Het onverwachte gebeurde; de wolken raakten moede van het door elkander
en over elkander warren of liever de zon verveelde hun grillig spel,
zij joeg hen plotseling met geweld uiteen en deed haar macht voelen
over zee en wind.
In een oogwenk vluchtten de wolkbanken verschrikt weg; het blauwe
veld werd wijder en wijder, bundels van zonnestralen wierpen zich
over de golven, die als bij tooverslag hun grauwgele kleur verloren,
om helder en doorschijnend te worden als smaragd.
Staffa was in zicht!
Een reusachtige natuurbouw van duizend en nog eens duizend zuilen van
bazalt en graniet, dicht aaneen gedrukt, een berg zich verheffend
op een voetstuk van verstrooide klippen, een tempel van zwart
kristal door reuzenhanden opgericht in het midden der woestenij van
onmetelijke wateren, kokend, donker schuim, borrelend opgestegen uit
de diepste diepten van de zee en toen als door tooverslag versteend,
een kathedraal, waarin een der oude goden aangebeden en verheerlijkt
wenscht te worden nu hij van de aarde verdreven is, en waarin de
golven het eeuwig orgelspel doen hooren--dat alles en nog veel meer
schijnt Staffa met haar Fingalsgrot.
De stoomboot had de eilanden, die een soort van eerewacht vormen
voor hun koningin, ver achter zich gelaten, nu bleef zij op een
afstand liggen en ontlaadde haar passagiers in kleinere schuiten;
bij de steenklompen, die den onderbouw schijnen van den kolossalen
rotstempel, werd hun beduid, dat zij uit moesten stappen om over die
steenen hun weg te vinden naar den ingang der grot.
Het was een moeilijke tocht al springend en klauterend over de
ongelijke steenmassa's, door het zeewater onophoudelijk bespoeld en
deze glimmend en glad achtergelaten door zeewier en schuim.
"Goddank! Dat Betsie er niet is," verzuchtte Berkmans weer uit het
diepst van zijn hart.
"Ja, dan had ik met haar moeten optrekken, want je hebt genoeg te
doen om je zelf voort te laten springen," antwoordde Van Eyken, die
moeite had zijn lichten stap te matigen om zijn zwager bij te blijven
en hem soms de hand te reiken als de sprong van den eenen steen tot
den anderen te groot bleek.
"Die dikke Bets, zij was er bij neergevallen. In elk geval had zij
het er niet zoo kranig afgebracht als die juffrouw--hoe heet ze ook,
Bauer...."
"Nu als men ook alleen op reis durft gaan.... oef! 't word warm hé,
die zon steekt, ze haalt een buitje op."
En blij een voorwendsel te vinden om even te kunnen stilstaan, veegde
hij zich de druppels van het voorhoofd.
"Zij is nummer een, kijk, daar wipt ze al de grot in. Kom, Jo, laat
je niet beschaamd maken! Daar geef mij de hand maar, laat je niet
door valsche schaamte beet nemen. Ze zijn ons allen vóór."
"'t Is me werken voor zijn plezier! Had ik dat geweten...."
"Dan was je stil bij Bets gebleven, hé! Maar nu moet je vooruit,
daar helpt niets aan."
Bijna loodrecht stijgt de gevel der Fingalsgrot uit zee, een
reuzenboog, die zich naar binnen voortzet in een onafgebroken
zuilenrij, tot het heiligdom voerend met een trap, waardig toegang te
verleenen tot de paleizen van Neptunus. En deze gigantentrap was het,
waarover Berkmans al huppelend en trippelend, al zwoegend en zweetend
zich omhoog werkte.
Caspar van Eyken moest er om lachen, het was of hij een vlieg hoorde
gonzen om de manen van een ingeslapen leeuw; hij stond reeds voor den
ingang der grot toen zijn zwager nog de ongelijke, grillige lager,
dichter en verder dooreengeworpen rotsblokken verwenschte.
Hij stond als overweldigd stil toen de andere half kermend uitriep:
"Is me dat een tocht? Heel aardig, maar is me dat zoo'n klim waard?"
"Och Jo, was je maar bij Betsie gebleven! Je hebt er toch geen
verstand van."
Berkmans las uit zijn Baedeker voor:
"Tweehonderd dertig voet is de grot diep, van voren 90 voet hoog,
40 breed."
"Schei uit met je cijfers, man! Laat ze aan je
hoogerburgerschooljongens over, zie, geniet!"
"God beware me! wat is dat glad, als je uitglijdt--oef, je hand Cas,
even maar!"
