"De muttonchop was heerlijk, hoor! Ik kan ze je recommandeeren,"
zoo kwam Berkmans in het best denkbare humeur weer op het dek.
Casper en juffrouw Bauer hadden niet meer gelachen maar zeer ernstig
gesproken.
"Men zou zeggen een geheele Alpenwereld, die verzonken is in de
diepte en waar nu de zee over heen spoelt," had Casper juist gezegd
en wees op dat doolhof van rotsen, waartusschen de "Colomban" zich
vlug en sierlijk een weg baande. En nu moest hij op den muttonchop
van Jo antwoorden.
"Ja, zoo meteen, en u, juffrouw Bauer?"
"Ik zal een kop koffie nemen met beschuit."
"O, neem toch in Engeland geen koffie en in Duitschland geen
thee!" riep Berkmans uit. "Betsie zegt...."
"Zal ik u een kop koffie bestellen?" vroeg Casper, "en stoor u niet
aan de cosmopolitische drankstudiën van mijn zwager."
"Neen, ik ga naar beneden. Wij komen toch in het eerste half uur nog
niet in Jona."
Casper zei niets maar ging met haar mede. Jo zag hen na en dacht:
"Nu, die is alweer ingepakt. Hoe onvoorzichtig, als zij nu nog maar
geen Hollandsche was! Betsie heeft gelijk. In het buitenland sluit
ze zich nooit aan bij Hollanders. Vreemdelingen, ça n'engage à rien,
maar landgenooten, je weet niet in wat voor wespennest je je steekt!"
Casper zat beneden tegenover juffrouw Bauer, alsof vanzelf sprak;
het was of die lach het ijs tusschen hen gebroken had. Zij spraken
druk zonder jacht op geestigheden, zonder diepzinnige bespiegelingen.
Juffrouw Bauer vertelde dat zij met de stoomboot van Rotterdam naar
Edinburgh was gereisd; zij dweepte met Edinburgh.
"En 't meest van Edinburgh?"
"Princestreet met die prachtige winkels," maar weer kwam het kuiltje
om den hoek kijken.
Casper haalde diep adem.
"Dat doet me plezier," verklaarde hij. "'t Is zoo echt vrouwelijk!"
"Ondegelijk, ijdel!"
"Neen, natuurlijk!"
"Dunkt u dat? Zou het niet juist onnatuurlijk zijn, omdat wij, vrouwen,
door eeuwenlange achteruitzetting gedwongen onzen troost te zoeken
in het kleine, in het onbeduidende ons eenig genot vinden?"
"O neen, nu spreekt u of u lid is van de Vrije Vrouwenvereniging,
ik vind dat juist allerliefst en dat een dame moed heeft zoo iets te
durven zeggen in onzen tijd dat vind ik--eenig."
"Dus u denkt dat ik 't meen?"
"U kan niet zeggen wat u niet meent."
Zij lachte een geheimzinnig, aantrekkelijk ernstig lachje, heel iets
anders weer dan dat van zooeven en roerde met neergeslagen oogen haar
kopje koffie om.
"En toen heeft u den verplichten klassieken toer gemaakt," zoo
eindigde Casper de pauze. "Callander, de Trossachs, Loch Katrine,
Loch Lomond--Glasgow!"
"Ja, contrast--alles contrast."
En zij spraken druk, als hadden zij behoefte zich te verstrooien,
over glens en lochs, over heide en meren.
"Maar dat Glasgow, dat vreeselijke Glasgow! O, hoe jammer, dat het
die heerlijke, schotsche lucht bederft met zijn rook."
"En daar woon ik nu! Beklaag u mij niet?"
"Ja," zeide zij eenvoudig, "maar nog meer als u de zee en de bergen
niet zoo dicht bij u had om er te vluchten als de rooklucht u te
zwaar werd."
Er werd gebeld, Jona was in het gezicht; men moest weer uitstappen.
