zou niets helpen, of men het al trachtte aan te sporen. We zijn
op het plateau van Costa Colorada, 4900 meter boven de zee, en de
lucht is hier zóó ijl, dat we bijna geen adem kunnen halen. Als we
't waagden, uit medelijden met het zwoegende muildier, of omdat ons
het aanhoudend in den zadel zitten vermoeit, af te stappen, zouden we
geen twintig schreden kunnen gaan, zonder neer te vallen, en hoogst
waarschijnlijk niet eens kracht genoeg hebben om weer op te stijgen,
zonder de hulp van onzen gids. In de verte wijst deze ons thans,
in de schemering, een hoogen berg, die voor ons oprijst.
Van nacht om vier uur zullen we dien moeten beklimmen. 't Is al
over zes, en wij dalen langs de andere zijde van de Costa Colorada
af, in nacht en duisternis. De schemering duurt hier slechts zeer
kort. We kunnen geen drie pas voor ons uitzien. Op eens zegt de gids:
"Hier zijn we;" en we treden een dergelijke pleisterplaats binnen
als die van heden middag. Het is Huaillas, waar we den nacht zullen
doorbrengen. We hebben sedert we Oruro verlieten, 65 mijlen afgelegd,
en hopen, als we gegeten hebben en de gids mijn bed heeft gespreid,
een welverdiende rust te genieten. Het spreekt van zelf, dat ik doe,
wat ik iederen reiziger in deze streken in gemoede meen te moeten
aanraden, en mij alleen ter ruste leg in het achterste, afgescheiden
gedeelte der barak, waar ik een zwaar voorwerp voor de deur zet. Als
er geen deur geweest was, zou ik mijn gids hebben gevraagd, dwars voor
den ingang der hut te gaan liggen. Men weet nooit wat er gebeuren kan.
Om drie uur 's nachts moeten we alweer te paard stijgen, als we om
zeven uur de plaats zullen bereiken, waar we willen overnachten. Dit
is het zwaarste gedeelte van de reis, als men den tocht in drie dagen
wil volbrengen. De omgeving is precies dezelfde als gisteren; het gaat
berg op, berg af, tot in 't oneindige. Iemand heeft Bolivia eens de
rommelkamer genoemd, waar alle ongebruikte bergen van de wereld zijn
weggestopt. Geen vergelijking kan juister zijn.
Waar onze weg die eerste uren tusschen drie en vijf, voor het
aanbreken van den dag, langs voert, weet ik niet recht. Een tijdlang
volgen we de bedding van een stroom in een nauwe kloof, zoo donker,
dat ik niets kan onderscheiden dan den witten hoed van den gids voor
mij. Des morgens vroeg zijn we boven op den berg, dien we gisterenavond
van Costa Colorada uit konden zien, en de ijskoude wind blaast hier
fel. Om acht uur, dertig kilometer na Huaillas, houden we even op
te Challa, om de muilezels wat te laten rusten, en dan zetten we,
nog steeds stijgend, onzen weg voort.
Reeds hebben we de grens, waar de eeuwige sneeuw begint, overschreden,
en nog gaat het hooger. Eindelijk, om half elf, als we een hoogte van
meer dan 5000 meter hebben bereikt, komen we op een met sneeuw bedekte
vlakte. De wind snijdt ons in 't gezicht en doet ons verstijven van
koude, terwijl de weerkaatsing van het zonlicht op de sneeuw ons de
oogen verblindt.
Dit zijn de hoogten van Tapacari. En nu mogen we dan eindelijk
afdalen naar het plaatsje Tapacari zelf, dat we als een wit stipje
in de verte zien schitteren in de zon, 2500 meter in de diepte. We
hebben maar een schraal ontbijt genuttigd en hopen, dat het niet te
lang zal duren eer we dat beloofde land hebben bereikt! Over een uur
of anderhalf uur misschien?
IJdele hoop! Eerst om twee uur 's namiddags mogen we verwachten in het
plaatsje te zullen aankomen. Men verliest alle begrip van afstanden en
verhoudingen te midden van die hooge bergen, die ons aan alle zijden
als een reuzenpanorama omgeven.
Aan onzen voet strekt zich thans het dal van Tapacari uit. De sneeuw
begint langzaam aan te verdwijnen. Dan komen we aan een steenachtig
gedeelte, waar de bodem een roode kleur vertoont. En eindelijk zien
we weer plantengroei en groene struiken, die we in Chili reeds hadden
vaarwel gezegd.
