ons, op onze vraag naar het beste hotel, een zeer verdacht uitziende
posada aangewezen. Maar wij kunnen toch moeilijk den geheelen nacht
heen en weer wandelen op het perron, en de trein gaat eerst morgen
verder. Calama verheugt zich ook niet, zooals Antofagasta, in een
klimaat waarin oranjeboomen bloeien. We zijn hier op een hoogte van
omtrent 2300 meter; dat maakt nog al verschil.
Na een maaltijd uit onzen meegebrachten voorraad blikjes, met brood,
dat van morgen versch was, maar door het ijler worden der lucht zoo
bros als beschuit is geworden, deelen wij met onze medereizigers de
paar vuile stroomatrassen, die tot onze beschikking worden gesteld. 't
Is hier alles behalve comfortabel. De bewoners van Calama betrachten
zeer nauwgezet het: "Wat gij wilt dat anderen u zouden doen, doet
hun ook alzoo." Maar om te beginnen stellen zij zelf geen heel
hooge eischen. Achter het planken beschot doen zekere onverstaanbare
keelklanken vermoeden, dat onze buren behooren tot dat edelaardige
volk, de weldoeners der menschheid, die ons de Yorkshire ham hebben
geschonken. Om acht uur zijn we allen, door vermoeienis overmand,
in slaap.
Om halfvijf 's morgens reeds doet het gefluit van den trein ons
opspringen. We zijn er niet rouwig om, dat we in onze rust worden
gestoord, en blijde, dat we om zes uur verder trekken.
Voor 1879 behoorde Calama en de geheele woestijn, die thans achter
ons ligt, aan Bolivia. Chili, dat op dat tijdstip op gespannen
voet was met Peru zoowel als Bolivia, veroverde Antofagasta op 14
Februari 1879, en heeft het sedert dien tijd behouden. Antofagasta was
Bolivia's eenige haven, de eenige verbinding welke het bezat met de
buitenwereld. De Bolivianen verdedigden zich dan ook met mannenmoed;
maar de tegenwoordige toestand van het leger in aanmerking genomen,
is het wel te begrijpen, dat in die dagen de beroemde slag bij Calama,
waarbij de chileensche troepen onder kolonel Emilio Sotomayor eenige
boliviaansche vrijwilligers in de pan hakten, voor Bolivia een tweede
Waterloo werd. Na die nederlaag zou Bolivia zeker gemakkelijk door
Chili zijn geannexeerd, maar de overwinnaars bleven op hun lauweren
rusten, en stelden zich tevreden met de bezetting van het plaatsje
Calama, dat thans, na het aanleggen der spoorlijn, nog slechts 5 à
600 inwoners telt. Later, toen Chili ook de Peruanen, die Bolivia te
hulp kwamen, had verslagen, maakte het zich van een grooter gedeelte
van Bolivia meester, tot voorbij Ascotan, en geraakte daardoor in het
bezit van een uitgestrekt terrein, dat rijk was aan calcium-boraten
en delfstoffen van allerlei aard.
In Calama herhaalde zich aan het loket de geschiedenis van den
vorigen dag.
"Een biljet eerste klasse Uyuni, als 't u blieft."
"Drie en twintig piasters, tachtig centavos," zegt een stem.
"Goed". Ik leg vier en twintig piasters neer.
Het kaartje komt voor den dag, maar geen geld.
"Ik krijg nog twintig centavos van u".
"Jawel, mijnheer; maar ik heb geen geld terug." Waarop precies dezelfde
woordenwisseling volgde als gisteren te Antofagasta.
De trein staat stil. Nu zijn we in Cere; weer midden in de woestijn. In
de verte, rechts, blaast de vulkaan San Pedro rookwolken uit, bij
geregelde tusschenpoozen, juist als een stoommachine.
