De Rallen zijn wereldburgers; zij bewonen moerassige of alth

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed

Proofreading Team at https://www.pgdp.net/

VIJFDE ORDE.

DE RALVOGELS (Phalaridornithes).

In vele opzichten herinneren de Ralvogels aan de Hoenderen, in enkele

aan de Kranen. "Nestvlieders" als gene, hebben zij, evenals deze,

"waadpooten", d.z. pooten, waarvan niet slechts de loop, maar ook

een deel van 't onderbeen naakt is. De andere eigenschappen, die

zij gemeen hebben, zullen genoemd worden bij de beschrijving van

de kenmerken der familiën. Van deze bevat de orde er vier, verdeeld

over twee groepen: de Moerashoenderen (Fulicariae) en de Hoenrallen

(Hemipodii), die gezamenlijk één onderorde (Ralliformes) vormen. Tot de

eerste groep behoort, behalve de soortenrijke familie der Ralachtigen

(Rallidae) ook de soortenarme familie der Koetfuuten (Heliornithidae);

de tweede groep omvat de kleine familiën van de Steltrallen (Mesitidae)

en van de Snipkwartels (Turnicidae).

De snavel van de Ralachtigen (Rallidae) is meestal middelmatig lang;

de hoogte overtreft de breedte; de zachte huid, die den snavelwortel

bekleedt, omsluit de smalle, in lange neusgroeven gelegen neusgaten,

en neemt naar de spits in hardheid toe. De vleugels en de staart zijn

kort, gene afgerond, deze uit 12, meestal zachte pennen samengesteld;

de bovendekveeren zijn niet verlengd. De middelmatig lange loop

draagt lange teenen en klauwen; de achterteen is goed ontwikkeld en

rust over zijn geheele op den grond, daar hij op gelijke hoogte met

de voorteenen aan den loop is gehecht.

De Ralachtigen leven bij en in moerassen of andere stilstaande wateren

van kleine waterdieren, zaden en andere plantaardige stoffen; zij

nestelen bij het water in het riet en leggen 3 à 12 eieren. De jongen

zijn bij het verlaten van het ei met dons bekleed en in staat om zich

zelf te redden.

De Ralachtigen bewonen een zeer uitgestrekt gebied; vele geslachten

van deze familie zijn kosmopolitisch, verscheidene soorten over

de halve wereld verbreid. Sommige, op afgelegen eilanden wonende

soorten hebben het vermogen om te vliegen verloren. Dit geldt van

de nog levende Gallinula nesiotis (het Waterhoentje van Tristan

d'Acunha) en Notornis Mantelli (een Nieuw-Zeelandsche Vogel ter

grootte van een Gans), voorts van verscheidene uitgestorven vormen,

o.a. Notornis coerulescens (die op Réunion) en Notornis alba (die op

Norfolk-eiland en Lord-Howe's-eiland bij Nieuw-Zeeland geleefd heeft),

ook van Leguatia gigantea (een witte Vogel, zoo hoog als een Struis,

die tot aan het einde der 17e eeuw op Mauritius gevonden werd).

Ruim 150 soorten van Ralachtigen zijn bekend; deze worden verdeeld over

twee onderfamiliën: de Waterhoenderen (Gallinulinae, met ongeveer 40)

en de Echte Rallen (Rallinae, met ongeveer 110 soorten).

De Waterhoenderen (Gallinulinae) zijn kenbaar aan de naakte

voorhoofdsplaat achter den korten, meestal krachtigen, hoogen, dikken,

op den rug gebogen snavel. De kop is groot, de hals middelmatig lang,

de romp forsch; de voeten zijn stevig en middelmatig hoog, de teenen

zeer lang en vrij of aan de zijden met vliezige lobben bezet, de

vleugels en de staart zeer kort; zij hebben een goed gevuld, zacht,

waterdicht, meestal effenkleurig vederenkleed.

Alle soorten van deze onderfamilie bewonen meren, die rijk zijn aan

rietachtige waterplanten, groote moerassen en broeklanden, plassen en

met planten begroeide rivier-oevers; met uitzondering van de Koeten

leven zij altijd bij en in zoetwater; zij bewegen zich veel in het

riet en nog meer op den met planten bedekten waterspiegel, zijn in

het loopen minder ervaren dan de Rallen, overtreffen deze echter door

hun geschiktheid voor 't zwemmen en duiken, maar hebben, evenals zij,

een plompe, onvaste en vermoeiende wijze van vliegen. Ook zij zijn

niet zeer verdraagzaam, maar verdedigen met moed en vol ijverzucht het

door hen gekozen gebied tegen indringers van hun soort en ook wel tegen

andere Vogels. Kleine Vogels vallen zij met moordzuchtige bedoelingen

aan; voor jonge nestvogels zijn zij zeer gevaarlijk. Daarentegen

zijn het mannetje en het wijfje zeer aan elkander en aan hun kroost

gehecht. Hun kunsteloos, van riet en andere waterplanten gebouwd

nest wordt altijd in of althans in de nabijheid van het riet gebouwd,

dikwijls zóó, dat het op den waterspiegel rust. Het broedsel bestaat

uit 4 à 12 eieren, welker gladde schaal gevlekt en gestippeld is. De

jongen komen met een zeer sierlijk, donker gekleurd dons bekleed ter

wereld. Na den broedtijd verlaten ouden en jongen gemeenschappelijk

hun vaderland en begeven zich naar zuidelijkere of in een ander

opzicht gunstiger gelegen gewesten.

Daar het voedsel van de Waterhoenderen grootendeels uit plantaardige

stoffen bestaat, kunnen alle soorten gemakkelijk in de kooi gevoed en

hier jaren lang in 't leven gehouden worden; men kan ze leeren vrij uit

en in de kooi te gaan, zonder dat zij pogingen doen om te ontvluchten;

zij volgen hun verzorger op den voet en worden alleen hierdoor lastig,

dat zij, althans de grootste soorten, jonge huisvogels overvallen

en dooden.

Dit wild, hoewel minder smakelijk dan dat van andere moeras- en

watervogels, geeft toch na behoorlijke toebereiding een bruikbaar

gerecht. Ook door de schade, die enkele soorten aanrichten in oorden,

waar zij zeer veelvuldig zijn, wordt haar vervolging door den mensch

gerechtvaardigd. Bovendien hebben deze Vogels veel te lijden van

roofdieren, vooral van Valken, hoewel zij door behendig te duiken

en zich in 't riet te verbergen dikwijls aan hunne vijanden weten

te ontkomen.

Teenen, die met breede, gelobde zwemvliezen omzoomd zijn, komen voor

bij de Koeten (Fulica) en onderscheiden haar van alle andere Ralvogels

(behalve de Koetfuuten). Haar romp is krachtig en zijdelings weinig

samengedrukt; de rechte, hooge snavel is korter dan de kop en met

een groote, gezwollen voorhoofdsplaat verbonden; de zijdelings

samengedrukte staart is zeer kort en onder de dekveeren verborgen,

het vederenkleed zeer dicht.

