den linker oever van de Pilcomayo, en de grens van Paraguay ligt,
is de streek van den Grand Chaco, nog even weinig bekend als sommige
gedeelten van Beni. Hier, juist waar het zuidelijk deel van den
Grand Chaco grenst aan het Noorden van Argentinië en Paraguay, is het
vaderland van de maté, of thee van Paraguay. Deze plant, in geheel
Z. Amerika bekend onder den naam Yerva maté, levert een drank, die door
meer dan een millioen menschen dagelijks en in groote hoeveelheden
wordt gebruikt. Het jaarlijksch verbruik per hoofd wordt geschat
op 2.50 kilogram in Bolivia, 1.50 kilogr. in Chili, 9 kilogr. in
Argentinië, 10.50 kilogr. in Uruguay en 15 kilogr. in Paraguay. In
den staat Parana in Brazilië, waar toch koffie wordt verbouwd,
worden per hoofd jaarlijks 20 kilogram verbruikt. De maté-boom,
ilex paragueyensis, komt in het wild voor in Parana en het Noorden
van Paraguay; maar door het veelvuldig gebruik is de vraag naar maté
zoo toegenomen, dat men zich op het kweeken der bewuste boomen met
ijver heeft toegelegd. Op een cuadra, een in Z. Amerika algemeen
gebruikte maat, die 75 hectaren vertegenwoordigt, plant men in den
regel 1200 matéboomen, die na vier jaren elk een eersten oogst zullen
opleveren van een half kilo. Na twee jaar rustens geeft dezelfde
boom twee kilo's, en deze hoeveelheid kan hij voor het vervolg om
de twee jaar opleveren. Volgens de onlangs gepubliceerde opgaven in
een verslag van den duitschen consul te Paraguay, is het gebleken,
dat slechts 70 percent van de geplante boomen zich ontwikkelen;
maar toch brengt de cultuur van den matéboom een zuivere winst op
van 90 percent, na aftrek van alle onkosten, die de oogst, verpakking
en vervoer noodzakelijk maken. Als een derde van de geplante boomen
hun vollen wasdom bereikt, bedraagt de winst nog 40 percent, en het
is al zeer onwaarschijnlijk, dat een derde der geplante matéboomen,
die goed verzorgd worden, mislukken zou.
Wanneer men verder Noordwaarts trekt, verandert de Grand Chaco
langzamerhand van een vlakte in een boschrijke streek, om ten slotte
tot een ondoordringbaar woud te worden, dat tot nog toe uitsluitend
bewoond wordt door een verbazende menigte dieren van allerlei soort:
vogels, papagaaien, apen, wilde katten, pampahazen, zoo groot als onze
jachthonden, vossen, herten, en misschien ook wel roofdieren. Dat
dichte woud van den Grand Chaco is een onoverkomelijke hinderpaal
voor hen, die Santa Cruz de la Sierra willen bereiken, de hoofdstad
van het departement Santa Cruz; hoewel bij den eersten blik op de
kaart juist deze weg de aangewezene schijnt, daar hij in een rechte
lijn gelegen is. Maar bij reizen in Bolivia gaat de regel niet op,
dat de rechte lijn de kortste afstand is tusschen twee punten. Santa
Cruz de la Sierra te bereiken langs een eenigzins geschikten weg, is,
wanneer men uit een der landen komt, die door den Atlantischen Oceaan
worden bespoeld, of zelfs uit Paraguay, geen gemakkelijke zaak. Het
eenvoudigste is, zich naar de braziliaansche stad Corumba aan de Rio
Paraguay te begeven, op 19° Z. B. en van daar koers te zetten naar
een zekere groep hutten en gebouwtjes, die den naam van Piedra Blanca
draagt. Dit is het douanenstation van Bolivia, want het staat aan de
boliviaansche grens. De menschen, die men er ontmoet, met hun kalme,
breede gezichten, bijna zonder baardgroei, en hun goedige, donkere
oogen, wijzen den reiziger gaarne den weg. Men bevindt zich hier onder
de Chiquitenos, bedaarde lieden, zeer langzaam in hun bewegingen, die
het Oosten van het departement Santa Cruz bewonen. Hun wederhelften
zijn zeer gezette matrones, die haar echtgenooten in elk geval niet
op groote kosten jagen door de weelde van haar toilet. Haar eenig
kleedingstuk is de tipoyo, een soort van bodemlooze zak, die het
lichaam van den hals tot de hielen bedekt.