De weg slingert zigzagsgewijze, en schijnt daardoor nog tweemaal
zoo lang. Het wordt twaalf uur, één uur, en evenals gisteren bij het
stijgen beginnen we te denken, dat hier aan het dalen nooit een einde
zal komen.
De gids schijnt ons ongeduld te bespeuren, en zegt, dat we er nu
spoedig zullen zijn. Maar de begrippen van een Boliviaan omtrent tijd
en afstand verschillen hemelsbreed van de onze.
Eindelijk! 't Is twee uur. Van drie uur af zitten we in den zadel,
en we verlangen vurig, iets te eten te krijgen in het soort herbergje,
waar we hier onderkomen vinden. Maar bij den eersten hap, dien ik in
den mond wil steken, kan ik 't niet meer uithouden van walging en
afkeer; want geen vier schreden van ons af zit de eigenaar van dit
fraaie etablissement op een hoop vuil en houdt zich onledig met het
zwarte haar van zijn dochtertje van ongedierte te zuiveren. Ieder
oogenblik doet hij een vangst, die hij met veel smaak verorbert,
precies zooals de apen in den dierentuin.
Overal in Bolivia ziet men de menschen in dat opzicht het voorbeeld
volgen, hun door de dieren gegeven. In La Paz verdrijven de indiaansche
vrouwen, die groente aan de markt brengen, zich den tijd, terwijl
ze op haar klanten wachten, met deze betrekkelijk onschuldige
bezigheid. De Europeaan, die ze verbaasd staat aan te staren, komt
haar even zonderling voor als zij hem, en zij gaan rustig voort,
elkander of zich zelf van die ongenoode gasten te bevrijden.
Om drie uur, als we wat hebben gerust, zetten we onzen weg voort door
de bedding der Rio Tapacari. 't Is nog een heel eind weegs. Om zeven
uur, in pikdonker, houden we stil, na op dezen rit van zestien uren
85 kilometer te hebben afgelegd.
Des morgens om half elf, den volgenden dag, zijn we in Parotani,
tien mijlen verder dan ons nachtverblijf, en verlaten de Rio Tapacari,
om het dal van Cochabamba binnen te trekken. De weg is hier prachtig,
en het landschap doet soms aan Auvergne denken. We zijn hier op een
hoogte van 2500 meter, we rijden in de schaduw van lommerrijke boomen
en ruiken bloemengeuren, zoodat de tijd ons niet lang valt, en we om
twaalf uur, eer we er aan denken, onze rustplaats hebben bereikt.
Na ons middagmaal trekken we verder, door het plaatsje Hacolio,
dat al even vuil is als Tapacari, al is het de hoofdplaats der
provincie. De bewoners laten al het vuil midden op straat liggen,
maar hebben wel tijd om feestelijke toebereidselen te maken voor een
kerkelijke processie. Ze dragen hun heiligen rond door de straten,
waar men het niet kan uithouden van den stank. De priesters mochten die
Indianen wel eens leeren, dat reinheid ook een Christelijke deugd is.
Tegen vier uur komen we op den grooten weg naar Cochabamba. Hier
ontmoeten we Indianen en kudden lama's, waarnaar kleine halfnaakte
Cholo-kinderen kijken, die aan den weg zitten.
't Is aangenaam, eens weer levende wezens tegen te komen, en te voelen
dat men bewoonde streken nadert. Eindelijk en ten laatste hebben we
Cochabamba bereikt.
Cochabamba (in het quichua beteekent cocha: meer, en bamba of pampa:
vlakte) wil dus zeggen vlakte der meren. Er worden inderdaad in het dal
van dien naam verschillende meren aangetroffen. Cochabamba is werkelijk
geen onaardige stad. 't Is bepaald de eenige plaats in Bolivia, die
eenigszins een europeesch voorkomen heeft, wat ons hier wel als iets
zeer zonderlings moet treffen, wanneer men in aanmerking neemt, hoe ver
het van de beschaafde wereld is gelegen, en hoe uiterst moeilijk het
te bereiken is. Het echter, zooals sommige bereisde Cochabambineezen
doen, voor een miniatuur-Parijs te verklaren, komt mij wat overdreven
voor. De bewoners, die zich mogen verheugen in dezen welluidenden naam,
welke bepaald in een komische operette geen slecht figuur zou maken,
zijn ongeveer 25000 in getal; en omtrent vier duizend van hen leven
op europeeschen trant.
