"'t Gaat hard achteruit met mij, hard en toch langzaam; ik klaag
niet, ô neen, ik zeg als mijn Amat: "Het moet, 't kan niet anders"
en ik geloof, dat dit bewustzijn mij kalmte geeft, kalmte wel noodig
in de lange, lange eenzame uren, welke ik doorworstelen moet, alleen
met mijn pijnen, mijn angsten en mijn herinneringen.
"Aanspraak door bezoeken heb ik genoeg, maar 't is altijd hetzelfde
van voren af aan, ik word er nog ellendiger door; 't eenige goeds wat
die visites hebben is, dat zij mij weer naar mijn eenzaamheid doen
verlangen en ten minste het eerste uur van mijn alleenzijn dragelijk
maken. Lezen gaat ook bij den dag minder goed, 's morgens één courant,
's avonds iets heel lichts; de nacht kruipt om in hoesten, hoesten,
nog eens hoesten. Vergeef mij, ik merk dat ik over niets schrijf dan
over mijzelf, dat komt er nu van als men zoo geheel en al teruggebracht
is tot zijn eigen ik.
"Ik wist tot nu toe niet, dat ik zelf zoo hopeloos leeg, hol en
vervelend van binnen was, nu weet ik 't tot mijn schade.
"Soms alleen vind ik het onderhoud met mezelf minder écouerant; 't is
dan wanneer het een of ander plannetje opkomt in mijn suffen geest. Ik
heb zooveel plannen gemaakt in mijn leven, geen wonder dat zij mij niet
met rust laten op mijn ziekbed, dat weldra mijn sterfbed zal worden.
"Maar dit is een plan van geheel anderen aard, niet het bestek van
een brug of gebouw, maar doodeenvoudig voor 't stukje toekomst dat
mij rest, een stukje, waaraan dagelijks geknabbeld wordt, door de
onverbiddelijke ziekte, en dat ik bij het uur kleiner en kleiner
zie worden.
"'t Zal nog een maand duren, denk ik, de dokter spreekt van twee,
drie. Ik hoop dat de man ongelijk heeft, want onder ons gezegd dat
leven van ter dood veroordeelde verveelt mij ontzettend. De ziekte is
wreeder dan de wet; heeft die een kerel veroordeeld, dan maakt zij er
haast mee hem uit de wereld te helpen; maar de kwaal schenkt niets,
geen minuut. En toch mijn geest is even helder als die van Troppmann,
Pranzini, of welke snuiter ook, en dood is dood, of de guillotine,
de strop of een ziekte het je doet. Hoe 't ook zij, ik ben besloten
den kelk te drinken tot den bodem, alle phasen, die mij wachten nog
door te maken, maar als 't kan zou ik mij de laatste weken nog wat
willen verlichten.
"Ge vraagt hoe ik verpleegd word? Nu, laat het mij ronduit zeggen,
allerellendigst. Amat is van goeden wille, zijn vrouw Sarina een beste,
brave ziel, maar och! 't gaat zooals 't gaat, wanneer drie of vier
bedienden aan zichzelf overgelaten zijn.
"Zij hebben 't gewoonlijk zoo druk met hun eigen zaken, dat zij aan
den armen zieke in geheel niet of slechts in 't voorbijgaan kunnen
denken. In Europa zou 't precies zoo gaan denk ik, en in Australië
of Amerika misschien ook. Huurlingen zijn overal dezelfde; daarom,
verbeeld je Frits, wat ik bedacht! Noem 't een dwaasheid, een gril,
wat je wilt, maar ik, die niets tegen sterven opzie, die er zelfs
naar verlang, ik vind die maand of twee, drie, welke de dokter mij
beloofd heeft, vreeselijk om te voorzien. Ik duizel er van ze nog
te moeten doorleven, geheel overgeleverd aan Amat, Ali, Sarina,
Kebon. Ik heb heimwee naar een zachte vrouwenhand, die mijn kussen
opschudt, mijn lippen verfrischt, mijn hoofd ondersteunt, zoodra een
dier vreeselijke hoestbuien mijn magere karkas uit elkander rukt.
"Verbeeld je, er zijn oogenblikken dat ik sentimenteel word, als ik
denk aan mijn moeder, aan mijn zusters, die wel is waar nooit veel
werk hadden mij op te passen, want voor zoover ik mij herinner,
was ik nog nooit ziek.
"'t Is de Nemesis; ik heb vrouwen nooit au sérieux genomen, ze
beschouwd als speelgoed, niets meer,--lees deze passage mevrouw Van
Velden niet voor of ja lees ze wel voor--ik verdien haar medelijden,
want zij is te goed om nog wrok tegen een schaduw te koesteren--en nu
smacht ik naar het Ewig Weibliche als de dorstige naar een dronk koel
water. Wat ik dan wensch, een verpleegster, een soeur de charité? Die
zijn hier in onze Oost zeldzame weelde-artikelen.
"Ik zoek een vrouw, die dag en nacht om mij heen is, die aan 't korte
leven, dat mij overblijft, zich geheel en al wijd, die mij 't lijden
lichter, het sterven zachter maakt. Wil ze dat doen, heeft zij er moed
voor, dan zal ik haar beloonen met mijn naam en wat nog meer waard is,
levenslang met mijn weduwenpensioen. Ge ziet, de belooning is groot,
en de taak, hoe zwaar ook, niet langdurig, de eenige die er bij lijdt
is het Gouvernement, dat in mij steeds een verstokten celibatair zag.
"Kent gij of liever kent uw vrouw niet een dame jong of oud, mooi of
leelijk, deftig of niet deftig, maar in elk geval een vrouw handig,
beschaafd, met een zachte stem, die lust heeft in dit baantje?
"Zie zoo, nu 't er uit is, beeft mijn hand, ik kan het potlood niet
goed meer bestieren, de factice kracht, die mij in staat stelde
bladzijden vol te schrijven, begeeft mij. Ik eindig dus, denk er
over na....