Toch werden in die dagen nog reusachtige fortuinen hier vergaard. In

1650 liet een zekere Sinteros een vermogen na van 80 millioen

francs. In 1651 stierf de beruchte Rocha, die wegens het vervaardigen

van valsch geld was veroordeeld. De door hem verzamelde en verborgen

schatten werden nooit gevonden, en nog thans doet men moeite, ze

op te sporen. In 1699 stierf de schatrijke Antonio Lopez Quiroga,

die zijn reusachtig fortuin had te danken aan de Colamito-mijn,

welke thans behoort aan de maatschappij Real-Socavon.

In 1759 bood de corporatie der mijnwerkers den koning van Spanje

een belangrijk verzoekschrift aan, waarin de treurige toestand der

mijnarbeiders werd geschilderd. Op de opbrengst der verschillende

aderen viel hoegenaamd geen staat te maken, bij de bewerking werden

de koninklijke verordeningen niet meer nageleefd; men was reeds

tot op honderden meters diepte doorgedrongen, en de exploitatie werd

zoodoende te kostbaar; men had te kampen met het binnendringende water,

en leed door onvoldoende luchtverversching; in het bovenste derde deel

van den berg was geen enkele ader meer over, die niet doorzocht was;

de geheele mijn was een warnet van zich kruisende gangen geworden,

en daar de verschillende eigendommen boven en door elkander lagen,

gaf die verwarring aanleiding tot aanhoudende processen; driehonderd

Indianen waren bedolven bij de instorting der ader Mendieta; alle

pogingen om hen te redden waren vruchteloos gebleken, en deze mijn,

tot nog toe een der meest winstgevende, was thans verlaten. Tengevolge

van dit alles was het onmogelijk nog dieper in den berg door te

dringen; het was noodig, dat een gang gegraven werd aan den voet

van den Cerro, en voor deze belangrijke onderneming werd de hulp der

regeering ingeroepen. Het verzoekschrift besloot met de verzekering,

dat de beroemde berg nog vele en onuitputtelijke schatten verborgen

hield, en dat de Cerro, bij een betere arbeidsverdeeling en geregelde

bewerking, nog honderdmaal meer kon opbrengen, dan tot nog toe het

geval was geweest.

Zoo was Potosi in vervlogen tijden. Doch Spanje heeft het uitgeput en

het tegenwoordige Potosi is slechts de schaduw van wat het eertijds

is geweest. Toch zou men denken, als men de Bolivianen erover hoort

spreken, dat men hier minstens een wereldstad in het klein zal te

zien krijgen. Met de grootste ingenomenheid doen zij den vreemdeling

lange verhalen van die prachtige stad en haar grootsch verleden;

Potosi was de eerste van alle universiteitssteden van Z. Amerika;

uit dien berg van Potosi waren meer milliarden zilveren douros te

voorschijn gekomen, dan over de geheele wereld, sedert de schepping,

aan het licht waren gebracht; uit heel Amerika kwamen studenten naar

Potosi om er de lessen aan de Universiteit te volgen, en uit de verste

oorden der wereld stroomden de menschen toe, om hun deel te ontvangen

van den overstelpend rijken zilveroogst. Quantum mutatus!

Potosi drijft, het geringe aantal inwoners in aanmerking genomen, nog

een levendigen invoerhandel. En die handel zal zeker nog meer tot bloei

geraken, wanneer ten behoeve der mijnen een spoorweg in deze streek

zal zijn aangelegd. Feitelijk zijn het gebrek aan verkeermiddelen,

de bergachtige gesteldheid van het land, het wassen der rivieren in

het regenseizoen, en de groote afstand tusschen de verschillende

streken, waar de producten van het land worden verbouwd, oorzaak,

dat de inheemsche voortbrengselen hier duurder zijn, dan die uit het

buitenland worden aangevoerd.

Na Potosi bestegen wij dapper weer onze muilezels. Die dapperheid

was niet overbodig; want wij moesten in vier dagen het overblijvende

gedeelte van ons traject afleggen, om zoo weer terug te komen tot

de spoorweglijn van Antofagasta, die wij bij het station Challapata

zouden bereiken.

Van daar waren wij voornemens, na een nacht rustens in een

half-europeesch hotel, vijf dagen na ons vertrek uit Potosi, met den

trein naar Oruro te reizen, het uitgangspunt, van waar wij, met onze

karavaan muilezels, dezen tocht hadden aanvaard.

