Als de sansculotten van 1792 tot hun stoute daden werden aangespoord

door gebrek en ellende, en zich vooral beklaagden over gemis aan

behoorlijk schoeisel, dan zal die nationale garde van Clissa hun

vijanden, de Chilenen, zeker glorierijk verslaan. Hun schoenen zullen

hun in elk geval geen beletsel zijn om er duchtig op los te marcheeren;

want zij doen het er zonder. De Clissasche schutterij verheugde

zich ook in het bezit van muziekinstrumenten. Twee ezelsvellen

over een cognacvaatje zonder bodem gespannen, dienden als trom;

een soort pansfluit uit stukken riet van verschillende lengte werd

niet onverdienstelijk bespeeld door iemand, die als pijper optrad,

en een gedeukte hoorn voltooide het orkest, dat een leven maakte als

een oordeel. De aanvoerders van deze troepen hadden de teekenen hunner

waardigheid eerlijk samen gedeeld; de een droeg een sabel, waarvan de

ander dapper de scheede zwaaide. Zij wekten blijkbaar de bewondering

van de indiaansche schoonen, die in het stof in de zon zaten te

blakeren, met haar bonte rokken wijd uitgespreid. Wij hoopten nog

half, dat er een politieke toespraak zou worden gehouden; maar er werd

enkel hoera geroepen, toen na twee uren wachtens de secretaris, die

niet heel vast meer op zijn beenen stond, weer in het rijtuig stapte.

Tegen het vallen van den avond kwamen we te Arani, onze eerste

rustplaats. Den volgenden dag wachtte ons een bergtocht van

65 kilometer, en dus gingen we om zeven uur al weer op weg. Om

twaalf uur, op 4000 meter hoogte, rusten we in eene vervallen hut,

op een plaats die Janchillani heet. Den geheelen namiddag gaat het

weer bergop, bergaf, langs diepe afgronden, tot we om zes uur bij

een armoedige schuilplaats van Indianen komen, Rumicorral genaamd,

onze tweede pleisterplaats. 't Is er treurig en verlaten, en geducht

koud; maar we moeten het hier toch voor lief nemen, want zestig

kilometer verder eerst ligt de volgende plek, waar we onder dak kunnen

komen. Dat is Misqui, 't welk we, thans dalende, den volgenden dag om

vijf uur bereiken. Ik had gedacht, hier een groote stad te vinden,

want de Bolivianen zijn gewoon, van hun steden sprekend, verbazende

bevolkingscijfers te noemen, doch bij onze aankomst bemerk ik, dat

Misqui slechts een armzalig plaatsje is, met een honderdtal havelooze

inwoners, die in hutten van leem en klei zijn verzameld. Ik hoor,

dat de bevolking zoo gedund is door de derdendaagsche koorts. We zijn

hier in het dal van den Misqui, een zijstroom van den Rio Grande,

die zich in de Madre di Dios uitstort. Al deze valleien zijn zeer

ongezond. En de schijnbare rijkdom aan rivieren heeft niet veel te

beteekenen; daar al deze stroomen gedurende tien maanden van het

jaar zoo goed als droge beddingen zijn, waarin een weinig troebel

water vloeit tusschen de steenklompen, die in den regentijd door den

stroom zijn medegevoerd. Want dan wordt dat onschuldige beekje een

woest schuimende bergstroom, die boomen en rotsblokken meesleept in

zijn vaart. Zooals we tusschen Oruro en Cochabamba een geheelen dag

de bedding volgden van de Rio Paria en de Rio Tapacari, zullen wij na

Sucre het bed van den Pilcomayo doortrekken. De Bolivianen hebben met

hun rivieren niet veel op, daar zij allen schijnen te lijden aan een

soort van watervrees. Uit den mond van allerdeftigste (hoewel licht

chocoladekleurig getinte) heeren en dames, die, naar de nieuwste

parijsche mode uitgedost, op de wandelplaatsen te Sucre, La Paz en

Cochabamba ronddrentelden, hoorde ik telkens de oprecht gemeende

waarschuwing: "U moet u in Bolivia vooral niet wasschen; 't water is

hier slecht. Als u zich wascht, doet u stellig een verkoudheid op!" Ze

schenen voor de verkoudheid weinig minder bang dan voor 't water zelf.

