Na elke tien stappen staat het beest stil, om adem te scheppen. Het

zou niets helpen, of men het al trachtte aan te sporen. We zijn

op het plateau van Costa Colorada, 4900 meter boven de zee, en de

lucht is hier zóó ijl, dat we bijna geen adem kunnen halen. Als we

't waagden, uit medelijden met het zwoegende muildier, of omdat ons

het aanhoudend in den zadel zitten vermoeit, af te stappen, zouden we

geen twintig schreden kunnen gaan, zonder neer te vallen, en hoogst

waarschijnlijk niet eens kracht genoeg hebben om weer op te stijgen,

zonder de hulp van onzen gids. In de verte wijst deze ons thans,

in de schemering, een hoogen berg, die voor ons oprijst.

Van nacht om vier uur zullen we dien moeten beklimmen. 't Is al

over zes, en wij dalen langs de andere zijde van de Costa Colorada

af, in nacht en duisternis. De schemering duurt hier slechts zeer

kort. We kunnen geen drie pas voor ons uitzien. Op eens zegt de gids:

"Hier zijn we;" en we treden een dergelijke pleisterplaats binnen

als die van heden middag. Het is Huaillas, waar we den nacht zullen

doorbrengen. We hebben sedert we Oruro verlieten, 65 mijlen afgelegd,

en hopen, als we gegeten hebben en de gids mijn bed heeft gespreid,

een welverdiende rust te genieten. Het spreekt van zelf, dat ik doe,

wat ik iederen reiziger in deze streken in gemoede meen te moeten

aanraden, en mij alleen ter ruste leg in het achterste, afgescheiden

gedeelte der barak, waar ik een zwaar voorwerp voor de deur zet. Als

er geen deur geweest was, zou ik mijn gids hebben gevraagd, dwars voor

den ingang der hut te gaan liggen. Men weet nooit wat er gebeuren kan.

Om drie uur 's nachts moeten we alweer te paard stijgen, als we om

zeven uur de plaats zullen bereiken, waar we willen overnachten. Dit

is het zwaarste gedeelte van de reis, als men den tocht in drie dagen

wil volbrengen. De omgeving is precies dezelfde als gisteren; het gaat

berg op, berg af, tot in 't oneindige. Iemand heeft Bolivia eens de

rommelkamer genoemd, waar alle ongebruikte bergen van de wereld zijn

weggestopt. Geen vergelijking kan juister zijn.

Waar onze weg die eerste uren tusschen drie en vijf, voor het

aanbreken van den dag, langs voert, weet ik niet recht. Een tijdlang

volgen we de bedding van een stroom in een nauwe kloof, zoo donker,

dat ik niets kan onderscheiden dan den witten hoed van den gids voor

mij. Des morgens vroeg zijn we boven op den berg, dien we gisterenavond

van Costa Colorada uit konden zien, en de ijskoude wind blaast hier

fel. Om acht uur, dertig kilometer na Huaillas, houden we even op

te Challa, om de muilezels wat te laten rusten, en dan zetten we,

nog steeds stijgend, onzen weg voort.

Reeds hebben we de grens, waar de eeuwige sneeuw begint, overschreden,

en nog gaat het hooger. Eindelijk, om half elf, als we een hoogte van

meer dan 5000 meter hebben bereikt, komen we op een met sneeuw bedekte

vlakte. De wind snijdt ons in 't gezicht en doet ons verstijven van

koude, terwijl de weerkaatsing van het zonlicht op de sneeuw ons de

oogen verblindt.

Dit zijn de hoogten van Tapacari. En nu mogen we dan eindelijk

afdalen naar het plaatsje Tapacari zelf, dat we als een wit stipje

in de verte zien schitteren in de zon, 2500 meter in de diepte. We

hebben maar een schraal ontbijt genuttigd en hopen, dat het niet te

lang zal duren eer we dat beloofde land hebben bereikt! Over een uur

of anderhalf uur misschien?

IJdele hoop! Eerst om twee uur 's namiddags mogen we verwachten in het

plaatsje te zullen aankomen. Men verliest alle begrip van afstanden en

verhoudingen te midden van die hooge bergen, die ons aan alle zijden

als een reuzenpanorama omgeven.

Aan onzen voet strekt zich thans het dal van Tapacari uit. De sneeuw

begint langzaam aan te verdwijnen. Dan komen we aan een steenachtig

gedeelte, waar de bodem een roode kleur vertoont. En eindelijk zien

we weer plantengroei en groene struiken, die we in Chili reeds hadden

vaarwel gezegd.

