kroon. In den regel gaat hij langzaam; beangst zijnde kan hij echter
zoo snel loopen, dat een mensch zich zeer moet inspannen om hem in te
halen. Vóór het opvliegen rent hij met geopende vleugels een eind weegs
over den grond voort en verheft zich eerst daarna in de lucht. Hij
vliegt langzaam: de vleugelslagen zijn afgemeten, de hals wordt ver
vooruitgestoken, de kroon naar achteren neergelegd. Juist bij 't
vliegen vertoont de Kroonkraan zich in zijn volle pracht, omdat zijne
beide hoofdkleuren, zwart en wit, dan het best uitkomen. Wie hem eens
gezien heeft, kan hem niet met een anderen moerasvogel verwarren. Ook
gedurende het loopen levert de Kroonkraan een aantrekkelijk schouwspel
op, vooral wanneer hij zich over een groene vlakte of tusschen groene
struiken beweegt. Hoogst eigenaardig zijn de danspassen, die bij hem
steeds als een bewijs van opgewondenheid gelden. Kroonkranen, die
zich op een zandige vlakte bevinden, beginnen te dansen, zoodra een
ongewoon verschijnsel hun aandacht trekt, zoodra een hunner het groote
gezelschap ontmoet, enz. De danser springt niet zelden 1 M. boven den
grond, opent intusschen de vleugels een weinig en zet de voeten dansend
neer, niet altijd beide te gelijk, maar soms den eenen na den anderen.
De klank van zijn luide stem wordt door zijn Arabischen naam "Rharnoek"
tamelijk juist nagebootst; zij is in het woud op een afstand van 2
KM. hoorbaar.
Zijn voedsel bestaat bijna uitsluitend uit zaden van velerlei planten,
vooral van grassen, uitsluitend uit doerra of Kaffergierst, zoodra dit
graan rijp is; bovendien eet hij boomknoppen, jonge grassprietjes,
vruchten en Insecten, bij uitzondering misschien ook schelpdieren
en kleine Visschen; hij toont echter niet, dat hem iets ontbreekt,
wanneer hij dit voedsel moet missen.
Reeds sedert lang wordt deze fraaie en opzichtige Vogel door de
bewoners van West-Afrika getemd en bijgevolg ook dikwijls naar Europa
gebracht. Met Hoenderen en met andere moerasvogels leeft hij in zeer
goede harmonie; zijn meester verwelkomt hij nu en dan met vroolijke
dansen. In de diergaarden trekken de Kroonkranen sterk de aandacht
van de toeschouwers, omdat zij in den regel beginnen te dansen,
als zij muziek hooren.
De Trompettervogels (Psophiidae), die de tweede familie van de orde
der Kraanvogels vormen, hebben een gewelfden snavel, die korter is
dan de kop, hooge pooten, welker lange loop van voren en van achteren
met half-ringvormige schilden bekleed is en 4 korte teenen draagt: de
buitenste en de middelste voorteen zijn aan hun oorsprong door een kort
spanvlies verbonden, de zeer korte achterteen raakt slechts met den top
den grond aan. De vleugels zijn kort en gewelfd, de schouderveeren
veelal verlengd, breed en losbaardig, evenals de veeren van 't
achterste deel van den rug, die over den korten staart heenhangen;
het vederenkleed is over 't geheel uit groote veeren samengesteld,
aan den kop en den hals fluweelachtig, aan de onderzijde donzig.
Bij den Agami (Psophia crepitans) zijn de kop, de hals, de bovenrug,
de vleugels, de benedenborst, de buik en de stuit zwart, de veeren van
de vleugelbocht purperzwart met blauwen of groenachtigen weerschijn,
de okselveeren in de jeugd olijfbruin, bij de volwassenen lood- of
zilverkleurig grijs, de onderhals en de bovenborst staalblauw met
metaalachtigen weerschijn. Het oog is roodbruin, de naakte ring om
het oog vleeschkleurig, de snavel groenachtig wit, de voet geelachtig
vleeschkleurig. Totale lengte 52, staartlengte 3 cM.