Een vermakelijk intermezzo was mijn bezoek bij den pastoor van

Misqui, die hier toevallig onder deze halve wilden is verzeild en

gaarne gastvrijheid verleent aan vreemdelingen, die uit verre streken

komen. Hij woont op het marktplein. Een groote wijde poort, zonder

deuren, in een leemen muur, die bezig is langzaam te verbrokkelen,

en waar het stof in grauwe wolken af vliegt, verleent toegang tot een

soort binnenplaats, den corral, die op een slecht onderhouden boerenerf

gelijkt. Links en rechts, voor en achter vuil, niets dan vuil. In den

hoek staat de vuurpot, waarop gekookt wordt, tusschen hoopen aarde,

waarop de pan moet steunen, en de muur daarachter is zwart van rook

en roet. Op den corral komt een groot vierkant vertrek uit, waar we

bij het binnentreden een zonderlinge mengeling van allerlei voorwerpen

ontdekken. Links moeten een hoop schapenvellen en dekens van lamawol,

opgestapeld op een leemen uitbouwsel aan den wand der kamer, een

bed voorstellen. Langs de muren, op den grond, liggen geboorte- en

sterfregisters en de geheele "burgerlijke stand" van Misqui tusschen

ledige flessen, zadels, tuig en allerlei voorwerpen voor huiselijk

gebruik. In een hoek van het smerige hol staat een groote tafel vol

boordevolle glazen chicha, een geelachtig, dik, troebel vocht, dat

over de tafel loopt en in straaltjes op den grond droppelt. 't Is

een gegiste drank, een soort cider, bereid uit versche maïskorrels,

dus op een andere wijze dan de chicha van Chili, die uit druiven wordt

geperst en veel heeft van zoeten wijn. De pastoor, een forsche kerel

van tegen de zestig jaar, met een echten Inca-kop, komt den welkomen

gast welwillend tegemoet, terwijl de geheele karavaan lastdieren achter

ons het portaal binnentrekt. Hij is omringd door een krioelenden troep

kleine kinderen, en een aantal havelooze vrouwen. De Indianen, die als

honden op de binnenplaats liggen te slapen, worden wakker, en allen

dringen om ons heen om ons te begroeten. We moeten volstrekt dadelijk

een glas chicha drinken, hoewel onze oorspronkelijke tegenzin in dit

brouwsel niet is verminderd, sedert we hebben vernomen, hoe het wordt

toebereid. De vrouwen uit de volksklasse, die de maïskorrels pellen,

bijten ze daarna met de tanden door. Als men die dames ooit van nabij

heeft waargenomen, kan men dit niet bepaald een appetijtelijke methode

noemen. De Bolivianen nemen het daarmee zoo nauw niet. Zij beweren,

dat het gistingsproces den drank voldoende zuivert, en de Europeaan,

die zijn gastheer zou beleedigen, als hij den aangeboden welkomstdronk

weigerde, moet dit maar op gezag gelooven, en mag nog van geluk

spreken, als in den intiemen huiselijken kring niet de _patrillo_

rondgaat, een verbazend groote glazen kroes, die twee of drie liter

kan bevatten, en waaruit het geheele gezelschap beurtelings een teug

neemt. Terwijl het kleine grut, dat de pastoor ons als zijn neefjes

voorstelt--(daarmede neemt men het ook al niet nauw in Bolivia, waar

elke pastoor vijf of zes huishoudsters en een dozijn neefjes erop

nahoudt)--gezellig uit oom's glas meeproeft, en zoo vriendelijk is,

dat van den reiziger voor hem te ledigen, maken de moeders van dat

drukke troepje het middagmaal gereed. Als ik alleen geweest was, zou

ik dien poespas, die mij midden in den vuilen rommel werd voorgezet,

niet hebben kunnen aanroeren. Maar omringd door argelooze lieden, die

zich om strijd beijveren, u de beste stukjes toe te stoppen, moet men

zich in zulk een geval maar schikken in zijn lot, en tenminste voor den

schijn meedoen, al draait ons het hart in het lijf om, bij 't gezicht

van een tafellaken zóó vol vlekken, dat er zeker geen schoon plekje aan

is te vinden, groot genoeg om met een tienstuiverstukje te bedekken.

