II.

Het onverwachte gebeurde; de wolken raakten moede van het door elkander

en over elkander warren of liever de zon verveelde hun grillig spel,

zij joeg hen plotseling met geweld uiteen en deed haar macht voelen

over zee en wind.

In een oogwenk vluchtten de wolkbanken verschrikt weg; het blauwe

veld werd wijder en wijder, bundels van zonnestralen wierpen zich

over de golven, die als bij tooverslag hun grauwgele kleur verloren,

om helder en doorschijnend te worden als smaragd.

Staffa was in zicht!

Een reusachtige natuurbouw van duizend en nog eens duizend zuilen van

bazalt en graniet, dicht aaneen gedrukt, een berg zich verheffend

op een voetstuk van verstrooide klippen, een tempel van zwart

kristal door reuzenhanden opgericht in het midden der woestenij van

onmetelijke wateren, kokend, donker schuim, borrelend opgestegen uit

de diepste diepten van de zee en toen als door tooverslag versteend,

een kathedraal, waarin een der oude goden aangebeden en verheerlijkt

wenscht te worden nu hij van de aarde verdreven is, en waarin de

golven het eeuwig orgelspel doen hooren--dat alles en nog veel meer

schijnt Staffa met haar Fingalsgrot.

De stoomboot had de eilanden, die een soort van eerewacht vormen

voor hun koningin, ver achter zich gelaten, nu bleef zij op een

afstand liggen en ontlaadde haar passagiers in kleinere schuiten;

bij de steenklompen, die den onderbouw schijnen van den kolossalen

rotstempel, werd hun beduid, dat zij uit moesten stappen om over die

steenen hun weg te vinden naar den ingang der grot.

Het was een moeilijke tocht al springend en klauterend over de

ongelijke steenmassa's, door het zeewater onophoudelijk bespoeld en

deze glimmend en glad achtergelaten door zeewier en schuim.

"Goddank! Dat Betsie er niet is," verzuchtte Berkmans weer uit het

diepst van zijn hart.

"Ja, dan had ik met haar moeten optrekken, want je hebt genoeg te

doen om je zelf voort te laten springen," antwoordde Van Eyken, die

moeite had zijn lichten stap te matigen om zijn zwager bij te blijven

en hem soms de hand te reiken als de sprong van den eenen steen tot

den anderen te groot bleek.

"Die dikke Bets, zij was er bij neergevallen. In elk geval had zij

het er niet zoo kranig afgebracht als die juffrouw--hoe heet ze ook,

Bauer...."

"Nu als men ook alleen op reis durft gaan.... oef! 't word warm hé,

die zon steekt, ze haalt een buitje op."

En blij een voorwendsel te vinden om even te kunnen stilstaan, veegde

hij zich de druppels van het voorhoofd.

"Zij is nummer een, kijk, daar wipt ze al de grot in. Kom, Jo, laat

je niet beschaamd maken! Daar geef mij de hand maar, laat je niet

door valsche schaamte beet nemen. Ze zijn ons allen vóór."

"'t Is me werken voor zijn plezier! Had ik dat geweten...."

"Dan was je stil bij Bets gebleven, hé! Maar nu moet je vooruit,

daar helpt niets aan."

Bijna loodrecht stijgt de gevel der Fingalsgrot uit zee, een

reuzenboog, die zich naar binnen voortzet in een onafgebroken

zuilenrij, tot het heiligdom voerend met een trap, waardig toegang te

verleenen tot de paleizen van Neptunus. En deze gigantentrap was het,

waarover Berkmans al huppelend en trippelend, al zwoegend en zweetend

zich omhoog werkte.

Caspar van Eyken moest er om lachen, het was of hij een vlieg hoorde

gonzen om de manen van een ingeslapen leeuw; hij stond reeds voor den

ingang der grot toen zijn zwager nog de ongelijke, grillige lager,

dichter en verder dooreengeworpen rotsblokken verwenschte.

Hij stond als overweldigd stil toen de andere half kermend uitriep:

"Is me dat een tocht? Heel aardig, maar is me dat zoo'n klim waard?"

"Och Jo, was je maar bij Betsie gebleven! Je hebt er toch geen

verstand van."

Berkmans las uit zijn Baedeker voor:

"Tweehonderd dertig voet is de grot diep, van voren 90 voet hoog,

40 breed."

"Schei uit met je cijfers, man! Laat ze aan je

hoogerburgerschooljongens over, zie, geniet!"

"God beware me! wat is dat glad, als je uitglijdt--oef, je hand Cas,

even maar!"