Cochabamba is de sleutel, die toegang verleent tot de provincies Beni
en Santa Cruz.
Deze twee groote departementen hebben geen andere plaats, waar zij
hun werktuigen en andere noodzakelijke dingen kunnen aanschaffen. Hier
worden ook uit het binnenland caoutchouc, coca, en kostbare houtsoorten
heengebracht, die verder worden gevoerd naar de kust van den Stillen
Oceaan en van daar naar Europa. Cochabamba is dus uit den aard der
zaak een belangrijke stapel- en uitvoerplaats. Het heeft dit op Oruro
voor, dat het ook handel kan drijven in zijn eigen producten, want
het departement, waarvan het de hoofdplaats is, is door zijn landbouw
het rijkste van Bolivia. Overigens valt ook in Cochabamba niet veel
merkwaardigs te zien. De menschen zijn er vuil, zooals overal in dit
land. Wie hier, als vreemdeling, vraagt naar een gelegenheid, waar men
een bad kan nemen, wekt ongeveinsde verbazing, zoowel te Oruro als te
Cochabamba. In de laatste plaats wordt men naar Calacala verwezen,
een dorpje, dat drie mijlen van Cochabamba ligt, en waarlangs een
riviertje stroomt. Daarin kan men, als het niet is uitgedroogd,
baden, in gezelschap van paarden, honden en muilezels. En dan moet
men bovendien niet bang zijn voor de kou; want de temperatuur van het
water in de open lucht is hier niet hoog. Te Sucre werd mijn vraag naar
zulk een gelegenheid met een medelijdend schouderophalen beantwoord,
en Potosi ligt veel te hoog, dan dat men daar het kostbare water zou
willen verspillen aan iets zoo lichtzinnigs en overbodigs als een
bad. Als men eindelijk na maanden reizens te La Paz aankomt, is men
al heel blij, een inrichting te vinden, waar de badkuipen precies het
model vertoonen van het noodlottige bad, waarin Murat werd vermoord.
In muziek hebben de Bolivianen bijzonder veel liefhebberij. Elken
morgen worden de bewoners van Cochabamba gewekt door de vroolijke
klanken der militaire muziek. Een half uur lang duurt dat oorverdoovend
geschetter, en 's avonds voor het ter ruste gaan wordt opnieuw een
deuntje geblazen. Verder speelt de militaire muziek bij alle mogelijke
gelegenheden een rol; bij begrafenissen, zoowel als bij processiën
of feestelijke gelegenheden. En daar de Bolivianen blijkbaar van
stemmingsmuziek nooit hebben gehoord, en het hun minder om den
aard der melodieën, dan om het ontwikkelde klankvolume te doen is,
moet men zich hier volstrekt niet ergeren of verbazen, als bij
wijze van marche funèbre een wijsje van Offenbach wordt ten beste
gegeven. Toen ik op een goeden dag in mijn hotel zat te schrijven,
dat vlak tegenover de kerk was gelegen, had ik reeds vóór het begin der
plechtigheid het geheele garnizoen, met muziek incluis, het kerkgebouw
zien binnentrekken. Ik moet bekennen, dat ik zelfs toen nog ietwat
verwonderd was, de mis te hooren begeleiden door een bloemlezing uit
de melodieën van de opera "la Mascotte". Toen het belletje klingelde,
barstte het orkest verheugd los met: "Les présages, les songes, ne
sont pas des mensonges",--en zoo ging dat voort tot het einde van de
plechtigheid toe.
Te Cochabamba bestaat een allerzonderlingste gewoonte onder de
schildwachten, die er 's nachts op post staan. Om te bewijzen, dat
zij klaar wakker zijn, moeten die goede zielen om de twee minuten, zoo
hard zij kunnen, schreeuwen: "Estoy despierto". (Ik ben wakker). Den
geheelen nacht door hooren de menschen, die in de buurt wonen, dat
eentonige geroep, dat even geregeld terugkeert als het slaan van
een uurwerk.
Voor menschen, die steeds op nieuwe sensaties belust zijn, is het
bepaald een buitenkansje. Maar als men bedenkt, dat het in den oorlog
zaak is, de schildwachten zoo stil en onbemerkt mogelijk hun plaats te
laten innemen, opdat ze den vijand kunnen bespieden, zonder door hem
te worden overvallen, dan vraagt men zich af, wat er wel gebeuren zal,
en hoe het moet afloopen, als zulke soldaten plotseling ontheven worden
van de verplichting, zich en anderen door dat geregeld terugkeerende
gebrul uit den slaap te houden.
