Een der priesters was zoo onvoorzichtig, zich in een toespraak te laten

ontvallen, dat alle vreemdelingen verdoemd waren, en dat hun gebeente

niet verdiende in de aarde te rusten. Dat behoefde den dweepzieken

Indianen geen tweemaal te worden gezegd. Zij begaven zich naar het

europeesche kerkhof, waar zij lijken opgroeven en hun beenderen

verstrooiden over de verlaten hoogvlakte, die Oruro omringt. Dit

lieten de Europeanen zich niet welgevallen, en, na het bestuur der

stad gewaarschuwd te hebben, dat niet bij machte was hen tegen den

dreigenden aanval der Indianen te beschermen, maakten zij zich gereed,

hun rechten persoonlijk te verdedigen. Gelukkig werd de zaak nog in

der minne geschikt en is alles betrekkelijk goed afgeloopen.

Het was niet moeilijk, de Indianen tot het Katholicisme te

bekeeren. De Zonaanbiddende Incas waren even vurig godsdienstig

als hun nakomelingen. De oude Inca-godsdienst vertoonde trouwens

een merkwaardige overeenkomst met het Christendom. Zoo vierden zij

jaarlijks het groote Raymi-feest, waarbij brood en wijn onder rijken en

armen werden uitgedeeld, hetgeen aan het Israëlietische en Christelijke

Paaschfeest herinnert. Ook biecht en boetedoening waren bij de Incas

in zwang. Aan het heidendom deed weder een andere instelling denken,

de Zonnemaagden, die een gelofte van kuischheid moesten afleggen,

waarvan haar slechts de Zonnezoon, haar heer en meester, kon ontheffen.

Haar eenige taak was het onderhouden van het gewijde vuur, een

gebruik, dat zich licht laat verklaren uit de noodzakelijkheid,

om geen warmtebron te laten uitdooven daar, waar juist het vuur een

even strikte levensvoorwaarde als het dagelijksch voedsel was. De

Vestaalsche maagden deden hetzelfde, en de Zonnemaagden werden even

als haar romeinsche zusters levend begraven, indien zij haar taak

verzuimden of haar gelofte verbraken.

Andere overleveringen schenen aan oud-testamentische bronnen

ontleend. Zoo heerschte hier ondanks het volslagen gebrek aan

regen op de hoogvlakte van Atacama, toch ten tijde van de spaansche

overheersching onder de Incas het geloof aan een algemeenen zondvloed,

die in oude tijden ook hun land zou hebben overstroomd.

De priesters in Bolivia zijn almachtig, en de geestelijkheid

heeft alles in handen. Zelfs de protestantsche en Israëlietische

vreemdelingen zijn niet buiten het bereik van haar invloed.