De Agami bewoont Zuid-Amerika ten Noorden van den Amazonenstroom
(ook Suriname); aan gene zijde van den reusachtigen stroom wordt hij
door verwanten vervangen. Hij houdt zich uitsluitend in de wouden
op, hier echter overal en in talrijke scharen, die uit 100 à 200
stuks bestaan. Deze troepen loopen, zoolang zij niet gestoord worden,
langzaam en statig rond en vermaken zich met vroolijke en potsierlijke
sprongen; zij kunnen echter zeer snel loopen en zijn eigenlijk tot
geen andere beweging in staat, daar hun vliegvermogen gering is. Als
zij verschrikt worden, laten zij hun zonderlinge stem weerklinken:
eerst een schelle, woeste kreet, daarna een dof, trommelend gedruisch,
dat met gesloten snavel voortgebracht wordt, een minuut lang aanhoudt,
meer en meer verzwakt en daarom van steeds grooteren afstand schijnt
te komen, maar niet onaangenaam klinkt; hierop volgt een pauze van
weinige minuten, waarna het schreeuwen en het buikspreken herhaald
wordt. Te recht wordt dit vreemdsoortig geluid aan den eigenaardigen
vorm van de luchtpijp toegeschreven. Deze is daar, waar zij in de
borstkas doordringt, vernauwd en staat aan weerszijden met twee
vliezige, halfbolvormige zakken in gemeenschap, waarvan de rechter,
die de grootste is, uit drie of vier kamers bestaat.
Als voedsel gebruikt hij vruchten en zaden. De jongen geven de voorkeur
aan Wormen en Insecten; de ouden kunnen aan het eten van allerlei
soorten van graan en brood gewend worden. Men vindt den Agami in alle
nederzettingen van Indianen in een toestand van volkomen vrijheid,
gewoonlijk als bewaker en beheerscher van het overige pluimvee. Hij
leert de menschen, die zich met hem bemoeien, onderscheiden en
liefhebben, gehoorzaamt aan de roepstem van zijn meester, volgt hem
als een Hond, gaat voor hem uit of danst met vroolijke sprongen om
hem heen, toont groote blijdschap, als zijn gebieder na langdurige
afwezigheid weder terugkomt en is ijverzuchtig op andere dieren,
die met hem in de gunst van zijn heer deelen. Een Agami in den
Acclimatisatie-tuin te Parijs voerde een troep Hoenderen aan, alsof
hij hun meester was, riep hen bij zich en klokte. Naar men verhaalt,
bewaken deze Vogels soms, evenals de Kranen, de schapenkudden in
de weide.
De 2 leden van de derde familie--de Slangenkranen
(Dicholophidae)--herinneren in sommige opzichten aan den Secretaris
en werden daarom vroeger met dezen in dezelfde familie vereenigd. Hun
snavel is iets korter dan de kop, slank, bij den wortel recht, bij
de spits gebogen en haakvormig, niet ongelijk aan een langwerpigen
roofvogelsnavel; zij staan zeer hoog op de pooten; deze zijn ver
boven het spronggewricht onbevederd en hebben een langen loop;
de korte teenen zijn gewapend met dikke, sterk gekromde en spitse
klauwen, welke eveneens aan die van een Roofvogel herinneren. De
vleugels zijn kort, maar hard en krachtig, in rust door de verlengde
schouderveeren aan den bovenrand bedekt; de uit 10 pennen bestaande
staart is lang en sterk afgerond; de veeren van het voorhoofd zijn
tot een rechtopstaande kuif verlengd, de korte, eironde neusgaten in
een borstelig bevederde neusgroeve gelegen.
Het vederenkleed van den Seriema (Dicholophus cristatus) is grijs,
met fijne, lichte en donkere, dwars gerichte zigzagvormige golflijnen
geteekend; de verlengde veeren van kop en hals zijn zwartbruin,
de slagpennen bruin, op de binnenvlag met witachtige dwarsbanden
afwisselend, de handpennen ook wit aan den top. Het oog is licht
zwavelgeel, de teugel grijsachtig vleeschkleurig, de naakte ring om
het oog blauwachtig, de snavel koraalrood, de voet van voren roodachtig
bruin, aan de zijden steenrood. Totale lengte 82, staartlengte 31 cM.
De Seriema is over een groot deel van Zuid-Amerika verbreid en bewoont
de groote, open velden of Campos van het binnenland van Brazilië,
waar, op zacht glooiende, met gras begroeide hoogten of vlakten,
enkele struiken voorkomen. Deze Vogels leven bij paren of zijn, na den
broedtijd, tot familiën van 3 of 4 stuks vereenigd; alleen dan krijgt
men hen echter te zien, wanneer zij zich niet in 't gras verbergen
kunnen. Hun kleur komt hen in de dorre steppen zeer goed te pas. Zoodra
zij gedruisch hooren, bukken zij zich, heffen slechts nu en dan den
kop een weinig op en loopen vervolgens snel tusschen de halmen weg,
zonder zich bloot te geven. Ook hun Argentinische verwant, de Tsjoenja,
laat zich vaker hooren dan zien. In de vrije natuur zoowel als in de
kooi hoort men dikwijls hun luide, ver klinkende stem, die volgens
sommige berichten op het keffen of blaffen van een jongen Hond gelijkt,
volgens Homeyer echter met het gekrijsch van Roofvogels overeenkomt.
