Uw Rudolf."

"Arme kerel!"

"Hadden wij hem maar hier!"

"Waarom gaat hij niet in een hospitaal?"

"Ik kan er heel goed inkomen, hij wil in zijn eigen huis sterven."

"Hoe vindt je dat ziekelijk idee?"

"Niet.... niet kwaad?"

"Jelui vrouwen, als er een huwelijk in 't spel komt, dan vergeet

je alles en ziet over alle mogelijke bezwaren, hoe stuitend en

onoverkomelijk ook, heen."

"Ik zie er niets stuitends en niets onoverkomelijks in."

"Zoo'n huwelijk!"

"Wat zou dat? Verstandiger kan Rudolf niet doen; de kunst is, een

goede keuze te doen en die heb ik al half gedaan."

"Maar Elise, ik wil er niets van weten. Dat begrijp je toch wel, 't is

een ziekelijke gril, een idee, dat hij zelf morgen bespottelijk vindt."

"Dat zou mij spijten! Want als 't plan gelukte dan had Rudolf ten

minste goede verzorging gedurende zijn laatste levensdagen en een

ander was geborgen voor haar geheele leven."

Van Velden en zijn vrouw zaten in de ruime pendoppo van een fraai

Samarangsch woonhuis aan den Bodjongschen weg. Alles om hen heen

sprak van weelde, geluk, schoonheid; de tropische natuur in volle

kracht ontplooide hier een rijkdom, een intensiteit van leven, vol

snijdende tegenspraak met de woorden, welke hij daar zooeven met nu

en dan van aandoening bevende stem had voorgelezen.

Ziekte, dood, zij schenen zoo ver verwijderd van dit tooneel vol

jeugd en leven; en hij, die zoo schreef had een jaar geleden hier nog

gezeten, een forsche man in de kracht van zijn jaren, vol vertrouwen

op zijn gezondheid, zijn sterkte. Een val van het paard, een inwendige

kneuzing, hadden misschien de kiemen der tering, een erfdeel zijner

familie, ontwikkeld, en het stoere lichaam was nu gesloopt en wachtte

het einde.

Er lag iets bitter treurigs juist in dit contrast.

Rudolf Telwerda was door het leven gegaan lachend, spottend, maar

ook hard werkend. Hij was een verdienstelijk ingenieur, een man van

de wereld, zonder vooroordeelen, zonder sentimentaliteit, zonder

onnoodigen ballast, zooals hij 't noemde; overal gaarne ontvangen en

hiervan overtuigd had hij 't leven genoten, maar juist voldoende om

er niet door in opspraak te komen.

Hij haatte banden, leefde vrij, onafhankelijk, royaal; een goed vriend,

een flink meester, dacht hij weinig aan den dag van morgen. Hij had

nu immers zijn tractement, later zijn pensioen. Waarover zou hij

zich bekommeren, waarom zou hij zich onnoodige zorgen op den hals

halen? Hij had plezier in zijn vak, in zijn manier van leven; hij was

tevreden met zichzelf: hij leed niet aan de algemeene Indische kwaal,

het mopperen. Naar Holland had hij geen buitengewoon verlangen, zijn

broers en zusters waren getrouwd en hadden het te druk met hun eigen

zaken om zich met hem te bemoeien.

En zoo trof hem de ziekte in volle kracht, in vollen arbeid en vollen

levenslust; eerst had hij ze verwaarloosd, toen werd hij gedwongen

er mede te rekenen en eindelijk was hij er geheel onder geraakt, zwak

en hulpbehoevend geworden, erger dan een kind. De dokters durfden hem

niet naar Europa zenden, omdat longtering het ziektegeval compliceerde:

hij woonde bovendien in een heerlijke luchtstreek.

"Dokter," smeekte hij, "als 't toch niet helpt, laat mij dan niet

versjouwen van den éénen hoek der wereld naar den anderen. Ik zal

hier ook wel aan mijn eind komen."

Zóó bleef hij in zijn huis, sedert maanden het oogenblik afwachtende,

dat aan zijn lijden een eind zou maken.

En nu kreeg hij zoo iets in 't hoofd.

"Arme, arme duivel!" zuchte Van Velden weer, "konden wij hem maar

helpen!"

"Wij kunnen het," zeide zijn vrouw en veegde even haar oogen af,

"als jij mij helpt, Frits! of ten minste niet tegenwerkt."

Hij zag haar even strak aan.

"Céline!" riep hij.

"Je zegt het, juist, ik heb dadelijk aan haar gedacht; 't was voor

haar een uitkomst en voor hem een genade."

Céline was een en dertig jaar. Zij had een geschiedenis achter zich

als van honderd andere meisjes; een jeugd vol rijkdom en weelde, een

vader koopman, die goede zaken deed en er ruim, bijna verkwistend van

leefde, een failliet, plotselinge dood des vaders, moeder, kinderen

zoo goed als broodeloos, de familie bereid tot helpen, maar de meisjes

moesten zelf aanpakken. Ongelukkig was Céline den leeftijd voorbij dat

men nog aan examens denkt. Zij was zoo juist van kostschool gekomen

vol illusiën, en nu gingen ook die illusiën den weg van al het andere.

Zij moest in betrekking, maar als wat? Zij kon zich voor niets

uitgeven, zij kende alles wat een welopgevoed meisje dient te kennen,

meer niet. Een tante in Indië schreef: "Laat zij maar overkomen,

misschien doet zij hier een goed huwelijk!"

Céline kwam over met papieren en al, at het genadebrood bij haar tante,

maar van een goed huwelijk kwam niets. Aan wie de schuld? Misschien

aan Céline zelf, die nog een paar laatste illusiën bewaarde als haar

kostbaarste goed en die niet wilde opgeven, zelfs niet ter wille van

een leven zonder zorgen; misschien had de zware slag, die haar te

midden van haar jonge meisjes geluk trof, haar wát verdoofd. Zij,

vroeger zoo levendig en vroolijk, was nu stil, afgetrokken. Wat

imbécile! fluisterde men, zij trok niemand aan, zij scheen stug en

koel; zij zag er lief uit in haar eerste frissche jeugd, nu scheen

zij onbeduidend fanée.

De tante had haar al sinds lang zedelijk gedwongen een ander onderkomen

te zoeken, toen was zij beurtelings winkeldochter geweest en daarna

half bonne, half gouvernante; overal duurde het maar betrekkelijk kort,

nooit lang genoeg om op adem te komen. Eindelijk had zij een zieke

dame opgepast en de leiding van het huishouden op zich genomen. 't

Scheen tot aller tevredenheid; hier had zij de verborgen geestkracht

van haar karakter ten volle kunnen ontwikkelen; hier was zij tot

rijpheid gekomen, wakker geschud als zij werd door druk werk, door

vele plichten van uiteenloopenden aard door gedwongen nadenken.

Maar nauwelijks was de dame gestorven of haar man kwam met een

huwelijksaanzoek voor den dag; tot ieders verbazing en zelfs

verontwaardiging wees Céline het van de hand. Zij had gedurende

de lange ziekte der huisvrouw alle gelegenheid gehad hem te leeren

kennen en die kennismaking gaf haar de zekerheid dat zij hem nooit

zou kunnen liefhebben of zelfs achten.

Na die weigering moest Céline natuurlijk het huis verlaten en wie

tot nu toe voor haar sympathie had gekoesterd verloor ze na haar

ongehoorde handelwijze.

"Een meisje dat niets heeft, niets kan en dan zoo'n aanzoek

afwijzen. Wat verlangt zij dan?"

Een alleen was er die Céline begreep en dat was Elise van Velden,

haar vroegere schoolvriendin.

"Je hebt gelijk," zeide zij, "beter alleen ellende te lijden, dan je

te verbinden aan een man, dien je het recht hebt te verachten. Kom

bij me logeeren en geef mijn kinderen les, tot je iets beters hebt."

Céline zag moedeloos voor zich uit.

"Weer opnieuw beginnen, weer opnieuw mij wennen! Had ik maar zooveel

dat ik met mama en de kleintjes kon deelen en dan stil leven op een

kalm Hollandsch dorpje!"

"Op pensioen!" lachte Elise, "daar ben je nog wel wat erg jong voor,

hè!"

"Mijn dienstjaren rekenen driedubbel."

"Céline, ik heb iets voor je," zeide mevrouw Van Velden den morgen

na ontvangst van Rudolf's brief. "Je droomen van een hofje, een

pensioentje kunnen waarheid worden en goed ook. Drie maanden ten

hoogste door een zuren appel te bijten en dan ben je er boven op."

En zij bracht haar het voorstel van Telwerda over. Céline bleef lang

peinzend zwijgen; er werd weer een aanval gedaan op haar dierbaarste

eenige bezittingen, haar drie, vier lieve illusiën.

Zij voelde dat zij die moest prijsgeven wilde zij nog iets van haar

leven redden.