"Ze laten je geen uur met rust," zuchtte Berkmans, maar hij stapte toch
uit en het drietal bleef bij elkander als hadden zij het afgesproken.
"Alweer contrast, hier vlakte, daar de rots van Staffa. Dat is het
leven zooals ik het gaarne opvat; telkens iets nieuws, telkens iets
verschillends," zeide Casper.
"Dat je niet tot adem laat komen," meende Jo.
Juffrouw Bauer keek hem aan; zij scheen tien jaar ouder zoo moede en
afgemat stond nu haar gezicht, haar oog, haar mond, alles.
"Ja, het leven vermoeit."
"Zoo'n dag als vandaag ook?" vroeg Casper.
"Die zijn er te weinig, dat rust uit!"
"Is u werkelijk moe? Wil u dan niet leunen!"
Zij bedacht zich even, toen legde zij haar arm op de zijne.
"Ja, 't is vermoeiend, vooral voor dames. Betsie had het ook
gevoeld. En die heeft nog anders wat mee te dragen dan de juffrouw!"
"Ik ben niet moe van het loopen," zeide zij, "maar...."
Zij voleinde haar gedachte niet en Casper vroeg niet verder.
Johan Berkmans werd aangeklampt door zijn vriendin van uit het
schuitje, die de weldoordachte opmerking maakte dat men hier toch
veel gemakkelijker liep dan in Staffa, ofschoon het ook niet over
asphalt ging.
Een pad, ruw geplaveid, dat den somberen naam van "Weg der dooden"
draagt, voert eerst langs armelijke hutten, terwijl kleine bedelaars
steentjes en schelpjes aanbieden in ruil voor een aalmoes, en verder
naar eenige brokstukken van muren.
"Dat was vroeger een nonnenklooster," zei de gids en wees op den
grafsteen eener abdis.
"Hoe mal," riep Berkmans uit, het stijve in den steen gegrifte beeld
beschouwende, dat twee engelen terzijde had, "die oude juffrouw heeft
een kam en een spiegel boven haar hoofd."
"Misschien heeft zij daar in haar leven te weinig gebruik van kunnen
maken," zeide juffrouw Bauer.
De cicerone wist ook van het zonderlinge denkbeeld, om toiletartikelen
op den grafsteen van een abdis te plaatsen, geen uitlegging te geven
en drong zijn oplettend luisterende kudde aan voort te maken.
"De leer der contrasten alweer, die hier overal gepredikt wordt,"
zei Casper, "dood en pronk!"
"Het kruis van Jona," riep juffrouw Bauer eensklaps opgewonden uit en
wees op het oud Iersche kruis, dat terzijde van den "Weg der dooden"
stond.
Een sierlijk kruis met fantastisch snijwerk versierd, rustend op een
zwaar voetstuk van graniet. Vroeger, vertelde de gids, waren hier
driehonderd van zulke kruisen geweest, maar de Puriteinen hadden
ze vernield.
"Nu zijn ze verhuisd naar Princestreet, naar de juwelierswinkels,"
zeide het meisje half spottend, "daar ergeren zij niemand."
"Betsie heeft er ook zoo een gekocht. Kruisen zijn wel niet in de mode,
maar zoo'n Jonakruis is toch altijd iets bijzonders, vond zij."
"Dit is het koningenkerkhof!"
Allen zwegen onwillekeurig. Jona was eens de grafplaats der Heeren
van de Eilanden; nadat zij naar hartelust hun leven lang gemoord,
geplunderd, gevochten, brand gesticht, gevaren en gezworven hadden,
brachten de met rouw getooide schepen hun lijken naar dit eenzame
eiland. Hier wenschten zij te rusten in de aarde, welke zij voor
heilig hielden.