Wie Piedra Blanca bereiken wil, zal zich met al zijn bagage en de
tenten voor het kampeeren moeten toevertrouwen aan platte booten,
waarin hij een, naar het Noorden en Zuiden onafzienbaar, moerassig
meer zal moeten oversteken, te midden van dartelende kaaimannen
en reuzenkikvorschen. En toch is het beter dezen weg te volgen,
dan meerdere dagen te verliezen, door deze moerassen om te trekken,
die begrensd zijn door dichte wouden, waar men geen kans loopt andere
levende wezens te ontmoeten dan tijgers en jaguars.
Die vaart door het moeras neemt den eersten dag in beslag van den
tocht van 800 kilometer, dien men voor den boeg heeft, eer Santa Cruz
is bereikt, en die in het geheel stellig vijf en twintig dagen zal
duren, als men de onontbeerlijke rustpoozen voor de lastdieren, en de
toevallige vertragingen, die nooit uitblijven, mederekent. Voor hen,
die in het overwinnen van moeilijkheden op zich zelf een genoegen
vinden, is er nog een andere, noordelijker weg, over Santa Ana
de Chiquitos. Dezen volgende, vermijdt men de groote plassen van
la Gaïva en Uberabe, die zuidelijker liggen, en komt twee graden
ten Noorden van Corumba uit aan de Rio Paraguay, in een punt, dat
Descalvado heet, op den 17den breedtegraad. Doch deze weg is langer
en bijgevolg gevaarlijker dan de vorige.
Te Piedra Blanca beginnen de moeilijkheden. Men moet zich voorzien
van de noodige helpers en gidsen, muilezels huren of koopen, en zonder
murmureeren zich er bij neerleggen, eenige dagen uitsluitend te wijden
aan die Herculestaak. Het is raadzaam, niets aan het toeval over te
laten. Vooral een voorraad goed drinkwater is onontbeerlijk, als men
niet gemarteld wil worden door dorst, wanneer men dagen achtereen
door kale, verschroeide zandwoestijnen trekt bij een gemiddelde
temperatuur van 42 graden. Wel barsten hier nu en dan boven de
hoofden der reizigers stormen los, zóó hevig als men ze slechts in
de tropen kent. Doch in plaats van de drukkende hitte te verminderen
en verlichting te schenken, zullen deze orkanen oorzaak zijn van
nog veel grooter bezwaren. Plotseling toch moeten bagage en tenten
worden afgeladen, om de eerste voor den watervloed te beschutten,
terwijl daarna de van honger, dorst en vermoeienis bijna bezwijkende
lastdieren weder moeten worden gezadeld, om verder te trekken. Op de
eene plaats, zooals te Yacousé, vinden zij geen druppel water meer,
weer elders, te Pascana du Carmen, kunnen zij drinken naar hartelust,
maar vinden geen enkel grassprietje. Gedurende het eerste gedeelte
van den af te leggen weg zal de zwarte, vaste kleigrond na den storm
veranderd zijn in een weeke brij, waar de hoeven der dieren zoo diep in
zakken, dat zij ze er slechts met groote moeite weer kunnen uittrekken.
Dichter bij Santa Cruz, waar de bodem zandig is, worden diepe geulen
gevormd, en menige muilezel zakt daar voor goed weg in het slijk. Die
weg naar Santa Cruz is voor de dieren een ware lijdensweg.
De hevigste contrasten van hitte en koude wisselen hier af. Als het
overdag brandend heet is geweest, daalt de temperatuur 's nachts tot
15, 10 en soms 6 graden, vooral in de buurt van Santa Ana. Men kan
zich voorstellen, hoe menschen en dieren lijden door die plotselinge
overgangen van hitte tot koude, en omgekeerd.