Hun voedsel bestaat voornamelijk uit de Insecten van de Campos, hoewel
zij ook vele Slangen, Hagedissen en dergelijke dieren verslinden. Zij
worden daarom door de Brazilianen hooggeacht; het is bij de wet
verboden hen te dooden. Hoewel hun vleesch wit is en even goed smaakt
als dat van Hoenderen, worden zij slechts zelden gejaagd. Dit kan het
best geschieden door ze te paard in den draf te vervolgen en niet uit
het oog te verliezen; want, als zij aanhoudend in een grooten kring
worden nagezet en hun steeds de vlucht in de struiken wordt belet,
worden zij ten slotte zoo afgemat, dat het mogelijk is hen met den
lazo of met de hand te vangen.
De familie van de Zonnerallen (Eurypygidae) bestaat uit twee zeer
eigenaardige Zuid-Amerikaansche Vogels. Zij kenmerken zich door een
geringe grootte, een slanken romp, een tamelijk langen, dunnen hals,
een reigerachtigen kop, een langen, rechten, dikken, harden en spitsen,
zijdelings samengedrukten, op den rug flauw gewelfden snavel, hooge,
slanke voeten met tamelijk goed ontwikkelden achterteen, zeer breede,
groote vleugels, een uit groote, breede veeren samengestelden staart
en een overvloedig, los aanliggend, zeer bont gekleurd vederenkleed.
Over het leven van den Zonneral (Eurypyga helias) in de vrije
natuur heeft men eerst door de berichten van reizigers uit den
laatsten tijd eenige kennis gekregen; met hun levenswijze in de
gevangenschap is men in de diergaarden te Londen en te Amsterdam
bekend geworden. Deze Vogel, die niet geheel ten onrechte met een
grooten, bevederden Vlinder vergeleken werd, leeft in het noordelijk
deel van Zuid-Amerika, van Guyana tot Peru en van Ecuador tot aan de
provincie Goyaz in Middel-Brazilië, aan de zeekust of aan rivieroevers;
vooral is hij veelvuldig aan den Orinoko, den Amazonenstroom en de
rivieren van Guyana. Het sierlijke, grijs, geel, groen, zwart, wit en
bruin gekleurde vederenkleed maakt de Zonneral tot een der fraaiste
bewoners van deze aan prachtige Vogels zoo rijke gewesten. Vooral
wanneer hij zijne vleugels en staart als een Kalkoen uitspreidt en in
de zonnestralen laat spiegelen en schitteren, ziet hij er bekoorlijk
uit. Hij komt in de wouden op zonnige plaatsen, meer bepaaldelijk
echter aan de oevers van rivieren voor, meestal alleen, zeldzamer
paarsgewijs. Zijn voedsel bestaat uit Vliegen en andere Insecten,
die hij zoo behendig vervolgt, dat zij hem zelden ontkomen. Hij moet
gemakkelijk te temmen zijn, daar men hem in alle nederzettingen
van Indianen en ook in de woonplaatsen der in zijn vaderland
gevestigde Europeanen getemd aantreft; hij wordt hier als huisdier
zeer geschat. Aan den Amazonenstroom noemt men hem Pavaone ("Pauw")
en roept hem ook bij dezen naam; hij volgt zijn meester als een hondje.
De familie der Ralkranen (Rhinochetidae) omvat slechts één tot
Nieuw-Caledonië beperkte soort--de Kagoe (Rhinochetus jubatus). Deze
Vogel herinnert, wat het uiterlijk betreft, zoowel aan de Reigers als
aan de Rallen en de Pluvieren, door zijn lichaamsbouw is hij het naast
verwant aan de Zonnerallen. De snavel is even lang als de kop en zwak
gekromd; de loop langer dan de middelste voorteen; de staart kort en
afgerond. Het losse vederenkleed is van boven blauwachtig aschkleurig,
van onderen licht roestbruin, de slagpennen zijn zwart, de stuurpennen
grijs met roodbruine spitsen; borstelvormige veeren hangen over de
kokervormige neusgaten heen; de achterkop is met een kuif versierd. Hij
voedt zich met Slakken en Insecten en is ongeveer 65 cM. lang.
Tot de familie van de Oerkranen (Aptornithidae) rekent men eenige
uitgestorven soorten die Nieuw-Zeeland bewoonden. In grootte
evenaarden zij de reeds genoemde Dinornis-soorten waarmede zij ook
door de uiterst geringe ontwikkeling der geheel onbruikbare voorste
ledematen overeenstemden.