door gebrek en ellende, en zich vooral beklaagden over gemis aan
behoorlijk schoeisel, dan zal die nationale garde van Clissa hun
vijanden, de Chilenen, zeker glorierijk verslaan. Hun schoenen zullen
hun in elk geval geen beletsel zijn om er duchtig op los te marcheeren;
want zij doen het er zonder. De Clissasche schutterij verheugde
zich ook in het bezit van muziekinstrumenten. Twee ezelsvellen
over een cognacvaatje zonder bodem gespannen, dienden als trom;
een soort pansfluit uit stukken riet van verschillende lengte werd
niet onverdienstelijk bespeeld door iemand, die als pijper optrad,
en een gedeukte hoorn voltooide het orkest, dat een leven maakte als
een oordeel. De aanvoerders van deze troepen hadden de teekenen hunner
waardigheid eerlijk samen gedeeld; de een droeg een sabel, waarvan de
ander dapper de scheede zwaaide. Zij wekten blijkbaar de bewondering
van de indiaansche schoonen, die in het stof in de zon zaten te
blakeren, met haar bonte rokken wijd uitgespreid. Wij hoopten nog
half, dat er een politieke toespraak zou worden gehouden; maar er werd
enkel hoera geroepen, toen na twee uren wachtens de secretaris, die
niet heel vast meer op zijn beenen stond, weer in het rijtuig stapte.
Tegen het vallen van den avond kwamen we te Arani, onze eerste
rustplaats. Den volgenden dag wachtte ons een bergtocht van
65 kilometer, en dus gingen we om zeven uur al weer op weg. Om
twaalf uur, op 4000 meter hoogte, rusten we in eene vervallen hut,
op een plaats die Janchillani heet. Den geheelen namiddag gaat het
weer bergop, bergaf, langs diepe afgronden, tot we om zes uur bij
een armoedige schuilplaats van Indianen komen, Rumicorral genaamd,
onze tweede pleisterplaats. 't Is er treurig en verlaten, en geducht
koud; maar we moeten het hier toch voor lief nemen, want zestig
kilometer verder eerst ligt de volgende plek, waar we onder dak kunnen
komen. Dat is Misqui, 't welk we, thans dalende, den volgenden dag om
vijf uur bereiken. Ik had gedacht, hier een groote stad te vinden,
want de Bolivianen zijn gewoon, van hun steden sprekend, verbazende
bevolkingscijfers te noemen, doch bij onze aankomst bemerk ik, dat
Misqui slechts een armzalig plaatsje is, met een honderdtal havelooze
inwoners, die in hutten van leem en klei zijn verzameld. Ik hoor,
dat de bevolking zoo gedund is door de derdendaagsche koorts. We zijn
hier in het dal van den Misqui, een zijstroom van den Rio Grande,
die zich in de Madre di Dios uitstort. Al deze valleien zijn zeer
ongezond. En de schijnbare rijkdom aan rivieren heeft niet veel te
beteekenen; daar al deze stroomen gedurende tien maanden van het
jaar zoo goed als droge beddingen zijn, waarin een weinig troebel
water vloeit tusschen de steenklompen, die in den regentijd door den
stroom zijn medegevoerd. Want dan wordt dat onschuldige beekje een
woest schuimende bergstroom, die boomen en rotsblokken meesleept in
zijn vaart. Zooals we tusschen Oruro en Cochabamba een geheelen dag
de bedding volgden van de Rio Paria en de Rio Tapacari, zullen wij na
Sucre het bed van den Pilcomayo doortrekken. De Bolivianen hebben met
hun rivieren niet veel op, daar zij allen schijnen te lijden aan een
soort van watervrees. Uit den mond van allerdeftigste (hoewel licht
chocoladekleurig getinte) heeren en dames, die, naar de nieuwste
parijsche mode uitgedost, op de wandelplaatsen te Sucre, La Paz en
Cochabamba ronddrentelden, hoorde ik telkens de oprecht gemeende
waarschuwing: "U moet u in Bolivia vooral niet wasschen; 't water is
hier slecht. Als u zich wascht, doet u stellig een verkoudheid op!" Ze
schenen voor de verkoudheid weinig minder bang dan voor 't water zelf.