Den morgen na dit bezoek verlieten we voor het aanbreken van den dag

Misqui, en hielden des middags slechts even stil te Aiquile; want de

vierde dagreis is lang. Vervolgens kwamen we nog voorbij Quiroga en

Chinguri, om zeer laat, bij maneschijn, in ons nachtverblijf Aguada aan

te komen. Men ziet in Bolivia van een weg wel het begin, maar van het

einde is men zelden zeker, en het was lang niet aangenaam, na tien of

twaalf uren achtereen te hebben doorgereden, nog steeds te vergeefs te

moeten uitzien naar een plaats, om zijn hoofd neder te leggen. Tusschen

Aguada en Sucre zagen we boomgaarden en boerderijen, die beter verzorgd

en onderhouden waren dan eenige inrichting van dien aard, die wij

nog op onzen tocht door dit land hadden gezien. Zij behoorden aan den

voormaligen president Arce. Dat is een echte markies van Carabas; we

hoorden, dat al de grond tusschen Aguada en Sucre zijn eigendom is,

en Sucre ligt nog twee dagreizen van hier verwijderd. Een paar mijlen

voorbij Aguada zagen we aan de rechterzijde van den weg zijn landhuis

liggen, La Constancia. 't Was een eenvoudig huis, schilderachtig

gelegen, in een prachtigen tuin, vol oranje- en citroenboomen, bananen,

palmen, zeldzame bloemen; kortom, de geheele plantenschat der tropen

was hier vertegenwoordigd. En door die groene vallei, die zich, zoover

het oog reikt, aan den voet van het hooggelegen lustverblijf uitstrekt,

fladderden bonte tropische vogels; geheele zwermen papegaaien vlogen,

verschrikt door den stap der muilezels, omhoog, en verscholen zich

in het gebladerte. Niets herinnerde hier aan de kale hoogvlakten,

de treurige verlatenheid van het landschap, dat ons reeds sedert we

Antofagasta verlieten omgaf. Doch dit plekje is dan ook geheel eenig

in Bolivia. Weldra deed een woud van reuzencactussen, wel tien of

vijftien meter hoog, en de hobbelige bodem, bedekt met groote steenen,

door de overstrooming eener naburige rivier hier neergeworpen, ons

opnieuw gevoelen, dat we wel degelijk nog in Bolivia waren.

Om halftwee kwamen we aan den Rio Grande, een rivier, die in snelle

vaart tusschen hooge rotswanden stroomt. President Arce, die zeer goed

inzag, van hoe veel gewicht het was, als Cochabamba en zijn landgoed

met Sucre waren verbonden, verkreeg niet alleen, dat de spoorweg naar

Oruro werd verlengd, maar ook, dat over de Rio Grande een brug werd

gebouwd. Op een der pilaren staat dan ook zijn naam met dien van den

ingenieur vermeld.

Den vijfden avond sliepen we in Caparari, en na nog een langen dag

reizens kwamen we des avonds laat aan in Sucre, de hoofdstad van het

departement Chuquisaca.

Na zes dagen in den zadel te hebben gezeten, verheugden we ons op een

rustigen nacht, want we waren zoo voorzichtig geweest, vooruit een

kamer te bestellen in het hôtel van den heer Tavel. Tot mijn verbazing

vond ik mijn bed echter nog niet opgemaakt, en hoorde van den waard,

dat dit geen vergissing was, maar dat al de lakens van het hôtel

ongelukkig in de wasch waren.

Het hielp niets of ik mij boos maakte; de heer Tavel trok de schouders

op en vond, dat ik heel goed lakens had kunnen meebrengen.

Er zat niets anders op, dan te berusten; ik schoof mijn bed van den

muur en trachtte mij over het gemis aan behoorlijk beddegoed heen

te zetten.