Wij stijgen steeds hooger. Na Cere volgt Conchi, 3500 meter hoog
gelegen, aan het riviertje de Loa. Die Loa, waarvan men in Chili
met veel ophef spreekt, is maar een bescheiden stroompje, dat elf
maanden in het jaar als een rustige beek voortvloeit tusschen honderd
meter hooge rotswanden, ontstaan in verwijderde tijdperken, toen deze
woestenij geschapen werd.
Na Conchi gaat de trein over een 144 meter lange brug, die deze beide
steile rotswanden met elkander verbindt. Het is een echt moderne
constructie, licht en luchtig op het oog, maar ijzersterk van bouw. De
reiziger, die op het achterbalkon van den laatsten wagen staat, kan
toch een lichte huivering niet onderdrukken, als hij honderd meter
beneden zich het water in de diepte ziet vloeien. De overzijde is
echter spoedig bereikt, en opnieuw houdt ieder zich uitsluitend bezig
met de gewichtige vraag, of hij al of niet de _sorroche_ zal krijgen.
Die _sorroche_, in Chili _puna_ genaamd, is een soort bergkwaal, een
aandoening van de ademhalingswerktuigen, veroorzaakt door de ijlheid
van de lucht. Ieder heeft natuurlijk aan de kust allerlei middeltjes
daartegen opgedaan. De een zweert bij ether; de Engelschen beginnen
maar vast zich te versterken met ferme hoeveelheden gin en cognac. Ons
bevalt nog het beste, van tijd tot tijd wat ammonia op te snuiven.
Er worden akelige staaltjes van verteld; sommige menschen hebben
het zoo benauwd, dat het bloed hun uit neus en ooren spuit; anderen
worden zeeziek, en weer anderen hangen met het hoofd uit het raam
als een visch op het droge naar adem te snakken. Midden onder die
verhalen vliegt de kurk van een fleschje ether met een knal uit de
opening. Dit komt door de vermindering van den luchtdruk, die hier
niet zoo sterk is, als te Antofagasta, waar de flesch werd gevuld.
Na in vele bochten om den voet van den San Pedro te zijn gelaveerd,
houdt de trein stil bij het station van dien naam, op 3233 meter
hoogte, waarboven zich de reusachtige rookpluim van den steeds
werkenden vulkaan verheft. De voorzichtigsten onder het reisgezelschap,
die geen lust gevoelen, zich te wagen aan de onsmakelijke poespas,
die ons hier allicht zal worden voorgezet, ontbijten met de meegenomen
proviand. Anderen vallen met groote graagte aan op het zoogenaamde
"buffet van San Pedro", waar ze zich te goed doen aan een veelkleurig
mengelmoes van aardappelen, rijst, tomaten en andere groenten, gekruid
met specerijen en zwemmend in een verdacht uitziende geelachtige saus,
waarin stukken niet bijzonder smakelijk vleesch drijven. 't Is het
nationale lievelingsgerecht van Bolivia, _chupe_ genaamd.
Tweehonderd meter van het station zijn in den berg de reservoirs
uitgehouwen, waardoor Calama en Antofagasta van water worden
voorzien. Terwijl de overige reizigers aan 't smullen zijn, gaan wij
ze bekijken. Het zijn groote, met cement bekleede bassins, waarin
het water der stroomen, die door de eeuwige sneeuw van den San
Pedro worden gevoed, moet worden opgevangen. Jammer genoeg, en een
bewijs te meer van de algemeene achteloosheid en onverschilligheid
hier te lande is het, dat de ingenieurs, die dit grootsche werk,
een watertoevoer naar Antofagasta van een afstand van 314 mijlen,
tot stand brachten, zich hebben vergist. Toen het werk voltooid was,
bespeurde men, dat het water van de Rio San Pedro, 't welk zij hadden
afgeleid, bestanddeelen bevatte, die het ongeschikt maakten, zoowel
om als drinkwater gebruikt te worden, als voor wasscherijen dienst
te doen. Men had hiervoor het water van de Rio Polapi moeten kiezen,
een ander riviertje, dat eveneens op den San Pedro ontspringt, en
zich uitstort in de Rio Loa.