Een vermakelijk intermezzo was mijn bezoek bij den pastoor van
Misqui, die hier toevallig onder deze halve wilden is verzeild en
gaarne gastvrijheid verleent aan vreemdelingen, die uit verre streken
komen. Hij woont op het marktplein. Een groote wijde poort, zonder
deuren, in een leemen muur, die bezig is langzaam te verbrokkelen,
en waar het stof in grauwe wolken af vliegt, verleent toegang tot een
soort binnenplaats, den corral, die op een slecht onderhouden boerenerf
gelijkt. Links en rechts, voor en achter vuil, niets dan vuil. In den
hoek staat de vuurpot, waarop gekookt wordt, tusschen hoopen aarde,
waarop de pan moet steunen, en de muur daarachter is zwart van rook
en roet. Op den corral komt een groot vierkant vertrek uit, waar we
bij het binnentreden een zonderlinge mengeling van allerlei voorwerpen
ontdekken. Links moeten een hoop schapenvellen en dekens van lamawol,
opgestapeld op een leemen uitbouwsel aan den wand der kamer, een
bed voorstellen. Langs de muren, op den grond, liggen geboorte- en
sterfregisters en de geheele "burgerlijke stand" van Misqui tusschen
ledige flessen, zadels, tuig en allerlei voorwerpen voor huiselijk
gebruik. In een hoek van het smerige hol staat een groote tafel vol
boordevolle glazen chicha, een geelachtig, dik, troebel vocht, dat
over de tafel loopt en in straaltjes op den grond droppelt. 't Is
een gegiste drank, een soort cider, bereid uit versche maïskorrels,
dus op een andere wijze dan de chicha van Chili, die uit druiven wordt
geperst en veel heeft van zoeten wijn. De pastoor, een forsche kerel
van tegen de zestig jaar, met een echten Inca-kop, komt den welkomen
gast welwillend tegemoet, terwijl de geheele karavaan lastdieren achter
ons het portaal binnentrekt. Hij is omringd door een krioelenden troep
kleine kinderen, en een aantal havelooze vrouwen. De Indianen, die als
honden op de binnenplaats liggen te slapen, worden wakker, en allen
dringen om ons heen om ons te begroeten. We moeten volstrekt dadelijk
een glas chicha drinken, hoewel onze oorspronkelijke tegenzin in dit
brouwsel niet is verminderd, sedert we hebben vernomen, hoe het wordt
toebereid. De vrouwen uit de volksklasse, die de maïskorrels pellen,
bijten ze daarna met de tanden door. Als men die dames ooit van nabij
heeft waargenomen, kan men dit niet bepaald een appetijtelijke methode
noemen. De Bolivianen nemen het daarmee zoo nauw niet. Zij beweren,
dat het gistingsproces den drank voldoende zuivert, en de Europeaan,
die zijn gastheer zou beleedigen, als hij den aangeboden welkomstdronk
weigerde, moet dit maar op gezag gelooven, en mag nog van geluk
spreken, als in den intiemen huiselijken kring niet de _patrillo_
rondgaat, een verbazend groote glazen kroes, die twee of drie liter
kan bevatten, en waaruit het geheele gezelschap beurtelings een teug
neemt. Terwijl het kleine grut, dat de pastoor ons als zijn neefjes
voorstelt--(daarmede neemt men het ook al niet nauw in Bolivia, waar
elke pastoor vijf of zes huishoudsters en een dozijn neefjes erop
nahoudt)--gezellig uit oom's glas meeproeft, en zoo vriendelijk is,
dat van den reiziger voor hem te ledigen, maken de moeders van dat
drukke troepje het middagmaal gereed. Als ik alleen geweest was, zou
ik dien poespas, die mij midden in den vuilen rommel werd voorgezet,
niet hebben kunnen aanroeren. Maar omringd door argelooze lieden, die
zich om strijd beijveren, u de beste stukjes toe te stoppen, moet men
zich in zulk een geval maar schikken in zijn lot, en tenminste voor den
schijn meedoen, al draait ons het hart in het lijf om, bij 't gezicht
van een tafellaken zóó vol vlekken, dat er zeker geen schoon plekje aan
is te vinden, groot genoeg om met een tienstuiverstukje te bedekken.
