"En zie je ze nu werkelijkheid worden, die illusie? Ben ik in staat
ze te vervullen?"
Zij drukte zijn handen aan haar lippen.
"Je bent mijn ideaal, mijn koning, op wien ik levenslang heb gewacht,
wier slavin ik trotsch ben te zijn."
Haar stem stierf weg in een snik en inwendig zuchtte zij:
"O, 't is te wreed, veel te wreed. Ik wil, ik kan hem niet verliezen."
"Hoe vreemd vonden wij elkaar toch! Hoe zal ik deze ziekte danken,
die mij het geluk van mijn leven schonk. Je hebt gelijk, God is
goed. Hij weet alles beter dan wij."
En na een oogenblik:
"Vrouwtje, verbeeld je eens als wij niet altijd met ons beiden bleven,
als er eenmaal jong leven om ons heen spruitte? O, wat zal je een
lief moedertje zijn en ik een indrukwekkende, strenge vader! Vroeger
zou ik 't idee belachelijk hebben gevonden, maar nu! nu vind ik het
een geluk. Dat doet alles de liefde, die tooverfee."
Daar sneed een akelig, scherp geluid door de zilverblauwe lucht, den
schitterenden hemel bekrassend en ontsierend. Rudolf hoorde het niet,
maar Céline kromp rillend ineen. Zij wist dat het de kreet was van
een nachtvogel, die volgens de bijgeloovige Javanen, de nabijheid
van den dood voorspelt.
Tot driemaal herhaalde zich de ongelukskreet en toen voelde Céline
een kille huivering, iets als de nabijheid van een onzichtbaren,
vreeselijken gast.
Zij keek om, neen, het waren dezelfde bleeke stralen der maan, maar
alles scheen haar nu spookachtig, geheimzinnig, dreigend toe. De
bladeren ritselden angstig, het water in de rivier stroomde haastig
bruisend als vluchtend weg, de gamelan verstomde en zelfs de krekels
staakte hun gezang.
Zij zag naar haar man, maar zijn hoofd lag nog even rustig en kalm als
daareven tegen haar schouder; alleen gaf het verheerlijkende licht
der maan aan zijn uitgeteerd gelaat een schoonheid van majesteit,
welke zij tot nog toe slechts op de aangezichten van dooden had gezien.
Zij streelde hem langs zijn in den laatsten tijd sterk vergrijsde
haren en kuste zijn voorhoofd. Goddank, het was nog warm, de slapen
klopten regelmatig.
"Mijn lieveling!" zeide hij en sloeg de oogen op. Zij herademde, hoe
dwaas zich zoo angstig te maken; was alles dan niet ijdele vrees, hij
voelde zich beter, de dokter kon zich vergissen; 't is de eerste keer
niet, dat geleerder en wijzer mannen dan hij zich in den aard eener
ziekte bedriegen, en die vogel, hoe belachelijk daaraan te hechten.
"Kom, je moet naar de couchee, manneke, 't is laat genoeg, en dan
maakt vrouwtje voor je een kop bouillon klaar met een stuk kip en wat
petits pois en dan gaat men rustig slapen, om morgen lekker frisch
op te staan."
"Kan ik hier niet blijven vrouwtje, 't is hier zoo goed, ik geloof
dat ik zoo heerlijk zal droomen."
"Neen, je moet niet zoo ongeregeld doen, als je beter wilt worden
voor je arme vrouw. Geef mij je arm maar!"
"Zullen wij eerst wat in den tuin wandelen in den maneschijn?"
"Zal het je niet vermoeien?"
"O neen!"
Hij richtte zich op, maar plotseling viel hij weer terug in den
leuningstoel.
"Daar breekt iets," hoorde Céline hem zeggen, en nog voor dat zij
't wist stroomde een golf van bloed over haar wit japonnetje, waarop
hij zooeven nog met zooveel trots had neergezien.
De volgende morgen vond Céline nog steeds in haar met bloed bevlekt
bruidskleed, de diamanten om armen en hals. Zij dacht aan niets anders
meer dan aan haar doodzieken, nog steeds bewusteloozen man. Hij was
nog niet bij kennis geweest, maar den geheelen nacht hadden hevige
benauwdheden, hoesten en bloedspuwingen elkander afgewisseld.