Zij gingen naar binnen, daar welfde zich de spitsbogen over

wonderbare zuilenbundels, over stalactiten, donker van kleur maar met

weerglansen van purper, van rood, van grijs en groen, zich wisselend

met bliksemsnelheid onder den glans van het naar binnen sluipende

zonnelicht en de naar binnen dringende golfslagen. De zee toch bruist

telkens en telkens tegen de rotsen op. Zij wringt en kronkelt zich naar

binnen, liefkoost de wanden om een oogenblik later ze onbarmhartig

te geeselen, zij werpt haar schuim hoog op en doet ze in duizenden

kleurige blaasjes wegstroomen, zij valt kletterend in de diepte,

kroont de zwarte rotsen met een diadeem van zilver en zingt een lied

vol geheimzinnige melodieën, als voelde zij zich hier meesteres,

koningin en wilde haar paleis aan de gasten, die van verre kwamen,

in volle schoonheid vertoonen.

En van binnen terugziende door den reuzenboog naar buiten, ziet

men de goudgroene zee zich mengen met den blauwen hemel bezaaid met

paarsgrijze wolken, een enkel zeil van een visschersboot zich scherp

daartegen afteekenend en de gouden waaier door de zon op de wateren

geteekend langzaam in de grot dringend--een beeld dat zich vastzet

in de hersenen om door niets meer verdrongen te worden.

Nog vóór dat hij het wist stonden Casper en Jo naast juffrouw Bauer,

zij leunde over het houten hek, en zag rond, onbeweeglijk, sprakeloos;

toen het echter tijd werd de grot te verlaten en toen tot Jo's groote

verlichting het bootje hen hier afhaalde, zoodat de tocht over de

rotsentrap overbodig werd, bood Casper haar de hand; zij wendde

snel het gelaat af en nu merkte hij dat zij schreide en het niet

weten wilde.

"Nu hoort tot het programma," zeide Van Eyken, "den berg te

beklimmen. Verbeeld je daarboven is nog een weide, en er is ook een

trap om er te komen."

"Nu, ik pas er voor," haastte Berkmans zich te verklaren, "ik zit

hier goed en blijf er zitten. Doe wat je verkiest, Cas!"

"Ik heb wel trek daar eens op te klauteren. En u, juffrouw Bauer?"

"Ik ben altijd van plan geweest daar boven te kijken."

Casper begreep dat een aanbod om haar te geleiden met verbazing door

haar aangenomen of liever als overbodig zou worden beschouwd.

Zonder een woord te zeggen, stapten beiden uit en klommen

omhoog. Berkmans zag hen met een medelijdend lachje aan en knoopte

met een medepassagierster een gesprek aan over het dwaze om op reis

alles te willen zien ten koste van vermoeienis, gezondheid, leven

wellicht--zij waren het in alle opzichten met elkander eens.

Staffa is rijk aan grillen en wonderlijke natuurspelingen, maar

een der wonderlijkste is zeker dat groene kleed boven de zwarte,

kale rots geworpen, een soort van Alpenweide op een rots, midden

in een oceaan van zoutwater; geen bloempje, geen plantje, niets dan

schrale grashalmpjes, die zich met moeite wringen tusschen de spleten

der rotsen, maar toch iets vriendelijks, een glimlach op een somber

gezicht, een straaltje licht tusschen strakke hopeloosheid.

Rondom niets dan zee en eilanden zoo zwart als brokken steenkolen;

het grootere Mull alleen trekt een donkere lijn langs den horizon.

Casper stond weer onwillekeurig naast juffrouw Bauer; beide zwegen,

zij had geen behoefte iets te zeggen, hij had er wel behoefte aan

maar vreesde niets zoozeer dan een banaliteit uit te spreken in deze

zoo geheel eigenaardige omgeving; toch kwam hij er toe:

"Het uitzicht hier loont de moeite van het klimmen wel, vindt u niet?"

"Neen," zeide zij eenvoudig, "dat ziet men ook beneden. Na de

Fingalsgrot moest men vandaag zijn oogen sluiten en niets meer zien,

niets meer hooren."

"Ja, 't is moeilijk iets wonderbaarder te zien. Wat men ook later ziet,

dat blijft."

"Ik geloof voor goed!"

Zij streek met de hand over het voorhoofd en drukte er haar palm op.

"'t Is als iets, wat men heel diep gevoeld heeft," zeide Casper,

"een groote vreugde, een zwaar verdriet."

Zij zag hem aan.

"Vindt u dat vreugde iets blijvends nalaat?"

"Ja, ofschoon--ik weet het niet, zoo'n groote vreugde heb ik nooit

ondervonden."