De weg slingert zigzagsgewijze, en schijnt daardoor nog tweemaal

zoo lang. Het wordt twaalf uur, één uur, en evenals gisteren bij het

stijgen beginnen we te denken, dat hier aan het dalen nooit een einde

zal komen.

De gids schijnt ons ongeduld te bespeuren, en zegt, dat we er nu

spoedig zullen zijn. Maar de begrippen van een Boliviaan omtrent tijd

en afstand verschillen hemelsbreed van de onze.

Eindelijk! 't Is twee uur. Van drie uur af zitten we in den zadel,

en we verlangen vurig, iets te eten te krijgen in het soort herbergje,

waar we hier onderkomen vinden. Maar bij den eersten hap, dien ik in

den mond wil steken, kan ik 't niet meer uithouden van walging en

afkeer; want geen vier schreden van ons af zit de eigenaar van dit

fraaie etablissement op een hoop vuil en houdt zich onledig met het

zwarte haar van zijn dochtertje van ongedierte te zuiveren. Ieder

oogenblik doet hij een vangst, die hij met veel smaak verorbert,

precies zooals de apen in den dierentuin.

Overal in Bolivia ziet men de menschen in dat opzicht het voorbeeld

volgen, hun door de dieren gegeven. In La Paz verdrijven de indiaansche

vrouwen, die groente aan de markt brengen, zich den tijd, terwijl

ze op haar klanten wachten, met deze betrekkelijk onschuldige

bezigheid. De Europeaan, die ze verbaasd staat aan te staren, komt

haar even zonderling voor als zij hem, en zij gaan rustig voort,

elkander of zich zelf van die ongenoode gasten te bevrijden.

Om drie uur, als we wat hebben gerust, zetten we onzen weg voort door

de bedding der Rio Tapacari. 't Is nog een heel eind weegs. Om zeven

uur, in pikdonker, houden we stil, na op dezen rit van zestien uren

85 kilometer te hebben afgelegd.

Des morgens om half elf, den volgenden dag, zijn we in Parotani,

tien mijlen verder dan ons nachtverblijf, en verlaten de Rio Tapacari,

om het dal van Cochabamba binnen te trekken. De weg is hier prachtig,

en het landschap doet soms aan Auvergne denken. We zijn hier op een

hoogte van 2500 meter, we rijden in de schaduw van lommerrijke boomen

en ruiken bloemengeuren, zoodat de tijd ons niet lang valt, en we om

twaalf uur, eer we er aan denken, onze rustplaats hebben bereikt.

Na ons middagmaal trekken we verder, door het plaatsje Hacolio,

dat al even vuil is als Tapacari, al is het de hoofdplaats der

provincie. De bewoners laten al het vuil midden op straat liggen,

maar hebben wel tijd om feestelijke toebereidselen te maken voor een

kerkelijke processie. Ze dragen hun heiligen rond door de straten,

waar men het niet kan uithouden van den stank. De priesters mochten die

Indianen wel eens leeren, dat reinheid ook een Christelijke deugd is.

Tegen vier uur komen we op den grooten weg naar Cochabamba. Hier

ontmoeten we Indianen en kudden lama's, waarnaar kleine halfnaakte

Cholo-kinderen kijken, die aan den weg zitten.

't Is aangenaam, eens weer levende wezens tegen te komen, en te voelen

dat men bewoonde streken nadert. Eindelijk en ten laatste hebben we

Cochabamba bereikt.

Cochabamba (in het quichua beteekent cocha: meer, en bamba of pampa:

vlakte) wil dus zeggen vlakte der meren. Er worden inderdaad in het dal

van dien naam verschillende meren aangetroffen. Cochabamba is werkelijk

geen onaardige stad. 't Is bepaald de eenige plaats in Bolivia, die

eenigszins een europeesch voorkomen heeft, wat ons hier wel als iets

zeer zonderlings moet treffen, wanneer men in aanmerking neemt, hoe ver

het van de beschaafde wereld is gelegen, en hoe uiterst moeilijk het

te bereiken is. Het echter, zooals sommige bereisde Cochabambineezen

doen, voor een miniatuur-Parijs te verklaren, komt mij wat overdreven

voor. De bewoners, die zich mogen verheugen in dezen welluidenden naam,

welke bepaald in een komische operette geen slecht figuur zou maken,

zijn ongeveer 25000 in getal; en omtrent vier duizend van hen leven

op europeeschen trant.