Toen bracht zij zwijgend het offer en vroeg:

"Is 't zeker dat die man spoedig gaat sterven?"

Elise fronste haar wenkbrauwen; zij vond de vraag hard en pijnlijk.

"Ja," antwoordde zij, "'t is alleen een quaestie van korter of langer;

hoop is er niets meer."

"Je vindt mij cyniek, hè! Maar dat ben ik toch niet: ik wensch dien

heer--Telwerda heet hij immers?--een lang gelukkig leven, maar je

begrijpt wel dat ik zoo'n huwelijk moet beschouwen als zaak."

Zij beet op de lippen, dat had zij zoo lang mogelijk van zich

afgeworpen; het huwelijk als een koopmanszaak te behandelen en 't

viel haar zwaar er toe over te gaan.

"En in een zaak dienen de kansen op winst en verlies gelijk te

staan. Ik zal hem goed en trouw verplegen, tot het laatste, ik word

zijn weduwe en zal levenslang het pensioen daarvan trekken, met vrij

passage naar Holland; wordt hij nu beter dan verliezen wij beiden,

maar ik het meest, daar ik de vrouw ben geworden van iemand, die mij

niet zelf uit liefde gekozen heeft."

"Maar ik zeg je, daar is geen kans op. Hij heeft stellig wel een half

dozijn kwalen, waarvan een alleen reeds doodelijk."

"Nu, dan, ik beslis niets vóór ik een certificaat heb van den dokter,

dat mij de hopeloosheid van zijn toestand verzekert."

Het certificaat kwam en verklaarde dat Rudolf Telwerda nog ten hoogste

drie maanden leven kon en nu gaf Céline haar toestemming.

De heer en mevrouw Van Velden brachten haar naar het hoofdplaatsje

Ardjoenan, diep in het gebergte gelegen, den stervenden bruidegom

tegemoet.

Het huis van Telwerda lag even buiten de kom van het vlek, aan den

grooten weg; 't was een zeer lieve woning, door een breede galerij

omringd, met een flinken tuin vol vruchtboomen; tusschen het huis en

het hek lagen gras- en bloemperken, alles zag er wat verwaarloosd uit

en verwaarloozing gaat in de tropen onmiddellijk tot verwildering over.

Maar de grootste charme van het huis vond men in de achtergalerij; deze

hing als 't ware over een ravijn gevuld met den woesten, weelderigen,

bonten plantengroei van het Oosten. Dat was een dooreenmengeling, een

verwarring van reusachtige varens, van doornstruiken, van woudreuzen,

van bamboes, lianen en orchideeën; steil stortte de groene, dicht

begroeide rotswand zich naar beneden en daaronder bruiste en raasde

over groote bazaltblokken een bergstroom. Aan gene zijde strekten zich

sawahs uit, fijn en teergroen van kleur, hier en daar afgewisseld door

boomgroepen, waartusschen zich de dessa's en kampongs verscholen,

langzaam opstijgend tegen den rug van een hoogen berg, een der

hoogste van Java. De wolken streken over den gespleten top en langs

zijn zijden, zij stoeiden en speelden met den reus, die geduldig hun

spel toeliet, want hij wist dat er dagen genoeg kwamen, waarop hij

strak en onbeweeglijk moest afsteken tegen de staalblauwe lucht.

Dit gezicht was het schoonste van geheel Ardjoenan en daarom had

Telwerda ook dit huis gehuurd, al bleek 't voor hem den vrijgezel,

wat ruim en hol; hier in deze achtergalerij verwelkomde hij zijn bruid.

Hij had dien morgen nogal toilet gemaakt, zijn baard, die in de

lange ziekte te veel en te wild gegroeid was, liet hij fatsoeneeren;

hij trok zijn chambrecloak, zijn eenig kleedingstuk van maanden

herwaarts, uit en vroeg naar zijn uniform; maar het zware laken met

zilver geborduurd hing te los om zijn vermagerde leden en drukte hem

haast neer. Toen trok hij zijn zwart lakensch pak aan. Och! nu merkte

hij pas wat voor een schim hij geworden was!

Alle formaliteiten vóór het huwelijk hadden plaats gehad en dus zou

het reeds dadelijk dien dag voltrokken worden.

"Mijn trouwdag," mompelde hij met een bitteren lach, terwijl hij

vermoeid van de ongewone inspanning achterover leunde in zijn

luiaardstoel.

Er was een tijd geweest, toen hij zich soms voorstelde dat hij zijn

hoogtijd vierde en die dag schitterde in 't verre verschiet voor hem

in duizend kleuren vol poëzie, vol zonneschijn, vol heilwenschen, vol

muziek en bruisende champagne en nu was die dag gekomen, droevig, stil,

somber door de schaduw, die een andere naderende dag, zijn sterfdag er

reeds op wierp; dan dacht hij aan de witte bruid zijner jonge droomen

onder haar sluier en haar oranjebloesems, jonkvrouwelijk schuchter,

haar oogen van ter zijde naar hem opheffend, vol liefde en teederheid.

En deze bruid, hij had haar nooit gezien, zij trouwde hem niet om zijn

vrouw, zijn gezellin voor het leven, in vreugde en smart, in rijkdom

en armoede, in goed en kwaad te zijn, maar eenvoudig om zijn weduwe

te worden; eerst toen zij daarvan zeker was; had zij haar toestemming

immers willen geven.

Hij sloot de oogen, het scherpe zonnelicht dat door de kérees

(rieten stores) filterde deed hem pijn; het scheen te spotten met

zijn armzalige, dwaze positie. Wat had hij begonnen, waarom vreemden

hier binnengeroepen? Waarom niet stil en verborgen als een gewond

dier het einde afgewacht?

Een zwaar gedreun van wielen weerklonk op het erf; daar begon drukte

te komen in 't stille huis, stemmen gonsden; men vroeg naar hem en

toen spande hij al zijn krachten in en ging de bruid en hare vrienden

tegemoet.

Haar eerste indruk was, dat zij de schaduw voor zich zag van een

buitengewoon knap man; de ziekte had het misschien wat al te ruwe of

forsche van zijn voorkomen verzacht en verfijnd, hem zeker' distinctie

verleend, die hem vroeger eenigszins vreemd was.

Zijn eerste gedachte daarentegen was: verwelkt, vermoeid, een weinig

verbitterd, op den grens der wanhoopsjaren.

Hij stak zijn hand uit en met zijn diepe, holle stem, sprak hij:

"Ik zeg u welkom, juffrouw! in mijn huis, dat weldra 't uwe zal

zijn. We zullen nu maar dadelijk het complimenteuze laten varen,

vindt u niet? Ik heet Rudolf en u Céline immers?" Toen zakte hij

vermoeid op een canapé neer en hijgde naar adem.

"U is t'huis, u is thuis. Van Velden, mevrouw, maak het u gemakkelijk,

ik kan niet meer."

Toen werden de oogen van beide vrouwen vochtig, en Van Velden voelde

een prop in zijn keel, die hij tevergeefs trachtte weg te slikken.

"Arme kerel, hoe kom je er aan!" zuchtte hij.

Telwerda hoestte, hoestte en tusschen twee hoestbuien, deed hij zijn

best te zeggen:

"Over een uur komen zij--beroerde nacht gehad--haast maken--anders

te laat!"

Intusschen maakte mevrouw Van Velden het toilet der bruid; een

eenvoudig crême japonnetje, al een paar keer gewasschen en in 't haar

eenige witte bloemen, melati's en soedip malems.

Ook Céline glimlachte bitter, toen zij bedacht hoe heel anders

zij in haar gelukkige jonge meisjesjaren zich dien trouwdag had

voorgesteld. En onwillekeurig verbeeldde zij zich den bruidegom van

heden in volle kracht, gezondheid en liefde, naast haar opgaande naar

het trouwaltaar.

Van Velden en zijn vrouw lieten het jonge paar dadelijk na de

voltrekking van het huwelijk alleen.

Céline moest zich zoo spoedig mogelijk maar wennen en op de hoogte

stellen van het huishouden en de ziekenverpleging.

Zij was vlug en handig genoeg en intelligent bovendien; zij had in

haar vorige betrekking geleerd met Javaansche bedienden en met zieken

om te gaan. Het was haar dus goed toevertrouwd.

Zij nam dan ook dadelijk de teugels van het huishoudelijk bewind met

vaste hand over, doorzocht de kasten, die er erbarmelijk uitzagen--de

dispens, waarin muizen en andere dieven druk schenen huisgehouden te

hebben; de stallen, waarin de paarden droevig vermagerden, de keuken,

die er al even desolaat uitzag als de rest.

Zij wilde het zich druk maken, geen tijd overhouden tot denken

en peinzen.

Na het huis te hebben doorloopen kwam zij bij haar zieken man, die

eenige uren te bed had gelegen.

"Ben je daar, Céline?" vroeg hij.