Den morgen na dit bezoek verlieten we voor het aanbreken van den dag
Misqui, en hielden des middags slechts even stil te Aiquile; want de
vierde dagreis is lang. Vervolgens kwamen we nog voorbij Quiroga en
Chinguri, om zeer laat, bij maneschijn, in ons nachtverblijf Aguada aan
te komen. Men ziet in Bolivia van een weg wel het begin, maar van het
einde is men zelden zeker, en het was lang niet aangenaam, na tien of
twaalf uren achtereen te hebben doorgereden, nog steeds te vergeefs te
moeten uitzien naar een plaats, om zijn hoofd neder te leggen. Tusschen
Aguada en Sucre zagen we boomgaarden en boerderijen, die beter verzorgd
en onderhouden waren dan eenige inrichting van dien aard, die wij
nog op onzen tocht door dit land hadden gezien. Zij behoorden aan den
voormaligen president Arce. Dat is een echte markies van Carabas; we
hoorden, dat al de grond tusschen Aguada en Sucre zijn eigendom is,
en Sucre ligt nog twee dagreizen van hier verwijderd. Een paar mijlen
voorbij Aguada zagen we aan de rechterzijde van den weg zijn landhuis
liggen, La Constancia. 't Was een eenvoudig huis, schilderachtig
gelegen, in een prachtigen tuin, vol oranje- en citroenboomen, bananen,
palmen, zeldzame bloemen; kortom, de geheele plantenschat der tropen
was hier vertegenwoordigd. En door die groene vallei, die zich, zoover
het oog reikt, aan den voet van het hooggelegen lustverblijf uitstrekt,
fladderden bonte tropische vogels; geheele zwermen papegaaien vlogen,
verschrikt door den stap der muilezels, omhoog, en verscholen zich
in het gebladerte. Niets herinnerde hier aan de kale hoogvlakten,
de treurige verlatenheid van het landschap, dat ons reeds sedert we
Antofagasta verlieten omgaf. Doch dit plekje is dan ook geheel eenig
in Bolivia. Weldra deed een woud van reuzencactussen, wel tien of
vijftien meter hoog, en de hobbelige bodem, bedekt met groote steenen,
door de overstrooming eener naburige rivier hier neergeworpen, ons
opnieuw gevoelen, dat we wel degelijk nog in Bolivia waren.
Om halftwee kwamen we aan den Rio Grande, een rivier, die in snelle
vaart tusschen hooge rotswanden stroomt. President Arce, die zeer goed
inzag, van hoe veel gewicht het was, als Cochabamba en zijn landgoed
met Sucre waren verbonden, verkreeg niet alleen, dat de spoorweg naar
Oruro werd verlengd, maar ook, dat over de Rio Grande een brug werd
gebouwd. Op een der pilaren staat dan ook zijn naam met dien van den
ingenieur vermeld.
Den vijfden avond sliepen we in Caparari, en na nog een langen dag
reizens kwamen we des avonds laat aan in Sucre, de hoofdstad van het
departement Chuquisaca.
Na zes dagen in den zadel te hebben gezeten, verheugden we ons op een
rustigen nacht, want we waren zoo voorzichtig geweest, vooruit een
kamer te bestellen in het hôtel van den heer Tavel. Tot mijn verbazing
vond ik mijn bed echter nog niet opgemaakt, en hoorde van den waard,
dat dit geen vergissing was, maar dat al de lakens van het hôtel
ongelukkig in de wasch waren.
Het hielp niets of ik mij boos maakte; de heer Tavel trok de schouders
op en vond, dat ik heel goed lakens had kunnen meebrengen.
Er zat niets anders op, dan te berusten; ik schoof mijn bed van den
muur en trachtte mij over het gemis aan behoorlijk beddegoed heen
te zetten.
