Een sombere hemel grauwt over de woeste zee,--groote wolkenmassa's
woelen dooreen, soms met geweld zich losscheurend om vlakken blauw,
een enkele keer zelfs een rossig zonnelicht door te laten--maar
verder alles even dof, grijs niets dan grijs voortschuivend. De
golven slaan driftig tegen de massa's zwart graniet, verbrokkeld,
verstrooid tusschen de branding liggend. Sissend en bruisend werpen
zij haar schuim tegen hen aan, als zochten zij een voorwerp om
haar onredelijken toorn tegen te koelen; wit glanzen de meeuwen af,
in hun vlucht tegen den valen achtergrond, hun doordringende kreten
vermengen zich met het gedruisch der baren. Het is geen storm, niets
dan een van die woeste, sombere dagen, welke in Augustus reeds den
naderenden herfst voorspellen.
De stoomboot maakt haar dagelijksche rondvaart; onverschillig of de
zon zich koninklijke gastvrouw toont op dit gebied der zee, waar zij
oppermachtig heerscht en van haar gunst alles afhankelijk maakt,
of dat zij boos en grillig zich achter de wolken verschuilt, de
"Columban" mag zich niet storen aan haar nukken; dagelijks volbrengt
zij haar tocht langs de eilanden, naar Jona en Staffa, en voert de
gasten trouw langs de waterwegen, die zij moeten hebben betreden,
willen zij hun plicht van tourist gewetensvol vervullen.
De gedrukte stemming van zee, zon en lucht deelt zich onwillekeurig
mede aan de niet zeer talrijke passagiers. Eenigen wandelden op het
dek der salonboot--die eigenlijk niet anders is dan een drijvend hotel
van den eersten rang,--op en neer: zij praten over het weer natuurlijk,
dat zich gisteren zoo prachtig liet aanzien en vandaag zoo trouweloos
in zijn beloften bleek--over de kansen van het opklaren--en toen over
alles wat men in de laatste dagen had gezien en in de volgende nog
hoopte te zien.
Een paar dames schenen nog erger onder den invloed van de afwezigheid
der zon; zij zaten stil bij elkander, bang door een enkele beweging het
altijd dreigende monster der zeeziekte gelegenheid te geven haar aan te
vallen; zakdoeken nat van eau de cologne werden telkens naar den neus
gebracht, die in zijn naasten omtrek al vrij bleek dreigde te worden.
Opgewektheid, levenslust, belangstelling in de grootsche omgeving
ontbraken geheel; de stoffelijke eischen en behoeften van het lichaam
overheerschten geheel de wenschen van den geest, die zich sedert wie
weet hoe lang op dezen dag verheugd had, als op een, die verdiende
met gouden teekens aangeteekend te worden in een reeks van doffe,
grauwe dagen.
Jammer van die schaduw door het materieele geworpen op hetgeen
juist het hoogere en beste van het intellectueele leven in beslag
moest nemen: historische herinneringen, de liederen van Ossian, de
stichting van Columban, de grafsteden der oude schotsche koningen,
de watertochten der Vikings, de wonderbare schoonheid van Staffa, en
de Fingalsgrot, de heerlijke eilandengroep, al die betoovering, door
een ongeëvenaarde vermenging van historie en natuur ontstaan, alles
weggedoezeld en weggewischt door een booze gril van het weder--geen
wonder dat onverschilligheid, teleurstelling de stemming aan boord
even droevig en somber maakte als die van zee, lucht en rotsen rondom.
Twee heeren alleen stoorden zich weinig aan de boosheid van het weer;
integendeel, hoe hooger de golven gingen, hoe nijdiger de branding
sloeg tegen de rotsen, hoe levendiger hun gesprek werd. Zij hadden zich
behagelijk genesteld op de triomfstoeltjes van zeildoek tusschen houten
staven, zij rookten en dampten als in wedstrijd met den schoorsteen
der onvermoeide stoommachine; hun glas whiskey had hen opgewekt en zij
waren er na aan toe de reis nog volstrekt niet onaangenaam te vinden,
integendeel de beste, welke men in de gegeven omstandigheden genieten
kon. Zij spraken beiden Hollandsch; de eene met dat onmiskenbare iets
in den tongval dat een lang verblijf in Engeland verraadt.
"Neen, ik blijf er bij; zoo'n weer als vandaag brengt je juist in
de stemming om Schotsche zee en schotsche rotsen op zijn best te
zien. Mist, regen, wolken dat is hier immers het zondagsche kostuum
van de natuur."
"Ik had ze dan even graag op zijn weeksch gezien," zei de andere,
klein van gestalte, in gezocht touristen-kostuum, maar wien men toch
den Hollander op twintig stappen aanzag; de eerste daarentegen scheen
geheel Engelsch, zoowel door zijn forschen gespierden bouw, als door
zijn practische kleeding, grijze kniebroek, grijs jasje over een rood
gestreept flanellen sporthemd, grijze pet; hoewel Hollander geboren,
had een lang verblijf in Engeland toch zijn voorkomen evenals zijn
spraak geheel verengelscht.
