den grond, is in het gras of in het struikgewas zoo goed verborgen, dat
men het slechts zelden vindt. Het bevat 4 of 5 eieren. Het mannetje
en het wijfje lossen elkander bij het broeden af; als het wijfje
gedood wordt, neemt het mannetje de taak van de moeder over. Evenals
de meeste Ralvogels, loopen de jongen uit het nest weg, zoodra zij
droog geworden zijn; evenals hunne verwanten, worden zij aanvankelijk
met de teederste zorg door de beide ouders gehoed en door een zacht
"kroe" bijeengeroepen. Behalve dit geluid hoort men van hen vooral in
de morgen- en avondschemering een hoogst eigenaardig, zwaar, dreunend
geraas, dat met het brullen van den Roerdomp vergeleken wordt, maar
veel zwakker en zachter is.
De beroemdste soort is die, welke op de Soenda-eilanden bij wedkampen
dienst doet en op Sumatra Poejoe heet (Turnix pugnax). Deze Vogels
zijn niet zeldzaam, leven eenzaam, op bouwland, dikwijls in de
nabijheid van bewoonde plaatsen. Ze worden door de inlanders in
strikken gevangen en in kooien gehouden. Alleen de wijfjes worden voor
den strijd opgekweekt; zij zijn grooter, sterker en moediger dan de
mannetjes. Daarom heet, volgens Raffles, een Maleier, die onder de
pantoffel zit, een "poejoe".
ZESDE ORDE.
DE KRAANVOGELS (Geranornithes).
De Kraanvogels houden het midden tusschen de drie orden van de
Ralvogels, Pluviervogels en Stootvogels. Zij vormen slechts één
onderorde (Gruiformes), die twee groepen van familiën omvat. Tot de
eerste groep--de Kraanvogels i.e.z. (Grues)--behooren de familiën der
Kraanachtigen (Gruidae), der Trompettervogels (Psophiidae) en der
Slangenkranen (Dicholophidae). Tot de tweede groep--de Zonnevogels
(Eurypygae),--behooren de Zonnerallen (Eurypygidae), de Ralkranen
(Rhinochetidae) en de Oerkranen (Apornidae).
De 16 soorten van de familie der Kraanachtigen (Gruidae) vormen
één geslacht--de Kranen (Grus)--en zijn over drie ondergeslachten
verdeeld. Zij hebben een betrekkelijk langen, bijna rolvormigen,
krachtigen, zijdelings niet samengedrukten romp, een langen, dunnen
hals en een kleinen, fraai gevormden kop. De middelmatig dikke, rechte
snavel, welks hoogte de breedte een weinig overtreft, is iets langer
of weinig korter dan de kop; de bovensnavel heeft een afgeronden
rug en een scherpe spits; de huid, die de snavel bekleedt, is aan de
wortelhelft zacht, aan de spits echter hard. De bevedering van de zeer
lange, krachtige pooten houdt ver boven het spronggewricht op; de voet
bestaat uit een langen loop en vier teenen; de korte achterteen is zoo
hoog aangehecht, dat hij bij 't gaan den grond slechts met de spits
aanraakt; de buitenste en de middelste voorteen zijn verbonden door
een dik spanvlies, dat zich tot aan het eerste gewricht uitstrekt;
de klauwen zijn kort, flauw gebogen en stompkantig. In de groote,
lange, breede vleugels is de derde handpen de langste; de laatste
schouderveeren zijn langer dan alle overige vleugelveeren, soms
sikkelvormig gebogen, in 't algemeen door een eigenaardigen vorm
gekenmerkt. De tamelijk korte, afgeronde staart bevat 12 pennen. De
kleine veeren, hoewel overvloedig, zijn stijf en liggen dicht tegen
het lichaam aan; zij laten dikwijls een deel van den kop en van den
hals onbedekt of zijn hier veranderd in fraaie pronkveeren; bij enkele
zijn zij ook aan den voorhals lang en smal. Het mannetje en het wijfje
zijn nagenoeg gelijk van kleur, doch ongelijk van grootte. De jongen
verkrijgen na het eerste ruien een kleed, gelijkende op dat der ouden;
alleen de pronkveeren hebben dan nog niet den definitieven vorm.