Den eersten nacht na ons vertrek uit Potosi hielden wij stil te

Yocalla. Den volgenden brachten wij door in een soort boerderij, te

Lagunilla, aan den oever van een schilderachtig meer, waar een jager

allerlei soorten watervogels had kunnen schieten. De derde halte was

Ancacato, en na de vierde dagreis kwamen wij te Challapata aan.

Omstreeks 1895 beraamde de directie van de Huanchaca-mijnen het plan,

om Potosi met het station Uyuni te verbinden door een rijweg, die

langs de mijnen van Huanchaca en Pulucayo zou loopen. Ongelukkig,

zoowel voor Potosi als voor reizigers in deze streken, is dit plan

nooit ten uitvoer gebracht; bij nader inzien bleken de onkosten te

groot, en de weg is alleen nog maar op de kaart aangegeven.

Het zou jammer zijn, als men, in deze streken vertoevende, niet

minstens een vier en twintig uren wijdde aan de bezichtiging der

uitgestrekte zwavel-zilvermijnen, de grootste van de geheele wereld. Te

meer, daar vreemde bezoekers hier zeer vriendelijk worden ontvangen,

en door de directie der mijn, die op duizelingwekkende hoogte is

gelegen, tusschen bergen van 5000 Meter, gaarne worden geherbergd.

Deze mijn-exploitatie ontleent ten onrechte haar naam aan de

Huanchaca-vallei, daar zij feitelijk uit den Pulucayo het kostbare

metaal aan het licht brengt. Pulucayo is dan ook het middelpunt

van deze rustelooze bedrijvigheid, en hier, beschermd door de

hooge bergwanden, liggen de woningen der tallooze mijnwerkers,

werktuigkundigen en beambten, die allen leven van en door de mijn.

Pulucayo, dat eenzaam tusschen bijna ontoegankelijke bergen ligt,

en slechts met Uyuni is verbonden door een spoorweglijn van

eenige mijlen lengte, die in slingerende bochten langs de steile

rotswanden omhoog kruipt, behoort aan de Huanchaca-maatschappij. Die

spoorweg wekt werkelijk angstige gewaarwordingen. Misschien kan

de indruk, dien hij op den beschouwer maakt, niet beter worden

weergegeven dan door een reeks van uitroepen, door een Duitscher

in klimmende verrukking geslaakt bij zijn aankomst te Pulucayo:

"Famos! Kolossal! Pyramidal! Elefantisch!" Over een afstand van

25 kilometer beschrijft de lijn meer dan tweehonderd bochten, bij

een voortdurende helling van 1/20. Wee den reiziger die hier het

slachtoffer wordt van een spoorwegramp! Reeds eenmaal heeft hier

een ongeluk plaats gehad, en reizigers en waggons zijn verdwenen in

afgronden, wier diepte geen menschelijk oog heeft gepeild. Men kan

een huivering niet onderdrukken, wanneer men van uit den trein het

bergland daar in de diepte overziet.

De trein staat stil in een station, tusschen een menigte kleine

huizen en hutten, aan den ingang van een tunnel, die te laag is,

om de locomotief door te laten. Hoewel de rails tot in den tunnel

doorloopen, rijden in deze nauwe gang, die den berg over een afstand

van vier kilometer doorboort, slechts karren, met paarden bespannen.

Die lange, onderaardsche gang verbindt de helling, waarop Pulucayo

gelegen is, met het dal van Huanchaca. In het begin wierpen, toen wij

achter een rij karren, die de mijnwerkers naar hun arbeid brachten,

den tunnel binnenreden, eenige electrische lampen nog een bleek

en schemerachtig licht, doch later maakte dit plaats voor dichte

duisternis. Nu en dan hielden wij stil, om ploegen arbeiders af te

zetten. Bij die korte halten onderscheidden wij sombere, bochtige

gangen; hier mondden de putten uit, waarin de mijnwerkers moesten

afdalen, een voor een, met hun lampje op den hoed.

Soms zagen wij zwarte schimmen bewegen, bij het licht van fakkels,

diep in de duistere gangen, waar het erts wordt gevonden, dat in

blinkende zilverstukken zal worden omgetooverd.