En als men dagelijks zich herhalende twisten en oneenigheid wil
vermijden, hoeveel zorg moet men dan niet besteden aan de keus van
een geschikten aanvoerder. De eerste muilezeldrijver toch heeft
verschillende ondergeschikten, die onder zijn bevel staan, zorgt
voor het beladen en het onderhoud der lastdieren, en beslist naar
goedvinden over de keus van den weg, die rakelings leidt langs
het grondgebied der Guaranocas en Potereros-Indianen, woeste en
roofzuchtige stammen, die slechts uit vrees voor geweerschoten, of voor
een bloedige wraakneming, zich laten weerhouden, de reizigers aan te
vallen. Als de reis bij nacht wordt voortgezet, ziet men dikwijls in
de lager gelegen bergwouden, op een afstand van 10 à 15 kilometer,
boschbranden, die in bepaalde richtingen schijnen te worden geleid,
en het werk zijn der Indianen, die op deze wijze het wild opjagen en
in het nauw drijven om het met hun primitieve wapens af te maken.
Kort voor men na den achtsten dag de vaste pleisterplaats bereikt,
komt men voorbij een plek, waar de Indianen eenige voerlieden hebben
vermoord en met hun buit zijn gevlucht. Hun meester, die hen volgde,
ging in het naastbijgelegen dorp hulp halen, en vervolgde, met een tot
de tanden gewapenden troep, de vluchtende Indianen, die ten slotte
toch ontsnapten. Hun vrouwen werden echter in haar schuilplaats
ontdekt en gedood, en een vijftiental kinderen werd medegevoerd.
Meer in de nabijheid van Santa Cruz plegen de Chiquitos-Indianen,
die minder bloeddorstig, doch daarentegen listiger zijn, een oog in
't zeil te houden gedurende de rustpoozen der reizigers. Als zij des
nachts de waakzaamheid der gidsen kunnen verschalken, stelen zij de
paarden, die los loopen te grazen, en verbergen ze. Na lang vergeefs
te hebben gezocht, loven de eigenaars in den regel een premie uit, en
krijgen zoodoende hun eigendom terug. Doch wie zijn doel wil bereiken,
zal voor de middelen niet terugdeinzen, en waagt zich onverschrokken
op een onbekenden weg. Na den eersten dag ligt Piedra Blanca reeds
verborgen achter een woud van dicht struikgewas en vóór de volgende
halte valt niets bijzonders te vermelden, behalve het doorwaden van een
troebelen, slijkerigen stroom, de Salado. Den tweeden dag kampeeren wij
te Tacuaral, te midden der bamboeplanten of tacuars. Onderweg zagen wij
groote hoopen in de zon gebleekte beenderen, geraamten van menschen
blijkbaar. In den oorlog tusschen Brazilië en Paraguay vluchtten
de vreemdelingen, te Corumba gevestigd, eer de Paraguayanen de stad
innamen, met al hun have en goed den weg op naar Santa Cruz. Zij werden
echter vervolgd, ingehaald, geplunderd en meedoogenloos vermoord. Het
zijn hun beenderen, die hier verstrooid liggen.