La Paz heeft steeds den voorrang betwist aan de andere steden van

Bolivia, telkenmale wanneer het aan het hoofd van den boliviaanschen

staat behaagde, den zetel van het bestuur naar een andere plaats

over te brengen. De onderlinge naijver tusschen La Paz en Sucre

gaf bijna altijd aanleiding tot al de ongeregeldheden en opstanden,

die het land veel schade hebben berokkend. Ook de laatste, en een

der bloedigste van die omwentelingen, in 1898-1899, was weder het

gevolg van zulk een willekeurige verplaatsing van het bestuur. La Paz

eischte van de regeering, die Sucre als residentiestad had gekozen,

dat de verschillende departementen van Bolivia door een federaal

constitutioneel lichaam zouden worden vertegenwoordigd, en dat de zetel

der regeering in La Paz zou blijven gevestigd. Dit was niet meer dan

rechtvaardig, beweerden de revolutionnairen, omdat La Paz den toegang

tot Bolivia in handen heeft, door de ligging der stad in de nabijheid

van de havenplaats Chililaya, aan het Titicacameer. Na deze proclamatie

vereenigden zich de volksleiders in La Paz tot een federale regeering,

die zich openlijk verzette tegen den toenmaligen president, Alonso. Dat

ging des te gemakkelijker, daar deze zich op dat oogenblik te Sucre

bevond, midden in het hooggebergte en minstens twaalf dagreizen

verwijderd van de verschillende grootere plaatsen, waar hij zijn

gezag had kunnen doen gelden. Dus maakten de oproerlingen zich, zoo

snel als dit bij de gebrekkige verkeersmiddelen mogelijk was, meester

van Oruro, Cochabamba, Santa Cruz en Colquechaca. Naar alle oorden

der wereld werden telegrammen verzonden, waarin werd medegedeeld,

dat deze steden zich bij de federatie hadden aangesloten. Het bestaan

dier federatie was dus thans een uitgemaakte zaak; en president Alonso

bleef niets anders over, dan naar Oruro te reizen, van waar de spoorweg

reeds zoovele ongelukkige presidenten van Bolivia in de verbanning had

gevoerd, maar tevens dan ook in veiligheid gebracht, op chileensch

grondgebied. Zijn partijgenooten kwamen op afschuwelijke wijze om

het leven. Te Corocoro, waar de beroemde kopermijnen zijn, waren een

honderdtachtigtal van zijn aanhangers vereenigd. Men hitste op de

ongelukkigen een bende van eenige duizenden Indianen aan, die te voren

dronken waren gemaakt. Van een overgave was zelfs geen sprake; er bleef

hun niet anders over dan hun leven zoo goed mogelijk te verdedigen,

en zich tot het uiterste te verweren. Ten slotte trokken de Indianen,

wier gelederen door het hardnekkig geweervuur der Alonzisten waren

gedund, zich terug, de lijken hunner slachtoffers, die zij hadden

kunnen bereiken, met zich medevoerend. Zij staken deze de oogen uit,

en sneden de lichamen in stukken, die zij op groote vuren braadden

en vervolgens verslonden. Uit zulke verschrikkelijke tooneelen kan

men afleiden waartoe deze bevolking van Cholos en Indianen, in gewone

omstandigheden kalm en goedaardig, zich in oogenblikken van razernij

kan laten vervoeren.

Wat deze arme schepsels noodig hebben, is leiding en onderwijs. Veel

is echter in deze richting nog niet tot stand gekomen.

In 1825 werd door het congres voor het eerst een programma opgesteld

van het openbaar onderwijs. Doch de resultaten van deze goed bedoelde

pogingen waren niet schitterend te noemen. In 1846 bestonden in Bolivia

442 openbare en particuliere inrichtingen van onderwijs; in 1868

waren daarvan slechts 332 overig. Die onrustbarende achteruitgang is

steeds zoo goed mogelijk bestreden door de verschillende regeeringen,

welke elkaar in dit land zijn opgevolgd.

Een schrander en ijverig man, Don José Vicente Ochoa, heeft

als minister van onderwijs veel gedaan, om het peil van de

volksontwikkeling te verhoogen. Al is hij in die moeilijke taak niet

geheel geslaagd, men mag hem daarvan geen verwijt maken, en het is

niet meer dan billijk, zich rekenschap te geven van de bezwaren,

die hij daarbij te overwinnen had.

Administratief is Bolivia verdeeld in negen departementen, acht

en veertig provincies, en driehonderd drie en zestig kantons. De

departementsbesturen bestemmen voor het lager onderwijs jaarlijks

een som van 139 565 bolivianen (een boliviaan = 2.50 frs.) Daar nu

de inkomsten dezer departementen te samen een totaal van 682 047

bolivianen bedragen, komt de zaak hierop neer, dat twintig percent

van die inkomsten aan het onderwijs worden gewijd. Als men echter

den toestand van elk departement afzonderlijk nagaat, komt men tot

de ontdekking, dat deze verhouding lang niet overal geldig is, daar

sommige departementen zich beroepen op oude wetsvoorschriften, en zich

dientengevolge onttrekken aan een verplichting, die hen zou noodzaken

een vijfde van hun inkomsten aan het onderwijs ten koste te leggen.