De boliviaansche militairen, die zich voor de best geoefende soldaten
ter wereld houden, zullen niet licht dergelijke overwegingen bij zich
voelen opkomen. Zij zijn trotsch op hun voorbeeldige gehoorzaamheid
aan de krijgstucht, en geen bevel kan hun te onredelijk zijn, om het
niet, strikt en zonder nadenken, letterlijk op te volgen. Men hoort,
wat dat betreft, merkwaardige verhalen van de wijze, waarop President
Mariano Melgarejo, die gedurende zes jaren als een tiran over Bolivia
heerschte, zijn bevelen wist te doen gehoorzamen. Melgarejo, die
altijd min of meer onder den invloed was van sterken drank, had eens
op een dag den franschen consul bij zich ten eten gevraagd. Sprekend
over de voorbeeldige gehoorzaamheid van zijn troepen, kreeg hij het
plotseling in den zin, eens een staaltje daarvan te toonen.
"Heidaar," riep hij uit het venster de soldaten toe, die op het plein
voor het paleis de wacht hielden, en hij wenkte hen om boven te komen.
Zij deden, zooals hun bevolen was. Juist in die dagen werd een balkon
gebouwd voor de vensters der tweede verdieping van het paleis, waarvan
de balustrade nog niet geplaatst was. Melgarejo liet zijn manschappen
op een rij plaats nemen voor de open vensters, die op het balkon
uitkwamen en kommandeerde met luider stem: "Voorwaarts marsch." De
soldaten stapten dapper vooruit, zonder zich erom te bekreunen, dat
hun na drie schreden de dood of verminking wachtte. Melgarejo riep
niet: "Halt!" en de voorste rij viel dan ook beneden op de steenen
te pletter.
Dat de volgenden hun lot niet deelden, hadden zij te danken aan den
franschen consul, die met stentorstem: "Halt" riep, om ten minste
het leven der anderen te redden.
Die zelfde Melgarejo, van wien in de volksalmanakken vermeld staat, dat
zijn gruwzame, bloedige regeering duurde van 28 December 1864 tot 15
Januari 1871, moest vluchten, toen de revolutie uitbrak, en werd kort
daarna te Lima door zijn eigen schoonbroeder vermoord. Hij schijnt een
man te zijn geweest, die aan bloeddorstige wreedheid een ongelooflijke
stoutmoedigheid paarde. Op den 27sten Maart 1865 had generaal Manuel
Isidore Belzu, die, na tien jaar lang zijn ambt te hebben bekleed,
heelshuids het presidentschap had neergelegd, Melgarejo, die hem in
December van het vorige jaar had verdrongen, in de omstreken van La
Paz op de vlucht geslagen. Het leger, dat op de hand van Belzu was,
begroette hem reeds weer als hun nieuwen president, toen Melgarejo
zich alleen naar La Paz begaf, en zich aan het paleis liet aandienen,
onder voorwendsel, dat hij generaal Belzu zijn degen wilde overreiken.
Hij wordt bij den president toegelaten en begroet hem met den in
Bolivia gebruikelijken vredekus, waarbij men elkander omhelst en
wederkeerig op den rug klopt. Op eens haalt Melgarejo een geladen
revolver voor den dag, en schiet Belzu, terwijl hij hem omarmd houdt,
door het hoofd, terwijl de troepen buiten, in de meening dat de beide
vijanden zich met elkander verzoenen, "leve Belzu" roepen. Met het
bloedige lijk van zijn slachtoffer in de armen vertoont Melgarejo
zich op het balkon, en roept met luider stem de soldaten toe: "Wie
zal leven, Belzu of Melgarejo?" "Melgarejo!" roepen de verschrikte
troepen en buigen opnieuw voor den tiran, die hen reeds drie maanden
met ijzeren vuist had geregeerd. Na deze misdaad wist Melgarejo zich
tot 1871 staande te houden. Van de Engelschen hield hij niet, en zooals
wij reeds vermeldden, speelde hij den engelschen consul een leelijke
poets. Met Frankrijk was hij bijzonder ingenomen. In den oorlog van '70
liet hij op een avond, toen hij weer zwaar beschonken was, de troepen
onder de wapenen komen, en hield een toespraak, waarin hij verklaarde,
dat Frankrijk in gevaar was en hij het zijn plicht achtte, zich op te
maken om het ter hulp te snellen. Eenige zijner officieren vroegen
zich onder elkander af, hoe dit plan dan wel zou worden ten uitvoer
gebracht. Maar tegenover een man als Melgarejo viel aan tegenspraak
niet te denken. Hij liep altijd met een geladen revolver rond, en zag
er geen bezwaar in, de menschen als honden neer te schieten bij het
minste verzet. Des morgens trekt dus het geheele leger, met artillerie
en cavalerie, de bergen op, die La Paz omringen. Op het hoogste punt
aangekomen, schaart Melgarejo zijn troepen in slagorde en opent het
gevecht met den denkbeeldigen vijand. Men schiet een paar uren raak,
zonder iemand te treffen, tot de president langzaam aan van zijn roes
is bekomen en vreedzaam met zijn legermacht naar La Paz terugkeert, in
de overtuiging, dat hij Frankrijk een grooten dienst heeft bewezen. Zes
jaar lang hielden de Bolivianen het uit onder dezen president, wiens
luimen zij geduldig verdroegen. Men verwondert zich bijna over het
feit, dat zij hem ten slotte toch zijn kwijt geraakt.