Het zijn een twaalfduizendtal arbeiders, die daar te Pulucayo hun

leven slijten, tusschen den nauwen tunnel, waarin de schatten liggen

verborgen, die anderen zullen verrijken, en hun armoedige hutten,

waar zij een ellendig leven leiden. Reeds vijftig jaren bijna daalt

die stroom van edel metaal van den 4600 M. hoogen Pulucayo neer,

en niemand hunner gelooft, dat ooit die hoorn van overvloed zou

kunnen worden uitgeput, waaraan zij hun levensonderhoud hebben te

danken. Gedronken wordt hier verbazend veel, en dat is geen wonder,

als men bedenkt, dat die arme lieden te Pulucayo, buiten hun arbeid,

geen andere verpoozing hebben dan drinken en slapen.

Terwijl ons wagentje steeds dieper in den duisteren tunnel doordrong,

zagen wij, als de beelden van een kinematograaf, allerlei tafereelen

aan ons oog voorbijtrekken. Hier de machines om het water op te pompen,

dat de mijn zou binnendringen, wanneer hun slechts een oogenblik

rust werd gegund, daar vlammende ovens, bij fakkellicht. Dan weer

stoomketels, die de lucht verwarmen in de nauwe kille gang, waar

overal droppels langs de wanden parelen. Het is, alsof men zich

niet meer op aarde bevindt, maar rondzwerft in het rijk van Satan,

en instinctmatig zoekt ons oog in de verte het kleine, witte puntje,

dat glinstert als een ster, en langzaam grooter wordt, tot men een

zucht van verlichting slaakt, wanneer de opening eindelijk is bereikt,

en men het vriendelijk daglicht weder begroet.

Hier zijn wij op de helling der bergen die het Huanchaca-dal

begrenzen. Het woord Huanchaca beteekent, in de taal der Indianen:

vuil, of mest. Het geheele dal is dan ook slechts een dichte, bruine

veenmassa, een opeenhooping van lang vergane planten. En al dit veen

wordt als brandstof gebruikt; een omstandigheid, die van overwegend

belang is in deze hooggelegen streken, en als een der allervoornaamste

redenen mag beschouwd worden, waarom juist te dezer plaatse fabrieken

zijn opgericht voor de bewerking van het zilvererts.

Het is treurig, te denken aan het aantal menschenlevens, dat die

bewerking als haar slachtoffers eischt, en men is werkelijk ontzet,

wanneer men hier verneemt, hoeveel Indianen jaarlijks bezwijken aan

de noodlottige gevolgen van dezen moordenden arbeid. Het grijsachtig

zilversulfide, dat op karren door den tunnel van Pulucayo naar

Huanchaca wordt gebracht, wordt hier gestampt en tot poeder

vermalen. De ongelukkige Indianen, die met deze taak zijn belast,

gaan een zekeren en snellen dood tegemoet. Het inademen van het

fijne stof, dat ondanks alle voorzorgen overal binnendringt en de

omringende voorwerpen met een grauwe laag bedekt, heeft onvermijdelijk

een ziekelijke aandoening der longen en een treurigen dood tengevolge.

Het tot poeder gestampte erts wordt vervolgens in ovens verbrand, om

de zwavel eruit te verwijderen en het zuivere zilver over te houden,

dat daarna gesmolten en in blinkende staven gegoten wordt. Ook deze

bewerking oefent, evenals de vorige, een hoogst nadeeligen invloed

op de gezondheid der arbeiders uit; de zwaveldampen, die zich in

de ovens ontwikkelen, brengen een menigte Indianen den dood. En

al bekommert men er zich voorloopig niet over, dat eens wellicht

een tijd zal aanbreken, waarop het erts in de mijnen verminderen

zal, van het gewicht der vraag: wat te doen, als alle Indianen zijn

uitgestorven? is men wel degelijk doordrongen. En toch gaat men voort,

die ongelukkige schepsels uit alle oorden van Bolivia hierheen te

halen om den Minotaurus tot voedsel te dienen.

De arbeid in de mijnen en de drank zullen de Indianen van Bolivia

snel en zeker uitroeien. En als de kerkhoven van Pulucayo en Huanchaca

konden spreken, zouden zij openbaren, met welk een ontzettenden prijs

hier de bloei dezer industrie wordt betaald.

Wij keerden op dezelfde wijze als wij gekomen waren, naar Pulucayo

terug. Daar de beide uiteinden van den tunnel zeer hoog gelegen waren,

geleek die tocht wel wat op een toertje in een montagne russe; de

wagentjes gleden eerst naar beneden, en vervolgens weer omhoog.

Na dit uitstapje naar Pulucayo en Huanchaca, keerde ik van Challapata

met den trein terug naar Oruro, om mij daar gereed te maken voor mijn

vertrek naar La Paz.