Dat wegschuiven van het bed is hier een noodzakelijke maatregel. In
Oruro reeds trof mij in elke slaapkamer der zoogenaamde hôtels de
aan den muur geplakte waarschuwing: "Het is verboden, tegen den wand
te spuwen". Het schijnt, dat hier de reizigers geen genoeglijker
tijdverdrijf kunnen bedenken, dan, achterover in hun bed gelegen,
kunstig kringetjes te spuwen tegen de muren en den zolder. 's Lands
wijs, 's lands eer. Een andere eigenaardigheid der hôtelkamers hier
te lande is de aanwezigheid van een langen paardestaart, die aan
het toilet is opgehangen, en waarin een paar niet altijd zindelijke
kammen zijn gestoken. De reiziger aan de kust van den Stillen Oceaan
behoeft zich de moeite niet te geven, toilet-benoodigdheden mede te
nemen. Dáárvoor zorgt het hôtel, al vindt het lakens overbodige weelde!
Sucre, dat vóór Bolivia's onafhankelijkheidsverklaring Chuquisaca
heette, telt 12 à 15000 inwoners, waaronder ongeveer 4000
beschaafde. Het is genoemd naar generaal Sucre, die in het begin
der 19de eeuw zich met goed gevolg verzette tegen de spaansche
heerschappij in Z. Amerika. Doch al hebben de Bolivianen dit juk
weten af te schudden, van eenig streven naar werkelijken vooruitgang
ontdekt men bij hen geen spoor. Van hun bekrompenheid kan men zich
een denkbeeld vormen, wanneer men in een der plaatselijke nieuwsbladen
(_el Tiempo_) een stuk leest, onderteekend door een in zijn omgeving
gunstig bekend en geacht journalist, die heftig te velde trekt tegen
het plan, een spoorweg in de provincie te laten aanleggen, en in zijn
verontwaardiging zoo ver gaat, te beweren "dat het beter zou zijn,
zoo in deze streken het gesis van slangen werd vernomen, dan het
fluiten van een trein".
Het is volstrekt niets ongewoons, onder de advertenties, die drie
vierde van zulk een blad beslaan, berichten aan te treffen in den
trant van het volgende, dat wij overnemen uit _La Industria_.
"De firma Y, handelaars in koloniale waren, maken aan hun klanten
bekend, dat zij, die vóór 31 Juli niet hun achterstallige schulden
voldoen, van af dien datum hun naam zullen zien gepubliceerd in dit
blad, met vermelding van de som, die zij verschuldigd zijn. Hierbij
voegen wij de lijst onzer klanten, die ondanks gerechtelijke vervolging
onzerzijds, nog steeds in gebreke blijven, hun verplichtingen jegens
ons na te komen".
Daarop volgde een twintigtal namen.
Zulke advertenties geven te denken!
Evenals Potosi en La Paz, waarheen wij ons thans op weg begeven, is
Sucre, om zoo te zeggen, een eindpunt voor den handel met Europa, en
niet zooals Oruro of Cochabamba, een stapelplaats en tusschenstation.
De handel der drie eerstgenoemde steden beperkt zich tot den invoer
van waren, die zij behoeven voor eigen gebruik.
Vandaar dan ook die heftige strijd om den voorrang en de eer,
residentiestad te zijn. De laatste maal heeft La Paz het gewonnen. Doch
de groote kooplieden van Sucre zullen zeker niet rusten, eer zij den
President der Republiek, met zijn geheelen stoet van ambtenaren en
soldaten, hebben bewogen, weer in hun midden terug te keeren en de
stad door meerdere weelde toenemende welvaart te bezorgen. Want als
Sucre het van de Indianen alleen zou moeten hebben, zag het er al
zeer treurig uit.