Een algemeen bekende vertegenwoordiger van dit geslacht is de Meerkoet,

in Friesland Meerkol, in 't Friesch Markol, bij Oirschot Meerkoot,

in Cadzand Marolle genoemd (Fulica atra). Het vederenkleed is bij

de oude Vogels nagenoeg effen leikleurig zwart, op den kop en den

hals donkerder, op de borst en de buik lichter dan op den rug. Het

oog is lichtrood, de snavel met de voorhoofdsplaat schitterend wit;

de voet is groenachtig, langs den voorrand met gele tint, overigens

en op de teenen loodkleurig. De jongen zijn grootendeels zwartachtig

olijfbruin, van de keel tot op den krop witachtig. Het donskleed

bestaat op den bovenkop uit roode, op alle overige lichaamsdeelen

uit zwarte, wolachtige veeren. Totale lengte 47, staartlengte 8 cM.

In Europa en Middel-Azië komt de Meerkoet overal voor, bovendien

treft men haar 's winters in geheel Afrika, Zuid-Azië en Australië

aan. Bij ons broedt zij overal op meren, plassen, poelen, veenputten,

enz.; vroeger was zij echter op vele plaatsen talrijker dan thans;

in het najaar zag men haar dikwijls in groote menigte op het IJ;

nog treft men haar in dit seizoen in onze groote wateren aan. Toch

mijdt zij in den regel zoowel de zee, als de stroomen en rivieren;

het liefst vestigt zij zich bij meren en plassen, welker oevers met

riet en dergelijke hooge planten begroeid zijn. In den winter bewoont

zij de strandmeren en waterrijke moerassen van Zuid-Europa, Noord- en

Middel-Afrika en maakt geen onderscheid tusschen zoet en zout water. De

Meerkoeten verschijnen hier te lande in de lente, zoodra sneeuw en

ijs gesmolten zijn, soms vroeger, soms later (gewoonlijk in Maart

of April), blijven gedurende den geheelen zomer in dezelfde streek,

beginnen in den herfst te zwerven, vereenigen zich, in tegenstelling

met hare verwanten, tot talrijke zwermen op groote watervlakten,

trekken in October en November naar het zuiden en overwinteren op

plaatsen, waar zij open water vinden, soms zelfs in Middel-Europa.

Zooals hare zwemvoeten doen vermoeden, beweegt de Meerkoet zich

bij voorkeur op het water. Toch betreedt zij niet zelden het land,

vooral in de middaguren om hier uit te rusten en hare veeren in orde te

brengen. Zij loopt op den vlakken grond tamelijk goed, hoe ongeschikt

hare bewegingsorganen voor dit doel ook schijnen; zij zwemt echter

veel vaker en langer. Hare voeten zijn uitmuntende roeiwerktuigen,

want, wat er aan de breedte van het zwemvlies ontbreekt, wordt door

de lengte der teenen geheel vergoed. In het duiken wedijvert zij met

vele Zwemvogels; zij daalt tot een aanzienlijke diepte af en roeit met

behulp van hare vleugels een groot eind weegs onder water verder. Zij

vliegt iets beter dan het Waterhoentje, maar altijd toch tamelijk

slecht; zij maakt daarom slechts zelden van hare vleugels gebruik en

geeft zich, voordat zij opvliegt, een zekere snelheid, door fladderend

over het water te loopen en met de voeten zoo krachtig tegen het water

te slaan, dat men het geplas op grooten afstand kan hooren. Haar stem

is een doordringend, als "köw" of "kuuw" klinkend geluid, dat bij drift

twee of driemaal snel herhaald wordt en dan wel eenigszins gelijkt op

het geblaf van een hondje; bovendien hoort men van haar een korten,

harden op "piets" gelijkenden toon en soms een dof geknetter.

In aard verschilt zij in vele opzichten van het verwante Waterhoentje;

zij is even weinig schuw, maar toch voorzichtig en houdt zich lang

op den achtergrond, voordat zij gemeenzaam wordt, leert de menschen

kennen en onderscheiden, vestigt zich daarom niet zelden in de

onmiddellijke nabijheid van woningen, vooral van molens, hoewel zij

over 't algemeen de nabijheid van den mensch meer vermijdt dan haar

genoemde verwant. Gedurende den broedtijd bewoont ieder paar een

bepaald gebied, waar het geen anderen duldt; onmiddellijk daarna

vereenigen de gezinnen zich tot gezelschappen, die langzamerhand

aangroeien tot ontzaglijke zwermen; in de winterkwartieren zijn de

meren, die het meeste voedsel opleveren, soms over een werkelijk

onafzienbare uitgestrektheid met deze Vogels bedekt. Ook hier zien

deze gezelschappen niet gaarne andere Zwemvogels bij zich en trachten

vooral de Eenden weg te jagen.

Waterinsecten in alle levenstijdperken, Wormen, kleine Schaaldieren

en allerlei plantaardige stoffen, die de Meerkoet van den waterspiegel

afzoekt of van den bodem opduikt, vormen haar voedsel.

Overal waar de Meerkoet een kleinen vijver tot woonplaats heeft

gekozen, begint zij na haar terugkomst een nest te bouwen. Dit

bevindt zich in den regel aan den waterkant in of bij het riet; het

rust dikwijls op omgeknikte riethalmen of andere stengels, maar niet

minder vaak op den waterspiegel. Omstreeks het midden van Mei bevat

het 7 à 15 groote eieren met stevige en fijne, glanzige schaal, die

op het licht leemkleurig gelen of bleek geelbruinen grond zeer fijn

met donker aschgrauwe, donker- en zwartbruine stippeltjes en vlekken

geteekend zijn. 20 of 21 dagen later komen de jongen uit den dop,

die zich, zoodra zij droog geworden zijn, te water begeven.

Hoewel het vleesch van de Meerkoet nog slechter smaakt dan dat van

het Waterhoentje, wordt zij op sommige plaatsen toch ijverig gejaagd.

Om de Meerkoet in gevangenschap te houden, moet men haar een grooten

waterbak of een vijver als woonplaats kunnen aanwijzen. In dit geval

leveren haar voortdurende bedrijvigheid zoowel als haar strijdlust en

moed bij ontmoetingen met andere Vogels een aardig schouwspel op. Als

men haar niet stoort, zal zij zich hier ook voortplanten en kan men

dus de levenswijze van de aardige kuikentjes zonder moeite nagaan.

De Waterhoentjes (Gallinula) verschillen van de Meerkoeten vooral door

het gemis van zwemvliezen aan de lange, met een breeden zool voorziene

teenen. De snavel loopt naar achteren in een voorhoofdsplaat uit, is

eveneens recht, zijdelings samengedrukt en kegelvormig, doch langer

en aan den zijrand met fijne tandjes voorzien.