Sedert, na een wet van 7 Nov. 1872, een regeling van het openbaar

onderwijs is tot stand gekomen, heeft het middelbaar onderwijs hier

veel doorgemaakt. De staat bekostigt acht scholen, waarnaast vijf

godsdienstige inrichtingen en vier vrije scholen bestaan. In de

staats- en godsdienstige scholen (behalve in die te Beni) omvat het

onderwijs zes klassen, die de leerling doorloopen moet, ten einde

tot de universiteit te kunnen worden toegelaten. De "vrije" scholen

bestaan uit slechts twee of drie klassen en verstrekken onderwijs, al

naar de omstandigheden het meebrengen, of de behoeften der leerlingen

het vorderen. Het hooger onderwijs is drieledig, nl. òf algemeen,

òf een opleiding voor een of ander beroep, òf meer bepaald technisch

onderwijs. In theorie bestaan hier vier faculteiten; nl. de rechten,

de medicijnen, de theologie en de letteren. De laatste is echter tot

dusver nooit behoorlijk geregeld, terwijl de theologische faculteit

zich als in den ouden tijd voegt naar de verordeningen der diocese.

Bij de wet van 15 October 1892 zijn de universiteiten van Potosi en

Oruro opgericht. Behalve deze zijn er nog vijf andere districten,

die zich op een universiteit kunnen beroemen. Al is dit groote aantal

inrichtingen van hooger onderwijs een voordeel voor de studeerende

jongelingschap, die zich zoodoende, ter wille van de studie, niet ver

van hun woonplaatsen behoeven te verwijderen, aan den anderen kant

werkt die verbrokkeling van krachten niet gunstig op het onderwijs

zelf, en doet schade aan het gezag, dat anders van een enkele groote

universiteit zou kunnen uitgaan.

De wet verdeelt voorts het speciaal en technisch onderwijs

over landbouw-, handels-, en mijnbouwscholen. Het programma der

landbouwscholen is gebaseerd op een vierjarigen cursus. Maar daar

de reglementen van deze instellingen eerst kunnen worden opgesteld,

wanneer een wet in werking is getreden, die nog nooit is uitgevaardigd,

is in het geheele land nog geen enkele dier scholen geopend, en met

de handelsscholen gaat het niet beter.

Wat de mijnbouwscholen betreft, de wetgevers die ze in het leven

riepen, hebben de zorg voor hun inrichting verschoven tot den tijd,

waarop weer nieuwe besluiten zullen worden uitgevaardigd. Alleen voor

de oprichting eener mijnbouwschool te Potosi hebben verschillende

regeeringsleden zich veel moeite getroost, zoodat men er ten slotte

werkelijk in geslaagd was, een reglement samen te stellen. Ongelukkig

rezen echter in de praktijk bezwaren van overwegenden aard, waaronder

voornamelijk een totaal gebrek aan professoren, zoowel als aan

leerlingen; zoodat ten slotte ook deze inrichting niet veel meer dan

een voorbereidende cursus is geworden.

In de universiteitsdistricten, behalve te Oruro, wordt het onderwijs

in de studie der rechten en staatswetenschappen bekostigd door den

staat, al naar de middelen welke zij voor het oogenblik tot dit doel

beschikbaar heeft. Volgens de jongste statistiek studeeren in de

rechten 506 jongelieden.

Het onderwijs in de genees- en heelkunde wordt te Sucre en La Paz

door den Staat bekostigd, te Cochabamba en Potosi door particuliere

bijdragen, natuurlijk een zeer onzekere bron.

Daar La Paz sedert de laatste revolutie de hoofdstad van Bolivia is

geworden, heeft men het recht, te verwachten, dat van deze stad de

staatkundige hervormingen zullen uitgaan, die het geheele land ten

goede zullen komen.