"Ja.... mijnh.... ja Telwerda...."

"Heb je eens rondgekeken, 't is een vreeselijke boel zeker?"

"Ja, dat gaat nogal!"

"Heb je alle sleutels? Hier is er een van mijn geldlaadje, er zitten

nog een paar honderd pop in. Ik hoop dat ik nog veertien dagen leef,

dan is het weer traktementsdag en dan krijg je een heelen pluk. Daar

zijn ook eenige nota's wil je die nazien?"

Zij zette zich bij den lessenaar, en begon de laadjes te openen;

hij kreeg weer een hoestbui, zij stond op en gaf hem zijn medicijn.

"Ik zal wat limonade voor u maken," zeide zij. "Heeft u trek in

aër-djeroek."

"O ja, frissche aër-djeroek." [1]

Hij zag naar haar handen en bemerkte dat zij fraai en blank waren.

"Ik was altijd zoo vies van Sarina's vingers, maar de uwe, als die

de citroenen persen dat is heel iets anders."

Hij kon haar nog niet tutoyeeren, evenmin als zij hem.

"Heerlijk," mompelde hij, toen zij het glas met den verkwikkenden

drank aan zijn lippen bracht, "nog meer."

"Te veel is niet goed, strakjes nog eens weer!"

"Ja strakjes! 't Bevalt mij zoo in u, Céline, dat u zoo'n zachte

stem heeft. Niets stoot mij meer af in een vrouw dan schelle, koude

klanken. U is zeker van goede familie?"

"Geweest!" antwoordde zij met een flauw lachje.

"Dat blijft men altijd, morgen moet u mij vertellen van uw leven.... uw

lotgevallen."

"O 't is zoo onbeteekenend," hernam zij, "werken, werken is de

boodschap geweest, jarenlang."

"En nu is 't gedaan.... spoedig! Ik ben blij voor u!"

Zij ging haastig de kamer uit; diep, innig medelijden vervulde haar

reeds voor dien geknakten stam. De nacht kwam, een zware, eindelooze

nacht voor beiden, vol hoesten, vol waken, vol rusteloos hijgen en

kreunen, vol benauwdheid en zelfs ijlen.

Céline week geen oogenblik van zijn zijde; zij ondersteunde hem,

schudde zijn kussens op, hielp hem van het bed naar den stoel, van

den stoel naar het bed, bette zijn voorhoofd met eau de cologne,

liet hem drinken, sprak hem moed in, beurde hem tot kalmte op.

"U treft het verbazend slecht," hikte hij, "'t is de ellendigste

nacht in langen tijd."

"U heeft zich gister te veel vermoeid."

"Ja dát zal het zijn. 't Spijt me voor u! Gaat u slapen, Amat kan nu

wel waken."

"Neen, dat laat ik niemand over."

Zij legde haar verlegenheid en schroom voor hem af in die half donkere

ziekenkamer; hij was voor haar niet meer de man, die met zijn naam

haar diensten gekocht had, maar eenvoudig een zieke, een zwakke,

hulpbehoevende kranke.

Toen de eerste schemering van den dag in de verte begon te lichten,

in de dessa's het stampen van rijst in de blokken, het kraaien der

hanen en in de boomen 't getjilp der vogels klonk, viel Rudolf in een

lichte sluimering. Céline, overmand door vermoeienis en aandoening

zat op een laag stoeltje aan zijn voeteneind en viel met het hoofd

tegen de matras in slaap.

Hij werd wakker en hoewel de hoest zijn keel prikkelde, hield hij ze

met geweld in; de eerste zonnestralen vielen door de jaloezieën in

de kamer, hij kon nu haar hoofd onderscheiden, en haar mooi golvend

donkerblond haar, dat in volle lengte en dikte nederviel over haar

blauwen peignoir.

Eindelijk kon hij zijn kuch niet meer inhouden. Dadelijk werd zij

wakker, streek het haar van het gezicht en zag hem even wezenloos

aan vóór dat zij tot bezinning kwam; toen glimlachte zij even en vroeg:

"Heb ik lang geslapen?"

"Neen, helaas! maar een oogenblikje. Goeden morgen, vrouwtje! Geef

je mij geen morgenkus."

Zij drukte voor 't eerst even haar lippen op zijn voorhoofd.

"Je taak is zwaar, niet waar, zwaarder dan je dacht?"

"Zij kan niet te zwaar zijn," antwoordde zij.

Een spotlach vertrok zijn lippen en terwijl hij weer hevig hoestte,

dacht hij:

"Hoe hoog moet zij het loon niet stellen; daar zij geen werk er te

zwaar voor vindt."

"Ik zal 't niet verzwaren door mijn schuld," hoorde zij hem al kuchend

en hijgend zeggen.

Dit meende hij werkelijk, maar hij was geen meester over zijne

verschillende stemmingen; de ziekte deed hem telkens overgaan van diepe

zwaarmoedigheid tot bitteren spotlust om in zijn beste oogenblikken

plaats te maken voor goedige ironie en zekere weekheid.

"Je moet er niet op letten, wat ik soms zeg, ik ben een arme zieke,"

zeide hij tot Céline en even later plaagde hij haar met allerlei

overdreven eischen, met overbodige klachten en bittere verwijten.

"Dat kan mijn Amat beter doen. Daarvoor hoefde geen Hollandsche dame

te komen om mij zoo te plagen," knorde hij dan, als zij tevergeefs

trachtte hem een gemakkelijke houding te bezorgen.

"Ja, 't is zoo gauw niet gewonnen uw honorarium," spotte hij dan weer,

"dacht u dat het zoo gemakkelijk ging? 't Is maar een begin. Is u

vroom? Bid u dan maar dat magere Hein spoedig komt, dan is u verlost

en ik er bij."

Céline zweeg; zij deed of zij die scherpe woorden niet verstond;

zij was vast besloten den plicht, dien zij op zich genomen had, zoo

goed mogelijk te vervullen tot het einde; maar haar zenuwen werden

dikwijls overspannen door zijn onredelijke eischen, en eens dat hij

weer zonder eenige reden scherp en bitter was geweest, ging zij de

kamer uit om in de voorgalerij uit te schreien. Daar klonk zijn

schelletje met verdubbelde kracht, zij liet hem bellen, nog weer

bellen. Eindelijk kon zij niet langer weg blijven; zij droogde haar

oogen en keerde terug naar de achtergalerij.

Hij was rood van kwaadheid en inspanning.

"Waar blijf je nu?" snauwde hij haar toe. "Is dat mij alleen

laten? Schande zoo zijn plicht te...."

Hij zweeg plotseling, hij zag dat zij geschreid had.

"Waarom huil je? Om hetgeen ik zeg? Trek jij je dat aan?"

"Och neen! ik was zenuwachtig."

"Juist, dat is 't. Het zou ook te gek zijn te denken, dat de woorden

van een halven doode zoo'n impressie op je konden maken."

En toen zweeg hij; zijn lippen trokken krampachtig onder zijn zwaren

baard, zijn oogen knipten telkens toe.

"Een beetje bouillon?" vroeg zij.

"Neen, dank je!"

't Duurde lang vóór hij weer sprak en toen klonk zijn stem heel anders.

"Céline, ik ben een ruwe kerel; in de laatste jaren heb ik weinig met

vrouwen--die ten minste waard zijn zoo te heeten--omgegaan en dan die

ziekte is de zondebok van alles. Misschien zal ik je nog veel meer en

nog veel leelijker dingen zeggen. Weet je wat je dan moet doen als het

te erg wordt? Daar staat een fleschje met rustdruppels; de dokter heeft

ze eerst niet hier willen laten. Belachelijk! Wat is dit eindje leven

nog waard, of 't langer of korter duurt; als het nu te erg gaat, dan

geef je het mij en neem ik twee druppels meer in en alles is gedaan."

"Neen," zeide Céline, "dat is gekkepraat."

"Waarom?"

"Dat weet ik zelf het best?"

"Wil je het mij niet zeggen?"

"Neen, nog niet."

Hij zag haar van terzijde aan en dacht:

"Zij heeft een mooi figuur, lieve oogen, die aan haar gewone trekken

een eigenaardigen gloed geven. Toen zij la beauté du diable had moet

zij er allerliefst hebben uitgezien."

"Céline," ging hij voort, "vergeef mij, ik ben een brute, maar waarlijk

ik meen het niet slecht, die vervloekte kwaal maakt mij zoo."

Zij gaf hem de hand en toen gehoorgevend aan een plotselinge opwelling

van medelijden, streek zij liefkoozend langs zijn voorhoofd en

kuste hem.

Hij liet haar begaan, leunde even met de wang tegen haar hand en toen

plotseling zijn gezicht verbergend in het kussen, barstte hij in een

hevig snikken los.

"Je moet het niet doen," hikte hij, "o God! 't maakt me zoo benauwd,

zoo ellendig, ik ben 't niet gewoon, ik verdien het niet."