Hoe zou ik die stad bereiken? De reizigers, die zich naar La Paz

wenschen te begeven, hebben de keus tusschen twee vervoermiddelen,

muilezels, en iets, dat ik uit beleefdheid maar een omnibus zal

noemen. Wat nu wel het meest geschikt zou zijn? Wie beide al eens

in zijn leven geprobeerd heeft, weet, dat hij tusschen twee kwaden

heeft te kiezen; want men moet niet vergeten, dat de muilezel,

hoe bij uitstek geëigend ook om zware lasten te vervoeren, maar al

te dikwijls neiging tot kuren en hebbelijkheden vertoont, die hij

rechtstreeks van zijn voorvader, den ezel, heeft geërfd. Als men zich

echter werkelijk van een muilezel wil bedienen, dan wordt de bagage

op een kar geladen, en een Indiaan die te voet gaat en den weg wijst,

loopt naast het beest, om het voortdurend met de zweep en de stem aan

te zetten. Hij is dus postillon, en gids tevens. Het trof mij als

een merkwaardig verschijnsel, dat op deze hoogte van 4000 M., waar

iemand uit lager gelegen streken geen honderd schreden kan loopen,

zonder buiten adem te geraken, zulk een gids maar dagen achtereen in

den looppas blijft meedraven. Van die Indiaansche gidsen wordt beweerd,

dat zij met gemak een paard kunnen inhalen, en het langer volhouden,

dan het dier zelf. Wanneer zij werkelijk ook eens vermoeid zijn, gaan

zij naar een muur, strekken zich uit, met het hoofd en den rug plat op

den grond, en laten de beenen languit tegen den muur rusten. Naar de

Bolivianen mij verzekerden, zal iemand in die houding na een half uur

geen vermoeidheid meer gevoelen, zelfs na de grootste inspanning; en

ik moet zeggen, dat mijn gids in den regel, na een paar minuten in die

positie te hebben gelegen, weer bereid was om te vertrekken.--Maar nu

de omnibus!--Empresa carretera, "omnibus onderneming", staat deftig

op de gedrukte biljetten en op den gevel van de herberg, van waar

tweemaal per week dit voertuig vertrekt.

Met de klassieke diligence heeft het vehikel niet de minste

overeenkomst, en het wil daarvoor dan ook niet doorgaan. Het publiek

wordt in dit geval niet door leugenachtige aanprijzingen om den

tuin geleid; men weet dat men op modern comfort hier niet behoeft te

rekenen; maar wie het er op wagen wil, is welkom.

Wat mij betreft, mij lachte dit plan meer toe, dan weer een muilezel

te bestijgen; te meer, daar ik van het rijden, na mijn tournee: Oruro,

Cochabamba, Sucre, Potosi, Challapata, meer dan genoeg had.

Het bewuste vervoermiddel is van zeer eigenaardig maaksel. Een platte

bak, die op leeren riemen steunt, en twee meter boven den grond hangt,

om bij het oversteken van rivieren de reizigers voor een ongewenscht

voetbad te vrijwaren. Op dien bak drie ongemakkelijke bankjes, op elk

waarvan twee reizigers kunnen plaats nemen, zoodat in 't geheel zes

passagiers kunnen worden vervoerd, die met elkaar worden getrokken door

zes muildieren. En in dat schommelende voertuig waagt men, om zoo te

zeggen, bij elke oneffenheid van den weg zijn leven, de geheele 280

kilometer lang, die liggen tusschen Oruro en La Paz. Wanneer ik nog

denk aan de steile hellingen, die ik, op dat gevaarte, achter de zes in

woeste vaart voorthollende muildieren ben afgesleept, aan de schokken

en stooten op de steenen der rivieren, die ik ermee doortrok, aan de

moerassige plekken, waar de wielen halfweg in het slijk bleven steken,

dan begrijp ik nog niet, hoe ik het in mijn hoofd heb kunnen krijgen,

mij zoo onvoorzichtig aan die allesbehalve ongevaarlijke kwelling bloot

te stellen. Die kar zal ik niet licht vergeten. Om vier uur 's morgens,

bij maanlicht nog, werd er ingespannen, en het was nog geen vijf,

toen de koetsier met de zweep klapte en de reis begon. Wij wisten,

dat de zon niet voor zeven uur zou opgaan, en zaten huiverend te

verlangen naar de komst van die gezegende warmtebron. De gletschers,

die wij tegemoet rijden, herinneren ons er aan, op welke hoogte we

hier zijn. We zien ze nog niet, maar gevoelen hun nabijheid.