Cochabamba is de sleutel, die toegang verleent tot de provincies Beni

en Santa Cruz.

Deze twee groote departementen hebben geen andere plaats, waar zij

hun werktuigen en andere noodzakelijke dingen kunnen aanschaffen. Hier

worden ook uit het binnenland caoutchouc, coca, en kostbare houtsoorten

heengebracht, die verder worden gevoerd naar de kust van den Stillen

Oceaan en van daar naar Europa. Cochabamba is dus uit den aard der

zaak een belangrijke stapel- en uitvoerplaats. Het heeft dit op Oruro

voor, dat het ook handel kan drijven in zijn eigen producten, want

het departement, waarvan het de hoofdplaats is, is door zijn landbouw

het rijkste van Bolivia. Overigens valt ook in Cochabamba niet veel

merkwaardigs te zien. De menschen zijn er vuil, zooals overal in dit

land. Wie hier, als vreemdeling, vraagt naar een gelegenheid, waar men

een bad kan nemen, wekt ongeveinsde verbazing, zoowel te Oruro als te

Cochabamba. In de laatste plaats wordt men naar Calacala verwezen,

een dorpje, dat drie mijlen van Cochabamba ligt, en waarlangs een

riviertje stroomt. Daarin kan men, als het niet is uitgedroogd,

baden, in gezelschap van paarden, honden en muilezels. En dan moet

men bovendien niet bang zijn voor de kou; want de temperatuur van het

water in de open lucht is hier niet hoog. Te Sucre werd mijn vraag naar

zulk een gelegenheid met een medelijdend schouderophalen beantwoord,

en Potosi ligt veel te hoog, dan dat men daar het kostbare water zou

willen verspillen aan iets zoo lichtzinnigs en overbodigs als een

bad. Als men eindelijk na maanden reizens te La Paz aankomt, is men

al heel blij, een inrichting te vinden, waar de badkuipen precies het

model vertoonen van het noodlottige bad, waarin Murat werd vermoord.

In muziek hebben de Bolivianen bijzonder veel liefhebberij. Elken

morgen worden de bewoners van Cochabamba gewekt door de vroolijke

klanken der militaire muziek. Een half uur lang duurt dat oorverdoovend

geschetter, en 's avonds voor het ter ruste gaan wordt opnieuw een

deuntje geblazen. Verder speelt de militaire muziek bij alle mogelijke

gelegenheden een rol; bij begrafenissen, zoowel als bij processiën

of feestelijke gelegenheden. En daar de Bolivianen blijkbaar van

stemmingsmuziek nooit hebben gehoord, en het hun minder om den

aard der melodieën, dan om het ontwikkelde klankvolume te doen is,

moet men zich hier volstrekt niet ergeren of verbazen, als bij

wijze van marche funèbre een wijsje van Offenbach wordt ten beste

gegeven. Toen ik op een goeden dag in mijn hotel zat te schrijven,

dat vlak tegenover de kerk was gelegen, had ik reeds vóór het begin der

plechtigheid het geheele garnizoen, met muziek incluis, het kerkgebouw

zien binnentrekken. Ik moet bekennen, dat ik zelfs toen nog ietwat

verwonderd was, de mis te hooren begeleiden door een bloemlezing uit

de melodieën van de opera "la Mascotte". Toen het belletje klingelde,

barstte het orkest verheugd los met: "Les présages, les songes, ne

sont pas des mensonges",--en zoo ging dat voort tot het einde van de

plechtigheid toe.

Te Cochabamba bestaat een allerzonderlingste gewoonte onder de

schildwachten, die er 's nachts op post staan. Om te bewijzen, dat

zij klaar wakker zijn, moeten die goede zielen om de twee minuten, zoo

hard zij kunnen, schreeuwen: "Estoy despierto". (Ik ben wakker). Den

geheelen nacht door hooren de menschen, die in de buurt wonen, dat

eentonige geroep, dat even geregeld terugkeert als het slaan van

een uurwerk.

Voor menschen, die steeds op nieuwe sensaties belust zijn, is het

bepaald een buitenkansje. Maar als men bedenkt, dat het in den oorlog

zaak is, de schildwachten zoo stil en onbemerkt mogelijk hun plaats te

laten innemen, opdat ze den vijand kunnen bespieden, zonder door hem

te worden overvallen, dan vraagt men zich af, wat er wel gebeuren zal,

en hoe het moet afloopen, als zulke soldaten plotseling ontheven worden

van de verplichting, zich en anderen door dat geregeld terugkeerende

gebrul uit den slaap te houden.