Het gewone Waterhoentje, in Friesland Riethennetje, in 't Friesch

Reithoantje en Reithintje genaamd (Gallinula chloropus), heeft ondanks

zijn eenvoudig kleed een zeer bevallig voorkomen. De mantel en de

benedenrug zijn donker olijfbruin, de overige veeren donker leikleurig;

de veeren van de zijden van den romp zijn op de buitenvlag wit, de

achterbuik is wit gemarmerd; van de onderdekveeren van den staart zijn

de middelste zwart, de overige wit. Het oog heeft om de pupil eerst

een gelen, daarna een zwartachtig grijzen en eindelijk van buiten

een rooden ring. De snavel is groengeel; bij de volwassen Vogels

heeft de voorhoofdsplaat een fraaie, hoogroode kleur. De lichtgroene

voet heeft boven het spronggewricht een rooden band. Totale lengte 31,

staartlengte 6 cM. De jongen hebben een valere, meer olijfbruine kleur,

wit gemarmerde onderdeelen en grijsbruine oogen.

Ons Waterhoentje wordt in nagenoeg alle werelddeelen aangetroffen; de

standvastig overervende kleurafwijkingen, die in verschillende landen

voorkomen, geven geen aanleiding tot de onderscheiding van soorten. In

Europa is het, behalve in het hooge Noorden, overal gemeen. Bij ons

(en in Duitschland) is het een trekvogel, die in April (of reeds

in het laatst van Maart) komt, dikwijls tot in October blijft en

er zelfs enkel overwintert. Zij trekken waarschijnlijk bij paren

en leggen vermoedelijk de reis grootendeels te voet af. In de lente

komen het mannetje en het wijfje gewoonlijk in denzelfden nacht op

de broedplaats terug.

De meest geliefde verblijfplaats van het Waterhoentje is een kleine

vijver vol kroos en dergelijke geheel of gedeeltelijk drijvende

waterplanten, langs den rand met riet en zeggen begroeid of althans

door struikgewas gedekt. Ieder paartje is er op gesteld een plas

voor zich alleen te bezitten; groote watervlakken worden door

verscheidene paartjes bewoond; ieder heeft zijn eigen gebied en

duldt geen overschrijding van de grenzen. Strijdlustige mannetjes

uit naburige plassen brengen elkander soms een bezoek; de uitslag van

den hieruit voortvloeienden twist is steeds het terugdrijven van den

brutalen indringer, daar het wijfje haar echtgenoot te hulp komt.

Liebe zegt: "Gelijk de Zwaan als zinnebeeld van fiere majesteit kan

gelden, is het Waterhoentje voor ons een toonbeeld van lieftallige

bedrijvigheid. Gemakkelijk herkent men het aan zijn rood voorhoofd

te midden van de andere Watervogels. Slechts weinige van deze toonen

grootere talenten. Zeer behendig duikt het, of fladdert tusschen de

riethalmen rond. Over dag rust het licht op den waterspiegel, met

opgewipt staartje, vlug en bevallig, bijna als een Meeuw, rondzwemmend

tusschen de bladen van plompen en kikkerbeet, nu eens naar rechts,

dan weer naar links grijpend ter verkrijging van een klein, voor ons

onzichtbaar voorwerp, af en toe een bosje hoornblad of duizendblad

van den bodem opduikend en daarna aan den waterspiegel zoekend naar

de hierin aanwezige Schelpdieren en Waterinsecten. Des avonds en

des nachts klimt het gaarne bij het riet omhoog, met de lange teenen

drie of vier stengels te gelijk omvattend; het doet dit bijna zonder

gedruisch. In den paartijd bestijgt het vaak de stompen der knotwilgen,

die den vijver omgeven, en houdt zich hier uren lang bezig. Als het

opgeschrikt wordt, loopt het fladderend over de drijvende bladen van

de waterplanten weg, of duikt, zoodat het uit den vijver verdwenen

schijnt."

Bijzonder goed verstaat het de kunst om zich te verbergen. Zelfs op

een plaats, waar slechts eenige langstengelige waterplanten zijn,

weet het zoo goed weg te kruipen, dat men het niet kan vinden. Als

men voorzichtig bij een hoogen vijverdam opkruipt, waarachter de

Waterhoentjes zich in 't open water ophouden, en plotseling boven

op de kruin van den dijk springt, duiken de verschrikte Vogels

onmiddellijk onder en laten zich niet weder zien. Met aandacht langs

de oppervlakte van het water turend, ziet men dikwijls op een afstand

van slechts weinige schreden, het blad van een waterlelie of plomp

een weinig oprijzen en daaronder het zwarte oog van het Waterhoentje

verschijnen, dat, zonder zich te bewegen, den bladsteel omvat houdt

en, door het blad beschut, slechts een deel van den kop boven den

waterspiegel opheft. Als men de proef vaak herhaalt, zal men ook de

zachte beweging van het blad waarnemen, langs welks steel het hoentje

naar boven klautert, en het juiste oogenblik kunnen treffen, waarin

het de bladschijf voorzichtig optilt.

De stem van het Waterhoentje is luid en krachtig. Zijn loktoon klinkt

als "terr terr", het waarschuwend sein als "ker tet tet", of, indien

het voor de jongen bestemd is, zacht als "koerr koerr". Bovendien

laat het een scherp gekras hooren of een sterk, als "kuurk" klinkend

geluid, dat vrees schijnt uit te drukken; gedurende het trekken hoort

men van dezen Vogel een helder en ver schallend "kek kek".

Het nest rust gewoonlijk op geknikte halmen en bladen van waterplanten

of tusschen verscheidene planten op den waterspiegel, zeldzamer op

een iets droger plekje te midden van het rietveld. Gaarne gebruikt

de Vogel stukjes hout, planken, eendenhuisjes en dergelijke op het

water drijvende voorwerpen als grondslag voor zijn nest. Met het

bouwen houden beide echtgenooten zich bezig; soms geschiedt dit met

eenige zorg, meestal echter slordig.

Het Waterhoentjes-gezin levert een aangenaam schouwspel op. De

jongen zwemmen naast en achter de ouden, begeerig uitziende naar

de Insecten of Wormen, die voor hen gevangen worden en die zij

zoo snel mogelijk in ontvangst nemen. Na weinige dagen hebben zij

geleerd zelf hun voedsel te zoeken, hoewel de ouden hen ook dan nog

leiden, waarschuwen en beschermen. Bij het eerste waarschuwende

geluid verbergen zij zich onmiddellijk. Na verloop van een paar

weken redden zij zich zelf, zoodat de ouden toebereidselen kunnen

maken voor een tweede broedsel. Als ook deze jongen het ei verlaten

hebben en op den waterspiegel verschijnen, wordt het schouwspel nog

aantrekkelijker. De meer dan halfwassen jongen van het eerste broedsel

bejegenen hun pasgeboren broers en zusters vriendelijk en voorkomend,

voorzien hen met voedsel, dat zij hun in den bek stoppen of voor

hen neerleggen, kortom, zij geven hun dezelfde bewijzen van liefde,

als zij vroeger van hunne ouders ondervonden, en als deze thans nog

aan de jongste leden van het gezin betoonen.