Alvorens uit Sucre te vertrekken, verzuime men niet een weg van
ongeveer drie of vier mijlen af te leggen en een bezoek te brengen
aan het landgoed La Glorieta, in de omstreken der stad gelegen,
het eigendom van de familie Argandona, die er trotsch op is, onder
haar leden mannen te tellen, die naam hebben gemaakt in de politiek,
o.a. voormalige gezanten in Frankrijk, en vooral Francisco Argandona,
de oprichter en eigenaar van een der belangrijkste bankinstellingen in
Bolivia. Natuurlijk zal een reiziger, die in het oude Europa reeds
veel heeft gezien en bewonderd, bij zijn bezoek aan la Glorieta
nu juist niet versteld staan van verbazing over de pracht van dit
buitengoed. Maar het is toch werkelijk der vermelding waardig, al
was het alleen, omdat het in Bolivia eenig is in zijn soort. Wie
hier lang gereisd heeft, door betrekkelijk onbeschaafde streken,
kan niet anders dan aangename gewaarwordingen voelen opkomen,
een herinnering aan zijn verre vaderland, bij het zien van keurig
onderhouden parkachtige tuinen en een fraai buitengoed, dat ook in
Europa als een lustverblijf zou worden beschouwd.
Na la Glorieta zette ik mijn reis weer voort langs dezelfde ongebaande
wegen en muilezelpaden als te voren. Nu eens langs de oevers van den
Pilcomayo trekkend, die snel en met vele kronkelingen over een bedding
van gladde steenen stroomt, dan weer stijgende naar de hoogvlakte, kwam
ik over bergen en door dalen eindelijk te Potosi, na gedurende dien
tocht tweemaal overnacht te hebben. De stad Potosi, de hoofdplaats
van het departement van dien naam, is een der meest bekende van
Zuid-Amerika, niet wegens haar feitelijke belangrijkheid, maar door
den roep, die eertijds uitging van den rijkdom harer zilvermijnen,
in den Cerro gelegen. Potosi ligt op 19° 35' 18'' Zuiderbreedte en 67°
54' 39'' Westerlengte van den meridiaan van Parijs. De hoogte, in het
midden der stad, is 4061 M. boven het oppervlak der zee. Hoewel zij
midden in de tropen is gelegen, heerscht in deze stad een zeer koud
klimaat, door die hooge ligging. De Cerro, die ten Zuiden van de stad
oprijst, bereikt een hoogte van 4890 M. De stichting en uitbreiding der
stad Potosi hingen ten nauwste samen met de exploitatie der mijnen van
den Cerro, en haar lotgevallen hielden gelijken tred met de meerdere
of mindere opbrengst der beroemde zilvermijn. De bouwvallen, die de
stad omringen en het bewijs leveren van haar voormaligen bloei, doen
ons tevens vermoeden, dat de overdreven verhalen omtrent de schatten,
die in den Cerro verborgen lagen, meerendeels bezijden de waarheid
moeten zijn geweest.
De grootste productie werd bereikt in 1651. De spaansche regeering
eischte voor zich de opbrengst van een vijfde deel van het verkregen
erts, en in het tijdsverloop van honderdzeven jaren, tusschen 1556
en 1663, inde Spanje door deze belasting de niet geringe som van 9720
millioen francs.
Toenmaals was Potosi de verzamelplaats van een talrijke schaar
mijnwerkers en fortuinzoekers, en de stad telde in die dagen 250 000
inwoners. Thans bedraagt dat getal niet meer dan 12 000.
Om de oorzaken te begrijpen van dezen bloei, zoowel als van
het daarop volgend verval, moest men in de gelegenheid zijn,
nauwkeurig de geologische gesteldheid van den Cerro te bestudeeren,
en vooral rekening houden met de ondoordachte wijze, waarop die eerste
ontginners te werk gingen. De ondernemers hadden geen ander doel, dan
spoedig rijk te worden; zij bekommerden zich niet om de toekomst, en
wijdden aan den arbeid volstrekt niet die zorg, die zij eraan hadden
moeten besteden, als zij de waarde van hun eigendom hadden willen
behouden en vermeerderen. Zij doodden de kip, die hun gouden eieren
lei. Thans zijn nog verschillende compagnieën bezig, die gedeelten
der mijnen te bewerken, welke de eerste onderzoekers slechts ten deele
hebben uitgeput, en zij trekken uit die overblijfselen zelfs nog een
aanzienlijke winst. Wel een bewijs, hoe verkwistend de oorspronkelijke
bezitters er mede zijn te werk gegaan.