De Kranen bewonen alle faunistische rijken, behalve het
Zuid-Amerikaansche. Ieder werelddeel heeft zijn eigenaardige
soorten. Azië de meeste. Zij houden zich op in uitgestrekte moerassen,
bij voorkeur, naar het schijnt, in die, welke aan bouwland grenzen,
daar zij hun voedsel zoowel in het moeras als op den akker zoeken. Zij
hebben een statigen, doch bevalligen gang, maken gaarne sierlijke, op
danspassen gelijkende sprongen en nemen steeds een zekere deftigheid
in acht; zij waden door tamelijk diep water en kunnen ook zwemmen;
zij vliegen met gemak en fraai, dikwijls zwevend en groote kringen
beschrijvend, meestal hoog boven den grond; de hals en de pooten
worden daarbij recht uitgestrekt. Zij hebben een luide, doordringende
stem en in verband hiermede meestal een buitengewoon lange luchtpijp;
deze loopt met een groote kronkeling door een holte in den breeden kam
van het borstbeen. Zij zijn schrander en verstandig, gewoonlijk ook
vroolijk en speelsch, maar tevens strijdlustig en zelfs moordzuchtig;
jegens hunne soortgenooten toonen zij zich buitengewoon gezellig; ook
nemen zij gaarne leden van andere soorten van Kranen in hun kring op;
om andere dieren bekommeren zij zich weinig of niet, of trachten hen
te overheerschen, wanneer zij zich met hen inlaten. Hoewel zij van
's morgens vroeg tot 's avonds laat in de weer zijn, worden aan het
opzoeken van 't voedsel slechts weinige morgenuren besteed, het overige
deel van den dag is aan het gezellig samenzijn gewijd. Gedurende hun
herfstreis, die zich tot aan de keerkringslanden uitstrekt, trekken
zij nagenoeg zonder oponthoud voort, over dag zoowel als 's nachts;
in merkwaardig korten tijd wordt het doel van hun tocht bereikt.
Hoewel alle Kranen af en toe ook Insecten en Wormen oppikken, kleine
Amphibiën of Visschen verslinden en soms een vogelnest uitplunderen,
beschouwen zij toch, naar 't schijnt, dierlijk voedsel eenvoudig als
een versnapering. Allerlei zaden, vooral granen, bovendien knoppen,
jonge spruitjes, wortels en knollen maken hun eigenlijk voedsel uit.
Zij nestelen in lage of althans moerassige gewesten, en broeden
op twee langwerpig ronde eieren, die op groenachtigen grond bruin
gevlekt zijn. Het mannetje en het wijfje broeden om beurten; beide
brengen voedsel aan de jongen gedurende hun verblijf in het nest;
waarschijnlijk duurt dit slechts kort en moet men de Kranen eer als
nestvlieders dan als nestblijvers aanmerken.
De Kranen hebben weinig vijanden. De mensch vervolgt ze hier en
daar om hun vleesch, of neemt de jongen uit het nest om ze groot
te brengen. Zij wennen licht aan de gevangenschap, sluiten met hun
verzorger een innigen vriendschapsbond en verschaffen hem genoegen door
hunne sierlijke bewegingen, hun lieftalligen aard en hun verwonderlijke
schranderheid. Het is niet moeielijk hen er aan te gewennen vrij uit
en in te vliegen; ook telen zij in de gevangenschap voort.
De Kraan, veelal Kraanvogel, in Limburg Koenekraan genoemd (Grus
communis of Grus cinerea), is de eenige soort van zijn geslacht, die
ons land op den doortrek bezoekt, meestal in October en November,
soms ook in 't voorjaar (Februari tot Mei). De hoofdkleur der
volwassen Vogels is fraai aschgrauw; wit zijn echter de wangen en
de zijden van den hals; zwart de teugels, de keel en een groot deel
van den onderhals, een groote vlek in den nek, de handpennen en
de spitsen der achterste armpennen (die sikkelvormig verlengd en
grootendeels losbaardig zijn). Het voorhoofd en de kruin zijn met
zwarte, haarvormige veeren bekleed, het achterhoofd is nagenoeg kaal
en rood. De oogen zijn bloedrood; de snavel is grijsgroen, maar de
wortel van den ondersnavel heeft in 't voorjaar een roodachtige tint;
de pooten zijn zwartachtig. Totale lengte 140, staartlengte 21 cM.
Een breede gordel van de Oude Wereld, van het oosten van
Middel-Siberië tot Skandinavië en van de lage toendra tot op de
breedte van Middel-Europa is het broedgebied van den Kraan; uit
Siberië trekt hij door China tot Siam en Indië, uit Europa tot Middel-
en West-Afrika. In Duitschland nestelt hij waarschijnlijk niet anders
dan ten oosten van de Elbe.