"Toch blij dat Betsie hoog en droog in Oban is gebleven," ging de
kleine voort. "Voor haar is het jammer dat zij het niet aandurfde;
't is de interessantste dag van een schotsche reis."
"Daar geeft zij wat om, zij heeft zich daar gezellig opgeschoten;
misschien haar handwerkje voor den dag gehaald en zit nu met die
engelsche gouvernante, die in Holland is geweest, druk te redeneeren
over de manier, waarop men hier het koper schuurt en het vleesch
braadt. Van avond weet zij een massa belangrijke dingen over het
verschil tusschen engelsche en hollandsche booien."
"Dat zal wel!"
"Waarom jelui reist, begrijp ik eigenlijk niet. Betsie sleept haar
huishouden in den geest overal met zich mee en jij zou een boek kunnen
schrijven alleen over de verschillende tables d'hôtes en wijnkaarten
van de hotels, die je bezocht."
"Nu, dat hoort toch ook tot het aangename van het reizen."
"Neen, tot het onaangename, het alleronaangenaamste, hoe minder je
te lijden hebt van die materieele lasten...."
"Of lusten."
"Thuis kan het zijn prettige zijde hebben, op reis is het last,
ballast. Hoe minder je daarmee "bored" bent, hoe genotvoller de reis."
"Ja, als je alleen bent maar met dames..."
"Och wat! dames! Je maalt nogal om je vrouw. Als je vreest er last
van te hebben, dan bepraat je ze om thuis te blijven en zij laat zich
bepraten met het grootste gemak. Daar kijk eens hoe prachtig dat schuim
zich opwerpt tegen die zwarte rots! Zoo'n gezicht alleen is reeds de
reis waard. Wanneer je zooals ik dag aan dag in een berookte, muffe,
olieachtige fabriek zat dan waardeerde je zoo'n dag buiten zelfs in
den mist en in den storm dubbel."
"Och je hebt het in de buurt, je kunt er dikwijls van profiteeren."
"Ik ben hier nog nooit geweest en ik woon toch reeds tien jaar in
Paisley; als jelui hier niet gekomen waart, zou ik nog niet opgebroken
zijn, maar nu moest ik toch de cicerone spelen."
"Maar hoe komt dat dan?"
"Hoe komt dat? Hoe komt het dat er in Amsterdam zoo'n massa lui wonen,
die nog nooit in het Rijks Museum zijn geweest? Ze komen er alleen
wanneer ze logés hebben. Mijn vacantie bracht ik tot nu toe altijd in
Holland door, maar nu Mama er niet meer is, heb ik er geen huis meer."
Hij sloeg een dikke wolk uit zijn sigaar, de andere zeide een beetje
aarzelend:
"Maar je weet, bij ons ben je altijd welkom."
De verengelschte Hollander lacht luid op.
"Praat je uit je eigen naam, Jo, of uit dien van Betsie? Zij zou
haar broer jaarlijks zien aankomen met zijn schotschen rommel en
onhebbelijke gewoonten. Neen man, het tehuis heb ik verspeeld voor
goed!"
"En je denkt er niet aan er een eigen op te richten."
"Och wat, hier in het rookerige Glasgow? En dan moet je met je
tweeën zijn, hé, dat bedoel je toch! Nu, oprecht gesproken, ik mag
de tegenwoordige meisjes en vrouwen niet genoeg om mij levenslang
met één op te schepen."
"Wat heb je er tegen? Zij zijn toch wat ze altijd geweest zijn."
"Meen je dat? Omdat je met je Betsie nu samen zoowat halfweg gepasseerd
bent; jelui bent in mekaar gegroeid en dat maakt je blind voor de
veranderingen in de meisjeswereld om je heen, maar je begrijpt als
ik moet beginnen met to pop the question, het dient te zijn met een
zoogenaamde modern meisje en die, neen--die bevallen me niet!"
"De schotsche misschien, maar...."
"De hollandsche evenmin; mijn goeie, oude vrouw had er zoo'n zwaar
hoofd in mij alleen achter te laten. Ik begrijp het niet, het gold
toch maar een dag of veertien, drie weken in het jaar. 't Is waar,
ik teerde er de overige 49 op, zoo'n vacantie thuis, at home."
Hij zweeg even, zijn stem trilde hem wat te veel naar zijn zin;
na een oogenblik ging hij voort:
"Zij en Betsie, en Cato, en Annie hadden besloten mij een
vrouw te bezorgen en dan was het hier dan weer daar theevisite,
muziekavondjes--ik noemde het de kijkkast. Dan werden al de dames
van haar kennis verzocht; je weet ze wonen allen op verschillende
plaatsen, dus ik had wel gelegenheid studies te maken en de dames
vonden dien Schot interessant, en vertoonden zich op haar mooist,
maar juist dat mooie, bah! 't is om van te walgen."