Opeens komt de zon voor den dag, en van tien uur tot vier uur in den

namiddag worden we op onze open kar geroosterd. Daarna wordt het weer

even koud als 's morgens vroeg. En we mogen ons nog gelukkig rekenen,

als er geen hagel- en sneeuwbuien vallen, die het onderstel van onze

rammelkast in een voetbad veranderen. Om zeven uur is het alweer

donker. Letterlijk geradbraakt, bont en blauw, en ademloos van de

verschrikkelijke schokken, die we onophoudelijk hebben te verduren,

danken wij den hemel, als de kar stil houdt voor een muur van klei,

met een laag deurtje er in, waarboven een rieten dak oprijst. Dat is

onze herberg, waar we den nacht zullen doorbrengen. Met de langzame

bewegingen, die den Indiaan eigen zijn, helpen eenige omstanders ons

van onze zitplaatsen op het twee meter hooge stellage af. In de herberg

is voor de reizigers een chupe klaargemaakt, die ons maar matig kan

behagen. Onder chupe verstaat men hier een mengelmoes van groenten,

in water gekookt, en gekruid met aji, een soort van inheemsche

peper, die de spijzen een flauwen en toch ietwat prikkelenden smaak

geeft. Eenmaal gewend aan ontbering op reis, leert men zich met dat

onsmakelijk mengsel wel tevreden stellen; wie het niet van zich kan

verkrijgen, het te proeven, behelpt zich maar met den mondvoorraad,

dien hij heeft meegebracht.

De waard wijst ons als slaapplaats een verhevenheid van platgetrapte

klei, een dertig centimeter boven den grond, in een slecht sluitend

soort loodsje, een gelegenheid, zooals wij die vroeger ook reeds

onderweg hebben aangetroffen. En daar van slapen toch niet komt

op die ongemakkelijke legerstede, zijn wij maar blijde, als we om

halfvier 's morgens reeds weer worden gewekt om de reis voort te

zetten. De tweede, derde en vierde reisdag gaan op dezelfde wijze

voorbij. Maar gedurende den laatsten dag van onzen tocht zien wij,

als een schilderachtige tooneeldecoratie, het hoogste gebergte ter

wereld, na den Himalaya, oprijzen. Een geweldige reeks van witte

bergtoppen, die dreigend hun besneeuwde kruinen verheffen, tot op

een hoogte van 7000 M.; de Illampu, de Illimani, de Chacacomani,

de Callinsaya, de Huaina-Potosi, en nog meer.

Na nog een eindelooze reeks van schokken en stooten bereiken we

eindelijk den rand van een reusachtige klip, waar ons voertuig

stilhoudt, en wij een tooverachtig schouwspel voor onze oogen

zien uitgebreid. Het is een prachtig gezicht op La Paz. Vanaf de

hoogvlakte, welke wij thans hebben bestegen, op ongeveer 3800 M.,

zien wij, in een uitgestrekte, natuurlijke kom, honderden roode daken,

verspreid en verscholen tusschen het groen, dat de steile bergwanden

bedekt. Het doet ons goed, te bedenken dat wij onder die huiselijke

roode dakpannen weer beschaafde menschen zullen aantreffen.

La Paz is als 't ware gebouwd tusschen de twee uiteinden van een groote

letter V, die zich vereenigen in een snellen bergstroom. In plaats

van rijtuigen, trekken hier kudden lama's langs den weg, 't zij vrij,

of met vrachten op hun rug geladen. In de drukste straten komt men

soms zulk een troep, van honderd, of tweehonderd beladen lama's tegen,

die met hun indiaansche drijvers al zeer zonderling bij de europeesche

huizen afsteken. Een engelsche maatschappij is voornemens hier de

electrische verlichting te verbeteren en een tramlijn te leggen. La

Paz is minder merkwaardig door zijn monumenten en kerkgebouwen, dan

door de zonderlinge gebruiken, die vooral in de laatste in zwang zijn.

In de kerken heeft men n.l. de beelden van Christus en de heiligen uit

een gevoel van overdreven zedigheid waarschijnlijk, voorzien van nette,

wijde, geel linnen broeken, die bij feestelijke gelegenheden door

schoone worden vervangen. Men is zelfs zoover gegaan, ook de schouders

en ontbloote ledematen der schaars bekleede heiligen met fluweelen

mantels, of desnoods maar zeer eenvoudige bedekkingen te omhullen.