De in Oost-Azië voorkomende prachtige Witte Kraan (Grus leucogeranos)
werd eenige malen in Europa geschoten. Met uitzondering van de zwarte
stuurpennen is hij schitterend wit, de naakte kop bloedrood, het oog
lichtgeel, de snavel lichtrood, de poot licht-karmozijnrood. Hij
is 120 cM. lang. In Japan en China wordt deze Vogel in hooge eer
gehouden; men ziet hem op Japansche schilderijen, veelal op takken
van sparreboomen zittend, dikwijls afgebeeld.
De Antigone-kraan (Grus Antigone) uit Trans-Baikalië, die soms in de
steppen van Zuid-Rusland geschoten wordt en dus tot de Europeesche
Vogels behoort, onderscheidt zich van onzen Kraan door het grootere
naakte kopveld en den afgeronden staart.
Vaker dan door de beide laatstgenoemde soorten wordt ons werelddeel
bezocht door de buitengewoon sierlijke Juffer van Numidië [Grus
(Anthropoides) virgo], die in de steppen van Middel-Azië thuis behoort
en naar Zuid-Indië, Middel- en Zuid-Afrika trekt. Zij onderscheidt zich
van hare reeds beschreven verwanten door den korten en ronden snavel,
den geheel bevederden, van achteren met twee lange pluimen versierden
kop; behalve de veeren van den onderhals zijn ook de bovendekveeren
van den vleugel verlengd; zij zijn niet losbaardig of gekroesd, maar
steken eenvoudig ver voorbij de overige uit. Haar vederenkleed is
bijzonder fijn en grootendeels licht loodkleurig grijs, de voorhals
met zijne afhangende pronkveeren is donkerzwart, de kuifveeren zijn
zuiver wit, de slagpennen grauwzwart. Het oog is hoog karmijnrood,
de snavel aan den wortel vuilgroen, bij de spits hoornkleurig, de
snavelspits zelf lichtrood, de poot zwart. Zij is 85 cM. lang.
Bij zwermen verschijnt onze Kraan in October in Soedan en vestigt
zich hier op groote, boven den waterspiegel uitstekende zandbanken
in de rivieren. In Indië komt hij ter zelfder tijd in aanzienlijken
getale en bewoont dan soortgelijke plekken. In Duitschland ziet
men in 't begin van October en tegen het einde van Maart geregeld
talrijke vluchten van Kranen, die zich in den regel streng houden aan
hun zichtbare, wigvormige rangorde; de hoogte, waarop zij trekken,
is zeer verschillend. "Ik heb ze," schrijft Altum, "niet slechts bij
nevelachtig weer, maar eens ook bij volkomen heldere lucht zeer laag,
ongeveer 50 M. boven den grond zien trekken; in enkele gevallen
daarentegen vliegen zij zoo hoog, dat men een zakverrekijker moet
gebruiken, om ze te herkennen. Hooge gebergten trachten zij op hun
tocht te vermijden. Opmerkelijk is het, dat zij bij ons, in Munster,
een nagenoeg west-oostelijke of oost-westelijke richting volgen
in plaats van een noord-zuidelijke of zuid-noordelijke; in andere
gewesten wijzigen zij echter hun koers." Wanneer de zwerm in wanorde
geraakt, o.a. door een schot, beschrijven de Vogels kringen en vormen
een verwarden hoop. "Meermalen rusten zij onderweg, doch niet op
vast bepaalde plaatsen; allen, die een rustenden Kraanvogelzwerm
zagen, waren steeds zeer verrast over dit hun geheel onbekende
verschijnsel. Deze opmerking geldt echter slechts voor Munsterland. Men
weet, dat zij in vele kuststreken en eilanden van de Middellandsche
Zee in grooten getale neerstrijken." In vroegere jaren werden zij
in Nederland op den trek veel meer algemeen aangetroffen dan thans,
intusschen merkt men ze nog jaarlijks in de groote heidevelden van
Gelderland en Noordbrabant rustende op (Schlegel). In enkele jaren
worden zij echter ook hier te lande in grooten getale waargenomen,
o.a. in October 1889 in Overijsel en Gelderland. "De vrij sterke
zuidoostelijke wind, welke in die dagen heerschte over een groot deel
van Europa, heeft vermoedelijk deze Vogels op hun reis naar 't zuiden
eenigszins van de gewone richting doen afwijken en hen doen dralen
deze voort te zetten" (Albarda).