Wij moesten zorgen, ons plaatsje in den waggon weer op te zoeken,
wat ons lang niet gemakkelijk viel, al hadden we maar een 250
meter te loopen tot aan den trein. De sorroche plaagde ons nu
reeds geducht. We kwamen buiten adem bij den waggon, alsof we lang
achtereen hard geloopen hadden. Iets later kreeg een der reizigers
een ergen aanval; hij bloedde uit neus en ooren en leed herhaaldelijk
aan brakingen. Een vier en twintig uren zou dat zoo wel aanhouden,
dacht men. Wij trachtten er maar niet op te letten, want de sorroche
is besmettelijk, evenals de zeeziekte.
De weg blijft steeds stijgen rondom den vulkaan, wij rijden langs
stroomen basalt-lava. Daarop volgt plotseling, zonder overgang,
een aschvlakte, die bezaaid is met geweldige steenklompen. Ze zijn
zoo dicht opeengehoopt als hagelkorrels, maar ze smelten niet, ze
liggen daar bij duizenden opgestapeld. Die vlakte zal alles behalve
een aangename verblijfplaats zijn, als de San Pedro, na jaar en
dag rookwolken te hebben uitgeblazen, eens weer tot een uitbarsting
komt. Bij Polapi, op 3772 meter, houden we vijf minuten stil. Dan volgt
Ascotan, op 3956 meter, waar we tien minuten ophouden. Men krijgt
een gevoel, alsof de locomotief ook last van sorroche moet hebben,
en eens even moet uitblazen. Ascotan is het hoogst gelegen punt
van den spoorweg. Wij laten San Pedro achter, en zien vóór ons den
vulkaan Ollagué, van Ascotan gescheiden door een uitgestrekte vlakte
van calcium-boraat. Welke schatten rusten hier, 3900 meter boven de
oppervlakte van den Oceaan, die in verwijderde tijdperken ook hier
haar golven heeft voortgestuwd. In de verte gelijkt het een sneeuwveld,
of nog meer op een zilveren watervlak, dat spiegelt in de zon. Het is
inderdaad een soort van meer, maar het is gevuld met een troebele stof,
zooals water waarin zeer veel zout is opgelost. Wee den ongelukkige,
die zich op de oppervlakte zou wagen; hij zou onmiddellijk wegzinken.
Des nachts bevriest die uitgestrekte plas, en bij het aanbreken van
den dag kunnen lama's en schapen hem oversteken. De mensch weet echter
een beter gebruik te maken van wat hem hier geboden wordt. Bij het
station Cebollar, 388 kilometer van Antofagasta gelegen, bevindt zich
de werkplaats, waar deze delfstof wordt bearbeid. Men schept als 't
ware het bovenste van den plas af, en laat de weeke pap, die zestig
percent water bevat, in de zon drogen. Als de stof vast genoeg is,
wordt zij in poreuze blokken, die op witten puimsteen gelijken, per
spoor naar Antofagasta vervoerd, om vandaar den Oceaan over te steken.
In de omstreken van Arequipa in Peru, op de hellingen van den vulkaan
Misti, bestaat een dergelijk meer van calciumboraat. Maar inplaats
van het in de zon te laten drogen, waarbij nog een aanzienlijke
hoeveelheid vocht in de stof achterblijft, wordt het hier gecalcineerd,
tot het boraxgehalte veertig à vijfenveertig percent bedraagt. Daar
de stof, op deze wijze behandeld, veel minder zwaar weegt, maakt
dit een aanmerkelijk verschil in transportkosten en is de winst dus
veel grooter.
Uit deze boorzure kalkzouten wordt het boorzuur en de borax getrokken,
die in de nijverheid zulk een belangrijke rol spelen, vooral bij het
bleeken van stoffen.