Indrukwekkend zijn de koninklijke grafsteden van Europa, de plaatsen
waar zooveel macht en zooveel grootheid langzaam overgaan in stof en
asch. Het Escuriaal, Saint-Denis, Westminster-Abdij, maar geen van
allen wellicht kan de sombere grootheid evenaren van dit eiland in
den Atlantischen Oceaan, waaromheen de wateren der onmetelijke zee
hun eindelooze doodsgetijden zingen. De blauwachtige, grijze steenen
liggen daar naast elkander geschaard, de zonnestralen verschroeien ze,
de storm loeit over hen en begraaft ze onder stof, de sneeuw bedekt
hen soms voeten diep en de herinnering aan de machtige heeren, de
geweldige tyrannen, die hier in de koningsgraven rusten, is verdwenen
als de sneeuw van den winter, verstoven als de storm van gisteren.
Niemand weet hun daden meer, niemand kent hun afstamming of hun
nageslacht; men leest de inschriften die allen Mac Gregors, Mac
Douglas, Mackenzies, Mac Kennans of Macleans verkondigen, men ziet naar
de schilden met hun half afgesleten wapens, en 't is of niets meer
de afgebroken keten aaneenhecht, of geen schakel meer reikt uit dat
verre verleden naar het frissche heden, of dat alles voorgoed dood,
begraven, vergeten is.
"Macbeth," las Casper op een der steenen. "Hij alleen leeft! De poëzie
heeft hem uit zijn koningsgraf gehaald en een leven geschonken schooner
misschien dan het zijne eens werkelijk geweest is."
"Vindt u Macbeth's leven schoon?"
"Zooals wij het kennen door Shakespeare, ja!"
"Ik vind Macbeth een allerakeligst stuk. Jongen, ik heb vóór dat de
komedie op het Leidscheplein afbrandde Bouwmeester daar den Macbeth
zien spelen. Naar, hoor! Naar! En eens Sarah Bernhardt als Lady
Macbeth, maar ik vond Frenkel veel beter en Betsie ook. 't Leek er
niet naar!"
"Amsterdam en het Leidscheplein tusschen de koningsgraven van Jona. De
gids is weer een eind weg. Wij moeten hem inhalen."
"Ik wou dat die gids op den Ben-Nevis zat en ik hier mocht
ronddwalen...."
"Ja, ik ook."
"Maar dan met u!"
Zij antwoordde niet, maar Casper zag dat het vel achter haar fijne
oortjes vuurrood werd. Zij had het dus wel verstaan; toch klonk haar
stem natuurlijk, toen zij bij de ruïne stond van het klooster van
Sint-Columban. Een groot veld vol bouwvallen, waarin gras en onkruid
welig woekert, opschietend tusschen de steenen, klimop zich slingert
om de bogen en holle ramen, nieuw leven uitstortend over den dood. Een
geweldig brok van een toren verheft zich somber en dreigend ten hemel;
daaromheen nog sierlijke bogen, half afgebroken zuilen, overblijfselen
van voorbijgegane heerlijkheid, en dan weer graven en nog eens graven.
"Zooeven sprak u van een ondergegane Alpenwereld door de zee bedolven,
hier is het een andere beschaafde wereld, door domme dweepzucht
verwoest," zeide juffrouw Bauer.
"Ja, men kan het zich nauwelijks begrijpen, hier was 't reeds
een brandpunt van beschaving, toen Londen nog niets was dan een
vesting tegen de barbaren, Glasgow een woest bosch, Amsterdam een
visschersdorp of nog minder. Hier werd reeds gestudeerd, gelezen,
geschreven, toen de engelsche fabrikant niets anders was dan een
zeeroover en de hollandsche leeraar in de wiskunde een jager."
"En nu is het nog maar een graf, een reusachtig graf," zij huiverde,
"en zal het ook eens zoo gaan met Londen en Glasgow?"
"Met de heele wereld," zeide Berkmans, "'t is mathematisch zeker dat
wij allen van koude zullen sterven en de aarde dan doodsch en somber
wordt als een reusachtig graf."