Cochabamba, in het dal van dien naam gelegen, dat de voortzetting is
van het Tapacari-dal, wordt omgeven door een halven cirkel van hooge
bergketens, waarachter de provincie Beni ligt, een bijna woeste
streek. Beni is een tropisch land, met weelderigen plantengroei,
en wordt slechts bezocht door de enkele reizigers, die er caoutchouc
komen zoeken. De andere zijde van deze bergketens, waarboven zich de
6000 meter hooge Tunari-top verheft, is naar den Atlantischen Oceaan
gekeerd. Muildieren zijn ook hier het eenige vervoermiddel. 't Is
het maagdelijk woud met al zijn gevaren: moerassen, koortsen en
gevaarlijke dieren, zooals slangen, jaguars en luipaarden.
Zij, die zich in deze streken hebben gewaagd, zoeken nog steeds naar
geschikte wegen voor het vervoer der caoutchouc. Thans kent men geen
beter middel, dan door in platte booten de rivieren af te varen. De
Madre di Dios, de voornaamste dezer stroomen, stort zich uit in
de Amazonenrivier. Maar haar loop wordt dikwijls onderbroken door
stroomversnellingen en daardoor moet zoowel de boot als de lading
telkens aan den oever worden gebracht en voorbij deze onbevaarbare
plaatsen worden vervoerd.
Het leven der caoutchouc-zoekers in Beni is vol ontberingen en gevaren,
en zij kunnen zeker zijn een afschuwelijken dood te zullen vinden,
wanneer zij wilden ontmoeten, die belust zijn op menschenvleesch
en weten dat hun aantal groot genoeg is, om de vreemde indringers
weerstand te kunnen bieden. Meer naar het zuiden ligt het departement
Santa Cruz, waarheen wij later een reis denken te ondernemen, daar dit
(altijd bij wijze van spreken), gemakkelijker te bereiken valt van
uit Argentinië en Paraguay. Nog zuidelijker liggen de departementen
Chuquisaca met de hoofdstad Sucre, en Tarija, die over 't algemeen
weinig verschillen van Beni en Santa Cruz.
Op de grens tusschen Chuquisaca en Tarija ligt het gebied van den
grooten Chaco, nog onbekend, en dat berucht is geworden door den
moord, hier gepleegd op den franschen onderzoeker Crevaux en zijn
metgezellen. Crevaux was uitgegaan op een onderzoekingstocht in den
grooten Chaco, vergezeld van een gewapend geleide, dat hem door de
boliviaansche regeering was medegegeven. De ongelukkige man vermoedde
weinig, hoe valsch en trouweloos deze lieden zich zouden gedragen. Hij
werd het slachtoffer van zijn goedgeloovigheid. Drie dagen nadat hij
de wildernis was binnengetrokken, verlieten zij hem en maakten zich,
met hun aanvoerder aan het hoofd, uit de voeten. Alleen en verlaten,
werd de kleine groep aangevallen, en bijna allen kwamen om het
leven. Van Crevaux werd niets meer vernomen, en men vermoedde, dat
hij was opgegeten door de wilden, die hem hadden vermoord. Slechts
zeer weinigen van de onverschrokken lieden, die zich in deze streken
wagen, om door insnijdingen in de schors van den boom, die de hars
levert waaruit caoutchouc wordt vervaardigd, deze kostbare stof te
bemachtigen, worden rijk bij dit gevaarlijk werk. Toch zouden deze
streken ontzaglijke winsten kunnen afwerpen, als zij wegen bezaten
en de beschaving er doordrong, zoodat men zich hier kon wagen zonder
levensgevaar. Thans dient al die moeite en opoffering van enkelen
slechts om een klein getal handelaars te verrijken.