Den tweeden avond wordt halt gehouden in Yacousé, onder een tent van
palmboomen, in gezelschap van voerlieden en ossendrijvers. Den derden
avond bivakkeeren wij bij sterrenlicht te Pascana du Carmen, na midden
op den dag groote kudden vee te zijn gepasseerd, die naar Santa Cruz
worden gebracht, op een plek, die Potreritos wordt genoemd en waar men
niets anders ziet dan een vervallen schuur en een trechtervormigen
kuil, die een put moet voorstellen, maar alleen na hevige stormen
aan zijn bestemming beantwoordt. Als wij na de lange en vermoeiende
dagreis, steeds over een lossen zandigen bodem, te Pascana du Carmen
aankomen, is een der ossen van uitputting en dorst bezweken. De
drijvers hebben het dier aanstonds met hun lange messen of navajas
in stukken gesneden, en bereiden het, ieder naar zijn smaak. Een van
hen, die zoo gelukkig is, meel en een kooktoestel te bezitten, maakt
er empanadas van, een geliefkoosd gerecht, een soort pastei met een
vulsel van vleesch, rauwe uien en specerijen. Gewoonlijk is de inhoud
dier empanadas nog al verdacht, en de korst vrijwel onverteerbaar. Maar
het volk eet ze met graagte. Vraagt men een van hen: "Vertel mij eens,
hombre, was het dier, waarvan dat vleesch afkomstig is, wel gezond?,"
dan antwoorden zij lachend, met den mond vol: "Kom, Caballero, wat
doet dat ertoe? Bij de empanadas ziet men niet, wat men eet."
Den vierden dag bereikt men, na een schijnbaar eindeloozen tocht
over zachtgolvend terrein, door een bosch van laag struikgewas, en
steeds in wolken van stof gehuld, die de hoeven onzer eigen dieren
doen opstuiven, ten langen leste Santa Ana. En de vijfde reisdag
wordt gaarne gewijd aan een dolce far niente, is het dan al niet met
het oog op ons eigen genoegen, dan ten minste ter wille van de arme
dieren, die hier eens rustig kunnen weiden en water drinken naar
hartelust. "Wie ver wil reizen, spaart zijn beest," zegt men hier.
Wij zullen trouwens den zesden dag reeds voor zonsopgang onzen tocht
moeten voortzetten, en om het reizen in de grootste middaghitte
te vermijden, onze tenten opslaan aan de oevers van een helder
stroompje, dat door een nauwe vallei vloeit. De inboorlingen noemen
dit beekje Tucavava; het loopt naar het Zuidoosten en mondt uit
in de Rio Paraguay, aan de grens van Brazilië. Een kleine mijl
stroomafwaarts zijn de bouwvallen gelegen van Santo Corazon, een
stichting der Jezuiten, de eerste kolonisten in deze streek. Om een
proef te nemen met de uitkomsten van hun beschavingsarbeid, hadden de
eerwaarde paters eenige troepen Chiquitos en Charopas-Indianen, die
van oudsher een zwervend leven leidden, zich hier willen doen vestigen
in de nederzetting, die zij Santo Corazon (Sacré Coeur) doopten. Zij
beperkten zich echter niet tot de zorg voor het zieleheil hunner
bekeerlingen, doch matigden zich ook het recht aan, hen in aardsche
zaken voor te lichten. Toen op een goeden dag een hunner zich aan
een Indiaan had vergrepen, stond de geheele stam op en maakte korte
metten met de volgelingen van Loyola. Weldra verschenen echter nieuwe
zendelingen, met het voornemen thans krachtiger op te treden. Of zij in
de harten der Indianen berouw wisten te wekken over hun snood gedrag,
is niet bekend; maar zij gingen bij het straffen grondig te werk,
maakten het dorp, dat het schouwtooneel was geweest van het misdrijf,
met den grond gelijk, en lieten de bevolking honderd mijlen verder
op een tweede Corazon bouwen, dat heden ten dage nog bestaat.
Al kunnen de verschillende pleisterplaatsen, waar wij halt houden,
den reiziger niet veel bekoorlijks bieden, zij stichten tenminste dit
goeds, dat wij ons na veel ondervinding niet meer laten verleiden,
ons illusies te maken omtrent hetgeen ons op de verdere reis te
wachten staat. In Aguas Retiradas, waar wij den nacht tusschen den
zesden en zevenden dag doorbrengen, vinden wij geen droppel water,
en wij verlaten dus die ongastvrije plek zoo spoedig mogelijk, om
den zevenden avond Santo Domingo te bereiken, waar onze dieren hun
dorst kunnen lesschen.