Hoewel het Waterhoentje zijn voedsel meer aan de dieren- dan aan

de plantenwereld ontleent en hoofdzakelijk allerlei Insecten,

Kevers, Waterjuffers, Eéndagsvliegen, Waterwantsen, Waterslakken

enz. verslindt, kan het toch gemakkelijk in de kooi gehouden en aan

eenvoudig voedsel gewend worden. Het schikt zich weldra in zijn lot,

sluit vriendschap met zijn verzorger en wordt bijna even tam als

een Purperkoet.

Bij ons wordt op het Waterhoentje geen jacht gemaakt, omdat zijn

vleesch een grondige smaak heeft; in Zuid-Europa echter wordt het

even onmeedoogend vervolgd als zijne verwanten.

Een zeer groote voorhoofdsplaat kenmerkt de Purperkoeten

(Porphyrio). In Europa broedt één soort van dit geslacht. De oude

Grieken en Romeinen hielden bij hunne tempels tamme Purperkoeten,

die als 't ware onder de bescherming van de goden stonden.

De Blauwe Purperkoet (Porphyrio hyacinthinus) heeft het aangezicht

en den voorhals fraai turkooisblauw, de achterkop, den nek, het

onderlijf en de schenkels donker indigoblauw; de onderborst, de rug,

de vleugeldekveeren en de slagpennen zijn helderder indigoblauw;

de stuit is wit. Het oog is lichtrood, door een smallen, gelen ring

omgeven, de snavel en de voorhoofdsplaat zijn prachtig hoog rood,

de voet is roodachtig geel. Totale lengte 47, staartlengte 10 cM.

Deze soort bewoont de moerassige en waterrijke gewesten van Italië

(vooral Sicilië, ook Sardinië), Spanje, Portugal, Zuid-Rusland,

Noordwest-Afrika en Palestina, maar dwaalt niet zelden af naar

Noord-Italië en Zuid-Frankrijk (Provence en Dauphiné). Herhaaldelijk

heeft men haar ook in Groot-Britannië en éénmaal in Zuid-Duitschland

waargenomen. Tenzij de winter zeer streng is, blijven deze Vogels

het geheele jaar in het land waar zij broeden.

De Purperkoet, die in Oost-Afrika de vorige vervangt, is het

even groote Sultanshoen, de Dickme der Arabieren (Porphyrio

smaragdonotus). Deze soort, kenbaar aan den donkergroenen mantel,

trekt in den herfst naar 't zuiden en is enkele malen naar Sardinië

en Zuid-Frankrijk afgedwaald.

Zeer zelden wordt Europa (Spanje, Italië) bezocht door de over geheel

Afrika verbreide, aan de bovenzijde deels zwarte, deels bruinachtig

groene, aan de onderzijde grootendeels blauwe, 27 cM. lange

Dwergpurperkoet (Porphyrio Alleni).

Alle Purperkoeten bewonen bij voorkeur moerassen in de buurt van

graanvelden, dikwijls ook de rijstvelden zelve, die, zooals bekend

is, voortdurend onder water worden gehouden en dus echte moerassen

zijn. Dit geldt o.a. ook van de Purperkoeten der Soenda-eilanden

(Porphyrio indicus). Door hunne gewoonten herinneren zij het meest

aan onze Waterhoentjes; zij hebben echter een fierder houding en een

statiger gang. Evenals deze zijn zij in staat om half fladderend, half

loopend over een beweeglijke laag van drijvende planten te rennen. Zij

kunnen zeer goed zwemmen, en gaan, evenals het Waterhoentje, dikwijls

en gaarne te water. Zij maken ongaarne van hunne vleugels gebruik;

zij fladderen een eindweegs onbeholpen voort en keeren dan schielijk

naar den grond terug.

Gedurende een deel van 't jaar eten de Purperkoeten uitsluitend

plantaardige stoffen, n.l. jonge spruitjes van granen of andere

gewassen, bladen en verschillende zaden, bij voorkeur rijst;

gedurende den broedtijd echter zoeken zij de nesten op van de in 't

moeras broedende Vogels, ook van die, welke sterker zijn dan zij,

en plunderen deze. Als Roofvogels loeren de gevangen Purperkoeten

op de Musschen, die uit haar etensbakje komen snoepen; als Katten

liggen zij voor muizengaten op den loer. Een enkele houw met haar

krachtigen snavel is voldoende voor het dooden van het slachtoffer;

dit wordt vervolgens met den poot opgepakt en vastgehouden, met

den snavel verscheurd en de stukken met den poot naar den snavel

gebracht. Visschen eten zij gaarne.

Alle Purperkoeten laten zich gemakkelijk temmen, wennen spoedig

aan allerlei voer en aan hare huisgenooten, leven in vrede met de

Hoenderen, voor zoover deze volwassen zijn, zwerven, als men haar

meer vrijheid laat, in hof en tuin of op de straat rond, komen in de

kamer, bedelen aan tafel en worden een sieraad van het hoenderperk,

waar zij bij behoorlijke verzorging vele jaren blijven leven en zich

ook voortplanten.

Het voorhoofd van de Echte Rallen (Rallinae) is niet naakt, zooals

dat der Waterhoenderen, maar bevederd. Deze onderfamilie, welker

leden over de geheele aarde verbreid voorkomen, bevat sierlijke

moerasvogels, met hoogen, zijdelings sterk samengedrukten romp,

middelmatig langen hals en kleinen kop; de snavel is verschillend

van vorm, zijdelings samengedrukt, zelden langer dan de kop; de

voeten hebben een langen loop en lange voorteenen; de achterteen

is steeds aanwezig; de vleugels zijn tamelijk kort en afgerond en

reiken in rust niet tot aan de afgeronde spits van den langen, uit

12 pennen samengestelden staart; het vederenkleed is goed voorzien,

hoewel dicht tegen het lichaam aanliggend.