Door de nabijheid van de kleine havenplaats Chililaya of Puerto

Perez, aan die groote binnenzee gelegen, die het meer van Titicaca

wordt genoemd, hoopt La Paz de douanestad der republiek te worden,

en in zekeren zin de algemeene stapelplaats voor Bolivia. Maar als

deze hoop verwezenlijkt zou worden, moest La Paz dan ook bereid zijn,

haar hervormingsplannen tot het uiterste door te zetten, en eenvoudig

een eigen belastingstelsel ontwerpen, waardoor zoowel de binnen- als

de buitenlandsche handel slechts rekening zou hebben te houden met

een algemeene administratie, en niet voortdurend behoefde te worden

belemmerd door een aantal verschillende tarieven, even groot als het

aantal plaatsen, dat Bolivia rijk is.

Reeds maakten wij bij onze algemeene beschouwingen over den handel

van Bolivia melding van deze decentralisatie, die oorzaak is, dat

de kooplieden in elke stad op nieuwe en verschillende moeilijkheden

stuiten, en ten slotte afhangen van de willekeur van enkele ambtenaren,

aan wie de overheid het innen der belastingen heeft opgedragen,

die zoowel van de koopwaar worden geheven als van den reiziger die

ze aanbiedt. Toch zal La Paz, ondanks haar 25 à 30 000 inwoners,

(het getal is trouwens zeer moeilijk vast te stellen bij de steeds

wisselende en zwervende indiaansche bevolking), wel niet bestemd

zijn, de voorname plaats als handelsstad te bekleeden, waarvan zij

zich thans reeds bij voorbaat verzekerd acht. In dit opzicht kan la

Paz op één lijn worden gesteld met Sucre en Potosi; het is noch een

stapelplaats, zooals Oruro geworden is, sedert de spoorweglijn van

Antofagasta daarheen is aangelegd , noch een tusschenstation voor

waren, die naar het district Santa Cruz worden uitgevoerd, zooals

Cochabamba. Wat te La Paz wordt ingevoerd, is uitsluitend bestemd

voor eigen verbruik; want wat naar de streken der Yungas en naar Beni

wordt gezonden, is niet de moeite waard om te vermelden.

Wenscht echter La Paz een ruim veld voor het verwezenlijken van

hervormingsplannen, dan kan de stad dit vinden in de bovenvermelde

misbruiken, die dringend om verbetering roepen; op die wijze alleen zou

zij zich verdienstelijk kunnen maken jegens Bolivia en de verschillende

vreemde volken, die met dit land in betrekking staan. Gelegenheid

tot invoer is er genoeg in Bolivia. Behalve timmerhout en veevoeder,

welke slechts met voordeel kunnen worden geïmporteerd in plaatsen, die

aan of dichtbij den spoorweg zijn gelegen, kunnen de voortbrengselen

uit den vreemde tot naar de verst verwijderde gedeelten van het land

worden vervoerd. Suiker kwam vroeger uit Santa Cruz en werd verkocht

voor 70 bolivianen de honderd kilo, tegenwoordig krijgt men de suiker

uit Duitschland en België, en betaalt thans voor dezelfde hoeveelheid

40 bolivianen. Men heeft getracht, dit artikel uit Parijs te laten

komen; maar de concurrentie der beide eerstgenoemde landen was van

dien aard, dat het den kooplieden onmogelijk werd gemaakt, hun waar

uit Frankrijk te betrekken. Vroeger leverde Frankrijk hier nagenoeg

alle geestrijke dranken; maar deze zijn vervangen door den alcohol

van veertig graden, uit suikerriet verkregen, dien de Indianen,

met water vermengd, plegen te drinken. Eerst werd deze levering

van spiritualiën, die onzen uitvoerhandel groote schade toebracht,

gemonopoliseerd door Peru; thans hebben Chili en Duitschland er zich

grootendeels van meester gemaakt.