Voordat zij hun reis naar 't zuiden aanvangen, komen zij, evenals de
Ooievaars, op bepaalde plaatsen bijeen. Zoolang hun verblijf in den
vreemde duurt, blijven zij steeds tot talrijke zwermen vereenigd,
waarin zij ook leden van verwante soorten opnemen. Met hen vliegen
zij gemeenschappelijk iederen morgen naar de velden om hun voedsel te
zoeken, keeren in de voormiddaguren terug; overigens blijven zij den
geheelen dag en nacht op de eilanden in de rivieren en houden zich van
tijd tot tijd bezig met het schoonmaken en ordenen van hunne veeren;
daar zij in dit seizoen ruien, is deze zorgvuldigheid noodig. In
zwermen verlaten zij hunne winterkwartieren en nog vereenigd komen zij
in 't moederland terug; hier echter splitsen de legers zich allengs in
kleinere troepen en deze in paren; ieder paar vestigt zich in een oord,
dat met het oog op de voortplanting goed gekozen is en aanmerkelijk
verschilt van hun verblijfplaats gedurende den winter. In Indië of
in Soedan is de Kraan een strandvogel; in het noorden van Europa of
Azië wordt hij een volslagen moerasvogel. Hij bewoont hier de groote
moerassen van de vlakte en de toendra, waar hij als broedplaats een
plek uitkiest, die met laag sekgras of riet begroeid is, maar toch
een vrij uitzicht toelaat. Van hier vliegt hij uit om de akkers te
bezoeken, die hem nu en gedurende den zomer voedsel moeten verschaffen.
Alle bewegingen van den Kraan zijn fraai en getuigen van een
meer dan gewone begaafdheid. Flink van afmetingen en samenstel,
behendig, scherpzinnig en verstandig als hij is, dragen al zijne
handelingen den stempel van een door groote talenten gerechtvaardigd
zelfvertrouwen. Met lichten, sierlijken, maar toch statigen tred stapt
hij voort, gewoonlijk bedaard en fier loopend, slechts in tijd van
nood haastig rennend; zonder inspanning verheft hij zich met één of
twee sprongen boven den bodem; weinige, ver uitgestrekte slagen met
de krachtige vleugels brengen hem op de vereischte hoogte, gestadig en
zonder overhaasting, maar toch met flinke vaart, den hals naar voren,
de pooten achterwaarts strekkend, vliegt hij regelrecht op het bepaalde
doel af. Toch ziet men dezen Vogel zich niet zelden vermaken met
vroolijke sprongen, dartele gebaren, zonderlinge standen en echte
danspassen, waarbij hij met de vleugels slaat, buigingen maakt,
zich telkens omdraait en met den snavel steentjes en stokjes omhoog
werpt. Ook kan hij met weinig merkbare vleugelslagen gedurende geruimen
tijd om een zelfde punt prachtige kringen beschrijven. Werkelijk
bewonderenswaardig is zijn schranderheid. In uiterst korten tijd
heeft hij zich op de hoogte gesteld van den stand van zaken en in
verband hiermede zijn levenswijze ingericht. Zonder schuw te zijn,
is hij toch buitengewoon voorzichtig en laat zich niet licht in de val
lokken. Nooit verliest hij de zorg voor zijn veiligheid uit het oog;
ieder gezelschap zet wachten uit, die nauwgezet hun taak vervullen;
het zal nooit terugkeeren naar een plaats, waar het verontrust werd,
zonder vooraf verspieders uit te zenden.