Dat wegschuiven van het bed is hier een noodzakelijke maatregel. In

Oruro reeds trof mij in elke slaapkamer der zoogenaamde hôtels de

aan den muur geplakte waarschuwing: "Het is verboden, tegen den wand

te spuwen". Het schijnt, dat hier de reizigers geen genoeglijker

tijdverdrijf kunnen bedenken, dan, achterover in hun bed gelegen,

kunstig kringetjes te spuwen tegen de muren en den zolder. 's Lands

wijs, 's lands eer. Een andere eigenaardigheid der hôtelkamers hier

te lande is de aanwezigheid van een langen paardestaart, die aan

het toilet is opgehangen, en waarin een paar niet altijd zindelijke

kammen zijn gestoken. De reiziger aan de kust van den Stillen Oceaan

behoeft zich de moeite niet te geven, toilet-benoodigdheden mede te

nemen. Dáárvoor zorgt het hôtel, al vindt het lakens overbodige weelde!

Sucre, dat vóór Bolivia's onafhankelijkheidsverklaring Chuquisaca

heette, telt 12 à 15000 inwoners, waaronder ongeveer 4000

beschaafde. Het is genoemd naar generaal Sucre, die in het begin

der 19de eeuw zich met goed gevolg verzette tegen de spaansche

heerschappij in Z. Amerika. Doch al hebben de Bolivianen dit juk

weten af te schudden, van eenig streven naar werkelijken vooruitgang

ontdekt men bij hen geen spoor. Van hun bekrompenheid kan men zich

een denkbeeld vormen, wanneer men in een der plaatselijke nieuwsbladen

(_el Tiempo_) een stuk leest, onderteekend door een in zijn omgeving

gunstig bekend en geacht journalist, die heftig te velde trekt tegen

het plan, een spoorweg in de provincie te laten aanleggen, en in zijn

verontwaardiging zoo ver gaat, te beweren "dat het beter zou zijn,

zoo in deze streken het gesis van slangen werd vernomen, dan het

fluiten van een trein".

Het is volstrekt niets ongewoons, onder de advertenties, die drie

vierde van zulk een blad beslaan, berichten aan te treffen in den

trant van het volgende, dat wij overnemen uit _La Industria_.

"De firma Y, handelaars in koloniale waren, maken aan hun klanten

bekend, dat zij, die vóór 31 Juli niet hun achterstallige schulden

voldoen, van af dien datum hun naam zullen zien gepubliceerd in dit

blad, met vermelding van de som, die zij verschuldigd zijn. Hierbij

voegen wij de lijst onzer klanten, die ondanks gerechtelijke vervolging

onzerzijds, nog steeds in gebreke blijven, hun verplichtingen jegens

ons na te komen".

Daarop volgde een twintigtal namen.

Zulke advertenties geven te denken!

Evenals Potosi en La Paz, waarheen wij ons thans op weg begeven, is

Sucre, om zoo te zeggen, een eindpunt voor den handel met Europa, en

niet zooals Oruro of Cochabamba, een stapelplaats en tusschenstation.

De handel der drie eerstgenoemde steden beperkt zich tot den invoer

van waren, die zij behoeven voor eigen gebruik.

Vandaar dan ook die heftige strijd om den voorrang en de eer,

residentiestad te zijn. De laatste maal heeft La Paz het gewonnen. Doch

de groote kooplieden van Sucre zullen zeker niet rusten, eer zij den

President der Republiek, met zijn geheelen stoet van ambtenaren en

soldaten, hebben bewogen, weer in hun midden terug te keeren en de

stad door meerdere weelde toenemende welvaart te bezorgen. Want als

Sucre het van de Indianen alleen zou moeten hebben, zag het er al

zeer treurig uit.