De reis van Oruro naar Cochabamba was niet gemakkelijk; doch die
van Cochabamba naar Sucre is nog veel bezwaarlijker. En als men
inlichtingen vraagt, kan men zeker zijn een antwoord te zullen
krijgen, waarvan ieder woord een vergissing of onwaarheid is. De
meesten beweren, dat er geen weg bestaat, en dit zou men ook opmaken
uit het feit, dat de post brieven naar Sucre over Oruro vervoert, 't
geen negen dagen tijd neemt, terwijl Sucre niet meer dan zes dagreizen
van Cochabamba verwijderd is. De postrijders reizen echter dag en nacht
door, en kunnen dus den langen omweg hierdoor eenigszins goedmaken.
Om acht uur begeven wij ons uit Cochabamba op weg, en kunnen eerst,
kalm op onzen muilezel gezeten, genieten van het gezicht op den hoogen
Tunari, waarvan de besneeuwde top, de trots der Cochabambineezen,
overal in den omtrek zichtbaar is. De gastvrije stedelingen hebben
onze zakken volgestopt met allerlei benoodigdheden voor de reis,
o. a. ook aguardiente quinado, (kinine-brandewijn), een geschenk
van een voorzichtig apotheker, die ons Europeanen welgezind is. "'s
Morgens en 's avonds vooral geregeld gebruiken," riep hij mij na. 't
Is het beste voorbehoedmiddel tegen de derdendaagsche koorts, en het
is werkelijk geen prettig vooruitzicht, zes dagen lang door een streek
te trekken, waar deze ziekte heerschende is. De goedaardige apotheker
heeft mij er nog een flesch coca-elixer bijgegeven, en dat is niet
te versmaden. De koude kip, de wijn, het koffie-extract, de suiker,
de blikjes, alles is blijkbaar in orde.
Om elf uur honden we stil te Angostura, gebruiken iets, en gaan
weer op weg. Om één uur zijn we in Clissa, waar we toevallig een
zonderlinge vertooning bijwonen, een buitenkansje, dat niet alle
reizigers te beurt valt.--Op het marktplein te Clissa werden juist
de muilezels afgespannen van een ongelukkig karretje, waarin vier
personen waren gezeten, die wel de moeite waard zijn om nader te worden
omschreven. De eerste stelde zich, met veel vertoon van waardigheid,
aan ons voor als de particuliere secretaris van den President der
Republiek. Hij had groot gelijk, zijn waardigheid niet onder stoelen
en banken te steken, want men zou hem op het oog voor een haveloozen
voddenraper hebben gehouden. Dat mijnheer de secretaris van gemengd
ras was, daaraan behoefde men niet te twijfelen. Zijn tint deed
denken aan tabakssap en was te geel voor een neger. Men zag maar al
te duidelijk zijn verwantschap met het gele ras, die bij den echten
leelijken boliviaanschen Cholo niet valt te miskennen. Afgaande op
het spreekwoord: zoo heer, zoo knecht, zou men niet geneigd zijn door
den aanblik van zijn secretaris een bijzonder gunstige meening op te
vatten van Alonso, den tegenwoordigen president van Bolivia.
Naast hem zaten een paar lange magere mestiezen, twee broeders,
die zich afgevaardigden uit het district Beni noemden, waardige
vertegenwoordigers van de onbeschaafde streek, die hen zond. De vierde
was een journalist uit Cochabamba, die zich mocht verheugen in den
liefelijken naam van Abélard. Het was blijkbaar een politieke tournée,
waarop het viertal uit was.
Toen ze waren afgestapt en verdwenen in een der armoedige huizen,
waar zeker een feestmaal voor hen was aangericht, verzamelden zich
op het marktpleintje een menigte lieden, in lompen gekleed, en op
bloote voeten, die op een rij gingen staan, op bevel van een paar
anderen, die iets beter waren gekleed. Op onze navraag bleek, dat
dit de nationale militie was.