Eigenlijk leert men den Kraan nooit naar behooren kennen, zoolang
hij in vrijheid verkeert; men moet hem in gevangen toestand nagegaan
hebben, om over hem te kunnen oordeelen. Zoo voorzichtig hij den
mensch ontwijkt, terwijl hij vrij is, zoo innig geraakt de tamme
Kraan aan zijn meester gehecht. Met uitzondering van de schranderste
Papegaaien, is er geen enkele Vogel, die op gelijke wijze als hij
met den mensch verkeert, diens gebaren leert begrijpen en zich zoo
goed verstaanbaar en verdienstelijk weet te maken. Hij beschouwt
zijn meester niet eenvoudig als verzorger, maar ook als vriend
en beijvert zich dit te toonen. Gemakkelijker dan iedere andere
Vogel geraakt hij gewoon aan het erf, aan het huis van zijn heer,
leert hier elke kamer, elke ruimte kennen, den tijd bepalen en de
verhouding beoordeelen waarin andere menschen of dieren tot zijn
gastheer staan. Hij toont een bewonderenswaardig begrip van orde,
duldt geen twist onder het pluimvee, hoedt het vee, zonder dat zulks
hem gelast wordt, als een goed afgerichte Hond, straft door berispend
geschreeuw of gevoelige snavelbeten en beloont door vriendelijke
gebaren, buigingen en danspassen. Hij sluit vriendschap met menschen,
die hem genegenheid betoonen en zoekt hun gezelschap; hij duldt echter
geen beleediging en toont maanden, ja zelfs jaren lang wrok over een
ongepaste bejegening. Gezelligheid schijnt voor hem een behoefte te
zijn; hij is echter keurig op zijn gezelschap. De echtgenooten zijn
elkander onveranderlijk getrouw; voor hunne kinderen gevoelen zij
de warmste genegenheid; aan soort-, geslachts- en familiegenooten
betoonen deze Vogels een zekere hoogachting. Toch komt het voor, dat
Kranen uit minnenijd gedurende den trek of bij andere samenkomsten
toornig op elkander worden en vol woede strijden. Men heeft in
diergaarden meer dan eens een bitteren haat opgemerkt tusschen Kranen
van verschillende soorten; soms heeft de een den anderen gedood. Toch
behooren zulke gebeurtenissen tot de uitzonderingen, want eigenlijk
zijn de Kranen wel plaagziek en moedig, maar niet boosaardig, valsch
en arglistig. Hun stem is zeer luid, gewoonlijk een schetterend, soms
juichend, soms ratelend klinkend "groe" of "koer"; in moerassen of op
open plekken in het woud brengen zij ook een geluid voort, waardoor
iemand, die het voor de eerste maal hoort, verschrikt kan worden,
omdat het dikwijls veel gelijkt op een vreeselijk hulpgeschreeuw.
Onze Kraan eet graan en zaden, grassprietjes en landbouwplanten,
vooral graag erwten; soms eet hij vruchten of pikt Wormen en Insecten
op, vooral Kevers, Sprinkhanen, Krekels en Libellen; af en toe vangt
hij een Kikvorsch of een andere Amphibie. In de gevangenschap geraakt
de Kraan aan de meest verschillende voedingstoffen gewoon.
Onmiddellijk na zijn aankomst in het vaderland neemt het Kraanvogelpaar
bezit van het moeras, waarin het van plan is te broeden en duldt
binnen een zekeren kring geen tweede paar, hoewel het iederen
voorbijtrekkenden zwerm met luid geschreeuw begroet. Eerst als de
moerassen groener worden en de struiken in 't blad komen, beginnen
de beide Vogels een nest te bouwen. Veel moeite besteden zij hieraan
niet: dorre rijsjes worden op een eilandje, een sekgraspol, een
platgetrapten struik of een andere verhevenheid bijeengebracht,
droge halmen en rietbladen, cypergrassen, biezen en grassen in meer
of minder groote hoeveelheid hier opgestapeld en het midden van den
hoop een weinig uitgehold. In dit kuiltje legt het wijfje 2 groote,
langwerpige eieren met dikke, grof korrelige, bijna glanslooze schaal;
deze vertoont op grijsachtig groenen, bruinachtigen of lichtgroenen
grond een teekening, die uit grijze en roodachtig grijze ondervlekken,
met roodbruine en donkerbruine bovenvlekken, stippels en krullen
bestaat, doch overigens sterk varieert. Het mannetje en het wijfje
broeden om beurten en verdedigen hun kroost tegen een naderenden
vijand; zij doen dit gezamenlijk, wanneer diegene, welke niet broedt,
maar de wacht houdt op het oogenblik van den aanval, dezen niet
alleen kan afslaan. Zij hebben er merkwaardig goed slag van om zich
gedurende den broedtijd aan het oog van den waarnemer te onttrekken
en de plaats waar zij nestelen, niet te verraden.