In het algemeen zijn de voornaamste artikelen, welke in Bolivia worden

ingevoerd: katoenen en linnen stoffen, zijde en meubels van allerlei

soort. Ongeveer vijftien jaren geleden werden meubels ingevoerd uit

Frankrijk, Engeland en de Vereenigde Staten; naarmate echter deze tak

van handel zich uitbreidde, ontstond een internationale concurrentie,

en thans zijn het vooral België en Duitschland, die de meubels voor

Bolivia leveren. Wel zijn deze van mindere kwaliteit, doch zij zien er

aardig uit, en zijn goedkooper dan die, welke fransche fabrikanten

kunnen aanbieden. De oorzaken, die er toe hebben bijgedragen,

den invoer uit Duitschland te begunstigen, zijn de volgende. Ten

eerste is de afwisselende waarde der boliviaansche munt aanmerkelijk

gedaald, in vergelijking met het europeesche goudgeld, en het gebrek

aan kapitaal heeft de boliviaansche afnemers genoodzaakt, bij hun

inkoopen de grootste zuinigheid te betrachten, terwijl Duitschland

door de lage prijzen van zijn koopwaar groote voordeelen biedt. Nog

een andere oorzaak is deze: de toenemende neiging tot landverhuizing

der Duitschers heeft ondernemende lieden uit Duitschland naar Bolivia

gevoerd. Onder bescherming van hun regeering vestigen zij zich in

Bolivia, stellen zich op de hoogte van de behoeften der steden,

waar zij verblijf houden, zenden stalen naar Duitschland van alles,

wat daar wordt verkocht, en maken zoo gebruik van elke gelegenheid

om zich vasten voet te verschaffen. Hoewel hun waar van beslist

mindere hoedanigheid is dan de fransche, moet men toegeven, wat zij

aanbieden, is goedkoop, wat er in Bolivia 't meest op aankomt, en ziet

er bovendien aanlokkend genoeg uit, om gemakkelijk koopers te vinden.

Zoodoende heeft Frankrijk hier ook de levering verloren van gemaakte

costumes, merinos en cachemir, borduurwol, japonstoffen, shawls,

dames-, heeren- en kinderhoeden, onderkleeding, manufacturen etc,

evenals de halfzijden, halfkatoenen weefsels. Tot nog toe echter blijft

Engeland onovertroffen in gebleekt en ongebleekt katoen, gekleurd

sits, tapijten enz. De boliviaansche kooplieden, die geen Duitschers

zijn, staan niet rechtstreeks in verbinding met Hamburg en Berlijn,

en richten hun aanvraag tot de commissionnairs in Parijs; doch deze

laatsten koopen dikwijls allerlei artikelen, onverschillig waar,

die zij voor duitsch laten doorgaan, en zenden deze uit de havens

van Hamburg en Antwerpen naar Antofagasta, hetgeen zeer schadelijk

is voor de fransche handelsbelangen. De voornaamste handel op Bolivia

drijft Engeland; dadelijk daarna volgt Duitschland, en Frankrijk kan

eerst in de derde plaats worden genoemd.

Een der hulpmiddelen, die den franschen uitvoerhandel ten dienste

staan, is de specialiteit in elken vorm; iets, waaraan de Bolivianen

gewend zijn en behoefte hebben.