De boliviaansche militairen, die zich voor de best geoefende soldaten

ter wereld houden, zullen niet licht dergelijke overwegingen bij zich

voelen opkomen. Zij zijn trotsch op hun voorbeeldige gehoorzaamheid

aan de krijgstucht, en geen bevel kan hun te onredelijk zijn, om het

niet, strikt en zonder nadenken, letterlijk op te volgen. Men hoort,

wat dat betreft, merkwaardige verhalen van de wijze, waarop President

Mariano Melgarejo, die gedurende zes jaren als een tiran over Bolivia

heerschte, zijn bevelen wist te doen gehoorzamen. Melgarejo, die

altijd min of meer onder den invloed was van sterken drank, had eens

op een dag den franschen consul bij zich ten eten gevraagd. Sprekend

over de voorbeeldige gehoorzaamheid van zijn troepen, kreeg hij het

plotseling in den zin, eens een staaltje daarvan te toonen.

"Heidaar," riep hij uit het venster de soldaten toe, die op het plein

voor het paleis de wacht hielden, en hij wenkte hen om boven te komen.

Zij deden, zooals hun bevolen was. Juist in die dagen werd een balkon

gebouwd voor de vensters der tweede verdieping van het paleis, waarvan

de balustrade nog niet geplaatst was. Melgarejo liet zijn manschappen

op een rij plaats nemen voor de open vensters, die op het balkon

uitkwamen en kommandeerde met luider stem: "Voorwaarts marsch." De

soldaten stapten dapper vooruit, zonder zich erom te bekreunen, dat

hun na drie schreden de dood of verminking wachtte. Melgarejo riep

niet: "Halt!" en de voorste rij viel dan ook beneden op de steenen

te pletter.

Dat de volgenden hun lot niet deelden, hadden zij te danken aan den

franschen consul, die met stentorstem: "Halt" riep, om ten minste

het leven der anderen te redden.

Die zelfde Melgarejo, van wien in de volksalmanakken vermeld staat, dat

zijn gruwzame, bloedige regeering duurde van 28 December 1864 tot 15

Januari 1871, moest vluchten, toen de revolutie uitbrak, en werd kort

daarna te Lima door zijn eigen schoonbroeder vermoord. Hij schijnt een

man te zijn geweest, die aan bloeddorstige wreedheid een ongelooflijke

stoutmoedigheid paarde. Op den 27sten Maart 1865 had generaal Manuel

Isidore Belzu, die, na tien jaar lang zijn ambt te hebben bekleed,

heelshuids het presidentschap had neergelegd, Melgarejo, die hem in

December van het vorige jaar had verdrongen, in de omstreken van La

Paz op de vlucht geslagen. Het leger, dat op de hand van Belzu was,

begroette hem reeds weer als hun nieuwen president, toen Melgarejo

zich alleen naar La Paz begaf, en zich aan het paleis liet aandienen,

onder voorwendsel, dat hij generaal Belzu zijn degen wilde overreiken.