De Cerro van Potosi werd ontdekt in 1545. Een Indiaan, Diego Guallea,
die in dienst was van den Spaanschen kapitein Juan Villaroël, hoedde,
naar het verhaal luidt, lama's op den berg, die toen ter tijde met
een weelderigen plantengroei was bedekt. Daar hij, niet ver van den
top van den berg, door de duisternis werd overvallen, zocht hij een
schuilplaats in een hol, om er den nacht door te brengen, en toen
hij, wegens de felle koude, een vuur van droge takken had aangelegd,
zag hij, bij het schijnsel der vlammen, glinsterende strepen in den
rotswand, die hij voor zilver hield. Hij deelde deze ontdekking
aan zijn meester mede, en eenige maanden later ondernam Don Juan
Villaroël het onderzoek van de ader, die men Veta Descubridora (ader
der ontdekking) noemde, en die ook wel bekend was onder den naam van
een zekeren Centeno, een medewerker van Villaroël. In die dagen werd
de grondslag gelegd voor de latere stad Potosi, die aanvankelijk
slechts uit eenige hutten van Indianen bestond. In 1547 reeds, dus
twee jaar later, schonk de koning van Spanje aan Potosi den titel
van Villa Imperial.
In 1562 werd de zoogenaamde Veta Rica (rijke ader) ontdekt. Weldra
volgden andere, en reeds zeer spoedig wist men, hoeveel er in het
geheel aanwezig waren. Thans zijn er nog 32 voorname aderen, benevens
meerdere nevenaderen, die deze kruisen.
Zoodra de eerste inrichting voor de bewerking van het kostbare metaal
op den Cerro was tot stand gekomen, was men getroffen door den
buitengewonen rijkdom van het erts. In de betreffende documenten,
gedateerd uit de jaren tusschen 1545 en 1572, wordt gesproken van
gedegen zilver en chloorhoudend erts, dat 25 à 30 percent zilver
bevatte.
De bewerking van het metaal geschiedde echter in die dagen nog op
zeer primitieve wijze. Men volgde hierbij het voorbeeld der Incas,
het erts werd gesmolten in ovens, huairachinas genaamd, die gestookt
werden met taquia, gedroogde lamamest. Daar het erts met lood en kool
was vermengd, werd het zilverhoudende lood later gezuiverd. De ovens
werden zóó geplaatst, dat de heerschende winden de benoodigde lucht
konden toevoeren. De schoorsteenen waren drie à drie en een halve meter
hoog. In 1572 moeten niet minder dan zes duizend van deze ovens in
werking zijn geweest. Van velen zijn de bouwvallen nog aanwezig. Zij
brachten jaarlijks een som van veertig millioen francs op.
In 1572 moest men echter ophouden met de bewerking van dit bijzonder
rijke erts, en de spaansche regeering was genoodzaakt, zich tevreden
te stellen met de helft van de vroeger opgelegde belasting, die thans
tot een tiende van de opbrengst werd teruggebracht. Natuurlijk was
de bewerking van het metaal, zooals die tot nog toe in zwang was,
niet geschikt voor het chloorhoudende en betrekkelijk schrale erts,
dat de uitgeputte aderen thans nog opleverden.
Ongerust geworden door deze misrekening, zonden de spaansche vorsten
uit Madrid den onderkoning Francisco Toledo, met een aantal mijnwerkers
en bekwame deskundigen naar Potosi. Deze voerden het stelsel van
amalgameering in, dat zij patio noemden. Het chloorhoudend erts werd
fijngestampt, uitgespreid op steenen vloeren, met zout vermengd en
onderworpen aan een behandeling, repaso genaamd, waarbij het door
muilezels werd getreden. Verder voegde men er kwikzilver aan toe,
en een zekere hoeveelheid magistral, die diende om den voortgang
der bewerking te regelen. Deze behandeling van het metaal, die thans
nog in eenige oude werkplaatsen van Potosi in gebruik is, stelde de
mijnwerkers in staat, den arbeid te hervatten in aderen, die tot
nu toe niet meer hadden opgebracht dan pacos (chloorhoudend erts)
dat slechts een zeer gering zilvergehalte bezat.