Alvorens uit Sucre te vertrekken, verzuime men niet een weg van

ongeveer drie of vier mijlen af te leggen en een bezoek te brengen

aan het landgoed La Glorieta, in de omstreken der stad gelegen,

het eigendom van de familie Argandona, die er trotsch op is, onder

haar leden mannen te tellen, die naam hebben gemaakt in de politiek,

o.a. voormalige gezanten in Frankrijk, en vooral Francisco Argandona,

de oprichter en eigenaar van een der belangrijkste bankinstellingen in

Bolivia. Natuurlijk zal een reiziger, die in het oude Europa reeds

veel heeft gezien en bewonderd, bij zijn bezoek aan la Glorieta

nu juist niet versteld staan van verbazing over de pracht van dit

buitengoed. Maar het is toch werkelijk der vermelding waardig, al

was het alleen, omdat het in Bolivia eenig is in zijn soort. Wie

hier lang gereisd heeft, door betrekkelijk onbeschaafde streken,

kan niet anders dan aangename gewaarwordingen voelen opkomen,

een herinnering aan zijn verre vaderland, bij het zien van keurig

onderhouden parkachtige tuinen en een fraai buitengoed, dat ook in

Europa als een lustverblijf zou worden beschouwd.

Na la Glorieta zette ik mijn reis weer voort langs dezelfde ongebaande

wegen en muilezelpaden als te voren. Nu eens langs de oevers van den

Pilcomayo trekkend, die snel en met vele kronkelingen over een bedding

van gladde steenen stroomt, dan weer stijgende naar de hoogvlakte, kwam

ik over bergen en door dalen eindelijk te Potosi, na gedurende dien

tocht tweemaal overnacht te hebben. De stad Potosi, de hoofdplaats

van het departement van dien naam, is een der meest bekende van

Zuid-Amerika, niet wegens haar feitelijke belangrijkheid, maar door

den roep, die eertijds uitging van den rijkdom harer zilvermijnen,

in den Cerro gelegen. Potosi ligt op 19° 35' 18'' Zuiderbreedte en 67°

54' 39'' Westerlengte van den meridiaan van Parijs. De hoogte, in het

midden der stad, is 4061 M. boven het oppervlak der zee. Hoewel zij

midden in de tropen is gelegen, heerscht in deze stad een zeer koud

klimaat, door die hooge ligging. De Cerro, die ten Zuiden van de stad

oprijst, bereikt een hoogte van 4890 M. De stichting en uitbreiding der

stad Potosi hingen ten nauwste samen met de exploitatie der mijnen van

den Cerro, en haar lotgevallen hielden gelijken tred met de meerdere

of mindere opbrengst der beroemde zilvermijn. De bouwvallen, die de

stad omringen en het bewijs leveren van haar voormaligen bloei, doen

ons tevens vermoeden, dat de overdreven verhalen omtrent de schatten,

die in den Cerro verborgen lagen, meerendeels bezijden de waarheid

moeten zijn geweest.

De grootste productie werd bereikt in 1651. De spaansche regeering

eischte voor zich de opbrengst van een vijfde deel van het verkregen

erts, en in het tijdsverloop van honderdzeven jaren, tusschen 1556

en 1663, inde Spanje door deze belasting de niet geringe som van 9720

millioen francs.

Toenmaals was Potosi de verzamelplaats van een talrijke schaar

mijnwerkers en fortuinzoekers, en de stad telde in die dagen 250 000

inwoners. Thans bedraagt dat getal niet meer dan 12 000.

Om de oorzaken te begrijpen van dezen bloei, zoowel als van

het daarop volgend verval, moest men in de gelegenheid zijn,

nauwkeurig de geologische gesteldheid van den Cerro te bestudeeren,

en vooral rekening houden met de ondoordachte wijze, waarop die eerste

ontginners te werk gingen. De ondernemers hadden geen ander doel, dan

spoedig rijk te worden; zij bekommerden zich niet om de toekomst, en

wijdden aan den arbeid volstrekt niet die zorg, die zij eraan hadden

moeten besteden, als zij de waarde van hun eigendom hadden willen

behouden en vermeerderen. Zij doodden de kip, die hun gouden eieren

lei. Thans zijn nog verschillende compagnieën bezig, die gedeelten

der mijnen te bewerken, welke de eerste onderzoekers slechts ten deele

hebben uitgeput, en zij trekken uit die overblijfselen zelfs nog een

aanzienlijke winst. Wel een bewijs, hoe verkwistend de oorspronkelijke

bezitters er mede zijn te werk gegaan.