Hij wordt bij den president toegelaten en begroet hem met den in

Bolivia gebruikelijken vredekus, waarbij men elkander omhelst en

wederkeerig op den rug klopt. Op eens haalt Melgarejo een geladen

revolver voor den dag, en schiet Belzu, terwijl hij hem omarmd houdt,

door het hoofd, terwijl de troepen buiten, in de meening dat de beide

vijanden zich met elkander verzoenen, "leve Belzu" roepen. Met het

bloedige lijk van zijn slachtoffer in de armen vertoont Melgarejo

zich op het balkon, en roept met luider stem de soldaten toe: "Wie

zal leven, Belzu of Melgarejo?" "Melgarejo!" roepen de verschrikte

troepen en buigen opnieuw voor den tiran, die hen reeds drie maanden

met ijzeren vuist had geregeerd. Na deze misdaad wist Melgarejo zich

tot 1871 staande te houden. Van de Engelschen hield hij niet, en zooals

wij reeds vermeldden, speelde hij den engelschen consul een leelijke

poets. Met Frankrijk was hij bijzonder ingenomen. In den oorlog van '70

liet hij op een avond, toen hij weer zwaar beschonken was, de troepen

onder de wapenen komen, en hield een toespraak, waarin hij verklaarde,

dat Frankrijk in gevaar was en hij het zijn plicht achtte, zich op te

maken om het ter hulp te snellen. Eenige zijner officieren vroegen

zich onder elkander af, hoe dit plan dan wel zou worden ten uitvoer

gebracht. Maar tegenover een man als Melgarejo viel aan tegenspraak

niet te denken. Hij liep altijd met een geladen revolver rond, en zag

er geen bezwaar in, de menschen als honden neer te schieten bij het

minste verzet. Des morgens trekt dus het geheele leger, met artillerie

en cavalerie, de bergen op, die La Paz omringen. Op het hoogste punt

aangekomen, schaart Melgarejo zijn troepen in slagorde en opent het

gevecht met den denkbeeldigen vijand. Men schiet een paar uren raak,

zonder iemand te treffen, tot de president langzaam aan van zijn roes

is bekomen en vreedzaam met zijn legermacht naar La Paz terugkeert, in

de overtuiging, dat hij Frankrijk een grooten dienst heeft bewezen. Zes

jaar lang hielden de Bolivianen het uit onder dezen president, wiens

luimen zij geduldig verdroegen. Men verwondert zich bijna over het

feit, dat zij hem ten slotte toch zijn kwijt geraakt.

Cochabamba, in het dal van dien naam gelegen, dat de voortzetting is

van het Tapacari-dal, wordt omgeven door een halven cirkel van hooge

bergketens, waarachter de provincie Beni ligt, een bijna woeste

streek. Beni is een tropisch land, met weelderigen plantengroei,

en wordt slechts bezocht door de enkele reizigers, die er caoutchouc

komen zoeken. De andere zijde van deze bergketens, waarboven zich de

6000 meter hooge Tunari-top verheft, is naar den Atlantischen Oceaan

gekeerd. Muildieren zijn ook hier het eenige vervoermiddel. 't Is

het maagdelijk woud met al zijn gevaren: moerassen, koortsen en

gevaarlijke dieren, zooals slangen, jaguars en luipaarden.

Zij, die zich in deze streken hebben gewaagd, zoeken nog steeds naar

geschikte wegen voor het vervoer der caoutchouc. Thans kent men geen

beter middel, dan door in platte booten de rivieren af te varen. De

Madre di Dios, de voornaamste dezer stroomen, stort zich uit in

de Amazonenrivier. Maar haar loop wordt dikwijls onderbroken door

stroomversnellingen en daardoor moet zoowel de boot als de lading

telkens aan den oever worden gebracht en voorbij deze onbevaarbare

plaatsen worden vervoerd.

Het leven der caoutchouc-zoekers in Beni is vol ontberingen en gevaren,

en zij kunnen zeker zijn een afschuwelijken dood te zullen vinden,

wanneer zij wilden ontmoeten, die belust zijn op menschenvleesch

en weten dat hun aantal groot genoeg is, om de vreemde indringers

weerstand te kunnen bieden. Meer naar het zuiden ligt het departement

Santa Cruz, waarheen wij later een reis denken te ondernemen, daar dit

(altijd bij wijze van spreken), gemakkelijker te bereiken valt van

uit Argentinië en Paraguay. Nog zuidelijker liggen de departementen

Chuquisaca met de hoofdstad Sucre, en Tarija, die over 't algemeen

weinig verschillen van Beni en Santa Cruz.

Op de grens tusschen Chuquisaca en Tarija ligt het gebied van den

grooten Chaco, nog onbekend, en dat berucht is geworden door den

moord, hier gepleegd op den franschen onderzoeker Crevaux en zijn

metgezellen. Crevaux was uitgegaan op een onderzoekingstocht in den

grooten Chaco, vergezeld van een gewapend geleide, dat hem door de

boliviaansche regeering was medegegeven. De ongelukkige man vermoedde

weinig, hoe valsch en trouweloos deze lieden zich zouden gedragen. Hij

werd het slachtoffer van zijn goedgeloovigheid. Drie dagen nadat hij

de wildernis was binnengetrokken, verlieten zij hem en maakten zich,

met hun aanvoerder aan het hoofd, uit de voeten. Alleen en verlaten,

werd de kleine groep aangevallen, en bijna allen kwamen om het

leven. Van Crevaux werd niets meer vernomen, en men vermoedde, dat

hij was opgegeten door de wilden, die hem hadden vermoord. Slechts

zeer weinigen van de onverschrokken lieden, die zich in deze streken

wagen, om door insnijdingen in de schors van den boom, die de hars

levert waaruit caoutchouc wordt vervaardigd, deze kostbare stof te

bemachtigen, worden rijk bij dit gevaarlijk werk. Toch zouden deze

streken ontzaglijke winsten kunnen afwerpen, als zij wegen bezaten

en de beschaving er doordrong, zoodat men zich hier kon wagen zonder

levensgevaar. Thans dient al die moeite en opoffering van enkelen

slechts om een klein getal handelaars te verrijken.