Zij gingen naar binnen, daar welfde zich de spitsbogen over
wonderbare zuilenbundels, over stalactiten, donker van kleur maar met
weerglansen van purper, van rood, van grijs en groen, zich wisselend
met bliksemsnelheid onder den glans van het naar binnen sluipende
zonnelicht en de naar binnen dringende golfslagen. De zee toch bruist
telkens en telkens tegen de rotsen op. Zij wringt en kronkelt zich naar
binnen, liefkoost de wanden om een oogenblik later ze onbarmhartig
te geeselen, zij werpt haar schuim hoog op en doet ze in duizenden
kleurige blaasjes wegstroomen, zij valt kletterend in de diepte,
kroont de zwarte rotsen met een diadeem van zilver en zingt een lied
vol geheimzinnige melodieën, als voelde zij zich hier meesteres,
koningin en wilde haar paleis aan de gasten, die van verre kwamen,
in volle schoonheid vertoonen.
En van binnen terugziende door den reuzenboog naar buiten, ziet
men de goudgroene zee zich mengen met den blauwen hemel bezaaid met
paarsgrijze wolken, een enkel zeil van een visschersboot zich scherp
daartegen afteekenend en de gouden waaier door de zon op de wateren
geteekend langzaam in de grot dringend--een beeld dat zich vastzet
in de hersenen om door niets meer verdrongen te worden.
Nog vóór dat hij het wist stonden Casper en Jo naast juffrouw Bauer,
zij leunde over het houten hek, en zag rond, onbeweeglijk, sprakeloos;
toen het echter tijd werd de grot te verlaten en toen tot Jo's groote
verlichting het bootje hen hier afhaalde, zoodat de tocht over de
rotsentrap overbodig werd, bood Casper haar de hand; zij wendde
snel het gelaat af en nu merkte hij dat zij schreide en het niet
weten wilde.
"Nu hoort tot het programma," zeide Van Eyken, "den berg te
beklimmen. Verbeeld je daarboven is nog een weide, en er is ook een
trap om er te komen."
"Nu, ik pas er voor," haastte Berkmans zich te verklaren, "ik zit
hier goed en blijf er zitten. Doe wat je verkiest, Cas!"
"Ik heb wel trek daar eens op te klauteren. En u, juffrouw Bauer?"
"Ik ben altijd van plan geweest daar boven te kijken."
Casper begreep dat een aanbod om haar te geleiden met verbazing door
haar aangenomen of liever als overbodig zou worden beschouwd.
Zonder een woord te zeggen, stapten beiden uit en klommen
omhoog. Berkmans zag hen met een medelijdend lachje aan en knoopte
met een medepassagierster een gesprek aan over het dwaze om op reis
alles te willen zien ten koste van vermoeienis, gezondheid, leven
wellicht--zij waren het in alle opzichten met elkander eens.
Staffa is rijk aan grillen en wonderlijke natuurspelingen, maar
een der wonderlijkste is zeker dat groene kleed boven de zwarte,
kale rots geworpen, een soort van Alpenweide op een rots, midden
in een oceaan van zoutwater; geen bloempje, geen plantje, niets dan
schrale grashalmpjes, die zich met moeite wringen tusschen de spleten
der rotsen, maar toch iets vriendelijks, een glimlach op een somber
gezicht, een straaltje licht tusschen strakke hopeloosheid.
Rondom niets dan zee en eilanden zoo zwart als brokken steenkolen;
het grootere Mull alleen trekt een donkere lijn langs den horizon.
Casper stond weer onwillekeurig naast juffrouw Bauer; beide zwegen,
zij had geen behoefte iets te zeggen, hij had er wel behoefte aan
maar vreesde niets zoozeer dan een banaliteit uit te spreken in deze
zoo geheel eigenaardige omgeving; toch kwam hij er toe:
"Het uitzicht hier loont de moeite van het klimmen wel, vindt u niet?"
"Neen," zeide zij eenvoudig, "dat ziet men ook beneden. Na de
Fingalsgrot moest men vandaag zijn oogen sluiten en niets meer zien,
niets meer hooren."
"Ja, 't is moeilijk iets wonderbaarder te zien. Wat men ook later ziet,
dat blijft."
"Ik geloof voor goed!"
Zij streek met de hand over het voorhoofd en drukte er haar palm op.
"'t Is als iets, wat men heel diep gevoeld heeft," zeide Casper,
"een groote vreugde, een zwaar verdriet."
Zij zag hem aan.
"Vindt u dat vreugde iets blijvends nalaat?"
"Ja, ofschoon--ik weet het niet, zoo'n groote vreugde heb ik nooit
ondervonden."