Céline kon zich ook niet meer goed houden toen zij hem zoo hulpeloos

zag schreien; zij kon er zelf niets aan doen, zij had het instinctmatig

gedaan--om hem te kalmeeren, hem te toonen dat zij niet boos was;

terwijl haar eigen lichaam onder de aandoening schokte en beefde,

nam zij hem in de armen en liet zijn hoofd tegen haar borst rusten,

maar hoe hartelijker zij hem behandelde, hoe heviger zijn aandoening

werd; groote tranen rolden langs zijn wangen; zij veegde ze teeder

af en kuste ze weg.

"Je bent een engel," fluisterde hij, "zoo lief, zoo goed.... ik

dank je."

Eindelijk werd hij kalmer en viel in slaap, altijd met het hoofd

tegen haar aan; hoewel haar houding zeer ongemakkelijk was, verroerde

zij zich niet en bleef bijna een uur zoo zitten. Haar hart brak van

medelijden om den sterken man, die zoo afgemat en hulpeloos in haar

armen lag; zij stelde hem zich voor hoe hij in zijn gezonde dagen

er uit moest gezien hebben en dan verbeeldde zij zich, dat zij op

hem steunde, met hem wandelde en door hem geliefkoosd werd, en toen

begreep zij eensklaps, dat het haar gemakkelijk zou geweest zijn hem

de volle liefde van haar hart te schenken, voor en met hem te werken

en te leven.

Hij werd wakker met een glimlach, uitgerust, kalm tevreden.

"Dat heeft mij goed gedaan!" zeide hij en richtte zich op in zijn

rustbed, "heb je al dien tijd zoo gezeten, Céline? Och kind, ben je

niet moe?"

Zij schudde glimlachend het hoofd, terwijl zij zich een weinig

uitrekte; die glimlach en de kleur, welke door de inspanning haar

gezicht bedekte, maakten haar mooi.

"Wat hebben wij daar een malle scène gemaakt," ging hij voort, "dat

moet nooit meer gebeuren, hoor! Hoe kinderachtig van zoo'n grooten

kerel zich zoo aan te stellen. Maar 't is jouw schuld, als ik zie

dat men mij beklaagt, krijg ik kassian met mezelf en dan begin ik me

waarlijk te grienen als een klein kind. Vind je mij niet dwaas? 't

Eene oogenblik zoo uitvaren en dan...."

"Je moet maar stil liggen. Zoo, lig je wel goed, wel gemakkelijk? Nu

neem je toch wat bouillon hé, met rijst!"

"Vrouwtje."

Hij kon dat woord zoo aardig, zoo vleiend zeggen en zij boog zich

over hem en vroeg, wat hij verlangde.

"Wij moeten het ons maar zoo prettig en gezellig mogelijk maken,

zoolang het duurt. En niet sentimenteel doen."

"Ja, Telwerda."

"Dat moet je niet zeggen. Noem mij "man" of "Ru", zoo zeide mama

ook altijd."

"Ja, Ru!"

"Wat klinkt dat goed, geef mij nu wat bouillon, ik heb bepaald trek."

Céline was nog geen veertien dagen bij Telwerda aan huis of alles

verkreeg er een ander aanzien; de bedienden kwamen meer onder appèl,

de weerspannigen, die merkten dat zij onder het beheer der nieuwe

Njonja niet meer als vroeger naar hartelust konden luieren en stelen,

werden weggezonden.

De anderen moesten zich naar haar wenschen schikken. De kennissen

van Rudolf, die hem trouw kwamen opzoeken, merkten de verandering,

die niet alleen in het huis maar ook met hem plaats had. Hij was nu

veel kalmer en minder ziekelijk opgewonden; hij kon uren lang stil

liggen zonder gejaagd te zijn, zonder te knorren of te kermen.

Hij kreeg geregeld zijn medicijnen en zijn voedsel, hij werd verfrischt

en opgeknapt, zooals Céline het noemde; hij hoefde nooit machteloos

te wachten op de vervulling van een wensch en vooral hij had altijd

gezelschap.

Geen oogenblik kon hij alleen zijn, zelfs niet wanneer Céline aan

haar huishoudelijke bezigheden was; hij moest haar altijd om zich

heen hebben. Zelfs wanneer hij met de oogen dicht lag, was het hem

een troost als zij in de kamer op en neer ging, of stil voor zijn

rustbed zat te werken.

De dokter kon er niet over uit, zoo'n juweel van een ziekenoppasster

als mevrouw Telwerda bleek te zijn; die nu ontheven waren van de

dikwijls niet al te gemakkelijke taak om hem gezelschap te houden,

roemden haar om strijd.

"Hij had 't eerder moeten doen," zeiden zij.

"Die laatste streek is de verstandigste van zijn leven geweest."

Zooals het meer met zieken gaat, trad na de hevige crisis nu een

tijdperk in van betrekkelijke stilstand; hij begon beter te slapen

en te eten, hij was minder lusteloos.

"Verbeeld je, dat ik eens beter werd!" zeide hij eens.

Céline antwoordde niet; zij stond met den rug naar hem toe en voelde,

dat zij een kleur kreeg: hij herhaalde zijn gezegde.

"Hoe zou je dat vinden?" vroeg hij en zij hoorde aan zijn stem,

dat hij kregelig werd.

"Ik weet niet, hoe ik 't moet opnemen. Voor mijzelf zou ik God danken,

maar voor jou was 't misschien vreeselijk, zoo'n koopje."

"Zou je dan, wanneer ik in 't leven bleef,--'t is te gek om van te

praten--maar als het eens gebeurde, zou je dan mijn vrouw willen

blijven?"

Zij zag hem aan met haar heldere, blauwe oogen en haar mooien lach.

"Ik, natuurlijk," antwoordde zij oprecht.

Hij keerde het hoofd om en mompelde:

"Es wär' zu schön gewesen."

Van dat oogenblik kwam er iets vreemds tusschen hen; zij

vermeden elkanders oogen, elkanders aanraking; het prettige,

kameraadschappelijke, dat na de groote scène hun verhouding had

gekenmerkt, verdween onwillekeurig, en zonderling, de verandering

scheen van hem uit te gaan en deelde zich aan haar mede.

Vóór dien tijd hadden zij veel met elkander gesproken;

hartelijk, eenvoudig vriendelijk, vertelde Céline hem van haar

familieomstandigheden, van haar lotgevallen in Indië, van haar zorgen,

haar moedeloosheden. Ook hij haalde oude herinneringen op van de

Polytechnische school, van zijn ouderlijk huis, van zijn diensttijd.

Al zijn herinneringen waren even zonnig, even gelukkig; de hare

daarentegen even somber en kleurloos; tot aan zijn ziekte was hij in

alle opzichten een verwend kind der Fortuin geweest, zij had niets

anders dan het brood der dienstbaarheid en der verveling gegeten; niets

anders moeten doen dan aan haar van levenslust en liefde overvloeiend

hart het stilzwijgen opleggen. Die weerzijdsche confidentiën hadden

hun goed gedaan, en nader tot elkander gebracht. Maar, nu bleven

zij plotseling uit, uren lang zaten zij naast elkander en spraken

slechts het hoognoodige, of iets om maar wat te zeggen; hij kreeg

weer meer koorts en bleef dikwijls halve nachten wakker liggen,

nu en dan rondziende met de oogen wijd geopend.

"Zal ik je eens iets voorlezen?" vroeg zij.

"Och! wat zal 't wezen? Daar ligt een heele rommel boeken, mijn

vrienden hebben mij goed van lectuur voorzien, maar in den laatsten

tijd had ik geen trek meer."

Céline keek de boeken na; het waren allen òf vakboeken; droog en

geleerd, òf wel romans van meer dan lichtzinnig allooi.

"Bah, is me dat lectuur voor een zieke!" zeide Céline minachtend.

Hij glimlachte.

"Wil je mij dan vrome boeken voorlezen?"

"Ernstige ten minste," antwoordde zij, "die je op het leven uit de

hoogte leeren neerzien, die je boven je zelf verheffen... Wat heb je

aan de beschrijving van die dingen, waarvan je nu toch niet genieten

kunt? Ze maken je maar wrevelig en opgewonden."

"Je hebt gelijk," hernam hij, "ik kon die prullen ook niet meer

lezen. Heb je iets beters?"

Zij haalde een boekje voor den dag, dat er oud en versleten uitzag.

"Dit gaf mijn moeder mij bij ons afscheid, en 't heeft me nooit

verlaten; als ik mij soms te moe of te verlaten voelde, dan sloeg ik

't op en las dan steeds iets toepasselijks op mijn toestand. Ik heb

ook veel, heel veel gelezen, maar altijd kwam ik terug tot het boekje

van mijn moeder. Dat alleen kon mij kalmeeren en kracht geven; andere

verbitterden mij maar."