De Bolivianen geven blijk van hun bijzonder vrome gezindheid door een

bijna overdreven neiging tot het houden van processies. Regent het wat

te veel, dan wordt ten spoedigste een plechtige optocht gearrangeerd,

om den ongewenschten regen te bezweren. De kosten worden altoos

bestreden door een inzameling van giften onder het publiek. Blijft

het lang droog, dan wordt hetzelfde middel te baat genomen. Als

iemands kind ziek is, wordt geen middel zoo heilzaam beschouwd

als een gezamenlijke optocht, om zijn genezing af te smeeken. In

La Paz en de andere groote steden van Bolivia bedraagt het aantal

processies dan ook, door elkaar genomen, twee per week. Men beweert,

dat de boliviaansche geestelijken er hun voordeel uit trekken, en dat

zij over het algemeen wel een weinig misbruik maken van hun gezag,

ten bate van hun beurs. Het is waar, dat deze priesters uit hun ambt

des te meer winst kunnen halen, naarmate hun vindingrijkheid hun de

middelen daartoe aan de hand doet.

De eigenlijke volksklasse, wier voorvaderen zonaanbidders waren,

is fanatiek geloovig en blijft den aard van hun ras getrouw.

Het fetichisme heeft zich hier van geslacht tot geslacht voortgeplant,

ondanks alle uiterlijke wisselingen.

Te Calamarca, ongeveer twintig mijlen van la Paz, aan den weg naar

Oruro gelegen, bevindt zich een zonderlinge begraafplaats. Deze

is n. l. verdeeld in drie afdeelingen, een kerkhof voor den hemel,

een tweede voor het vagevuur, en een derde voor de hel.

Men behoeft niet te vragen, welk een gewichtige beteekenis deze

willekeurige classificatie heeft in den geest van een armen onwetenden

Indiaan. Wordt hij op het hemelsche kerkhof begraven, dan is hij

zeker, na zijn dood alle genietingen der zaligheid te zullen smaken;

rust zijn stoffelijk overschot op het kerkhof der hel, dan wordt hij

voor eeuwig de prooi van de vreeselijkste pijnen en folteringen.

Nu is het tarief voor de drie kerkhoven zeer verschillend. En de zaak

komt in 't algemeen hierop neer, dat de aardsche goederen van elken

gestorven Indiaan in deze gemeente aan den priester van Calamarca ten

deel vallen, inplaats van in handen te geraken van zijn natuurlijke

erfgenamen. Want deze zouden immers nooit de verantwoording op zich

durven laden, den doode op het hellekerkhof te laten begraven, en

getroosten zich dus liever, al wat zij bezitten, tot hun laatste lama,

te verkoopen, ten einde de vereischte som te kunnen bijeenbrengen,

die den toegang tot de hemelsche begraafplaats, of, als het dan niet

anders kan, den gulden middenweg van het vagevuur, ontsluiten zal. Als

de boliviaansche geestelijkheid zich nu maar wilde beperken tot het

houden van processies, of tot het bedotten van onnoozele Indianen en

Cholos, dan zou het nog zoo erg niet zijn. Maar onlangs was er iets

ernstigers voorgevallen. De zeer talrijke europeesche kolonisten in

Oruro waren genoodzaakt geworden, hun woningen in staat van verdediging

te brengen. Ieder hield de wapenen gereed, zorgde voor munitie, en was

op den strijd voorbereid. Oruro was in staat van beleg om de volgende

reden. In Oruro woont een groot aantal Europeanen, die hier aan de

mijnen zijn verbonden, en onder hen zijn veel Duitschers en Engelschen,

allen Lutherschen, Calvinisten, of aanhangers der Anglikaansche kerk,

en eveneens vele orthodoxe Russen. Al deze vreemdelingen waren door

vereende pogingen er in geslaagd, in het bezit te geraken van een

eigen kerkhof, waar zij geen inmenging van de geestelijkheid hadden

te dulden. Daar ook vele Franschen, Italianen en Chilenen zich bij

hen aansloten, bleven de nadeelige gevolgen voor de priesters van het

plaatsje niet uit, daar deze thans bijna niet anders dan arme Indianen

naar hun laatste rustplaats op het klassenkerkhof geleidden, terwijl

de rijker met aardsche goederen bedeelden de voorkeur gaven aan de

"vrije" europeesche begraafplaats.

Bolivia.—Een in wording zijnde Staat aan den Stillen Oceaan De Aarde en haar Volken, 1907-1908 · 第 5 / 9 段