"Hoezoo?"
"Ik kan het je zoo niet zeggen, maar ik vond ze allemaal naar,
hoog ontwikkeld, geleerd, onafhankelijk, met onbekookte ideeën of
geaffecteerd huishoudelijk. Zeker, ze waren op hooger burgerscholen,
kweekscholen, gymnasia, muziek-, kook- en huishoudscholen zelfs
geweest. Zij hadden er geleerdheid opgedaan en een praats! Zij
durfden over allerlei dingen spreken, waarover onze moeders nog
onder haar grijze haren zouden blozen. Ze dweepten met sociale
nooden, met dierenbescherming, met bond dit, bont dat, met kunst, met
kindervoeding! Zij deden alles wetenschappelijk, zelfs coquetteeren,
flirten, met de oogen draaien en de lippen trekken; maar natuur,
hart, echt gevoel, ik heb er geen schaduw van gezien, geen glimpje
en dat alleen had ik juist noodig."
"Maar denk je dan dat ze daarmede te koop loopen op theevisites?"
Zij liepen wel te koop met wat zij als surrogaat daarvoor aan den
man zochten te brengen. Met intens gevoel, philantropie, kunstsmaak,
wereldwijsheid; maar ik noem dit aanstellerij, opgeplakte gevoelens,
niets anders. Ik kan dat tegenwoordige vrouwendom niet uitstaan."
"Moet je een dom gansje hebben, dat van niets afweet? Die zijn er
nog genoeg, geloof me! Zoek ze maar te vinden!"
"Een vrouw die me liefheeft, die niet vreest mij dat te toonen en
die mij niet aanziet als--als een vesting, die men veroveren moet,
met alle krijgsmiddelen, welke de tegenwoordige overbeschaving haar
aan de hand doet en die overigens verre, heel verre boven mij meent
te staan. De vrouw is niet meer wat zij eigenlijk is, maar wat haar
boeken, haar couranten, haar studiën en de praatjes om haar heen
haar gemaakt hebben. Van de engelsche of schotsche vrouwen spreek ik
niet. Die zijn over het algemeen minder ontwikkeld, maar onbeduidend,
excentriek, vreeselijk coquet, maken van haar toilet een halfgod of
zijn geleerd, philantropisch en verslodderen geheel."
"Niet zoo hard! Men kon je lieve principes eens verstaan hier in
de buurt."
"We praten immers Hollandsch en er is geen Hollander aan boord."
"Men kan zich vergissen. In Oban hadden wij ook niet gedacht dat die
miss Ellis Hollandsch verstond. Wat dunkt je van dat meisje?"
"Dat daar tegen de borstwering staat. Nu, als die niet Engelsch of
Amerikaansch genoeg is, kan je ze terugbrengen. Ik heb ze al zooeven
in het oog gehad, zij schijnt alleen te reizen."
"Dat kleine ding, geen beauté maar toch...."
"Iets aardigs!"
Onmerkbaar beefde het handje dat een binocle vast tegen de oogen hadt
gedrukt en daarmede strak de rotsige kust van de stranden fixeerde. Zij
kon even over de twintig zijn en was echt voor de reis gekleed,
een gewoon donker serge rok, die tot de enkels reikte en voetjes
liet zien, een stuk kleiner dan die men meestal in het Britsche rijk
te bewonderen krijgt, geschoeid in roodbruine laarsjes; een lederen
ceintuur omgaf haar middeltje, een eenvoudige ecru linnen blouse sloot
knap om haar goed geëvenredigde buste; het matrozenhoedje was op dik,
een weinig weerbarstig, bruin haar geplaatst; de zeewind had haar
wangen en lippen hooger gekleurd dan anders, haar oogen zag men niet,
verborgen als zij reeds sedert geruimen tijd waren door de binocle. Er
lag iets kinderlijks en toch flinks in haar geheele optreden.
Zij stond op eenige stappen van de beide Hollanders en had, als zij
gewild of gekund had, woord voor woord hun gesprek moeten volgen;
zij zwegen beiden, hun aandacht was door haar geboeid en het was of
zij het instinctmatig voelde, want zij liet eensklaps haar binocle
zakken, ging naar hen toe en sprak in zuiver Hollandsch:
"Ik mag niet langer onbescheiden zijn, ik ben werkelijk uw landgenoot;
toen ik hier kwam staan, had ik er geen idee van dat u Hollanders
waart; eerst luisterde ik volstrekt niet, maar toen interesseerde
mij uw gesprek onwillekeurig en ik ben zoo brutaal geweest u af
te luisteren, maar nu wil ik u toch waarschuwen als u familiezaken
behandelen wil voorzichtiger te zijn. Ons land is zoo verbazend klein."