"Laat eens zien!"

Het was Thomas à Kempis; hij lachte een weinig minachtend.

"Ik wilde je juist verzoeken mij uit Heine voor te lezen; die is mij

het langst trouw gebleven, die wist ook wat het beteekent in volle

kracht door ziekte neergeworpen niet meer te kunnen leven en genieten,

wanneer men zoo gaarne nog wil."

"Neen, Heine zal ik je evenmin geven als het vergif, waarom je

eens vroeg."

"Vergif, daar zal ik je niet meer om vragen, maar mij dorst naar Heine,

dat is andere, steviger kost dan die water-en-melk kwezelarij van je

middeleeuwschen monnik."

Hij sloeg het boekje op, maar de letters dansten hem voor de oogen.

"Ik kan niet eens meer lezen," zeide hij met een hartverscheurenden

glimlach, "ik verleer alles, wat ik met moeite heb aangeleerd; lees

mij een volzin voor, daar deze, maar niet meer."

Zij las met bevende stem.

"Er is niets zoeter, niets sterker, niets verhevener, niets aangenamer,

niets volmaakter, noch iets beter in den hemel en op aarde dan de

liefde, want de liefde is uit God geboren."

Zij zweeg; hij knikte met het hoofd om haar aan te sporen meer te

lezen en zij ging voort:

"De liefde is iets grootsch en een zeer groot goed, dat alleen datgene,

wat zwaar is, licht maakt en dat gestadig alle ongestadigheid en

ongelijk verdraagt, want zij draagt allen last zonder moeite en maakt

al wat bitter is zoet en aangenaam."

"Dat is waar," fluisterde hij, "heel waar, hij weet het beter dan

Bourget en Zola en die anderen."

Zijn oogen brandden op haar gelaat en zij sloeg verward den blik neer.

"Ja, hij weet het, lees voort, Céline! Je wist het zeker al lang,

ik wist het ook, maar ik heb 't nooit zóó begrepen. Wij mannen zijn

dat ontwend, wij vinden dat goed voor vrouwen of voor haar niet eens

meer, voor bakvischjes alleen."

Céline was blijde voort te kunnen lezen; een dwaze verlegenheid had

haar vervuld, haar handen beefden, haar polsen jaagden, en haar wangen

gloeiden en terwijl zij voortlas nam haar stem een eigenaardigen

klank aan.

"Vandaag niet meer," zeide hij eensklaps; het zweet parelde op zijn

voorhoofd, zijn borst ging onrustig op en neer. "'t Kalmeert mij niet,

integendeel, 't is of een nieuwe wereld voor mij opengaat, waarin

ik niet kan binnengaan. O, 't is zoo mooi als men zóó het leven

kan opvatten, hoog op alles neerzien, maar ach! 't is een illusie,

een droom."

Céline ging stil heen, zij verliet de kamer en hij weerhield haar niet.

Die nacht ging voor Rudolf zeer onrustig en pijnlijk voorbij; hij ijlde

bijna altijd voort en haspelde allerlei dingen dooreen; 't meest had

hij het over liefde. De woorden, hem door Céline voorgelezen, waren

hem in het zieke hoofd blijven hangen en telkens kwam hij er op terug.

Wat hij eigenlijk bedoelde en zeggen wilde, kon zij niet begrijpen;

toen hij eindelijk insliep was het met haar hand in de zijne.

"Niet weggaan,.... niet weggaan,...." smeekte hij, "heb mij

lief.... weinig,.... heel weinig maar.--De liefde immers acht niets

zwaar."

Toen hij den volgenden morgen laat wakker werd en haar aankeek, viel

't hem op dat zij er ellendig uitzag, met donkere kringen om de oogen

en lang uitgetrokken wangen.

"Och! ellendeling, die ik ben, dat ik je zoo lang moet ophouden,"

steunde hij, "'t was voor je niet om te dragen al bezat je ook dat

ééne waarover je gisteren las, en nu drukt het op je in volle kracht."

Zij keerde zich haastig om, want zij voelde haar stem stikken en

haar oogen overloopen van tranen, die zij kost wat kost voor hem

wilde verbergen.

"Céline," riep hij haar toe, terwijl zij met den rug naar hem gekeerd

bezig was iets uit de kast te halen, eigenlijk om met haar aandoening

ongezien te worstelen.

Zij veegde haastig de oogen af en trachtte zoo goed zij kon te

glimlachen toen zij weer naast zijn bed stond.

"Zei je iets, Ru?" vroeg zij.

"Ik wou je iets zeggen," hij hield zijn hoofd afgewend, "ik heb

in jaren niet gebeden, maar van nacht heb ik 't gedaan en weet je

waarvoor? Om spoedig uit mijn lijden verlost te worden!"

"Is 't dan zoo erg?" snikte zij.

"Niet voor mij, neen! Dat komt er niet op aan, een paar weken langer

of korter, ik ben er aan gewend, maar voor jou! Ik kan je niet zien

tobben, en denken dat ik er oorzaak van ben!"

Zij bleef doorsnikken.

"Ja, huil maar niet zoo, Céline, 't zal wel afloopen, vroeg of laat en

denk dan eens wat je een heerlijk lot wacht, vrij passage naar huis,

alles wat ik bezit is voor jou, en dan pensioen. Hoe prettig kan je

met je moeder en je gebrekkig zusje leven. Maar je hebt het verdiend,

je bent zoo goed voor mij geweest, zoo goed, of je mij werkelijk hadt

getrouwd--uit liefde."

Hij verborg het gelaat in de kussens; zij stond nog altijd bitter te

schreien; na een poos ging hij voort:

"Je moet later naar mijn zusters gaan, Céline. Ze zullen er van

opzien, dat ik een weduwe nalaat; maar zij moeten je als een zuster

behandelen, ik verlang het, en zal haar ook schrijven, dat je mij

zoo goed, zoo trouw heb opgepast in de laatste dagen."

"Ik doe mijn plicht," stamelde zij, "niets dan mijn plicht, er is

niets bijzonders in. Ik nam 't op mij."

"Ja, ik weet het, 't is je plicht! Je hebt het op je genomen, 't is

heel mooi! o zoo mooi! maar er is plicht en plicht doen."

't Scheen haar toe òf die woorden bitter en spottend klonken; maar met

den besten wil der wereld kon zij niets antwoorden, al had zij ook

gewild. Haar hart was tot berstens vol en zij vluchtte naar buiten,

waar juist de dokter haar in tranen vond.

"Dokter," vroeg zij en nam radeloos zijn handen in de hare, "is er

niets geen hoop, niets, kan u hem werkelijk niet redden?"

"Arm mevrouwtje! Staat het er zoo mee? Ik zou u kunnen vleien met

een paar gemeenplaatsen, maar waar dient het voor? Ik heb 't u immers

zwart op wit gegeven. Er is niet de minste kans op behoud. Alle edele

deelen zijn aangetast."

"God straft mij," zuchtte zij, "dat ik rekende op zijn dood. Ik,

die hem nu zou willen redden, ten koste van mijn eigen leven.... ô

zoo graag."

De dokter schudde het hoofd.

"Wind u niet onnoodig op! Blijf zoo kalm mogelijk, dat is 't eenige

middel om zijn leed te verzachten en zijn pijn te verlichten!"

De dokter kwam bij de zieke, die met zijn groote, wijdgeopende oogen

de kamer doorzocht.

"Waar is mijn vrouw?" vroeg hij.

"Ik geloof dat jelui mekaar mooi zenuwachtig maakt. Zij is een heel

best wijfje, maar dat nachtwaken en verplegen maakt haar prikkelbaar en

als u haar dan nog opwindt met allerlei noodelooze praatjes, dan komt

zij er nog heelemaal onder en wordt op slot van rekening zieker dan u."

"Ik heb haar niets gezegd, niets, maar zou u werkelijk denken, dokter,

dat het haar afmat en afbeult? Dan zou 't beter zijn.... dat.... dat

ik naar het hospitaal ging."

"Heb je van mijn leven! Nu naar het hospitaal gaan, terwijl je vroeger

hemel en aarde hebt bewogen om in je eigen huis te blijven. Waarom

ben je dan getrouwd, was 't dan niet om je een goede oppassing te

verzekeren?"

"Ja, ja, 't is waar! Zoo moest ik 't beschouwen, maar nu kan ik

't niet meer! Ik begrijp mezelf niet, 't is zoo raar in mijn hoofd,

zoo.... zoo.... donker.... en vreemd. Is dat het einde, dokter?"

"Geen quaestie man! Je hebt weer opnieuw geteekend, hoor! Je pols is

bepaald sterker."

"Dokter.... zal 't nu nog langer duren, er moet een eind aan komen,

zoo gauw mogelijk."