"Och, dat zal niemand ooit ondervinden, denk ik. De eerstvolgende
indruk van verdriet wischt alle sporen uit, zoodat zij onvindbaar
blijven." De groeven om haar kin waren nu zoo diep dat Casper naar
niets anders zien kon, terwijl hij haar bestudeerde.
"U spreekt bij ondervinding!"
Het woord was er nog niet uit of hij had er spijt van het gezegd te
hebben, 't scheen een soort van indringen te zijn in haar gemoedsleven,
waartoe hij geen recht had en wat kon 't hem toch ook eigenlijk
schelen of die juffrouw, die hij vandaag voor het eerst zag en die
hij morgen niet meer zou terugzien, verdriet had gehad of plezier.
"Neen," zeide zij eenvoudig, "ik weet niet, wat groot verdriet is, ik
geloof dat niemand dat tegenwoordig meer weet. Men heeft zorg of men
verliest iets: geld, familie of eer, men schreit het een paar traantjes
na, maar dan schikt men zich, zoolang men dagelijksch comfort behoudt;
men komt er over heen en 't is voorbij, vóór men 't weet."
Casper dacht aan den dood zijner moeder van den winter; hij had
toen erg aangegaan, maar och! dat hij zich zoo snel zou schikken in
het onvermijdelijke, dat hij zoo dadelijk weer belangstelling zou
opvatten in allerlei kleinigheden van het dagelijksch leven, dat hij
weer zoo spoedig gewoon had kunnen praten en lachen, dat had hem zelf
het meest verwonderd, want hij hield toch dol van zijn oude vrouw,
en nu nog kon hij er niet aan denken dat hij ze niet meer had of hij
voelde iets uit zijn keel opstijgen naar zijn oogen, maar dan dacht hij
gauw aan iets anders, als hij 't voelde aankomen en zei een gekheidje.
"Misschien heeft u gelijk," zeide hij eindelijk; "men heeft zooveel
verstrooiing en afleiding tegenwoordig, er is altijd zooveel te zien
en te doen en te hooren."
"Men heeft geen tijd met zoo'n naren gast als zijn verdriet te leven,
en ook geen lust. Zij bellen daar, is dat het sein om naar beneden
te gaan?"
"Om ons in te schepen, ja."
"Adieu Staffa! adieu!" zeide Casper toen het schuitje wegvoer en
wuifde het rotsgevaarte een afscheidsgroet toe.
"Forever, denk ik!" riep Berkmans.
"En 't is goed ook," meende juffrouw Bauer.
"Ja, die trap is een waar heksenwerk, meer dan de Heksentrappen in
den Harz."
"Rosstrappe. Heksentanzplatz," verbeterde Casper.
"O ja, 't is waar ook! Het doet er niet toe, een jodentoer. Als Betsie
't hoort..."
"Daarom verlangt u toch ook niet van de Fingalsgrot voorgoed afscheid
te nemen?"
Zij glimlachte, een helderen zonnigen glimlach, zij zag er nu geheel
uit als een kind. Casper voelde plotseling een onweerstaanbaren lust
haar op te nemen en over die rotsen te springen met zijn lichten last
in de armen.
Hoe had hij 't niet eer gemerkt, zij zag er allerliefst uit, zoo'n
klein pittig ding, zoo heel anders dan zooeven toen zij zoo diepzinnig
en ouwelijk redeneerde over smart en vreugd.
"Als 't daarvoor was, dan zou ik er wel raad op weten, dan presenteerde
ik u mijn arm." Het gebaar dat hij maakte verried duidelijk hoe het
zijn bedoeling was, dien forschen arm niet te presenteeren als steun
maar eenvoudig als zitplaats.
"Maar u heeft het niet noodig. U is zoo flink, zoo zelfgenoegzaam,"
ging hij voort met een tintje spijt in de stem.
"Een dame, die liever alleen reist, heeft geen armen van heeren
noodig," merkte Berkmans bits op.
"Minder dan heeren een dameshand," zeide zij en weer kwam dat
schalksche kuiltje voor den dag.
Casper begreep nu dat het dit kuiltje was dat haar zoo'n
onweerstaanbaar lieve uitdrukking gaf. Hij lachte hartelijk alleen om
het genot van het lachen, omdat hij plotseling het leven zoo prettig
vond, en dat zitten in die schuit zoo leuk, zoo onbetaalbaar leuk.
"Ik reis niet voor mijn plezier alléén."
Het kuiltje was verdwenen en die twee akelige rimpels waren er weer
als twee grimmige schildwachten, die de lippen wilden beletten te
lachen, of aardige, vroolijke dingen te zeggen.