De Rallen zijn wereldburgers; zij bewonen moerassige of althans

vochtige gewesten, eenige vestigen zich in echte broeklanden of

in plassen en meren, die rijk zijn aan rietachtige waterplanten,

andere op weiden en graanvelden, enkele zelf in bosschen. Zij

leiden een verborgen leven, vertoonen zich zoo weinig mogelijk en

maken alleen in geval van grooten nood van hunne vleugels gebruik;

meesterlijk hebben zij er trouwens slag van zich tusschen de planten

van het door hen bewoonde gebied te verbergen. Alle zijn uitmuntende

loopers, enkele zwemmen vrij goed, sommige kunnen zelfs duiken; zonder

uitzondering vliegen zij echter slecht. Opmerkelijk is hun luide,

in de meeste gevallen zeer eigenaardige stem, die zij in de avond-

en morgenuren, maar dan soms lang achtereen zonder ophouden, laten

hooren. Hunne zintuigen zijn goed, hunne geestvermogens voldoende

ontwikkeld, hunne eigenschappen aantrekkelijk. Slechts weinige

soorten leven gezellig, enkele vereenigen zich echter soms buiten

den broedtijd tot kleine vluchten, die lang gemeenschappelijk op

dezelfde plaatsen verblijf houden en zich ook wel gezamenlijk op reis

begeven. Met Vogels, die niet tot hun soort behooren, of met andere

dieren hebben zij geen verkeer. Hun voedsel ontleenen zij zoowel aan

de plantenwereld als aan het dierenrijk. Zij gebruiken veel zaden,

maar voeden zich ook gaarne, en voor een tijd zelfs uitsluitend, met

Insecten en hunne larven, met Slakken en Wormen, met eieren van andere

Vogels of zelfs met jonge vogeltjes, die het nest nog niet kunnen

verlaten. De grootste soorten van de familie zijn echte roofvogels,

die zelfs volwassene, kleine Gewervelde Dieren overmeesteren. Het

nest wordt dicht bij het water, dikwijls er op, in biezen, riet

en andere waterplanten gebouwd; het is tamelijk goed gevlochten,

zoodat het water er niet in doordringen kan en bevat in de lente

(in verschillende klimaten dus op ongelijke tijden) 3 à 12 eieren;

deze zijn op bleeken grond donkerder gevlekt en gestippeld; zij worden

door beide ouders uitgebroed. De met een wollig dons bedekte jongen

zijn echte Nestvlieders en daarom uiterst moeielijk waar te nemen;

men weet echter, dat zij zeer spoedig zichzelf kunnen redden en dat

hunne ouders soms nog tweemaal broeden. Voor de jacht op Rallen is

een goede Speurhond noodig; slechts nu en dan worden zij geschoten,

hoewel het vleesch van verscheidene soorten zeer smakelijk is. Een

grooter genoegen bereiden zij ons in de kooi; zij moeten echter, om

goed te gedijen, een ruime woning hebben en met zorg behandeld worden.

Op mooie avonden in de maand Mei hoort men bij weiden en akkers

velerwege een zonderling, ratelend geluid, dat op het strijken met een

houtje langs de tanden van een kam gelijkt. Het weerklinkt met weinige

tusschenpoozen tot laat in den nacht en van vroeg in den morgen tot na

het opgaan van de zon; zelden blijft het op dezelfde plaats, maar komt

binnen bepaalde grenzen nu eens van hier, dan weer van daar. De Vogel,

die dit geratel voortbrengt, is een vertegenwoordiger van het geslacht

der Veldrallen (Crex); het is de Kwartelkoning, Wachtelkoning, Sprit,

Spriet of Schriek, in Groningen Peerdsneers, in 't Friesch Taepert,

in Limburg Bamptscher genoemd (Crex pratensis). Hem kenmerken de

hooge, zijdelings sterk samengedrukte romp, de middelmatig lange

hals en de tamelijk groote kop; de dikke, zijdelings samengedrukte,

flauw gebogen snavel is korter dan de kop en op den rug gekield; de

voet is middelmatig lang en bijna tot op het spronggewricht bevederd;

in de bolle vleugels is de tweede handpen de langste; de staart is

zeer kort en bijna geheel verborgen onder de dekveeren. Het gladde,

maar niet bijzonder dichte vederenkleed is op de bovendeelen geelachtig

olijfbruin met groote, bruinzwarte vlekken (de vleugels zijn echter

roestkleurig), op de onderdeelen licht rosbruin, welke tint op de keel

en den bek witachtig wordt en op de zijden van den romp door witachtige

dwarsbanden afgebroken is. In den zomer zweemt de kleur van kop en hals

naar grijs. Het oog is lichtbruin, de snavel roodachtig bruingrijs,

de poot loodkleurig grijs. Totale lengte 29, staartlengte 2 cM.

De Kwartelkoning is over Noord-Europa (tot 68° N.B.) en een groot

deel van Middel-Azië verbreid. Zuid-Europa bezoekt hij geregeld op

den trek, maar broedt er, naar het schijnt, slechts bij uitzondering;

zijn winterreis strekt zich, naar mij gebleken is, tot in Middel-Afrika

uit. Het volk meent, dat hij de Kwartels aanvoert en regeert; ook de

Grieksche jagers beweren stokstijf, dat bij iedere vlucht Kwartels zich

als aanvoerder een Kwartelkoning bevindt. Het is niet bekend, hoe het

volk tot deze meening gekomen is, daar onze Vogel in aard volstrekt

niet op den Kwartel gelijkt en niet eens in denzelfden tijd als deze

trekt. Hij komt bij ons eerst in het midden van Mei aan en verlaat

ons in September, terwijl andere meer noordelijk broedende exemplaren

nog later (in October) bij ons doortrekken; hierdoor zijn zij in den

herfst talrijker dan in andere tijden van 't jaar. Hij reist 's nachts

en legt waarschijnlijk het grootste deel van den weg te voet af.

De Kwartelkoning bewoont het liefst vruchtbare vlakten, zonder evenwel

het heuvelland te vermijden, vestigt zich bij voorkeur op weiden,

die door korenvelden omgeven of in hun nabijheid gelegen zijn,

houdt echter evenmin van zeer vochtige als van zeer droge terreinen

en schijnt dikwijls lang te moeten zoeken, voordat hij de rechte

verblijfplaats vindt. Na afloop van den hooitijd begeeft hij zich in

't koren en als dit geoogst wordt, in het kreupelhout; dit doet hij

echter niet, voordat de zicht en de zeis hem er toe dwingen.

Ook hij is meer nacht- dan dagvogel; gedurende den warmsten tijd van

den dag zwijgt hij althans, terwijl hij zich, met uitzondering van de

uren omstreeks middernacht, den geheelen nacht door laat hooren. Hij

loopt buitengewoon snel, met omlaag gehouden kop, ingetrokken hals

en horizontalen romp; bij iederen stap knikt hij met den kop. Zijn

ongemeen smal lichaam stelt hem in staat om overal gemakkelijk doorheen

te dringen en zelfs, daar waar geen paden zijn, snel door het dichte

gras te loopen. Hij vliegt snel, rechtuit, met slap afhangende pooten,

dicht bij den grond langs en slechts over korten afstand; men kan

hem moeielijk doen opvliegen.