"Och, dat zal niemand ooit ondervinden, denk ik. De eerstvolgende

indruk van verdriet wischt alle sporen uit, zoodat zij onvindbaar

blijven." De groeven om haar kin waren nu zoo diep dat Casper naar

niets anders zien kon, terwijl hij haar bestudeerde.

"U spreekt bij ondervinding!"

Het woord was er nog niet uit of hij had er spijt van het gezegd te

hebben, 't scheen een soort van indringen te zijn in haar gemoedsleven,

waartoe hij geen recht had en wat kon 't hem toch ook eigenlijk

schelen of die juffrouw, die hij vandaag voor het eerst zag en die

hij morgen niet meer zou terugzien, verdriet had gehad of plezier.

"Neen," zeide zij eenvoudig, "ik weet niet, wat groot verdriet is, ik

geloof dat niemand dat tegenwoordig meer weet. Men heeft zorg of men

verliest iets: geld, familie of eer, men schreit het een paar traantjes

na, maar dan schikt men zich, zoolang men dagelijksch comfort behoudt;

men komt er over heen en 't is voorbij, vóór men 't weet."

Casper dacht aan den dood zijner moeder van den winter; hij had

toen erg aangegaan, maar och! dat hij zich zoo snel zou schikken in

het onvermijdelijke, dat hij zoo dadelijk weer belangstelling zou

opvatten in allerlei kleinigheden van het dagelijksch leven, dat hij

weer zoo spoedig gewoon had kunnen praten en lachen, dat had hem zelf

het meest verwonderd, want hij hield toch dol van zijn oude vrouw,

en nu nog kon hij er niet aan denken dat hij ze niet meer had of hij

voelde iets uit zijn keel opstijgen naar zijn oogen, maar dan dacht hij

gauw aan iets anders, als hij 't voelde aankomen en zei een gekheidje.

"Misschien heeft u gelijk," zeide hij eindelijk; "men heeft zooveel

verstrooiing en afleiding tegenwoordig, er is altijd zooveel te zien

en te doen en te hooren."

"Men heeft geen tijd met zoo'n naren gast als zijn verdriet te leven,

en ook geen lust. Zij bellen daar, is dat het sein om naar beneden

te gaan?"

"Om ons in te schepen, ja."

"Adieu Staffa! adieu!" zeide Casper toen het schuitje wegvoer en

wuifde het rotsgevaarte een afscheidsgroet toe.

"Forever, denk ik!" riep Berkmans.

"En 't is goed ook," meende juffrouw Bauer.

"Ja, die trap is een waar heksenwerk, meer dan de Heksentrappen in

den Harz."

"Rosstrappe. Heksentanzplatz," verbeterde Casper.

"O ja, 't is waar ook! Het doet er niet toe, een jodentoer. Als Betsie

't hoort..."

"Daarom verlangt u toch ook niet van de Fingalsgrot voorgoed afscheid

te nemen?"

Zij glimlachte, een helderen zonnigen glimlach, zij zag er nu geheel

uit als een kind. Casper voelde plotseling een onweerstaanbaren lust

haar op te nemen en over die rotsen te springen met zijn lichten last

in de armen.

Hoe had hij 't niet eer gemerkt, zij zag er allerliefst uit, zoo'n

klein pittig ding, zoo heel anders dan zooeven toen zij zoo diepzinnig

en ouwelijk redeneerde over smart en vreugd.

"Als 't daarvoor was, dan zou ik er wel raad op weten, dan presenteerde

ik u mijn arm." Het gebaar dat hij maakte verried duidelijk hoe het

zijn bedoeling was, dien forschen arm niet te presenteeren als steun

maar eenvoudig als zitplaats.

"Maar u heeft het niet noodig. U is zoo flink, zoo zelfgenoegzaam,"

ging hij voort met een tintje spijt in de stem.

"Een dame, die liever alleen reist, heeft geen armen van heeren

noodig," merkte Berkmans bits op.

"Minder dan heeren een dameshand," zeide zij en weer kwam dat

schalksche kuiltje voor den dag.

Casper begreep nu dat het dit kuiltje was dat haar zoo'n

onweerstaanbaar lieve uitdrukking gaf. Hij lachte hartelijk alleen om

het genot van het lachen, omdat hij plotseling het leven zoo prettig

vond, en dat zitten in die schuit zoo leuk, zoo onbetaalbaar leuk.

"Ik reis niet voor mijn plezier alléén."

Het kuiltje was verdwenen en die twee akelige rimpels waren er weer

als twee grimmige schildwachten, die de lippen wilden beletten te

lachen, of aardige, vroolijke dingen te zeggen.