Ongelukkig voerde Don Juan van Toledo ook de mita in, een gehate
instelling, waardoor de Indianen van Peru en de overige spaansche
bezittingen tot den arbeid in de mijnen werden geprest. Elk jaar
werd een troep van 20 000 inboorlingen den mijnwerkers als hulp
toegevoegd. Slecht betaald en gevoed, en gedwongen tot zwaren
arbeid, keerden slechts weinigen van die ongelukkige lieden naar
hun woonplaatsen terug; de meesten bezweken en werden door nieuwe
slachtoffers vervangen. Doch daar de mita een aanzienlijke besparing
van arbeidskracht insloot, verklaart zij ook de herleving van den bloei
van den Cerro in 1580. Dit duurde zoo voort tot het jaar 1600. Toen
was ook het chloorhoudend erts (pacos) uitgeput, en in stede daarvan
leverden de voornaamste mijnen zwavelhoudend erts (negrillos), dat
volstrekt niet geschikt was voor de behandeling die tot nu toe was
aangewend. Men kende toen nog niet het calcinatie-proces, dat alleen
in staat is, amalgameering tot stand te brengen.
Toentertijde waren reeds belangrijke sluiswerken aangelegd in de
Kari-Kari-keten, bij Potosi. Op die wijze werden twee en dertig
kunstmatige meren gevormd, waarvan het water, al naarmate dit vereischt
werd, de beweegkracht leverde voor 150 hydraulische raderen, die voor
het malen van het erts moesten dienen. Dit groote werk werd in 1621
voltooid en had tien millioen francs gekost. Thans zijn nog twintig
van die lagunen in goeden staat; zij leveren het water voor de stad,
zoowel als voor de thans nog in werking zijnde mijn-exploitaties,
ingenios genaamd.
Doch de bloei van Potosi had met het eind der 16de eeuw zijn toppunt
bereikt. In 1623 brak in Spanje de burgeroorlog uit tusschen Basken
en Andalusiërs. Van dezen strijd, die den ondergang van vele families
ten gevolge had, moest Potosi den terugslag ondervinden. Meerdere
mijnen werden aan hun lot overgelaten. Daarbij kwam nog een andere
ramp. In 1626 brak de sluis van San Ildefonso, en het water van
het meer overstroomde de fabrieken, die aan den oever der rivier
waren gelegen. Van 150 ingenios bleven slechts zes over, en bij de
ontzettende ramp kwamen 2500 menschen om het leven. In de kronieken
van die dagen wordt het geleden verlies op veertig millioen francs
geschat. Van dezen slag zou Potosi zich nooit weder herstellen.
De spaansche regeering, die een aanzienlijk deel harer inkomsten
bij de ramp zag verloren gaan, deed al, wat in haar vermogen was,
om de mijnwerkers in staat te stellen, hun arbeid voort te zetten. De
Staat leende hun het benoodigde kapitaal, om de verwoeste fabrieken
door nieuwe te vervangen. In 1628 waren dan ook 130 ingenios weder
opgebouwd, waarvan echter 29 werden geconfisqueerd, wijl ze in gebreke
bleven, het door den staat geleende geld terug te betalen. In ieder van
deze inrichtingen werden wekelijks veertig à vijf-en-veertig-duizend
kilo erts bewerkt.
Doch de mijnen waren thans dieper geworden, en men zag zich
genoodzaakt, maatregelen te nemen, om het binnendringen van het water
te beletten. De Indianen (naar de mita mitayos genaamd) plachten
het in kruiken weg te dragen, doch daar dit primitieve hulpmiddel
weinig baatte, gingen vele der ondernemingen verloren. Daar de mijnen
bovendien steeds minder pacos en meer negrillos opleverden, en men
van de laatste soort erts niet op doeltreffende wijze wist partij te
trekken, zag het er met de toekomst der zilvermijnen treurig uit.