"Gekheid! houd je maar kalm! Weet je wat, ik zal je vrouw eens een

kalmeerend drankje geven en naar bed zenden. Amat kan zoolang wel

bij je blijven. Zij heeft hoog noodig te rusten."

"Ja, dokter, dat is goed, laat haar slapen."

Maar Céline wilde niet.

"Neen, ik verlaat hem geen oogenblik," verklaarde zij beslist,

"ik zou 't mij eeuwig verwijten."

"Dan wordt u ziek en moet hem toch alleen laten. Wil u dat liever?"

"O neen, dokter! Ik zal gaan slapen."

Toen zij na eenige uren verfrischt en meer opgewekt bij den zieke

terugkwam, schitterden zijn oogen van dankbaarheid en blijdschap;

hoewel hij dank de rustpoeiers van den dokter zich betrekkelijk kalm

had gehouden, was de tijd hem eindeloos lang gevallen.

"Gevoelt ge je wat beter?" vroeg hij belangstellend.

Céline hoopte, dat hij haar hand zou drukken of haar een kus vragen,

maar hij deed het niet; hij zag haar nauwelijks aan.

"Heb je aan den dokter je nood geklaagd," ging hij voort met iets

wantrouwends in de oogen.

"Wat voor nood?" vroeg zij verbaasd terug.

"Dat ik.... dat ik zoo lastig ben."

"Och Rudolf, hoe kan je zoo iets denken?"

"Ik denk soms hardop, maar ik zal 't niet meer doen, ik ben je veel te

dankbaar, dat je zoo lief en hartelijk voor mij bent uit plichtgevoel,

en ik zal mijn best doen je taak niet te verzwaren."

"Maar hoe kom je er aan! Je bent zoo geduldig en volgzaam, dat ik je

in stilte bewonder."

"Kom, nu houd je me voor den gek! Weet je wat ik meer moest doen? De

woorden van keizer Frederik ter harte nemen: Lerne leiden ohne klagen."

"O klaag gerust, je hindert mij niet."

Alweer kwam er een onaangename trek op zijn gezicht.

"'t Is heel vriendelijk van je; ik mag die woorden eigenlijk ook niet

op mij toepasselijk maken. Wat een verschil tusschen keizer Frederik

en mij! Hoe kostbaar was zijn leven en hoe nietig is 't mijne. O,

wat heb ik dwaas gehandeld het iemand als een last op te leggen,

als een plicht."

Alweer scheen Céline met stoutheid geslagen; haar hart en hoofd waren

vol, maar haar tong weigerde elken dienst. Zij verstonden elkander

niet meer. Eindelijk bracht zij er met moeite uit:

"Wanneer je wist hoe bitter je mij grieft door altijd hetzelfde

te herhalen, zou je te goed zijn om die dwaze dingen te zeggen. Ik

verdien het niet aan je, voor zoover ik weet."

"O neen, je doet je plicht onverbeterlijk."

Hij zweeg een poos en toen zeide hij: "We begrijpen elkander niet

meer, elk gesprek eindigt in kibbelen en waarlijk, mijn leven is te

kort om het in zulk onvruchtbaar twisten door te brengen. Wil je mij

liever wat voorlezen?"

"Heel graag, wat dan? De Locomotief?"

"Neen--dat boekje van gisteren."

Céline las vandaag over onderwerping, over het nut van het lijden, over

het nietige van al het aardsche, over de hoop op een eindeloos geluk.

"Je hebt gelijk," zeide hij, toen zij ophield, denkende dat hij in

slaap was gevallen. "Er is toch iets kalmeerends in die eenvoudige

woorden iets dat nog meer goed doet dan de rustpoeiers van den

dokter. Vooral wanneer je zoo ziek en zwak bent, kan je er gemakkelijk

in komen. Vroeger zou ik het femelarij hebben genoemd."

"Toen je gezond, sterk en gelukkig was."

"Gezond en sterk ja, maar gelukkig, ben ik het ooit geweest? Lees

dat nog eens voor van gisteren, dat was zoo mooi."

Zij gehoorzaamde.

"Ja, liefde is beter dan alles.... zelfs beter dan plicht."

"Soms zijn plicht en liefde één," zeide Céline bijna onhoorbaar;

hij scheen het niet te verstaan, want hij bleef onbeweeglijk, met

gesloten oogen liggen.

't Was dien dag drukkend warm, en hoewel alle ramen openstonden en

de jaloezieën neerhingen, drong de hitte in de kamer door.

Céline nam een waaier en wuifde hem zachtjes koelte toe.

"O hoe frisch!" mompelde hij, "wat zou ik niet geven om een stuk

ijs. Mijn tong brandt."

"Ik heb naar Samarang geschreven om ijs," sprak zij.

"Je denkt om alles. Ik dank je! Een mooi ding toch die plicht."

Den volgenden morgen had een hevig onweer de lucht verfrischt; en

hoewel het eerste gedeelte van den nacht voor Rudolf zeer benauwd

geweest was, kwam hij evenals de natuur na de hevige uitbarsting tot

rust en voelde zich 's morgens na eenige uren slaap verkwikt.

Nadat Céline hem gewasschen en gekleed had, voelde hij moed om aan

haar arm naar de achtergalerij te gaan.

Het gezicht op het ravijn en de vlakte was verrukkelijker dan ooit;

alles scheen te juichen in nieuwe jeugd en nieuwen glans; achter

de bergen rees de jonge zon hoopvol en krachtig aan den bleekblauwen

hemel op, stroomen van schitterend goud werpend op de zee van donker en

licht groen aan hun voeten, de berg dreef in wazige sluiers, die zijn

violet blauw nog dieper en krachtiger tegen de lucht deden afsteken. De

regendroppels zogen met liefde de zonnestralen op en weerspiegelden hun

glans naar alle zijden, vóórdat zij zich in hun warmte gingen oplossen.

"Hoe heerlijk zoo'n morgen in het gebergte!" en Céline ademde met

volle teugen de frissche, geurige lucht op in haar gezonde longen.

Hij kuchte even, die fijne atmosfeer deed hem pijn.

"Ja, vroeger vond ik 't ook een paradijs, zoo'n morgen na een onweer

en nu ik een paar dagen dat niet gezien heb, treft het gezicht mij

weer in zijn volle pracht en schoonheid, 't is of nooit die stomme

natuur mij verveeld, geërgerd, zelfs gewalgd heeft."

Hij leunde op de balustrade met de eene hand, de andere rustte op haar

arm en plotseling, zonder dat zij er op verdacht was, fluisterde hij

met zonderling klinkende stem:

"Ik zag haar ook nooit met jou! 't Is of alles nu veranderd is,

of ik alles door andere oogen zie, nu.... nu ik zelf...."

Hij liet zich op een stoel vallen, die naast hem stond.

"Waarom het langer te verzwijgen? Céline, je zult mij gek vinden,

kinderachtig, dwaas, maar ik kan er niets aan doen, 't is over mij

gekomen, zonder dat ik 't weet. Ik ben verliefd op je.... ik houd

van je zoo innig, als ik nooit vermoed had, dat mijn stervend hart

nog kon liefhebben."

En met een kracht, die zij niet in hem had kunnen vermoeden, trok

hij haar naar zich toe, sloot haar in zijn armen en overlaadde haar

met kussen.

"Had je zoo iets kunnen vermoeden, zoo iets onnatuurlijks, zoo iets

krankzinnigs op mijn sterfbed, maar 't is me duidelijk geworden,

gisteren, toen ik het niet kon uithouden zonder je om mij heen te zien,

zonder je te hooren.... 't is onzinnig dat ik het je zeg, maar 't is

alles zoo zonderling.... lach mij niet uit.... heb geduld met mij...."

"Rudolf, Rudolf," snikte zij, "o Rudolf!"

"Wat is er, Céline, doe ik je schrikken? Och, verdraag die laatste

gril van mij! O, als ik leven mocht, als ik de man was van vroeger,

wees verzekerd ik zou je leeren mij ook lief te hebben, ik zou je

gelukkig maken."

"Ach! heb je dan niet gevoeld, wat mij dezer dagen soms zoo ellendig

maakte? Wanneer je altijd sprak van plicht en van.... die belooning,

waarvoor ik het gedaan heb.... terwijl mijn heele ziel vervuld was

van één enkel groot gevoel...."

"Wat zeg je, Céline! Begrijp ik je goed? Zeg je dat uit toegevendheid,

om mij te vleien?"

"O neen, Rudolf! neen! Ik durfde het je niet laten merken, maar nu,

o God, ik ben zoo gelukkig, zoo gelukkig, als ik nooit had gedacht

dat ik 't worden zou--o je moet beter worden, je zult het. God is

zoo goed, niet waar Rudolf, wij zullen samen bidden, vol vertrouwen

als kinderen.... o mijn lieve, beste man, ik wil niets liever dan

alles voor je doen, niet uit plicht, maar omdat ik zoo zielsveel,

zoo innig van je houd, meer dan ik ooit van iemand heb gehouden in

mijn lange leven. Ik wil je niet verliezen, ik wil niet."