"Men komt niet verder dan tot het bloote vermoeden," zegt Naumann,
"dat deze door zijn groote in 't oog vallende Vogel ergens in het
moeras zijn nest moet hebben; de plaats waar het gelegen is, weet
hij steeds te verbergen; bij het gaan naar het nest neemt hij reeds
op grooten afstand een gebogen houding aan en blijft voortdurend
gedekt tusschen struiken en hooge kruiden: bij 't naderen van een
rustverstoorder sluipt hij op even geheimzinnige wijze weg; zichtbaar
wordt hij eerst, als hij ver van het nest in het open moeras opvliegt;
soms, wanneer het geraas niet al te dichtbij komt, verlaat hij het
nest in 't geheel niet. Niet minder moeielijk is het bereiken van het
nest door het diepe moeras heen, wanneer een gelukkig toeval tot de
ontdekking van het plekje heeft geleid." Bovendien maakt de Kraan
zich in dezen tijd op een eigenaardige wijze onkenbaar. "Eens,"
verhaalt E. von Homeyer, "lag ik in een veilige hinderlaag naast
een moeras, dat door een paar Kranen bewoond werd en keek naar de
bevallige bewegingen van de beide schrandere Vogels, toen het wijfje,
dat geen bespieders in haar nabijheid vermoedde, met terzijdestelling
van de schroomvalligheid van haar soort en van haar sekse, haar
toilet begon te verfraaien. Zij nam een zekere hoeveelheid slijk in
haar snavel en bestreek zich hiermede den rug en de vleugeldekveeren,
zoodat deze deelen van haar kleed de fraaie, blauwachtig aschgrauwe
kleur verloren en een doffe, aardachtig grijsbruine tint aannamen. Uit
liefde voor de wetenschap schoot ik het fraaie dier en vond de veeren
van het bovenlijf zoo volkomen doordrongen met kleurstof, dat het mij
onmogelijk was deze door de zorgvuldigste wassching te verwijderen;
misschien had het speeksel er toe medegewerkt om haar zoo innig met
de veeren te verbinden. Hierdoor was in een oogenblik de verklaring
verkregen van een verschijnsel, dat ik jaren lang te vergeefs had
trachten op te helderen: de eigenaardige kleur van den Kraan gedurende
den broedtijd. Alleen in dezen tijd merkt men de bedoelde verkleuring
op; de veeren, die de verkleurde bij het ruien vervangen, hebben het
gewone uitzicht; op het kleed van geen der uit het noorden komende
Kranen, die door Duitschland trekken, treft men roestplekken aan, omdat
zij hunne kleine veeren reeds gewisseld hebben." Door het scheikundige
onderzoek werd deze verklaring in alle opzichten bevestigd.
De Kroonkraan [Grus (Balearica) pavonina], heeft tot kenmerken een
krachtigen romp, een middelmatig langen hals, een grooten kop, een
middelmatig langen, kegelvormigen snavel, een langen loop en een
goed gevuld vederenkleed. Het voorste gedeelte van de kruin wordt
ingenomen door een fluweelachtige pluim; de kroon op den achterkop
bestaat uit borstelvormige, over hun geheele lengte schroefsgewijs
gekronkelde, naar boven in alle richtingen uiteenwijkende draden;
de veeren van hals en voorborst zijn verlengd, de bovendekveeren
van den vleugel losbaardig, de dikke, gezwollen wangen en de keel
naakt. De hoofdkleur van het kleed is zwart, de kroon goudgeel
met zwart gemengd; de vleugeldekveeren zijn zuiver wit, de eerste
schouderveeren roestkleurig bruin, de laatste goudgeel. Het oog is wit,
het bovenste deel van de wang licht vleeschkleurig, het onderste deel
hoogrood, de snavel zwart, aan de spits witachtig, de voet zwartachtig
grijs. Gedurende het leven vertoonen de veeren een blauwachtig waas,
waardoor deze een grijsachtige tint verkrijgen. Totale lengte 99,
staartlengte 22 cM.
Het vaderland van dezen Vogel in Middel-Afrika wordt naar 't noorden
begrensd door den parallelcirkel van 16° N.B., oostwaarts en westwaarts
door den Oceaan. In Zuid-Afrika wordt hij door een nauw verwante
soort vervangen. Hier bewonen deze Vogels bij paren of troepen de
met kreupelhout bedekte, lage rivieroevers of de niet zeer dicht
begroeide wouden; zij begeven zich echter dagelijks naar de eilanden
in den stroom om hier te drinken en te dansen. Gedurende den regentijd
ontmoet men ze bij paren, in andere tijden van het jaar in troepen,
die soms uit meer dan 100 stuks bestaan. Deze zwermen voegen zich
ook wel bij de in Soedan overwinterende scharen van Gewone Kranen en
Juffers van Numidië.