Ondanks zijn lief en aardig voorkomen is hij jegens soortgenooten

en zwakkere dieren zeer onvriendelijk. Ook hij leeft van roof en is

waarschijnlijk een van de ergste plunderaars van nesten. Reeds Naumann

heeft bij gevangen Kwartelkoningen opgemerkt, dat zij bijtlustig en

heerschzuchtig zijn; hij zag ook, dat zij kleine Zangers of Vinkachtige

Vogels met den snavel mishandelden, of zelfs doodbeten en daarna

de hersenen opvraten; zelfs vond hij bij hun etensbakje Muizen,

die zij gegrepen en gedood hadden. In alle overige opzichten is de

Kwartelkoning zeer aanbevelenswaardig voor de kooi; hij is een van

de grappigste en gezelligste Vogels, die men houden kan.

Onmiddellijk na de terugkomst in het vaderland begint het paar aan

de voortplanting te denken; bijna onophoudelijk hoort men dan het

geroep "errp errp errp" of "knerrp knerrp". Het minnekoozen gaat

gepaard met een teeder "kju kjo klè", zoowel van het mannetje als

van het wijfje. Het nest wordt gebouwd, als het gras hoog genoeg is

opgeschoten, in vele jaren derhalve niet vóór het einde van Juni. In

dit opzicht gelijkt de Spriet op den Kwartel, vandaar het oude en

zeer juiste volkrijmpje:

"In de maand van Mei

Leggen alle Vogels hun ei,

Behalve de Kwartel en de Spriet,

Die leggen in de Meimaand niet."

Op een droge plek te midden van hun gebied, krabben zij een kuiltje in

den grond en bekleeden dit op kunstelooze wijze met droge grashalmen,

grasbladen, mos en fijne wortels. Het aantal eieren wisselt in

de meeste gevallen af van 7 tot 9, maar kan tot 12 klimmen. Deze

zijn betrekkelijk groot, van een fraaien eivorm, met stevige,

fijnkorrelige, gladde, glanzige schaal, die op geelachtigen of

groenachtig witten grond met fijne geelachtig roode of lichtroode,

roodbruine en aschkleurig blauwe vlekken meer of minder overvloedig

bezaaid is. Het wijfje broedt gedurende 3 weken zoo ijverig, dat

zij zich soms met de hand van het nest laat opnemen, niet eens voor

de zeis vlucht en dikwijls het slachtoffer wordt van haar trouw. De

jongen zijn met zwart, wollig dons bekleed, loopen spoedig uit het

nest, worden door de moeder bijeengehouden, antwoorden piepend op

haar geroep, verzamelen zich dikwijls onder hare vleugels, stuiven

uiteen, wanneer zij overrompeld worden, sluipen als Muizen over den

grond en hebben zich in een oogwenk zoo behendig verborgen, dat het

veel moeite kost hen te vinden.

Bij ons en in Duitschland wordt de Kwartelkoning soms toevallig met

andere Vogels gevangen; in Spanje en Griekenland wordt hij veelvuldiger

geschoten en geregeld op de markt gebracht, omdat men hem onder de

smakelijkste soorten van wild rekent.

Van de Veldrallen onderscheiden de Moerasrallen (Porzana of

Ortygometra) zich hoofdzakelijk door den minder hoogen, slankeren

snavel en de grootere lengte van de teenen (de achterteen is half zoo

lang als de loop). 3 van de 24 soorten van dit geslacht zijn inheemsch.

Het Porceleinhoentje (Porzana marmorata) is op de bovenzijde olijfbruin

en hier (behalve op de slag- en stuurpennen), met talrijke, fijne,

witte, dikwijls zwartgezoomde stippels en strepen en met zwarte

schaftvlekken voorzien, op de onderzijde grijs (van witachtig tot

leikleurig), de stuit en de onderdekveeren van den staart zijn

donker roestgeel, de onderdekveeren van den vleugel met zwarte en

witte banden. Het oog is donker roodbruin, de snavel aan den wortel

oranjerood, overigens tot aan de vuilgeelachtige spits citroengeel, de

voet geelachtig groen. In het herfstkleed heeft olijfbruin de overhand

en zijn de witte stippels minder fraai; deze komen daarentegen in

het jeugdkleed sterker uit; het nestkleed is zwart. Totale lengte 21,

staartlengte 6 cM.

Geheel Europa, Middel- en Noord-Azië vormen het broedgebied van

het Porceleinhoentje, dat in den winter Zuid-Europa, Noord- en

Middel-Afrika en Zuid-Azië bewoont. Het komt bij ons in April aan en

vertrekt in September of October. Vele exemplaren trachten hier te

overwinteren, maar vinden daarbij meestal den dood. Des zomers houdt

het bij voorkeur verblijf op natte, met vele sloten doorsnedene, met

riet en zeggen begroeide weiden, bijna even gaarne in echte moerassen

of broeklanden, nooit echter op open watervlakten. Beschut door

het hooge gras leidt het hier een eenzaam en verborgen leven. Over

dag beweegt het zich weinig, tegen den avond wordt het wakker;

gedurende den geheelen nacht is het aan den arbeid. In levenswijze

en gewoonten komt het veel met den Kwartelkoning overeen. Slechts in

één opzicht schijnt het zijn verwant ver te overtreffen: het zwemt en

duikt uitmuntend. Zijn loktoon is een wel luid klinkend, maar meer

kwiekend dan fluitend geluid; bij 't minnekozen hoort men van 't

mannetje en wijfje een kort "oeïet", te vergelijken met het geluid,

dat een vallende waterdruppel in een vollen waterbak veroorzaakt,

bij angst een kwakend geschreeuw. Daar het op zijn onvergelijkelijke

bekwaamheid in het wegschuilen vertrouwt, is het volstrekt niet

schuw, maar laat den Hond of den mensch dikwijls zoo nabij komen,

dat zoowel deze als gene het pakken kan. Het laat zich gemakkelijk

temmen en wordt dan zeer gehecht aan zijn verzorger. Het nest, dat

los en grof gevlochten wordt van riet en zegge-bladen, terwijl biezen,

grashalmen en andere fijnere stoffen het van binnen bekleeden, staat

geregeld op een weinig toegankelijke, dikwijls aan alle zijden door

water omringde, op geenerlei wijze in 't oog vallende plaats. Tegen

het einde van Mei of het begin van Juni bevat het 9 à 12 eieren,

welke op die van het Waterhoentje gelijken, doch kleiner zijn. Alle

zorgen voor het kroost komen voor de moeder op, die na drie weken

gebroed te hebben met hare jongen het nest verlaat.