"Maar nu schijnt de zon nog, nu hebben wij het nog warm, nu zien wij
neer op den dood en op het verleden, trotsch op ons bestaan."
Hij zag er zoo vol leven en kracht uit, terwijl hij dit sprak, zoo
fier en sterk, dat onwillekeurig het gelaat van Andrée Bauer haar
bewondering uitsprak; zij voelde het, keerde zich om en vroeg den
gids om een kleine inlichting.
Nu werd haar een steen gewezen--Columbans slaapplaats, later zijn
sterfbed.
"Dat is me ook een liefhebberij zoo te slapen."
"Gelukkig de tijd toen men nog een overtuiging had en voor die
overtuiging kon lijden en sterven," zeide Andrée halfluid, "en
zelfs--zijn slaap opofferen."
"Gelooft u dat die overtuiging nu niet meer bestaat?" vroeg Van Eyken.
"Waar zou ze nog zijn? Niemand gelooft, niemand hoopt immers meer
iets! Men tracht het fundament van elke eerlijke overtuiging te
ondermijnen en klaagt dan nog dat niemand overtuiging meer bezit
en 't was toch zoo heerlijk, die zegepraal van den geest over de
stof. De geest van een Columban, die leven bracht in deze steenen,
die deze wildernis herschiep in een paradijs, die beschaving plantte
terwijl overal nog barbaarschheid heerschte--en tot rustplaats voor
zichzelf maar een steen koos."
"Vond u waarlijk Princestreet zoo mooi?" vroeg Casper, "ik begin er
aan te twijfelen."
"Daar denk en voel ik weer anders dan hier," antwoordde zij eenvoudig.
"Weet u wat Dr. Johnson zeide van Jona: "De man is niet te benijden,
wiens vaderlandsliefde niet aan kracht wint op het veld van Marathon,
of wiens vroomheid niet levendiger gloeit bij de bouwvallen van Jona."
"Vaderlandsliefde en vroomheid zijn geen mode-artikelen meer; dat
zou Johnson zelf moeten erkennen als hij nu leefde, maar 't is waar,
hoe mooi wordt dit veld van ruïnes alleen door de verbeelding en de
herinnering. In Staffa had men den indruk maar in zich op te nemen,
het had aan zijn eigen schoonheid genoeg, hier moet men eerst zijn
weten uitstorten over alles wat zoo vernield en misvormd lijkt en
dan bloeit het weer op in een geheel andere schoonheid."
Hij legde haar arm op den zijne.
"U is toch een dweepster; ik had het niet gedacht."
"Waarvoor ziet u mij dan aan?" vroeg zij.
"Voor een raadsel! Maar een raadsel vol pikanterie."
"De oplossing zal u tegenvallen."
"O, neen! Dat kan ik niet denken."
"Ik ben er zeker van. Daarom, raad maar niet, u doet er mij plezier
mee."
Zij waren een eind voortgeloopen nog steeds arm in arm.
"U kan niet gearmd loopen, u komt telkens uit den pas," zeide hij
lachend en trachtte zijne stappen naar haar te regelen.
"Ik ben het niet gewoon gearmd te loopen."
"Dan heeft u geen broeder, geen vader, geen zwager, geen--geen--"
"Geen, wat?"
"O, neen! anders zou u hier niet alleen zijn."
"O, dat alleen, dat alleen! Het ergert uw zwager geweldig, is het
zoo niet?"
"Honny soit qui mal y pense! Maar toch ik zou wel willen weten, of
u altijd zoo geheel alleen door 't leven gaat als nu door Schotland."
"Ja, geheel alleen. Ik ben onafhankelijk en wil mij niet belasten
met een juffrouw van gezelschap, een vriendin, een nichtje of...."
"Een man?"
Zij lachte en antwoordde niet.
"Ik ben ook alleen," zeide Casper voort.