Den morgen van den achtsten dag wachtte ons een verrassing. Een paar
mijlen na Santo Domingo stonden wij onverwachts voor een soort erf,
waarop een kleine hoeve gelegen was, en waar zelfs op een mesthoop
een troep kippen met een haan aan 't pikken waren. Dat eerste spoor
van een eenigszins menschelijke woonplaats, dat we na Piedra Blanca
hadden ontmoet, heette la Florida. Er woonde een kluizenaar, die zich
met de voorbijtrekkende reizigers niet inliet. De eenige afwisseling
in zijn leven waren de bezoeken der Indianen.
Kort daarna eindigde het dichte bosch, en wij bevonden ons thans te
Aguas Calientes (Warme bronnen). Op verschillende plaatsen wellen
hier uit het zand bronnen op van een temperatuur van 40 graden,
die een uitgestrekten plas vormen. Naar men zegt, bezitten deze
bronnen een zeer werkzame genezende kracht, vooral bij ziekten, die
door onzuiverheid van het bloed ontstaan. Wij zagen er een aantal
armoedige, havelooze mannen en vrouwen, sommigen aan verschrikkelijke
huidziekten lijdende, of met ontstoken oogen, die hier in kleine
hutten huisden. Ondanks de nabijheid van het heilzame geneesmiddel,
dat hen van hun kwalen moet verlossen, blijven deze menschen ziek
en ellendig door hun verwaarloosden toestand en de besmetting, die
zij op elkander overbrengen. En alsof het water zelf zich vernederd
voelt door de treurige verontreiniging, waaraan het is blootgesteld,
verschuilt het zich weldra onder een dichten, weelderigen plantengroei,
de voorbode van het groene dal, waarin het Indianendorp Santiago
de Chiquitos gelegen is, een weinig terzijde van onzen weg. Wij
houden ons daar echter niet op; doch gaan verder naar Santiagoma,
waar wij willen overnachten. In de taal der Chiquitos beteekent het
achtervoegsel ma: klein.
Sedert Piedra Blanca hebben wij nu ongeveer 280 kilometer afgelegd,
en weer is het volstrekt noodig, dat wij, evenals te Santa Ana, een
paar dagen rust nemen. Maar al vinden onze dieren overvloedig voedsel
in het dal van Santiagoma, de reiziger, die zich niet voldoende van
mondvoorraad heeft voorzien, zal hier moeten honger lijden, evenals
de bewoners, die te lui zijn om te werken en eer verachting dan
medelijden verdienen; daar zij door hun eigen schuld gebrek lijden,
terwijl de bodem vruchtbaar genoeg is, om hun rijkelijk voedsel te
leveren. Den elfden dag ligt Santiagoma reeds weder ver achter ons,
wanneer de zon nog niet hoog is gestegen. Wij ontbijten in San Carlos,
waar de bodem bedekt is met coca-planten, die het geliefkoosde voedsel
leveren der Indianen van de hoogvlakte. Het zijn lage struiken, die
in de schaduw groeien van mooi hoog geboomte, dat echter lang niet
zooveel waard is als de nederige beschermelingen aan hun voet. Des
avonds kampeeren wij te Pascana di Puentecito. Den volgenden morgen,
in het begin van de twaalfde dagreis, krijgen wij den Cochisberg in
het gezicht, die omtrent 1000 M. hoog is, en door schilderachtige
spitsen en valleien omringd.
Een 35 kilometer na Santiago de Chiquitos, dat thans ten Oosten
van ons ligt, komen wij aan een soort vijver, de Pascana de Lippia,
waar wij stilhouden, daar wij hier liever rusten, dan bij de gewone
pleisterplaats San Lorenzo, een moeras, waar overdag tapirs en
pecaris zich ophouden, en des nachts de wilde dieren zich verzamelen,
waarvan het hier krioelt. Dien avond komen wij voorbij de bouwvallen
van Taperas de San Juan en kampeeren ten zuiden van het moeras
Concepcion. Tot aan Santiagoma zijn wij bijna voortdurend westwaarts
getrokken, maar daarna slaan wij schuin af, en zoodra Taperas de
San Juan achter ons ligt, dus vanaf de dertiende dagreis, volgen wij
geregeld een noordwestelijke of Noord-noordwestelijke richting.