Nog bevalliger en lieftalliger dan het Porceleinhoentje, maar bij ons

veel zeldzamer, zijn zijne beide verwanten; het Kleine Waterhoentje

(Porzana parva) en het Kleinste Waterhoentje (Porzana pygmaea). Het

eerstgenoemde is aan de bovenzijde olijfbruin, op het midden van den

rug bijna zwart, met weinige, wijd uiteenstaande, witte vlekken;

het aangezicht, de hals, de borst en de buik zijn aschgrauw en

ongevlekt, de onderdekveeren van den staart wit met donkergrijze

banden of vlekken, die van den vleugel zwartachtig grijs; het oog is

vuurrood, de snavel aan den wortel rood, in 't midden groen, aan de

spits geel; de pooten zijn groen. Totale lengte 20, staartlengte 5

cM. Het bewoont van Zuid-Skandinavië af geheel Middel- en Zuid-Europa,

zoo ook Middel-Azië van den Oeral tot Sind; op den trek bezoekt het de

verder zuidwaarts gelegen landen tot aan Kaap de Goede Hoop. Bij ons

werd het slechts enkele malen waargenomen (Zwartsluis, Bergen-op-Zoom;

broedend bij 's Hertogenbosch en Rotterdam) (Albarda).

Het Kleinste Waterhoentje, dat ongeveer hetzelfde verbreidingsgebied

heeft als zijn iets grootere verwant, onderscheidt zich van deze,

doordat de veeren van de bovendeelen zwart zijn met olijfbruinen

zoom, terwijl in dit zwart weder witte vlekken ingesloten zijn; de

grauwe kleur van de onderdeelen is op den buik donkerder en met witte

dwarsbanden doorsneden. De snavel is groen, de voet lichtrood. Totale

lengte 19, staartlengte 15 cM. Bij ons is het vrij zeldzaam (Overijsel,

Noord- en Zuid-Holland en Noordbrabant); bij Vlijmen werd het broedend

aangetroffen.

In levenswijze komen deze beide soorten onderling en met het

Porceleinhoentje in hoofdzaken overeen; zij houden zich echter niet

zoo sterk op den achtergrond, maar vertoonen zich soms op een werkelijk

uitdagende wijze. "Soms", zegt Naumann, "komt het Kleine Waterhoentje,

wanneer het menschen bij of op het water druk hoort spreken, uit

zijn schuilplaats te voorschijn, gaat gewoonlijk aan den waterkant,

op een drijvend blad staan en begroet de bezoekers met zijn schelle

stem." Dit geluid klinkt als "kiek kiek kiek."

De Waterral, in Zuid-Holland, Fluitje en Waterkipje, in Groningen

Zijdehoentje of Fluweelhoentje, in Limburg Waterscher genoemd (Rallus

aquaticus), is kenbaar aan den rechten of flauw gebogen, zijdelings

samengedrukten snavel, die langer is dan de kop, de bolle, korte,

stompe vleugels met zachte slagpennen, den zeer korten, onder de

dekveeren verborgen staart en het zeer goed gevulde, waterdichte

vederenkleed. De bovendeelen van het oude mannetje zijn op gelen

grond zwart gevlekt; de zijden van den kop en de onderdeelen zijn

aschkleurig blauwgrijs, in de flanken met zwarte en witte banden, de

buik en de stuit roestkleurig grijsgeel, de slagpennen dof bruinzwart,

de stuurpennen zwart met olijfbruinen zoom. Het oog is vuil lichtrood,

de bovensnavel op den rug bruingrijs, aan den rand menierood evenals de

ondersnavel, de voet bruinachtig groen. Totale lengte 29, staartlengte

6 cM.

Noord en Middel Europa benevens Middel-Azië, oostwaarts tot bij den

Amoer, zijn het vaderland van de Waterral. Zuid-Europa en Noord-Afrika

benevens Indië bezoekt hij op den trek; reeds in Egypte behoort hij

echter tot de zeldzame wintervogels.

De Rallen houden verblijf in ongastvrije moerassen, die door den

mensch slechts ongaarne bezocht worden, natte wildernissen, waar

het water en de weeke grond onder een dicht plantendek verborgen en

ten deele met kreupelhout begroeid zijn; dikwijls vestigen zij zich

in plassen vol riet en biezen, die in of bij wouden liggen, in met

elzen begroeid broekland en in wilgenkreupelhout, dat met veel riet en

hooge grassen afwisselt, veel moeras en water bevat of doorsneden is

met rietsloten. Ook op den trek rusten zij steeds op plaatsen, waar

zij zich goed verbergen kunnen in bosschen, hagen, stallen enz. Zij

bewonen ons vaderland van Maart tot October en zijn hier in den herfst

zeer gemeen; bij invallenden vorst worden zij dikwijls in stallen,

schuren enz. gevangen. Enkele overwinteren hier. Broedend werden zij

waargenomen in Friesland, Groningen, Zuid-Holland en Noordbrabant

(Albarda).

De Waterral, is meer nacht- dan dagvogel en in de schemering het meest

opgewekt. Over dag houdt hij zich stil; waarschijnlijk slaapt hij dan,

althans gedurende een deel van den tijd. In levenswijze komt hij met de

kleine Moerasrallen overeen. Hij heeft een sierlijken, en vluggen gang;

over vloeibaar slik en voorwerpen, waaronder hij niet kan wegkruipen,

zooals drijvende bladen en stengels en een dichte laag van takjes op

den grond, rent hij snel en luchtig heen; even behendig sluipt hij door

nauwe ruimten tusschen dicht bijeengroeiende moerasplanten. Hierbij

komt de smalheid van zijn lichaam hem uitstekend te pas; zelfs in

het dichte rietveld stoot hij bijna nooit ergens tegen aan, zoodat

de door hem gevolgde weg nooit door de beweging der halmen verraden

wordt. Ieder die den op deze wijze vluchtenden Vogel toevallig verrast,

zal allicht meenen, dat hij een Rat heeft zien loopen. Het zwemmen

kost hem weinig moeite; op bevallige wijze beweegt hij zich door

't water, zelfs wanneer dit niet volstrekt noodig is; de diepste

gedeelten van het moeras, waar zijne pooten den grond niet meer raken,

vermijdt hij niet, wel echter meer uitgestrekte, opene watervlakten.

Hij vliegt slecht, moet zich hiervoor zeer inspannen en sterk met

de vleugels slaan, blijft altijd laag bij den grond en gaat nooit

ver in één vlucht. Zijn gewone loktoon, die men vooral 's avonds

hoort, is een scherp, fluitend geluid, dat op het gedruisch van een

snel door de lucht bewogen takje gelijkt, en door "woeïet" het best

voorgesteld wordt. Gedurende het vliegen, vooral op den trek, hoort

men van hem een hoogen, snijdenden, maar aangenamen, als "kriek" of

"kriep" klinkenden toon.

Gevangen Rallen wennen spoedig aan het verlies van hun vrijheid en

aan de kooi. Wel is waar trachten zij zich in 't eerst voortdurend te

verbergen; na verloop van korten tijd worden zij echter gemeenzamer

en ten slotte zoo tam, dat zij hun verzorger het voedsel uit de hand

nemen en zelfs toelaten, dat men hen streelt. Een Ral, die door een

arts te Saalfeld getemd was, liep zijn meester binnenshuis als een

Hond na, lette op al zijne bewegingen en kroop des winters bij hem

onder de dekens om zich hier te verwarmen.