Zwavel wordt hier ook aangetroffen, maar is tot nog toe weinig
geëxploiteerd, daar de vlakte tusschen San Pedro en Ollagué moeilijk
te bereiken is. Men zal hier echter binnenkort ook fabrieken van
zwavelzuur oprichten, daar deze stof juist in dit aan mineralen zoo
rijke land onontbeerlijk is, terwijl het tot nu toe uit Europa werd
aangevoerd.
Een fransch ingenieur heeft, naar ik vernam, een eenvoudige wijze
ontdekt om deze kostbare stof te vervaardigen op de plek zelve,
waar de zwavel gevonden wordt. Hij moet zelfs aan het chileensche
gouvernement hebben aangeboden, hun zijn ontdekking bekend te maken,
op voorwaarde dat men hem een modelfabriek zou laten oprichten,
waarbij hij zich het recht voorbehouden zou, de machines te leveren
voor particuliere ondernemingen, die zijn methode wenschten te volgen.
Bij het station Ollagué zeggen we Chili vaarwel. Hier is sinds 1881 de
nieuwe grens van Bolivia, 435 kilometer van Antofagasta gelegen. Verder
kan Chili niet gaan, zonder Argentinië in 't harnas te jagen. Het
zou zich gaarne meester maken van Lipez, dat honderd mijlen verder
naar het Oosten ligt dan Ascotan, en waar belangrijke zilvermijnen
zijn. In dat geval zou Bolivia met zijn duizendtal soldaten niet
veel kunnen uitrichten. Maar Argentinië houdt een oog in 't zeil,
en Chili dient op zijn hoede te zijn.
Nu zijn we dus in Bolivia, op de hoogvlakte van het binnenland. We
hebben de eerste schreden gezet op de Andes. Veel later eerst zullen
wij die onmetelijk hooge bergwanden zien verrijzen, aan de andere
zijde der uitgestrekte puna, de kale vlakte zonder eenig spoor van
plantengroei, die een oppervlakte van achthonderd vierkante mijlen
beslaat, op een gemiddelde hoogte van 4000 meter.
Om acht uur des avonds komen we aan te Uyuni, dat 610 kilometer van
Antofagasta verwijderd is. Veertien uren achtereen hebben we in den
trein gezeten. We voelen ons te zeer geradbraakt om iets anders te
doen, dan te snakken naar voedsel en een beter bed dan gisteren te
Calama. Gelukkig vinden we hier een hôtel, dat aan een Franschman
behoort, en waar we een goed avondmaal en een zindelijke slaapplaats
kunnen krijgen. We beschouwen den heer Gobilard als onzen weldoener,
en zegenen zijn gelukkigen inval om in deze streek een fatsoenlijk
logement op te zetten.
Den volgenden morgen herhaalt zich aan het loket te Uyuni hetzelfde
tooneel van den vorigen dag. Ik ga in 't vervolg een zwaren zak
kleingeld meetorsen op reis. Al slijten mijn zakken dan ook dubbel
zoo snel, beter dat de kleermaker er wat aan verdient, dan dat ik
mij op deze manier moet laten foppen.