En zij drukte zijn hoofd aan haar hart, en streelde en kuste hem

hartstochtelijk op het haar, op de oogen, zonder dat zij merkte hoe

bleek hij geworden was en hoe machteloos hij tegen haar aanleunde.

"O, ik heb hem gedood," gilde zij ontzet, toen zij het bemerkte,

"mijn opgewondenheid is er oorzaak van."

Zij vloog heen om eau de cologne te halen en vlugzout; toen bette

zij zijn slapen en polsen, totdat hij eindelijk de oogen opende en

haar aanzag met een moeden glimlach, die zijn loodbleek gelaat als

het ware verheerlijkte.

"Mijn engel, mijn lieveling!" zeide hij mat, "'t is het groote geluk

van het leven dat in onze harten stroomt, hoe jammer--te laat!"

"Neen, niet te laat!" zeide zij vast beraden. "Ik laat mij je niet

ontrooven."

Treurig schudde hij het hoofd.

"Waarom onszelf bedriegen? Wij weten het te goed. Er is niets veranderd

in mij. De ziekte woedt voort, maar het leven glimlacht mij nog

eens vriendelijk toe. Ik weet niet òf het wreed is, òf barmhartig,

maar o, Céline, ik heb zoo bitter geleden de laatste dagen, toen ik

je liefhad zonder hoon. Nu heb ik weer moed, nu kan ik alles dragen,

want jij draagt nu met mij mede. 't Doet me zelfs geen verdriet meer

je zorgen aan te nemen, nu ik weet dat je het doet uit liefde."

"Ach Rudolf, hadden wij elkander eer gekend."

Hij glimlachte treurig.

"'t Had niets gegeven, Céline; ik heb altijd met liefde gespot en

gelachen om hem, die zich liet vangen, zooals ik het noemde en nu

word ik voor mijn cynisme gestraft."

"Maar je leven rekken, dat kan ik nog wel, o, zoo leven is nog een

genot vergeleken bij.... bij...."

Zij liet het hoofd op zijn handen rusten en schreide wanhopend,

als ééne, die geen hoop meer heeft.

"Céline, ik bid je, heb medelijden met mij," smeekte hij met half

gebroken stem.

Zij sprong op en poogde door een krachtige poging de uitbarsting van

haar verdriet te onderdrukken.

"Je moet sterk zijn," zeide hij, terwijl groote tranen langs zijn

ingevallen wangen stroomden, "voor jezelf en voor mij. Wat een

wonderlijke liefde! Een liefde van tranen en zuchten, wie had

't verwacht...."

"Ja, je hebt gelijk, lieve man! Ik zal mijn best doen, mijn uiterste

best, ik wil sterk zijn. Ik wil onze liefde zoo mooi, zoo heerlijk

mogelijk maken."

"Ja, doe het, 't zal zoo'n schat voor je zijn, want jou blijft ten

minste de herinnering."

Zij drukte sprakeloos zijn handen.

"En mij de hoop.... op.... wederzien... want ik hoop het nu, ik wil

het hopen,... de liefde sterft niet."

De dagen, die nu voor Rudolf en Céline volgden, waren vol zoeten

weemoed en droevig geluk, vol hopen en vreezen, vol angst en toch

weer vol kalmte.

Zij werden niet moede elkander aan te zien, elkander te liefkoozen,

alles voor elkander te zijn zooveel mogelijk ieder oogenblik te

genieten, altijd vreezende dat het 't laatste zou blijken.

Na dien dag, toen hun harten zich hadden uitgesproken, vertoonde zich

een werkelijke beterschap bij den zieken; de nachten werden rustiger,

de hoest verminderde, zijn eetlust werd beter, hij scheen opgeruimd,

gelukkig.

"Onze wittebroodsweken, vrouwtje! Verbeeld je, dat wij die eens konden

overdoen, in Italië, aan het meer van Como of in Zwitserland: want

waarlijk, zoodra ik iets beter ben, vraag ik verlof, je zult zien, de

zeereis zal mij heel opknappen en wij stappen in Genua uit, dan reizen

wij heel, heel langzaam naar Holland; dat zou toch grappig zijn, als ik

't op die manier won, en dan getrouwd was, zonder het te bedoelen."

"Zij zullen je beklagen? Neen, mij benijden; ik heb gisteren Van

Velden geschreven en hem en Elise bedankt, dat ze mij zoo'n vrouwtje

bezorgden, zoo'n juweeltje."

"Je moet me niet trotsch maken."

"Dat moet ik juist wel, dat mankeert je alleen, een beetje

zelfvertrouwen. Je bent gedeprimeerd door die lange dienstbaarheid,

dat zorgen en werken voor je onderhoud. Arm kind! kon ik je maar doen

opleven in een atmosfeer van weelde en geluk."

"Dat heb ik nu," zeide zij hem teeder aanziende.

"Met een zieken man! Maar waarlijk, ik geloof zeker; dat het nog niet

zoo erg met mij is. Als ik toch denk hoe vol levenslust ik nu ben in

vergelijking met een maand geleden. Toen was alles mij onverschillig,

leven of dood; maar nu kan ik weer zoo echt menschelijk voelen en

van harte hopen. Die verandering heb ik geheel alleen aan mijn vrouw

te danken."

En een volgenden keer vroeg hij:

"Vind je werkelijk niet dat ik er beter uitzie?"

"Ja zeker," antwoordde zij met overtuiging, haar best doende te

gelooven, wat zij hoopte, al viel 't haar soms ongeloofelijk zwaar.

"Ik heb van nacht best geslapen en maar vier keer gehoest."

"Neen, driemaal, ik weet het zeker. Heb je nog pijn in je zij?"

"O, 't is veel minder, soms nu en dan een steek, 't lijkt er niets

naar bij vroeger."

Hij trachtte voetje voor voetje met haar door de voor- of achtergalerij

te wandelen; dikwijls moest hij stilhouden en hijgend stilstaan.

"'t Gaat toch beter dan gisteren," hield hij vol, "wat een verschil

met toen je hier voor 't eerst kwam. Weet je nog, hoe ik toen waggelde,

wat dacht je toen wel?"

"Kon ik hem maar beter maken!"

"Dacht je dat toen werkelijk?"

"Ja, maar ik durfde het eigenlijk niet hopen, want ik meende, dat je

het vreeselijk zou vinden dan aan mij vastgeklonken te zijn."

"En nu?"

"O nu zou ik niets liever willen dan samen onze gouden bruiloft

vieren."

"O vrouwtje vraag niet te veel. De koperen of zelfs de blikken was

al mooi genoeg."

"Niet genoeg voor mij."

Het was een genot voor Céline, eindelijk alle schatten van haar

liefdevol hart te kunnen uitstorten, na ze zoo lang met grendel en

slot te hebben afgesloten; zij had Rudolf lief met alle kracht en

gloed eener eerste liefde; hij voelde het en die warmte deed hem goed,

en schonk aan zijn eigen hart een tweede jeugd.

Eigenlijk had ook hij nooit bemind; nu eerst, nu hij de reine, sterke

liefde eener edele vrouw gevoelde en ze zelf terug kon geven, begreep

hij hoe onwaardig en laag het gevoel was geweest, dat hij tot nu toe

voor vrouwen ondervonden had.

"Maar 't is te laat, te laat," dacht hij in zijn sombere oogenblikken,

om even later weer op te leven onder haar liefkoozingen zijn oogen

te verheugen aan haar gestalte, die hem hoe langer hoe lieftalliger,

hoe bekoorlijker voorkwam.

"Wat staat die sarong-kabaja je goed," zeide hij haar bewonderend

aanziende, "ik heb nooit een Europeesche vrouw gezien, wie 't zoo

goed kleedde."

Zij bloosde onder zijn lof en schikte haar pending (ceintuur) recht.

"Wanneer ik beter ben, dan zal ik met je naar Samarang gaan en de

beste modiste moet je kleeden. Je mag het zoo duur nemen, als je wilt,

wanneer het maar elegant is."

"Och, ik geef zoo weinig om mijn toilet!" antwoordde zij glimlachend.

"Ook niet, als het je man plezier doet, als hij zijn oogen te gast

wil laten gaan aan zijn mooi vrouwtje."

"Mooi vrouwtje, dat is ook iets nieuws."

"Is niet alles nieuw wat je nu voelt en hoort!.... Maar wacht, ik

heb een idee! Domoor, dat ik er niet eer om dacht!"

Hij vroeg zijn schrijfgereedschap en schreef een brief, dien hij op de

plaats liet bezorgen, aan een zijner kennissen. Céline dacht er niet

verder aan; een paar dagen later kwam die heer met Rudolf spreken en

toen hij weg was, riep hij haar bij zich.

"Zie eens hier!" zeide hij en reikte haar een étui over.