De verkoop van waren met een eigen handelsmerk is hier vooral aan te

bevelen, omdat zulk een merk, als het eenmaal gunstig bekend staat,

niet licht wordt verdrongen. De aard der koopers, die traag zijn en

gehecht aan sleur, brengt van zelf mede, dat zij niet licht geneigd

zullen zijn, iets nieuws te beproeven. Ongelukkig zijn de namaaksels,

die voornamelijk schuld zijn aan den achteruitgang van den franschen

handel in deze streken, hier aan de orde van den dag, vooral bij

de merken van betere kwaliteit. Het staat vast, dat dit misbruik,

op zoo groote schaal gedreven als thans, den handel van Frankrijk

met Bolivia ernstig moet benadeelen. Wat hebben, tot nog toe, de

meest bevoegde autoriteiten gedaan, om den voortgang van dit kwaad te

stuiten, dat ook hun eigen belang bedreigt? Het orgaan der nationale

vereeniging van Handel en Nijverheid, rue Lancry te Parijs, geeft het

antwoord op deze vraag, in zijn nummer van 23 Oct. '07. "Wij moeten

de aandacht vestigen," leest men daar, "op een artikel in het verslag

van de fransche kamer van koophandel te Constantinopel, betreffende

het namaken van fransche producten, 't geen op zoo schaamtelooze

wijze gebeurt, dat het publiek langzamerhand van het gebruik onzer

waren wordt afgewend. Wij moeten ons hiertegen verzetten en hen,

die zich hieraan schuldig maken, met kracht bestrijden. In Parijs

bestaat een vereeniging van fabrikanten, die zich ten doel stelt,

de fransche handelsmerken in de geheele wereld te beschermen. Doch

deze vereeniging heeft nooit stappen in deze richting gedaan; wat

misschien een zuinige maatregel is, doch niet bevorderlijk voor het

doel, dat de leden wenschen te bereiken en waarvoor zij hun bijdragen

storten." Jammer genoeg is deze opmerking niet alleen van toepassing

in Turkije; maar geldt overal, en wel in 't bijzonder in Bolivia.

En al is in Frankrijk een krachtig ingrijpen nog niet mogelijk, in

Bolivia kunnen de fransche producten wel degelijk beschermd worden,

wanneer ieder maar de middelen wilde aangrijpen, die hem daartoe ten

dienste staan. In Bolivia toch kan iedere verkooper gemakkelijk en

zonder groote onkosten zijn merken beschermen, sedert de invoering

der wet van 25 November '93, die den 21sten Maart '97 door een

presidentsbesluit werd bekrachtigd. Deze wet en dit besluit,

waaromtrent alle boliviaansche consuls belanghebbenden kunnen

inlichten, zijn onze fransche wet in dezen vooruit. In Frankrijk

is het handelsmerk enkel een bewijs van eigendom; in Bolivia, als

in vele andere landen, geeft het deponeeren van een merk het recht,

om dat merk door de wet te doen verdedigen.

De beschouwing van Bolivia's handel brengt ons als van zelf op den

financieelen toestand van het rijk. Het spreekt van zelf, dat bij

een jeugdig land, een Staat, die nog slechts zijn eerste schreden op

den levensweg heeft gezet, hier geen sprake zal zijn van kolossale

cijfers. Doch de staat der inkomsten dekt ongeveer die der uitgaven,

en een klein tekort in het loopende jaar, zal, naar men zegt, in het

volgende reeds weder zijn aangevuld. Het eenige, waarvoor de staat

millioenen zou kunnen noodig hebben, is de aanleg van spoorwegen. Maar

Bolivia zou tot het bereiken van dit doel zooveel geld ter beschikking

kunnen krijgen als het slechts wilde; daar men van te voren weet,

welke winsten dit zou afwerpen en hoezeer de uitvoerhandel erdoor

zou worden gebaat. Waar men zoo zeker is, dat het kapitaal goede

rente zal afwerpen, zullen kapitalisten wel niet aarzelen, hun geld

in deze onderneming te steken.

Het laat zich dan ook verklaren, dat een leening van 50 à 100 millioen

francs, door een machtige financieele groep in Engeland Bolivia

onder zeer voordeelige voorwaarden aangeboden, door laatstgenoemd

land geweigerd is. In antwoord toch op deze aanbieding schreef de

boliviaansche regeering: "Het aanbod van een leening door zulk een

machtige combinatie is zeer vleiend voor het crediet der Republiek;

doch onze inkomsten bedragen meer dan voldoende om onze uitgaven te

dekken, en die inkomsten zullen aanmerkelijk vermeerderen bij den

toenemenden vooruitgang van ons land. Het eenige doel, waarvoor wij

aanzienlijke sommen zullen noodig hebben is de uitbreiding van het

spoorwegnet, dat de verschillende departementen onderling, zoowel

als met de omliggende republieken moet verbinden.