"En u vreest ook uw vrijheid op te geven en op te offeren aan minder
aangenaam gezelschap?"
"Juist, dat is 't--minder aangenaam gezelschap, maar voor een vrouw
is dat iets anders. Alleen zijn voor een vrouw moet iets vreeselijks
zijn."
Zij schudde het hoofd.
"Ik heb het nooit gevonden."
"En als de dag komt dat u het vindt?"
Zij zag hem aan met diezelfde troostelooze uitdrukking van zooeven.
"Dan zal ik 't nog bitterder betreuren, dat ik niet kan voelen als
Columban en niet gelooven als hij."
"Arm, klein vogeltje!" zeide Casper eensklaps op een hartelijken
beschermenden toon.
"Dat moet u niet zeggen!"
En haar stem eindigde in een snik, hij drukte haar hand, die op zijn
eenen arm rustte, vast in zijn andere hand.
"'t Staat u niet, zoo ferm te willen doen. Ik ken u pas een paar
uren, maar ik weet het reeds; u is een zwak, lief poppetje; gemaakt
om vertroeteld te worden en te vertroetelen. En ik heb zoo'n lust
het te doen, o, als u 't wist...."
"Cas! Cas!"
"Wat is er?" Met een gezicht als een onweersbui keek Van Eyken om.
"Wat dunkt je, zal ik wat van die schelpjes koopen voor tante Mina? Je
weet, zij is er dol op."
"Ga je gang!"
"Ja, maar ik versta dat koeterwaalsch van dat volk niet. Dat is nooit
engelsch, ten minste engelsch zooals ik het ken."
Hij was met een groep van tien, twaalf jongens tot dicht bij het
tweetal gekomen, de jongens schreeuwden en boden door elkander, hielden
hem hun waren tot dicht bij den neus, stieten elkander onzacht van
zich af om dan weer mekaar uit te schelden.
"Ik begrijp niet," zeide van Eyken, "wat je er een plezier in kunt
hebben dat bedelaarsvolk aan te halen. Je bent er zoo gauw niet
af. Wat moet je hebben? Dit? Geef hun een shilling, laat ze daarom
vechten en uit is de grap!"
"Maar een shilling voor die prullen!"
Andrée had intusschen zijn arm losgelaten en was alleen naar de
aanlegplaats gegaan, waar zij in een der volste booten stapte.
Berkmans had zich eindelijk met een hoop penny's van zijn kwelgeesten
bevrijd en liep nu naast Casper.
"Zeg eens vriend," zeide hij, "ik wou je een paar woorden zeggen. Je
hebt het zoo druk met die meid, jelui bent niet van mekaar af te slaan;
maar denk er aan, je kent haar volstrekt niet, je weet niets van haar
familie en je bent in Schotland, en als je daar maar een aardigheidje
tegen een meisje zegt, heb ik wel eens gehoord, dan zit je er aan
vast en ben je wettig getrouwd."
Casper wist niet of hij boos zou worden of lachen. Hij koos den
middenweg en vroeg spottend:
"Zeg eens, ventje, wil je mij leeren wat schotsche gebruiken zijn? Ik
ben in elk geval langer hier dan jij en als elke malligheid, die je
tegen een meisje zegt, werkelijk zulke prettige gevolgen kon hebben,
dan had ik nu reeds minstens vijftig wettige vrouwen."
Hij zag dat Andrée Bauer reeds in de schuit zat, die van wal stak;
zonder een woord te zeggen, stapte hij in de gereedstaande, door
Berkmans gevolgd, die blij was het hem eens goed gezegd te hebben.
Je kon niet weten en Cas was toch in ieder geval Betsie's broer,
hij zou toch niet graag zien dat er iets voorviel als zij er niet
bij was. 't Is waar, Cas was nu precies geen kind meer, bij de dertig
reeds, maar als hij een dwaasheid doen wilde, dan moest hij 't maar
doen als Jo er niet bij was.