Evenals er een menigte Floridas, Aguas Negras of Calientes, Santiagos
en Santo Domingos hier bestaan, allen namen, waarvoor de Bolivianen
een ongeëvenaarde voorliefde schijnen te koesteren, en die voortdurend
tot verwarring aanleiding geven, zijn de plaatsen, die in Bolivia San
Juan zijn gedoopt, letterlijk niet te tellen. De bouwvallen van het
dorp, dat wij thans achter ons lieten, herinnerden aan de Jezuiten,
die de plaats hadden gesticht. Zij hadden echter bij de keuze van
die plek geen rekening gehouden met de schadelijke uitwasemingen
van het nabijgelegen moeras Concepcion, aan welks oever wij hadden
overnacht. Reeds meer dan een eeuw geleden hebben de bewoners deze
ongezonde plek verlaten en het aan den tijd overgelaten om San Juan
verder te verwoesten.
Midden op den dag komen wij voorbij een hoeve, Dolores, en kampeeren
tegen den avond in een tweede Aguas Calientes, dat dien naam waarlijk
niet verdient, want noch warm, noch zelfs koud water is hier in de
buurt te vinden. Wij moeten dus reeds weder bij het aanbreken van
den veertienden dag haastig verder trekken, om het tien kilometer
hier vandaan gelegen San José te bereiken, waar wij onszelf en onze
dieren weer een dag rust moeten gunnen. Als men verlangt te weten,
hoe dit armoedige dorpje is ontstaan, vindt men het antwoord op
die vraag, door de kerk te gaan bezichtigen die het jaartal 1778
draagt, en waarnaast een kruisbeeld staat, dat van twee jaar later
dateert. Er valt niet aan te twijfelen, dat dit het werk der Jezuiten
is; overal in San José vindt men nog sporen van hun heerschappij,
die lang heeft geduurd. Een 200 meter van het dorp bevindt zich nog
het bassin, waarin zij plachten te baden, en dat thans als reservoir
dient voor het drinkwater, waarvan een stroomend beekje de dorpelingen
voorziet. Behalve deze drie dingen is al wat de ijverige geestelijken
hier tot stand brachten weer verloren gegaan. Te San José woont een
districts-chef, die van regeeringswege hier is aangesteld.
Aan den avond van den vijftienden dag, nadat wij langs de noordelijke
zijde van een lage, met bosch begroeide bergketen zijn getrokken,
houden wij stil bij de suiker-exploitatie Pio Coca. Daar wij
hier eindelijk alles vinden, wat wij noodig hebben, om onszelf
en onze dieren nieuwe krachten te doen verwerven, brengen wij
er voorzichtigheidshalve den zestienden dag door; ook al om te
beter voorbereid te zijn voor de moeilijkheden der zeventiende
dagreis. Behalve de gewone kwelling van het lastige voorwaarts trekken
door het zware zand en in de drukkende hitte, plaagt ons, die volstrekt
geen liefhebbers zijn van zulke sterke emoties, de vrees voor tijgers
en ratelslangen, waarvan het wemelt in de buurt der hoeve Iquitos
(die met de peruaansche stad Iquitos enkel den naam gemeen heeft)
waar wij heden overnachten. Bij nader bedenken willen wij nog voor
den achttienden dag die gevaarlijke plek achter ons hebben, en breken
dus reeds voor zonsopgang ons kamp op. Weldra bereiken wij het Palmar
de Carandahys, een bosch van allerlei soorten palmen, waar de grond
bedekt is met dicht ineengewarde slingerplanten.
Tot aan El Cerro, waar wij ontbijten, is het een lust voor de oogen,
al die zonderling gevormde boomen te zien, de een al vreemder dan
de ander; vooral dien dikbuikigen palmboom met wijd vertakte kroon,
dien de inboorlingen mapajo noemen en vreemden "de boom met den
buik." Die gemeenzame benaming geeft werkelijk een duidelijk beeld
van deze zonderlinge plant.