Vóór 1892 ging de trein niet verder dan tot Uyuni. Slechts een
afzonderlijk lijntje, het eigendom van de Huanchaca-maatschapprj,
liep van hier naar Pulacayo, waar zich de mijnen der compagnie
bevonden. Deze weg, waarlangs Pulacayo in twee uren wordt bereikt,
loopt tusschen hooge bergketenen. Gelukkig telde de maatschappij
onder haar voornaamste aandeelhouders ook den heer Aniceto Arce,
een der weinige presidenten van Bolivia die niet werden vermoord, en
die de algemeene achting zijner medeburgers genoot. Aan zijn invloed
is het te danken, dat de lijn werd doorgetrokken tot Oruro; daar de
mijnen der laatstgenoemde plaats met die van Huanchaca in verbinding
stonden. Als president Arce niet wegens persoonlijke beweegredenen
er voordeel in had gezien, die spoorweglijn te laten aanleggen, zou
Bolivia zich zeker nog in lang niet hebben verheugd in het bezit van
dit verkeersmiddel. Dit is weer een nieuw voorbeeld van boliviaansche
politiek; alle vooruitgang hangt hier af van het onmiddellijk
belang eener bevoorrechte groep, en men kan zich licht voorstellen
hoe treurig de toestand van het volk is onder een dergelijk bewind,
terwijl bovendien twee millioen van de inwoners niet eens de landstaal
spreken, maar verschillende indiaansche dialecten. Van Huanchaca
naar Potosi, en van Potosi naar Sucre is men thans wel verplicht,
zijn weg per muilezel voort te zetten. Doch aan hoevele gevaren zijn
de reizigers op zulke tochten niet blootgesteld! Het eerste traject
neemt van vier tot zes dagen, het tweede minstens drie, en de weg
naar Sucre, dat tusschen hooge bergen ligt ingesloten, is woest en
eenzaam. Afgezien van het gevaar, zich een longontsteking op den hals
te halen in dit klimaat, bestaat ook altoos kans op een aanval van
Indianen of struikroovers; of de reiziger kan door het geweld van een
der bergstroomen met muilezel, bagage en al worden medegesleurd, om
verpletterd te worden tegen een rots, als hij niet reeds den dood heeft
gevonden in het woest schuimende water, zooals het lot is geweest van
een Duitscher, die op weg naar Cochabamba den Pilcomayo overtrok. Dit
zijn geen ingebeelde gevaren! Er worden verschrikkelijke voorbeelden
aangehaald. Een fransch reiziger geraakte hier tusschen draaikolken, en
had zijn leven slechts aan een gelukkig toeval te danken. Een fransche
attaché had het ongeluk, dicht bij Huanchaca zijn been te breken,
en moest vier uren alleen in de sneeuw blijven liggen, terwijl de
Indiaan, die zijn gids was, hulp ging halen. De Duitscher, van wien ik
daareven sprak, is in den Pilcomayo verdronken. En hoevele onbekenden
vonden niet in deze streken den dood, wier lijken somtijds de Rio de
la Plata komen afdrijven naar den Oceaan, om spoorloos te verdwijnen.
Maar thans zetten wij onze reis naar Oruro verder voort. Van het
landschap valt niet veel nieuws te vermelden. Nog steeds, zoover het
oog reikt, de puna, een eentonige drassige vlakte. Maar hier vertoont
zich toch een spoor van dierlijk leven. Hier en daar staan lama's,
met uitgerekten hals en wantrouwigen blik, den trein aan te staren,
dien zij als hun mededinger mogen beschouwen. Want de kudden lama's,
die de puna doortrekken, heeten in den volksmond _ferrocarril de
Bolivia_ (spoorwegen van Bolivia). Ze schijnen met hun levendige oogen
en schranderen blik den Europeaan spottend te tarten, en te vragen:
"Ongelukkig schepsel, wat komt gij hier doen op deze hoogten, waar
slechts wij zonder moeite kunnen ademhalen?" Hun bovengenoemden bijnaam
hebben de lama's gekregen, omdat zij met de ezels de eenige goedkoope,
en dus bereikbare vervoermiddelen zijn in dit land. De zachtaardige
dieren, geduldig als de os, matig als het kameel, waarmede zij den
hals, de kop en de dubbele maag gemeen hebben, snelvoetig als het
hert, waarop zij door vorm van pooten en lichaamsbouw gelijken, maken
den grootsten rijkdom van Bolivia uit. In de steden of dorpen, voor
de deur der kooplieden, bevestigt men met leeren riemen, die rondom
hun lijf worden gewonden, de vrachten, welke zij soms over afstanden
van 500 tot 600 mijlen hebben te vervoeren, en die hun niet worden
afgenomen, eer zij de plaats hunner bestemming hebben bereikt.
Het reizen op de boliviaansche hoogvlakte is op den duur grenzeloos
eentonig en vervelend. Met groote blijdschap begroeten wij dan ook,
na elf uren sporens, het eindstation Oruro. Oruro is een leelijke
stad, maar ons niettemin op dit oogenblik van harte welkom. We zijn
nu 924 kilometer verwijderd van Antofagasta, en hebben dien weg in
drie dagen afgelegd.