"Toch ook niet voor uw verdriet?"
Die vraag van Berkmans klonk zoo scherp, dat Van Eyken er nijdig om
werd; nog eens wat ging 't hun toch aan of zij alléén of in gezelschap,
voor haar genot òf voor haar verdriet reisde?
"Neen, ik reis alléén, omdat ik geen gezelschap heb."
"Daar is altijd toch wel aan te komen."
"Niet aan het gezelschap dat ik hooger stel dan eenzaamheid."
"Dat zal de juffrouw toch wel zelf het beste weten, Jo," snauwde
Casper, "'t is onze zaak niet. De dames doen tegenwoordig zooveel
dingen alleen, waarom niet reizen?"
"Trouwen daar alleen moeten zij toch nog met twee voor zijn. Wat zij
ook voor andere liefhebberijen bij de hand mogen hebben, dat doen
zij toch nog maar altijd het liefst."
Casper zag haar ongerust aan; hij vond zijn zwager grof en begreep
dat zij het ook moest vinden. Maar zij zag weer met haar blik van
zooeven, haar open, helderen blik, die zich zoo rustig op menschen
en dingen kon vestigen en met dien blik drong zij in den zijne. "U
is het zeker geheel met mijnheer Berkmans eens?" zeide zij.
"Volstrekt niet! U heeft het zooeven immers gehoord, ik ken de vrouwen
maar zeer oppervlakkig."
"En toch beoordeelt u ze zoo scherp?"
"Uit egoïsme."
"Dat schijnt wel en dat verklaart veel!"
Juist moesten zij uit de schuitjes weer op de groote boot
stappen. Casper bood als onwillekeurig zijn hand aan het meisje, het
was een daad van galanterie, die hij geheel instinctmatig scheen te
vervullen en zij namen het ook zoo aan, als iets dat vanzelf sprak.
Berkmans zuchtte diep, een zucht van verlichting toen hij weer de
planken van het dek onder de voeten had; een oogenblik later ging
hij naar beneden.
"Ik ga even zien of er wat te lunchen valt en jij Cas, hoe denk jij
er over?"
"'t Is mij te vroeg"
Juffrouw Bauer stond weer bij de verschansing en zag hoe langzaam de
grot zich verwijderden. Casper kwam naast haar staan.
"Nu heeft u A gezegd en daarom heb ik ook recht B te weten. Waarom
vindt u het goed dat wij Staffa niet meer terugzien?"
"Omdat ik er één indruk heb ontvangen die blijft, een tweede zou een
afdruk zijn meer niet, en daarvoor reist men immers om indrukken te
ontvangen, om zijn geest volgeteekend te krijgen."
"Ja, zoo'n soort van album er van te maken, dat men naar verkiezing
kan opslaan. Dat is waar, dat is het beste van het reizen, maar daar
heeft mijn zwager Berkmans geen verstand van."
Weer dat lachje, dat als een tooverdrank Casper naar het hoofd steeg.
"Ik wou dat u nooit lachte of altijd lachte," zeide hij, hij wist zelf
niet hoe hij zoo brutaal durfde zijn die woorden te zeggen. "Ik zou
onophoudelijk over mijn zwager kunnen praten, want dat doet u lachen."
"Heusch niet! 't spijt me dat ik u zoo hinder!"
"Mij hinderen!"
"Ja, ten minste dat schijnt zoo, maar ik vind het zoo onweerstaanbaar
grappig, die tegenstelling van hollandsche sommen en deze natuur."
Zij strekte haar hand met een vluchtige beweging uit naar het water
rondom hen.
"Dat is de Oceaan, die komt uit Amerika, die sloot eeuwen lang Europa
af. De Atlantische Oceaan, 't is dezelfde zee en toch zoo heel anders
dan bij Zandvoort."
"U houdt van contrasten?"
"Bijzonder en daarom geniet ik hier zoo. 't Is alles zoo eenvoudig,
zee, rots, hemel, meer niet en toch wat een afwisseling!"
Nu gloeiden haar oogen en straalden haar lippen.
"Is u werkelijk een Hollandsche?" vroeg Casper.
"Ja werkelijk, waarom vraagt u dat?"
"Omdat u zoo weinig Hollandsch doet."
"Niet Engelsch of Amerikaansch genoeg om terug te brengen?"
Weer lachte hij, zijn hartelijken gullen lach en ook het kuiltje danste
in haar wangen; toen zagen zij elkander aan en plotseling bloosden
zij beiden en zij boog zich over de verschansing en zag diep in de zee.