Na de pleisterplaats El Cerro verlaten wij voor goed de heuvelreeks,
waarlangs wij sinds Santiagoma zijn voortgetrokken. Wij hebben nu de
vlakte bereikt, die besproeid wordt door de Rio Grande, aan welker
overzijde Santa Cruz is gelegen, het doel onzer reis. Te Juan Bautista,
waar wij bivakkeeren, vinden wij dan ook reeds malschen weidegrond,
waar onze dieren hun hart ophalen. Den negentienden dag wanen wij ons
plotseling in een tooverland verplaatst. Van alle zijden zien wij ons
omgeven door den weelderigsten plantengroei. Tusschen verschillende
cactussoorten groeien de meest fantastisch gevormde en fraai gekleurde
orchideeën. Alle tinten van groen zijn hier vertegenwoordigd, en als
festoenen slingeren zich de ranken der lianen van den eenen stam
naar den anderen. Tusschen tallooze soorten van bromeliaceeën en
bignoniaceeën, waaronder zich ook de tecoma of trompetboom bevindt,
verheft zich hier en daar een reuzenficus. En te midden van al dat
groen en die tropische kleurenpracht krioelt het van zeldzame, bonte
vlinders, papegaaien, toekans en kolibris. Dertig kilometer leggen
wij af in die verrukkelijke omgeving, tot aan de aguada de Guarayo,
en vervolgens nog vijf en dertig tot aan Pozo del Tigre, dat wij voor
den avond moeten bereiken, uit vrees voor wilde dieren.
De twintigste en een en twintigste dag gaan voorbij, zonder dat wij
eenige vermoeidheid gevoelen, zoozeer zijn wij geboeid door de schoone
natuurtafereelen, die ons aan alle zijden omringen. Vijftig kilometer
tot aan Tres Cruces; nog eens vijftig, en wij houden opnieuw stil te
Canada Larga, te midden van suikerrietvelden. Als in een droom leggen
wij de volgende vijftig kilometer af. Maar daar wordt ons de weg
versperd door de Rio Grande, die wij zullen moeten oversteken. Dit
gebeurt niet dan na veel overleg, zoowel met onze gidsen, als met
de Indianen, die door ervaring geoefend zijn in het overbrengen van
menschen en dieren van den eenen naar den anderen oever, al staan
zij er niet voor in, dat geen paarden of muilezels zullen verdrinken,
en geen bagage door den stroom zal worden medegevoerd.
Den twee en twintigsten reisdag heeft de overtocht gelukkig plaats,
en wij overnachten in het gehucht Païla, op den anderen oever. Als
alles goed gaat, zullen we in den namiddag van den drie en twintigsten
dag Santa Cruz bereiken, met een gevoel van innige voldoening over
de geslaagde reis.
Toch is Santa Cruz de la Sierra niet, wat men een mooie stad
noemt. Eeuwen lang is het 't primitieve plaatsje gebleven, dat door
de spaansche conquistadores werd gesticht. De natuuronderzoeker
d'Orbigny noemt de stad het Capua van Z. Amerika. De oorzaak van
die ingenomenheid zal wel gelegen zijn in de tegenstelling, die hem
treffen moest, tusschen de doorgestane ontbering en vermoeienis van
zijn wetenschappelijken onderzoekingstocht, en de gemakken, die een
zelfs ook maar eenigszins beschaafde omgeving aanbiedt. Trouwens de
latere bezoekers van dit hooggeprezen oord hebben moeten ervaren,
dat aan de volmaaktheid van dit Capua nog wel iets ontbrak. In Santa
Cruz zelf is bijv. geen goed drinkwater te vinden, zoodat zijn 10
of 12 000 inwoners genoodzaakt zijn, dit acht mijlen ver te halen,
uit den Rio Pirahy. Riolen zijn er evenmin. Als het regent, loopt de
stad onder, en de bewoners steken dan de straten voetje voor voetje
over, op palen, die tot dat doel in den grond zijn geslagen.