Zij sprak met het grootste gemak, eenvoudig zonder bijzonderen nadruk
en zonder gebaren. Nu konden zij haar in de oogen zien, groote grijze
oogen met lange franje-achtige wimpers, en bijzonder mooie gewelfde
wenkbrauwen; anders was er niets bijzonders aan haar gezicht, alleen
een prettiger uitdrukking als zij sprak dan als zij zweeg, want dan
groefden zich twee diepe strepen energiek aan weerszijden van haar
kin en trokken haar mond naar beneden.
De heeren zagen haar een weinig verbaasd aan. De halve Schot echter
begon hartelijk te lachen, stond op en zeide:
"Nu, die is goed! Ik zal maar niet zeggen wat een Hollandsch
spreekwoord vertelt van den luisteraar aan den wand. Ik ben niet
gewoon mijn opinies onder stoelen of banken te verstoppen en als
u vindt dat ik gelijk heb, dan prouveert het voor u en--tegen de
hollandsche dames."
Zij haalde de schouders op:
"Ik weet het niet. Mijn oordeel kan hier uit den aard der zaak weinig
waarde hebben."
"Omdat u bevooroordeeld is?"
"Neen, volstrekt niet! Moet men blind zijn voor de fouten van zijn
medemenschen omdat men vrouw is, dan zou ook geen man in staat zijn
over zijn medemannen onpartijdig te oordeelen. Ik ben volstrekt niet
van zins de partij van de hollandsche vrouwen op te nemen, maar ik
zie ze als vrouw en dat geeft een verschil."
"Dus u vindt ze engelen?"
"Neen," antwoordde zij, "ik vind ze onuitstaanbaar."
Dat werd zoo kalm en bedaard gezegd, de groote oogen staarden hem
zoo rustig aan, dat het woord bijna als een zweepslag neerkwam.
"Dan zijn wij het eens," riep de ongetrouwde, "dat is alleraardigst,
flink gezegd, maar u zondert toch u zelf uit!"
"O neen," verklaarde ze nu met veel warmte, "ik kom mijzelf het
onverdragelijkste vóór."
"Een rare sijs," dacht de man van de in Oban achtergebleven Betsie.
"Dat is iets nieuws! Nu de kennismaking toch zoo ongezocht heeft
plaats gehad en ik mij zonder het te weten reeds bij u geïntroduceerd
heb--mevrouw!"
"Juffrouw!"
"Nu, juffrouw dan, mag ik mij zeker wel aan u voorstellen. Casper van
Eyken, technisch ingenieur op de fabriek van Clarkston te Paisley,
mijn zwager...."
Maar de zwager stond er op alles in de puntjes te doen; hij haalde een
keurige zakportefeuille voor den dag, welke hij op zijn verjaardag
drie jaar geleden van Betsie had gekregen en die er nu nog zoo goed
als nieuw uitzag, met een bouquetje van vloszijde er bovenop gewerkt
en in dat portefeuilletje tusschen een paar portretten van Betsie
haalde hij een met rouwrand voorzien kaartje voor den dag.
Joh. A. Berkmans
Leeraar in de Wiskunde H. B. S.
Dat reikte hij haar over; zij nam het met een lichte hoofdbuiging aan,
haalde toen ook haar zakboekje uit, dat veel gelijkenis toonde met het
receptenboekje van een arts, en overvol was niet allerlei papieren en
brieven. Zij legde er het kaartje in, hield een ander even tusschen
de toppen harer vingers, toen bedacht zij zich.
"Ik heb geen kaartje," zeide zij, zonder de oogen op te slaan,
"mijn naam is "Andrée Bauer" en ik woon in Amsterdam."
"Alleraangenaamst uw kennis te maken," zeide Berkmans op een toon, die
genoeg verried dat hij die kennismaking eigenlijk alleronaangenaamst
vond. Een geëmancipeerde dame alleen op reis. Nu, dat zou Bets
bevallen.
Maar zijn zwager maakte aanstalten een stoel nader te schuiven en
vroeg: "als u de kennismaking ook zoo aangenaam vindt als mijn zwager
het zegt en ik het denk, wil u dan bij ons zitten?"
Zij keek hen weer met haar koelen, rustigen blik aan, die hen scheen
te doordringen:
"Hoe kan u die kennismaking nu al prettig vinden? Dat u beluisterd
werd, is zeker geen aangename verrassing. Misschien treffen wij mekaar
straks weer, maar voor het oogenblik zal ik niet langer uw gesprek
storen, en nog minder het afluisteren. Tot straks, heeren!"
En zij ging naar de andere zijde van de boot en de beide heeren keken
elkander een weinig verbluft aan--toen zij zich alleen bevonden.