De Cerro van Potosi werd ontdekt in 1545. Een Indiaan, Diego Guallea,

die in dienst was van den Spaanschen kapitein Juan Villaroël, hoedde,

naar het verhaal luidt, lama's op den berg, die toen ter tijde met

een weelderigen plantengroei was bedekt. Daar hij, niet ver van den

top van den berg, door de duisternis werd overvallen, zocht hij een

schuilplaats in een hol, om er den nacht door te brengen, en toen

hij, wegens de felle koude, een vuur van droge takken had aangelegd,

zag hij, bij het schijnsel der vlammen, glinsterende strepen in den

rotswand, die hij voor zilver hield. Hij deelde deze ontdekking

aan zijn meester mede, en eenige maanden later ondernam Don Juan

Villaroël het onderzoek van de ader, die men Veta Descubridora (ader

der ontdekking) noemde, en die ook wel bekend was onder den naam van

een zekeren Centeno, een medewerker van Villaroël. In die dagen werd

de grondslag gelegd voor de latere stad Potosi, die aanvankelijk

slechts uit eenige hutten van Indianen bestond. In 1547 reeds, dus

twee jaar later, schonk de koning van Spanje aan Potosi den titel

van Villa Imperial.

In 1562 werd de zoogenaamde Veta Rica (rijke ader) ontdekt. Weldra

volgden andere, en reeds zeer spoedig wist men, hoeveel er in het

geheel aanwezig waren. Thans zijn er nog 32 voorname aderen, benevens

meerdere nevenaderen, die deze kruisen.

Zoodra de eerste inrichting voor de bewerking van het kostbare metaal

op den Cerro was tot stand gekomen, was men getroffen door den

buitengewonen rijkdom van het erts. In de betreffende documenten,

gedateerd uit de jaren tusschen 1545 en 1572, wordt gesproken van

gedegen zilver en chloorhoudend erts, dat 25 à 30 percent zilver

bevatte.

De bewerking van het metaal geschiedde echter in die dagen nog op

zeer primitieve wijze. Men volgde hierbij het voorbeeld der Incas,

het erts werd gesmolten in ovens, huairachinas genaamd, die gestookt

werden met taquia, gedroogde lamamest. Daar het erts met lood en kool

was vermengd, werd het zilverhoudende lood later gezuiverd. De ovens

werden zóó geplaatst, dat de heerschende winden de benoodigde lucht

konden toevoeren. De schoorsteenen waren drie à drie en een halve meter

hoog. In 1572 moeten niet minder dan zes duizend van deze ovens in

werking zijn geweest. Van velen zijn de bouwvallen nog aanwezig. Zij

brachten jaarlijks een som van veertig millioen francs op.

In 1572 moest men echter ophouden met de bewerking van dit bijzonder

rijke erts, en de spaansche regeering was genoodzaakt, zich tevreden

te stellen met de helft van de vroeger opgelegde belasting, die thans

tot een tiende van de opbrengst werd teruggebracht. Natuurlijk was

de bewerking van het metaal, zooals die tot nog toe in zwang was,

niet geschikt voor het chloorhoudende en betrekkelijk schrale erts,

dat de uitgeputte aderen thans nog opleverden.

Ongerust geworden door deze misrekening, zonden de spaansche vorsten

uit Madrid den onderkoning Francisco Toledo, met een aantal mijnwerkers

en bekwame deskundigen naar Potosi. Deze voerden het stelsel van

amalgameering in, dat zij patio noemden. Het chloorhoudend erts werd

fijngestampt, uitgespreid op steenen vloeren, met zout vermengd en

onderworpen aan een behandeling, repaso genaamd, waarbij het door

muilezels werd getreden. Verder voegde men er kwikzilver aan toe,

en een zekere hoeveelheid magistral, die diende om den voortgang

der bewerking te regelen. Deze behandeling van het metaal, die thans

nog in eenige oude werkplaatsen van Potosi in gebruik is, stelde de

mijnwerkers in staat, den arbeid te hervatten in aderen, die tot

nu toe niet meer hadden opgebracht dan pacos (chloorhoudend erts)

dat slechts een zeer gering zilvergehalte bezat.