Oruro telt ongeveer achtduizend inwoners, waaronder zich zeker
niet meer dan driehonderd beschaafde blanken bevinden. De
overigen zijn Indianen en Cholo's, die in de mijnen werken, en
muilezeldrijvers. Oruro bestaat slechts door zijn zilvermijnen. Eenzaam
te midden van een woestijn gelegen, zonder drinkwater, blootgesteld
aan felle koude en wind, in een uiterst dorre en onvruchtbare streek,
zou de stad zonder haar mijnwerken nooit de plaats bekleeden,
die zij thans inneemt. Oruro is als eindstation van den spoorweg
ontegenzeggelijk de voornaamste handelsstad van Bolivia; veel
gewichtiger dan Uyuni. Behalve door de mijnen, bloeit het ook door
den handel in allerlei waren, die de groothandelaars van hier naar
alle oorden van het land in groote hoeveelheden verzenden. Oruro
heeft directe verbinding met Cochabamba; indirect is het met Sucre en
Potosi en zelfs met La Paz verbonden. Hier voorzien zich ook de vele
mijnexpedities, die door geheel Bolivia worden uitgezonden, van al
wat zij noodig hebben. Daardoor is Oruro, ondanks het geringe aantal
beschaafden, die het onder zijn inwoners telt, toch de belangrijkste
stad van het land.
Maar zoodra men er zijn zaken heeft afgedaan, heeft men er
ook verder niets te zoeken, want de stad bezit geen de minste
aantrekkelijkheid. Men doet werkelijk het best, zoo spoedig
mogelijk een muilezeldrijver te huren, en zich op weg te begeven naar
Cochabamba. Het type van den arriero of muilezeldrijver, aan wien men
voorloopig zijn lijf en have gaat toevertrouwen, is zeker wel ongewoon
in de oogen van een groote-stadsbewoner. Gewoonlijk is hij sterk
gebouwd, taai en gehard door zijn levenswijze, met een schranderen
oogopslag en een olijfkleurige huid, vol groeven en rimpels. Bestand
tegen vermoeienis, honger, dorst, koude en hitte, slijt hij zijn
leven op den rug van zijn muildier, en vervoert zonder ophouden
vrachten van groote waarde, dikwijls staven zilver en goud. Jaren
achtereen houdt hij dit leven vol, zonder dat er ooit reden bestaat
om hem van de geringste oneerlijkheid te beschuldigen. Toch zou men
op het eerste gezicht geneigd zijn, hem voor een geduchten boosdoener
te houden. Onder zijn grijzen vilten hoed heeft hij een zakdoek om
het hoofd gebonden. Hij is in een ruimen poncho van donkerbruine
lamawol gehuld, en draagt een bouffante van dezelfde stof om den
hals. Uit een der kappen van zijn groote wijde laarzen steekt het
heft van een lange navaja, waarvan hij zich zoowel ter verdediging
bedient, als voor huishoudelijk gebruik. Dikwijls trilt zulk een
stevige kerel onder zijn warme deken, niet van koude, maar van de
koortsen, die hij heeft opgedaan in de ongezonde streken van Bolivia,
waarheen hij reizigers heeft begeleid. Voor het vertrek dient men er
vooral op aan te dringen, dat de muilezels op den dag van de afreis
vroeg bij de hand zullen zijn. Want op zulk een afscheidsdag is de
boliviaansche muilezeldrijver niet zeer nauwgezet in het nakomen
zijner verplichtingen. Hij bezit in elke stad een groot aantal goede
vrienden, die den avond voor zijn vertrek een afscheidsfeest plegen
te geven, en zich daarbij weinig om den dag van morgen bekommeren,
noch om de onaangename gevolgen van dit uitstel voor den reiziger,
die de diensten van hun vriend behoeft.