In vrijen toestand voedt de Ral zich hoofdzakelijk met Insecten en

hunne larven, Wormen en Weekdieren, later ook met zaden, vooral van

grassen en van verschillende waterplanten. Waarschijnlijk eet hij

even gaarne vogeleieren als zijne naaste verwanten.

Het nest, een los vlechtwerk van droge rietbladen, biezen en

grashalmen, heeft den vorm van een diepen nap; het is zeer goed

verborgen in het dichte gras of riet en moeielijk te vinden,

hoewel de ouden door hun avondmuziek de plaats waar zij nestelen,

aanduiden. Gewoonlijk komt het voor aan den rand van een sloot,

soms in het wilgenkreupelhout, soms ook wel tusschen minder dicht

bijeengroeiende rietgrassen, zeer zelden in het gras, als dit

eenigszins kort is. Het nest bevat 6 à 10, soms nog meer eieren, die

op lichtgelen of groenachtigen grond, vrij spaarzaam met violette en

aschgrauwe ondervlekken en roodachtige of kaneelbruine bovenvlekken

geteekend zijn.

De Koetfuuten (Heliornitidae) vormen een familie, die uit een vijftal

in Zuid-Amerika, en Indië (Malakka en Sumatra) levende soorten

bestaat. Zij zijn zoo groot als Duiven of Eenden. Hun priemvormige

snavel loopt niet uit in een voorhoofdsplaat en is zoo lang als

de kop. De hals is lang, de romp langwerpig; de tamelijk korte en

afgeronde vleugels reiken weinig verder dan den wortel van den tamelijk

korten staart; de voet heeft een korten loop; de voorteenen zijn,

evenals bij de Meerkoeten, met gelobde zwemvliezen omzoomd. Meesttijds

houden zij zich zwemmend aan de oppervlakte van stilstaand water en

rivieren op, waar zij zich voeden met waterinsecten en zaden van

waterplanten. Om ze te verkrijgen moeten zij vaak den kop en den

hals onderdompelen. Zeer zelden duiken zij geheel onder. Bij dreigend

gevaar begeven zij zich meestal aan land, hetzij vliegend of loopend,

om zich in de struiken te verbergen. De jongen, die onbevederd het ei

verlaten, houden zich aanvankelijk met den snavel onder de vleugels

van de moeder vast, gaan later op haar rug zitten en blijven hier,

terwijl de moeder zich verbergt, hetwelk zij in 't eerste geval aan

land, in 't laatste onder water doet. Vrij algemeen is in Suriname

en Brazilië de Picapare (Heliornis Surinamensis).

De op Madagascar levende Steltrallen (Mesitidae) hebben de grootte

van Lijsters en herinneren door hun levenswijze eenigszins aan

Waterspreeuwen.

De Snipkwartels (Turnicidae), die men vroeger bij de Hoendervogels

rekende, worden thans als een familie van de Ralvogels beschouwd. Het

zijn sierlijke Vogels, die aan Patrijzen of Kwartels herinneren. Men

onderscheidt ongeveer 24 soorten, die zich kenmerken door geringe

grootte, een slanken romp en een middelmatig langen, dunnen, rechten,

zijdelings samengedrukten snavel, welks rug bij de spits zwak gekromd

is; de loop is onbevederd, de achterteen ontbreekt meestal, de korte

voorteenen zijn aan den wortel door spanvliezen vereenigd; de vleugels

zijn middelmatig lang en afgerond; de korte, uit 10 à 12 zwakke pennen

bestaande staart is bijna geheel onder de dekveeren verborgen.

De Snipkwartels zijn over alle werelddeelen van het Oostelijk

Halfrond verbreid, maar ontbreken geheel in Amerika. Australië is,

naar het schijnt, hun hoofdkwartier: hier leven meer soorten dan in

alle overige werelddeelen te zamen genomen; zij bewonen niet slechts

alle tot dusver onderzochte gedeelten van Nieuw-Holland en Tasmanië,

maar ook de eilanden dicht bij de kust. Enkele soorten komen zoowel

in het oosten als in het westen van het vasteland voor, andere hebben

een zeer beperkt gebied. Hier zoowel als elders vestigen zij zich in

vlakten en op steenachtige, dicht met struiken en grassen begroeide

dalwanden en hellingen. Hun levenswijze is echter zoo verborgen, dat

men ze buiten den broedtijd slechts bij toeval ontmoet, tenzij men ze

opzoekt. Door bewegingswijze, aard en gewoonten onderscheiden ze zich

aanmerkelijk van de Kwartels en komen eerder met de Strandloopers

en Pluvieren overeen. Zoo lang mogelijk trachten zij zich in hunne

grasbosschen te verschuilen, stijgen dicht voor de voeten van hem, die

hun rust verstoort, tot geringe hoogte op, vliegen rechtuit en pijlsnel

ongeveer 100 M. ver en zetten zich plotseling weer op den grond neer.

In den voortplantingstijd strijden zij met hunne soortgenooten op

leven en dood; zonderlingerwijze doen dit niet slechts de mannetjes,

maar ook de wijfjes, die hare echtgenooten aanmerkelijk in grootte

overtreffen en, naar het schijnt, bij sommige soorten de eenige

kampvechters zijn. Wegens hun buitengewonen strijdlust worden de

Snipkwartels door de Aziaten sedert overouden tijd in de kooi gehouden

en voor kampspelen gebruikt. Zelfs oud gevangen exemplaren geraken

licht aan het verlies van hun vrijheid gewoon.

De eenige Europeesche soort, die de Spanjaarden Torillo, de Arabieren

Semmana noemen (Turnix sylvatica), is een van de grootste leden der

familie. Het mannetje is 15, het wijfje 19 cM. lang; staartlengte

bij beide 4 cM. In kleur verschillen zij niet van elkander.

Het verbreidingsgebied van dezen nog weinig bekenden Vogel reikt in

Noord-Afrika tot aan de grenzen van Egypte en den Senegal, misschien

nog verder zuidwaarts; bovendien strekt het zich uit over Spanje en

Sicilië. Naar men zegt, komt hij ook niet zelden voor in 't zuiden

van Frankrijk; één exemplaar werd in Oxfordshire gedood. Daar dit

dier zeer verborgen leeft en moeilijk te vinden is, kan men niet

licht oordeelen over zijn veelvuldigheid of zeldzaamheid in een

gewest. Als woonplaats kiest de Torillo bij voorkeur woeste, met

dwergpalmen dicht bedekte landstreken, zoowel in de onmiddellijke

nabijheid van de zeekust als meer binnenslands of bij het gebergte;

soortgelijke oorden bewoont hij in Afrika. Insecten en zaden, beide

ongeveer in dezelfde mate, maken zijn voedsel uit.

Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 05: De Ralvogels; Hoofdstuk 06: De Kraanvogels · 第 1 / 3 段