"Dit net zal worden aangelegd door amerikaansche ondernemers, die een

kapitaal zullen storten van 7 1/2 millioen pond sterling, welk cijfer

eventueel tot 9 1/2 millioen zal worden verhoogd, terwijl de regeering

van hare zijde 50 millioen francs zal bijdragen. De 50 000 pond, die

wij aan de studie onzer spoorwegen hebben ten koste gelegd, zullen ons

door de hierboven bedoelde amerikaansche financiers worden vergoed."

Wij willen voorts nog melding maken van twee voor kort ingevoerde

hervormingen, die blijk geven van den vooruitstrevenden geest, welke

in Bolivia heerscht en te danken zijn aan het helder inzicht van den

jeugdigen minister van financiën del Castillo.

Deze hervormingen, die van groot belang zijn voor het land, betreffen

den muntstandaard en het bankwezen. De standaardmunt was, zooals reeds

gezegd is, in Bolivia in waarde verminderd; de zilveren piaster,

die een waarde heette te vertegenwoordigen van 5 francs, gold in

werkelijkheid niet meer dan twee francs en eenige centimes. Deze

zilverstukken worden thans buiten koers gesteld, en vervangen door

goudgeld. Dit zal gemakkelijk gaan in een land waar goud wordt

gevonden, en den internationalen handel zeer ten goede komen.

Ten tweede zullen de vele banken, die in Bolivia bestaan, en die allen

biljetten kunnen uitgeven tot een zekere waarde, worden vereenigd

tot een enkele, door den Staat gewaarborgde nationale bank van Bolivia.

Volgens de verklaringen van alle onderzoekers en aardrijkskundigen,

die het land grondig hebben leeren kennen, kan geen oord ter wereld

met Bolivia wedijveren in rijkdom aan schatten uit het delfstoffen-,

dieren- en plantenrijk. Nog voor kort werd door duitsche geleerden

verzekerd, dat Bolivia het rijkste land der wereld was. En die

bewering is niet nieuw. Vele reizigers, die Z. Amerika goed kennen,

zijn het hiermede eens. Jaren geleden heeft A. d'Orbigny dezelfde

meening verkondigd, in het hoofdstuk, aan Bolivia gewijd, van zijn

l'Amérique méridionale.

Maar al deze geleerde en bereisde schrijvers wijden meer uit over de

gesteldheid en het aantal der mijnen, over het zilver, goud, petroleum,

tin, mica, bismuth, bruinsteen, koper, platina, kwikzilver, borax,

etc, die hier worden aangetroffen, dan over de voortbrengselen uit het

plantenrijk, die toch een der voornaamste bronnen van rijkdom zijn,

waarin dit wonderbare land zich kan verheugen. Het bezit de meeste

producten van Europa en Afrika, en bovendien nog menige andere,

voortreffelijk in hun soort, welke in ons werelddeel niet worden

verbouwd; koffie, cacao, tabak (even goed als die uit Havanna) kaneel;

suikerriet, dat een hoogte van negen à tien voet bereikt; vanille;

kruidnagelen; de coca, die in de moderne pharmacopie een rol speelt,

aardnoten en nog meer, te veel om te noemen.

Door een zonderlinge speling der natuur worden juist de kostbaarste

dezer producten gevonden in de streken, welke het moeilijkst

te bereiken zijn. In een geheel afgelegen streek wordt de beste

koffie verbouwd, en in de maagdelijke wouden de caoutchouc-boom

aangetroffen. In een dagreis, per muilezel, van La Paz naar het

binnenland, bereikt men de Yungas, de streek, waar de beste koffie

wordt verbouwd door Indianen, met de haren in een staart gevlochten

als Chinezen, en in zeer primitieve kleederdracht, typen, die men

wel eens in de straten van La Paz ontmoet.

Bolivia.—Een in wording zijnde Staat aan den Stillen Oceaan De Aarde en haar Volken, 1907-1908 · 第 6 / 9 段