"O," riep zij verschrikt uit, nadat zij werktuigelijk het deksel

had opengeslagen.

Het vonkelde tegen haar in duizend kleuren, de diamanten van een

prachtige parure.

"Rudolf! Is dat voor mij? 't is te mooi, veel te mooi en te kostbaar."

"Niets kan te mooi en te kostbaar zijn voor mijn vrouw. Ik ben zoo

lomp geweest je niet eens een huwelijkscadeau te geven.... bewaar

dit als een aandenken van mij.... wat er ook gebeure."

Zij had moeite haar tranen te onderdrukken.

"Niet huilen, niet huilen! Anders denk ik dat je weer den moed opgeeft

en dat mag niet, ik wil en zal beter worden. Geef mij liever een zoen."

Zij kuste hem lang en innig, en hij drukte haar zoo vast tegen zich

aan, dat het haar benauwde.

"Nu moet je mij een plezier doen, wil je," zeide hij en trachtte een

schertsenden toon aan te slaan om zijn eigen aandoening te verbergen,

"trek je japonnetje aan, ik zal maar zeggen je bruidstoilet, me dunkt

dat zag er nog al lief uit, en steek er die dingen op, dan zie ik je

voor het eerst in groot ornaat."

Céline liep gauw weg en kwam gekleed terug; zij zag er werkelijk

allerliefst uit, blozend van geluk en vreugde.

"Wat staat je dat goed, nu ben je een echt bruidje! Ga daar zitten,

dan kan ik je goed zien. Wie heeft dat kleedje voor je gemaakt?"

"Ik zelf," antwoordde zij, "wie anders!"

"Wat een knap ding, wat vlugge vingers.

Maar 't is je laatste kunststuk in dit genre, vrouw! Voortaan laat

je al je kostumes maken. Mevrouw Telwerda moet naar haar stand

gekleed gaan."

Hij was zoo opgeruimd, zoo vroolijk, dat het zelfs den dokter, die zijn

dagelijksch bezoek bracht, opviel. Céline wilde haar sieraden afdoen.

Hij verbood het haar.

"Neen, neen, de dokter mag je wel zien op zijn mooist. Wat zegt u,

dokter, heb ik geen beeld van een vrouw?"

"Ik maak u mijn compliment, mevrouw! U ziet er flink uit en die parure

flatteert u bepaald."

Toen zij hem uitliet vroeg Céline aarzelend en met angstig kloppend

hart:

"Dokter, vindt u waarlijk niet dat hij vóóruitgaat?"

"Ik weet het niet, mevrouw," antwoordde hij, want hij vond niets

beters.

"Als u 't niet weet, wie moet het dan weten?" zeide zij knorrig,

"ik vind wel dat hij op weg is van beterschap."

"Ik hoop dat u gelijk heeft, mevrouw!"

Zij zag hem strak in de oogen en plotseling ontviel haar alle moed;

zij begreep, dat de man niets liever wenschte dan haar gerust te

kunnen stellen, maar hij mocht, hij kon niet.

Een doffe zwaarte viel op haar hart, het was of de dag zijn zon, de

boomen hun groen verloren, of over alles een wolk van zwart neerzonk

en met loodzware stappen keerde zij naar den zieke terug.

Toevallig kwam zij langs een spiegel en zag zichzelf in haar wit met

kant gegarneerd kostuum, flonkerend van juweelen, aan hals, ooren en

armen; rillend wendde zij den blik af, en 't was of een ander zichzelf

haar te gemoet trad geheel in rouw gehuld.

"Wat zei de dokter? Hoe vond hij me?" vroeg Rudolf nieuwsgierig toen

zij terugkwam.

"O zoo goed, veel beter," antwoordde zij en zij vond dat haar stem

vreemd klonk als sprak een ander; hij scheen het niet te merken.

"Zie je wel? Ik kan 't wel voelen; o ik vergis me niet, ik ken mijn

oude machine zoo goed. Vrouwtje, vrouwtje, je bent zoo gauw niet af

van mij, maar je zult zien, wat ik een goede man zal worden, geen

brombeer, geen lastige keukenpiet."

Zij trachtte te glimlachen, maar zij voelde hoe haar hart het

uitschreeuwde in wanhoop, hoe al haar hoop wegsmolt in onzichtbare

tranen vol bitterheid.

"Kom naast mij zitten, zie hoe heerlijk de zon ondergaat!"

Ja, heerlijk ging de zon onder in een glans van smaragden, robijnen en

amethysten, en op de korte schemering volgde een avond van maneglans,

zooals men slechts tusschen de keerkringen genieten kan.

Rudolf en Céline zaten doodstil naast elkander hand in hand; hij

sluimerde even in. Toen hij zijn oogen weer opende baadde geheel

het panorama aan hun voeten in een zilveren gloed; hoog aan den

hemel zweefde de maan, in haar geelwitte schittering een kleine zon

gelijk. Overal drongen haar stralen door in het ravijn, tusschen het

dikke geboomte, overal verzachte zij de overgangen, overal temperde zij

den vaak te schrillen kleurenrijkdom, over alles wierp zij een sluier

van diamanten vonken, vol zoete poëzie. De geheele achtergalerij scheen

met kantwerk overdekt, zoo speelden het dartele licht door de slingers

en de bladeren van het klimop, dat zich tusschen de kolommen wiegde;

een bloeiende kamoening of sokkaboom zond haar zoete geuren omhoog,

in de verte klonken de eentonige, maar in deze omgeving zoo geheel

harmonische klanken van de gamelan en verleenden aan de rustige stilte

een soort van wijding, die er de plechtigheid van verhoogde.

"O Céline, wat een nacht om te beminnen en bemind te worden."

En hij drukte haar hand vast in de zijne. Zij moest zich geweld

aandoen kalm te blijven, zij wilde hem niet opwinden, maar zij had

er behoefte aan hem nog eens te zeggen, nog eens door liefkoozingen

te doen voelen, hoe vurig zij hem liefhad, hoe geheel haar ziel in

opstand kwam tegen het wreede vonnis hem te moeten missen en zij gaf

hem zijn druk nog hartelijker terug.

"Mijn liefste vrouw, onwillekeurig denk ik aan die heerlijke tweespraak

uit Shakespeare, van Lorenzo en Jessica, in de Merchant of Venice:

"Het was in zulk een nacht...." zoo gaat het dan in afwisselende rei:

"De maan is de beschermster der geliefden, dus ook van ons."

"Ik houd zooveel van den Indischen nacht," antwoordde Céline, "veel

meer dan van den dag, die is te benauwd, te stoffig; maar is het je

niet te koel, beste man? Zal ik niet het licht aansteken, en zullen

wij dan Shakespeare nalezen?"

"O neen! zoo te zitten is het schoonste gedicht; ik gevoel me zoo

gelukkig, zoo goed, zoo kalm als in lang niet. Wat valt die maan

mooi op je juweelen en op je handen! 't Is of je een prinses bent,

een fee, die haar tooverland verlaten heeft om mij armen zieke te

komen troosten en genezen."

Hij zag haar teeder aan en zij trilde van blijdschap en stille vreugde

onder zijn bewonderende blik. Nooit had iemand haar met zulk een

vereering aangezien, nooit had zij gevoeld dat zij de zon was van

een bestaan, het middelpunt van een leven. Zijn liefde, die, voor

't laatst, het verzwakte, afgebeulde hart deed opleven, bleef zacht,

droefgeestig, diep en innig, maar de hare, waarvan zij ten volle

voelde, dat het voorwerp haar spoedig ontscheurd zou worden, was

hartstochtelijk, sterk, vurig; zij moest zich onophoudelijk tot kalmte

en matiging aansporen. Dit maakte haar misschien meer teruggehouden

maar schonk haar een reine schuchterheid, die hem steeds meer en meer

aantrok en boeide.

"Wat kan een mensch veranderen," zeide hij na poos, "vroeger haatte ik

het huwelijk, ik noemde het een ondragelijke slavernij, een drukkend

juk, ik begreep niet hoe menschen het zich konden opleggen. En nu

schijnt mij een leven zoo met zijn tweeën een ideaal van geluk toe,

en wat denk jij, Céline?"

"Ik zal het je bekennen, Rudolf, ik had een groote illusie en die heb

ik zoo lang mogelijk veilig gedragen tusschen vele teleurstellingen,

ik heb ze beschut tegen spot en minachting, die vooral hier op Java

zoo welig groeien."

"Ja, en die zooveel wat goed in mij was hebben gedood; ja ik ken ze,

Céline, en die illusie was?....

"Het huwelijksleven met een man, die mij liefhad en wien ik ook mijn

liefde kon geven, het ideaal van Vondel's Badeloch:

Twee zielen gloênd aaneengesmeed,

Of vastgeschakeld en verbonden

In lief en leed....

In Extremis · 第 8 / 19 题