De dokter was niet op de plaats en kon eerst laat in den morgen terug
zijn; wat zij vermocht deed Céline, zij had geen tijd tot treuren,
geen tijd tot nagedachte, geen tijd zelfs tot vreezen.
Tegen acht uur glimde een straal van bewustzijn in de verdoofde oogen.
"Vrouw," fluisterde hij en iets als een schaduw van een glimlach
speelde hem op de lippen; met moeite bewoog hij even de hand om op
haar bevlekt kleed en parure te wijzen.
Nu eerst zag Céline de wreede tegenstelling en plotseling was het
of een stroom van wanhoop zich een weg baande door een dam van
wezenloosheid en zelfvergetelheid; zij zag hem aan met een half
waanzinnigen blik en toen staarde zij met afschuw en walging naar haar
besmeurden opschik en zij vluchtte weg uit de kamer. Instinctmatig
snelde zij heen, zoo ver mogelijk, tot zij in de logeerkamer der
bijgebouwen zich in veiligheid waande en daar zich radeloos op den
grond wierp.
"O God! laat mij ook sterven, ik kan hem, niet overleven," jammerde
zij, vergeefs worstelend om tranen; "ik kan 't niet langer dragen,
ik kan 't niet aanzien."
Eindelijk gaf haar smart zich lucht in een bitter, niet te bedaren
gesnik, zij voelde zich machteloos, 't was of alles in haar zich
oploste in tranen en zuchten. Hoe lang zij daar lag, wist zij niet
te berekenen; zij had een gevoel of zij daar altijd moest blijven,
altijd door schreien tot haar leven wegstroomde met haar laatsten
traan, haar laatsten kreet van pijn.
Een hand greep haar aan den schouder, een ernstige stem riep haar:
"Mevrouw, mevrouw!"
Zij verroerde zich niet, zij bleef onbeweeglijk met haar hoofd op de
armen gedrukt.
"Mevrouw, mevrouw! Hij heeft u noodig. Rudolf roept om u!"
Toen sprong zij op en zag met haar verwilderd gelaat, waarom verwarde
haren hingen, den dokter aan alsof zij hem niet herkende.
"Mevrouw, u moet zich staande houden voor dien korten tijd."
"Ik kan niet meer," antwoordde zij dof, "ik wil ook sterven, dokter!"
"Neen, mevrouw, geen noodelooze opwinding! Sta op, ga u verkleeden;
zoolang er leven is, is er immers nog hoop!"
Voor 't eerst sprak hij in haar tegenwoordigheid het woord "hoop"
uit. 't Kostte hem moeite, want nooit was 't zoo slecht op zijn
plaats geweest. Zij zag hem aan of zij niets verstond; toen sprong
zij eensklaps op, bond haar haren hoog, rukte haar sieraden af en
ging zwijgend heen: de dokter keerde naar den zieke terug, die met
gesloten oogen, wasbleek en afgemat, in de hooge kussens leunde.
"Céline," zeide hij haast onhoorbaar.
"Zij komt dadelijk," antwoordde de dokter.
Rudolf knikte met het hoofd; een oogenblik later, toen zij er nog
niet was, keek hij nog eens rond maar zonder iets te zeggen.
Eindelijk verscheen zij, bijna even bleek als hij, maar verfrischt
en verkleed in sarong en kabaya; zij boog zich liefkoozend over hem
en vroeg of 't beter ging.
"Wat een verschil met gisteren, ik heb toch niets onvoorzichtigs
gedaan," lispelde hij, "wel dokter?"
"'t Is de ziekte," antwoordde de dokter, "het moet eerst erger worden
om te kunnen beteren."
Hij schudde het hoofd en glimlachte droevig.
"Neen, 't is het begin van het einde. Blijf bij mij, Céline; laat
mij niet meer alleen!"
"Neen, nooit meer!" verzekerde zij en kuste hem de moede oogen toe.
Hij hield haar hand in de zijne en drukte die tegen zijn wangen. Céline
zag vragend den dokter aan, hij begreep die stomme vraag en haalde
de schouders op.
"Van avond kom ik terug," sprak hij afscheid nemend, "en breng u ook
droppels mede, mevrouwtje!"