Tegen zeven uur 's morgens wordt onze uitrusting nog eens goed
nagezien, en als het zadel en tuig, de mondvoorraad en verdere
reisbenoodigdheden in goede orde zijn bevonden, begeven we ons op
weg. Het is acht uur als wij de laatste huizen van Oruro achter
ons laten.
De zon der tropen brandt veel te fel en verschroeit onze europeesche
huid. We beginnen maar vast, ons gezicht met vaseline in te smeren,
om niet reeds den eersten dag totaal te verbranden.
Het gaat op een sukkeldrafje, den gewonen stap van den muilezel,
die zoo geregeld is, dat men op vlakken bodem met zijn horloge in de
hand de afgelegde afstanden precies kan nagaan. Zes of zeven mijlen
in het uur is zijn gewone gang.
Ongeveer dertien mijlen van Oruro zien we links in de verte een paar
grauwe huisjes, het zijn woningen van Indianen, en het groepje,
dat ze vormen, wordt San Juan genoemd. Een vijftal kilometers
verder komen we aan de Rio Paria. Een breede bedding van zand, en
bijna geen water. Wij zullen de bedding der rivier volgen, die ons
als weg dient. Thans gaat dat gemakkelijk genoeg, onze muilezels
loopen slechts tot even boven de hoeven door het water. Maar als we
hier reisden in de maanden tusschen November en Maart, dat is dus in
den zomer, zou het er geheel anders uitzien. Dan smelt de sneeuw, en
vallen zware regens; de rivieren zwellen, de geheele hoogvlakte is een
meer van slijk, en de Rio Paria een geweldige stroom, dien men niet
dan met levensgevaar kan doorwaden. Dicht bij den oever zien we een
groep mijnwerkerswoningen. De mijnen van Rio Paria behoorden voor het
grootste deel aan den verdwenen president Alonso, die zich bijtijds
heeft teruggetrokken. Men had nog eenigen tijd de hoop gekoesterd,
dat hij het goede voorbeeld van President Arce, die den spoorweg tot
Oruro doortrok, zou volgen en de lijn verlengen tot aan Rio Paria,
maar de revolutie sloeg die verwachtingen den bodem in.
We trekken onder deze en dergelijke overdenkingen getroost verder,
zachtjes door het water plassend, het lastdier voorop; dan de
muilezeldrijver, die den weg wijst, en eindelijk mijn persoon, als
een priester, die wordt voorgegaan door zijn dienaren.
Op eens stroomt de rivier tusschen hooge, steile rotswanden;
de Quebrada of engte van Condorchinoca. Ik ben blijde, dat ik
dien naam hoor, want na dien pas zullen we mogen stilhouden, om te
middagmalen. Het is nu een uur; van acht uur af hebben we al te paard
gezeten, en ik verlang geducht om eens af te stappen. We gaan een
omheinde plek binnen, waar een klein gebouwtje staat. Terwijl de gids
aan 't uitpakken is van onze eetwaren, neem ik de soort pleisterplaats
in oogenschouw, waar we zullen rusten. Vier wit gekalkte muren; als
tafel een hoop harde klei in het midden, en verder niets dan vuil
op den grond. Ziedaar in 't kort alle gemakken vermeld, welke hier
in zulke schuilplaatsen in 't gebergte ten behoeve der reizigers
worden aangetroffen.
Volgens de zeden der Incas is het den Indianen niet geoorloofd, den
vreemdeling een schuilplaats of een dronk water te weigeren. Eieren
zijn overal te krijgen, en dat is gelukkig; men weet dan tenminste,
wat men eet, en kan het menu aanvullen met den voorraad, dien men
zelf heeft meegebracht.
Na een uur rustens begeven we ons weer op weg. Nu gaat het de bergen
op. 't Beste wat ons te doen staat, is, de teugels slap te laten
hangen, en het muildier maar rustig zijn gang te laten gaan, hooger
klimmend, steeds hooger, tot de avond begint te vallen.