"Toch ook niet voor uw verdriet?"

Die vraag van Berkmans klonk zoo scherp, dat Van Eyken er nijdig om

werd; nog eens wat ging 't hun toch aan of zij alléén of in gezelschap,

voor haar genot òf voor haar verdriet reisde?

"Neen, ik reis alléén, omdat ik geen gezelschap heb."

"Daar is altijd toch wel aan te komen."

"Niet aan het gezelschap dat ik hooger stel dan eenzaamheid."

"Dat zal de juffrouw toch wel zelf het beste weten, Jo," snauwde

Casper, "'t is onze zaak niet. De dames doen tegenwoordig zooveel

dingen alleen, waarom niet reizen?"

"Trouwen daar alleen moeten zij toch nog met twee voor zijn. Wat zij

ook voor andere liefhebberijen bij de hand mogen hebben, dat doen

zij toch nog maar altijd het liefst."

Casper zag haar ongerust aan; hij vond zijn zwager grof en begreep

dat zij het ook moest vinden. Maar zij zag weer met haar blik van

zooeven, haar open, helderen blik, die zich zoo rustig op menschen

en dingen kon vestigen en met dien blik drong zij in den zijne. "U

is het zeker geheel met mijnheer Berkmans eens?" zeide zij.

"Volstrekt niet! U heeft het zooeven immers gehoord, ik ken de vrouwen

maar zeer oppervlakkig."

"En toch beoordeelt u ze zoo scherp?"

"Uit egoïsme."

"Dat schijnt wel en dat verklaart veel!"

Juist moesten zij uit de schuitjes weer op de groote boot

stappen. Casper bood als onwillekeurig zijn hand aan het meisje, het

was een daad van galanterie, die hij geheel instinctmatig scheen te

vervullen en zij namen het ook zoo aan, als iets dat vanzelf sprak.

Berkmans zuchtte diep, een zucht van verlichting toen hij weer de

planken van het dek onder de voeten had; een oogenblik later ging

hij naar beneden.

"Ik ga even zien of er wat te lunchen valt en jij Cas, hoe denk jij

er over?"

"'t Is mij te vroeg"

Juffrouw Bauer stond weer bij de verschansing en zag hoe langzaam de

grot zich verwijderden. Casper kwam naast haar staan.

"Nu heeft u A gezegd en daarom heb ik ook recht B te weten. Waarom

vindt u het goed dat wij Staffa niet meer terugzien?"

"Omdat ik er één indruk heb ontvangen die blijft, een tweede zou een

afdruk zijn meer niet, en daarvoor reist men immers om indrukken te

ontvangen, om zijn geest volgeteekend te krijgen."

"Ja, zoo'n soort van album er van te maken, dat men naar verkiezing

kan opslaan. Dat is waar, dat is het beste van het reizen, maar daar

heeft mijn zwager Berkmans geen verstand van."

Weer dat lachje, dat als een tooverdrank Casper naar het hoofd steeg.

"Ik wou dat u nooit lachte of altijd lachte," zeide hij, hij wist zelf

niet hoe hij zoo brutaal durfde zijn die woorden te zeggen. "Ik zou

onophoudelijk over mijn zwager kunnen praten, want dat doet u lachen."

"Heusch niet! 't spijt me dat ik u zoo hinder!"

"Mij hinderen!"

"Ja, ten minste dat schijnt zoo, maar ik vind het zoo onweerstaanbaar

grappig, die tegenstelling van hollandsche sommen en deze natuur."

Zij strekte haar hand met een vluchtige beweging uit naar het water

rondom hen.

"Dat is de Oceaan, die komt uit Amerika, die sloot eeuwen lang Europa

af. De Atlantische Oceaan, 't is dezelfde zee en toch zoo heel anders

dan bij Zandvoort."

"U houdt van contrasten?"

"Bijzonder en daarom geniet ik hier zoo. 't Is alles zoo eenvoudig,

zee, rots, hemel, meer niet en toch wat een afwisseling!"

Nu gloeiden haar oogen en straalden haar lippen.

"Is u werkelijk een Hollandsche?" vroeg Casper.

"Ja werkelijk, waarom vraagt u dat?"

"Omdat u zoo weinig Hollandsch doet."

"Niet Engelsch of Amerikaansch genoeg om terug te brengen?"

Weer lachte hij, zijn hartelijken gullen lach en ook het kuiltje danste

in haar wangen; toen zagen zij elkander aan en plotseling bloosden

zij beiden en zij boog zich over de verschansing en zag diep in de zee.

In Extremis · 第 12 / 19 题