"O dokter, 't zal wel moeten gaan zonder droppels."
Hij bleef dien dag buitengewoon mat en stil; nu en dan alleen
verscheurde een droge, benauwde kuch zijn borst.
Tegen den avond ontwaakte hij uit zijn dommeling en sprak bij
tusschenpoozen.
"Wat een kort geluk, Céline, wat een korte liefde, nog geen twee
maanden."
Zij fluisterde hem toe:
"En toch is die liefde sterker dan de dood."
Wijd opende hij zijn oogen.
"Ja, je hebt gelijk, een eeuwigheid is niet te lang om elkander zoo
te beminnen. Niet vaarwel, tot wederzien!"
Toen hij haar weer zag schreien.
"Onze hoop sterft niet.... wees gerust! Je bent mijn laatste
zonnestraal, mijn laatste--misschien mijn eenig geluk geweest
dat ik niet verdiende. Laten wij ons vastklampen aan de hoop op
wedervinden...."
En na eenige oogenblikken:
"Ik dank je voor alles, Céline.... alles heb ik je te danken zelfs
die hoop!.... Je hebt mij beter gemaakt dan ik was... je gaf mij
nieuw leven.... zooveel goeds was in mij gestorven.... je hebt het
weer opgewekt... weer doen bloeien... ik dank je.... ik dank je...."
Hij kuste haar handen lang en innig.
"Groet je.... onze moeder en ons beider zusters.... je moet naar
Holland gaan en.... laat mijn herinnering toch geen beletsel zijn
voor je geluk."
"O neen.... neen! Je blijft mijn man, mijn bruidegom in
eeuwigheid. Laat mij dien troost, Rudolf!"
Hij zweeg, altijd haar handen in de zijne gedrukt.
"Ik wil leven voor zieken en ongelukkigen tot het oogenblik dat
ik zelf...."
"Beloof niets, vrouw. Wij hebben het aan ons zelf gezien, hoe weinig
men meester is van zijn toekomstige gevoelens en gedachten. Zelfs in
het gezicht van den dood!"
Twee maanden nadat Céline Samarang verlaten had met geen ander gevoel
in haar hart, dan dat zij alweer een nieuwe betrekking ging aanvaarden,
naar zij hoopte haar laatste, kwam zij bij haar vriendin mevrouw Van
Velden terug in zware rouwkleeren, een schaduw van haar vroeger zelf,
een gebogen, geknakte, doodsbedroefde weduwe.
"Arme, arme Line," zeide Elise, nadat zij elkander lang sprakeloos
hadden omhelsd, "wie had zoo iets kunnen denken? Als ik dat geweten
had!"
"Ach, Lise, ik ben je zoo dankbaar, zoo innig dankbaar, je hebt
mij zoo'n kostbare herinnering gegeven, mijn leven verwijd, mijn
hart opengezet. O, wat ben ik veranderd en als je wist hoe lief mij
zelfs mijn smart geworden is, daar ik ze aan hem dank! Hoe ze mijn
kostbaarste schat blijft."
"Niemand zal 't gelooven," snikte Lise, "zelfs mijn man niet," dacht
zij, "en toch kan ik er goed inkomen," voegde zij er hardop bij.
"Ja jij, maar ook niemand anders, daarom zal ik mijn verdriet ook
niemand vertoonen, ik zal het verbergen, zooveel ik kan."
"En wat zijn je plannen nu?"
"Naar Holland gaan! Hij verlangde het, al valt het mij hard zijn graf
te verlaten, maar hij is altijd om mij, ik voel het! Daar zal ik rust
hebben, daar zal ik vrij aan hem kunnen denken, terwijl hier...."
Om de zoogenaamde kletstafel in de societeit werd er ook gesproken
over den dood van Telwerda, over de promotie, daardoor ontstaan en
een die het wist, vertelde:
"Verbeeld je, hij is getrouwd in extremis met een meisje dat hij
nooit gezien had, om zijn pensioen niet weg te werpen."
"Wanneer?"
"Een week of zes, zeven geleden."
"Nu, die heeft dan ook geboft, zoo gauw pensioen verdiend!"
"En vrij passage naar Europa."
"Zoo vlug, dat kunnen wij niet in dit lamlendig land! Sapada, sopie
sama pait!" [2]