De reis van Oruro naar Cochabamba was niet gemakkelijk; doch die

van Cochabamba naar Sucre is nog veel bezwaarlijker. En als men

inlichtingen vraagt, kan men zeker zijn een antwoord te zullen

krijgen, waarvan ieder woord een vergissing of onwaarheid is. De

meesten beweren, dat er geen weg bestaat, en dit zou men ook opmaken

uit het feit, dat de post brieven naar Sucre over Oruro vervoert, 't

geen negen dagen tijd neemt, terwijl Sucre niet meer dan zes dagreizen

van Cochabamba verwijderd is. De postrijders reizen echter dag en nacht

door, en kunnen dus den langen omweg hierdoor eenigszins goedmaken.

Om acht uur begeven wij ons uit Cochabamba op weg, en kunnen eerst,

kalm op onzen muilezel gezeten, genieten van het gezicht op den hoogen

Tunari, waarvan de besneeuwde top, de trots der Cochabambineezen,

overal in den omtrek zichtbaar is. De gastvrije stedelingen hebben

onze zakken volgestopt met allerlei benoodigdheden voor de reis,

o. a. ook aguardiente quinado, (kinine-brandewijn), een geschenk

van een voorzichtig apotheker, die ons Europeanen welgezind is. "'s

Morgens en 's avonds vooral geregeld gebruiken," riep hij mij na. 't

Is het beste voorbehoedmiddel tegen de derdendaagsche koorts, en het

is werkelijk geen prettig vooruitzicht, zes dagen lang door een streek

te trekken, waar deze ziekte heerschende is. De goedaardige apotheker

heeft mij er nog een flesch coca-elixer bijgegeven, en dat is niet

te versmaden. De koude kip, de wijn, het koffie-extract, de suiker,

de blikjes, alles is blijkbaar in orde.

Om elf uur honden we stil te Angostura, gebruiken iets, en gaan

weer op weg. Om één uur zijn we in Clissa, waar we toevallig een

zonderlinge vertooning bijwonen, een buitenkansje, dat niet alle

reizigers te beurt valt.--Op het marktplein te Clissa werden juist

de muilezels afgespannen van een ongelukkig karretje, waarin vier

personen waren gezeten, die wel de moeite waard zijn om nader te worden

omschreven. De eerste stelde zich, met veel vertoon van waardigheid,

aan ons voor als de particuliere secretaris van den President der

Republiek. Hij had groot gelijk, zijn waardigheid niet onder stoelen

en banken te steken, want men zou hem op het oog voor een haveloozen

voddenraper hebben gehouden. Dat mijnheer de secretaris van gemengd

ras was, daaraan behoefde men niet te twijfelen. Zijn tint deed

denken aan tabakssap en was te geel voor een neger. Men zag maar al

te duidelijk zijn verwantschap met het gele ras, die bij den echten

leelijken boliviaanschen Cholo niet valt te miskennen. Afgaande op

het spreekwoord: zoo heer, zoo knecht, zou men niet geneigd zijn door

den aanblik van zijn secretaris een bijzonder gunstige meening op te

vatten van Alonso, den tegenwoordigen president van Bolivia.

Naast hem zaten een paar lange magere mestiezen, twee broeders,

die zich afgevaardigden uit het district Beni noemden, waardige

vertegenwoordigers van de onbeschaafde streek, die hen zond. De vierde

was een journalist uit Cochabamba, die zich mocht verheugen in den

liefelijken naam van Abélard. Het was blijkbaar een politieke tournée,

waarop het viertal uit was.

Toen ze waren afgestapt en verdwenen in een der armoedige huizen,

waar zeker een feestmaal voor hen was aangericht, verzamelden zich

op het marktpleintje een menigte lieden, in lompen gekleed, en op

bloote voeten, die op een rij gingen staan, op bevel van een paar

anderen, die iets beter waren gekleed. Op onze navraag bleek, dat

dit de nationale militie was.

Bolivia.—Een in wording zijnde Staat aan den Stillen Oceaan De Aarde en haar Volken, 1907-1908 · 第 3 / 9 段