Ongelukkig voerde Don Juan van Toledo ook de mita in, een gehate

instelling, waardoor de Indianen van Peru en de overige spaansche

bezittingen tot den arbeid in de mijnen werden geprest. Elk jaar

werd een troep van 20 000 inboorlingen den mijnwerkers als hulp

toegevoegd. Slecht betaald en gevoed, en gedwongen tot zwaren

arbeid, keerden slechts weinigen van die ongelukkige lieden naar

hun woonplaatsen terug; de meesten bezweken en werden door nieuwe

slachtoffers vervangen. Doch daar de mita een aanzienlijke besparing

van arbeidskracht insloot, verklaart zij ook de herleving van den bloei

van den Cerro in 1580. Dit duurde zoo voort tot het jaar 1600. Toen

was ook het chloorhoudend erts (pacos) uitgeput, en in stede daarvan

leverden de voornaamste mijnen zwavelhoudend erts (negrillos), dat

volstrekt niet geschikt was voor de behandeling die tot nu toe was

aangewend. Men kende toen nog niet het calcinatie-proces, dat alleen

in staat is, amalgameering tot stand te brengen.

Toentertijde waren reeds belangrijke sluiswerken aangelegd in de

Kari-Kari-keten, bij Potosi. Op die wijze werden twee en dertig

kunstmatige meren gevormd, waarvan het water, al naarmate dit vereischt

werd, de beweegkracht leverde voor 150 hydraulische raderen, die voor

het malen van het erts moesten dienen. Dit groote werk werd in 1621

voltooid en had tien millioen francs gekost. Thans zijn nog twintig

van die lagunen in goeden staat; zij leveren het water voor de stad,

zoowel als voor de thans nog in werking zijnde mijn-exploitaties,

ingenios genaamd.

Doch de bloei van Potosi had met het eind der 16de eeuw zijn toppunt

bereikt. In 1623 brak in Spanje de burgeroorlog uit tusschen Basken

en Andalusiërs. Van dezen strijd, die den ondergang van vele families

ten gevolge had, moest Potosi den terugslag ondervinden. Meerdere

mijnen werden aan hun lot overgelaten. Daarbij kwam nog een andere

ramp. In 1626 brak de sluis van San Ildefonso, en het water van

het meer overstroomde de fabrieken, die aan den oever der rivier

waren gelegen. Van 150 ingenios bleven slechts zes over, en bij de

ontzettende ramp kwamen 2500 menschen om het leven. In de kronieken

van die dagen wordt het geleden verlies op veertig millioen francs

geschat. Van dezen slag zou Potosi zich nooit weder herstellen.

De spaansche regeering, die een aanzienlijk deel harer inkomsten

bij de ramp zag verloren gaan, deed al, wat in haar vermogen was,

om de mijnwerkers in staat te stellen, hun arbeid voort te zetten. De

Staat leende hun het benoodigde kapitaal, om de verwoeste fabrieken

door nieuwe te vervangen. In 1628 waren dan ook 130 ingenios weder

opgebouwd, waarvan echter 29 werden geconfisqueerd, wijl ze in gebreke

bleven, het door den staat geleende geld terug te betalen. In ieder van

deze inrichtingen werden wekelijks veertig à vijf-en-veertig-duizend

kilo erts bewerkt.

Doch de mijnen waren thans dieper geworden, en men zag zich

genoodzaakt, maatregelen te nemen, om het binnendringen van het water

te beletten. De Indianen (naar de mita mitayos genaamd) plachten

het in kruiken weg te dragen, doch daar dit primitieve hulpmiddel

weinig baatte, gingen vele der ondernemingen verloren. Daar de mijnen

bovendien steeds minder pacos en meer negrillos opleverden, en men

van de laatste soort erts niet op doeltreffende wijze wist partij te

trekken, zag het er met de toekomst der zilvermijnen treurig uit.

Bolivia.—Een in wording zijnde Staat aan den Stillen Oceaan De Aarde en haar Volken, 1907-1908 · 第 4 / 9 段