachte verscheidenheid van Kevers en
Vliegen, Wespen en Spinnen, Wantsen en andere dieren aantreffen, hier
en daar een Nachtvlinder uit het dorre loof te voorschijn zien komen,
maar bij alle het streven opmerken om zich zoo schielijk mogelijk aan
de blikken van den verstoorder hunner rust te onttrekken. Misschien
zal men hier vele oude bekenden ontmoeten, die zich in gunstiger
jaargetijden veelvuldig elders vertoonen; men ziet hier echter ook
vele Insecten, die in zulke schuilplaatsen voor goed verblijf houden en
ternauwernood een enkele maal aan 't daglicht komen. Een paar vleugels
van Meikevers, een half beschimmelde Wesp, waaraan de pooten ontbreken,
en dergelijke overblijfselen zouden iemand op het denkbeeld kunnen
brengen, dat men hier te doen heeft met een groote begraafplaats van
deze kleine wezens en dat geen van hen den winter overleeft. Ga, om
u van het tegendeel te overtuigen, zoodra het gure jaargetijde ten
einde loopt, ten tweeden male naar hetzelfde oord en neem van daar,
als de vorst en de sneeuw het toelaten, eenige handen vol van het
vergruisde, halfvergane gebladerte in een goed gesloten zakje mede
naar huis. Wanneer men dit, nadat het eenige uren in de warme kamer
heeft gelegen, op een zeef van metaalgaas ledigt, hieronder een vel wit
papier legt en nu aan 't schudden gaat, zal men verbaasd zijn over het
groote aantal levende diertjes, dat op het papier valt, en er vele bij
vinden, die men in den herfst in de vrije natuur ontmoette, gesteld
namelijk, dat men een goed geheugen voor zulke zaken heeft. Terloops
moeten wij nog doen opmerken, dat het zooeven besproken onderzoek
overeenkomt met een bekende en doeltreffende handelwijze, waardoor
de insectenliefhebber zijn verzameling verrijkt met een menigte zeer
kleine dieren, die hij op zijne zomersche onderzoekingstochten over
't hoofd ziet, of opzettelijk veronachtzaamt, omdat andere nasporingen
hem dan geheel in beslag nemen.
In het water en op het land, op planten en op dieren, kruipend over den
grond of vliegend in de lucht, overal waar het voor een dier mogelijk
is te leven, worden Insecten gevonden. Het aantal soorten neemt af,
naarmate men de polen nadert of in de met sneeuw bedekte gebergten
grootere hoogten bereikt; op zeer hooge breedten ontbreken zij geheel;
in de Zwitsersche Alpen werden nog op 2812 M. boven de oppervlakte der
zee Insecten aangetroffen. Hoe warmer de luchtstreek, des te sterker
zijn zij er vertegenwoordigd, des te grooter is hun verscheidenheid,
des te wonderbaarlijker hun vorm en des te prachtiger hun kleur.
Men kent ongeveer 2000 soorten van voorwereldlijke Insecten; de
oudste komen voor in de Silurische en Devonische lagen; in die van
het steenkolentijdperk worden zij reeds in betrekkelijk grooten getale
gevonden. Het aantal thans levende soorten wordt op 1 millioen geschat.
De verdeeling der Insecten in orden berust vooral op de verschillende
inrichting der monddeelen, op het maaksel van den eersten
borstring en van de vleugels, bovendien op eigenaardigheden van de
ontwikkelingsgeschiedenis. Wij behouden hier de oude indeeling in
7 orden: 1o. Schildvleugeligen of Kevers, 2o. Vliesvleugeligen,
3o. Schubvleugeligen of Vlinders, 4o. Tweevleugeligen,
5o. Netvleugeligen, 6o. Rechtvleugeligen, 7o. Snavelinsecten;
maar mogen niet onvermeld laten, dat van de 4e orde de Vlooien,
van de 5e de Haften, Glazenmakers, Gaasvliegen, Plooivleugeligen,
Schorpioenvliegen en Kokerjuffers, van de 6e de Franjestaarten,
Springstaarten, Oorwormen, Bijtende Luizen en Blaaspooten dikwijls
als afzonderlijke orden worden afgescheiden.