(3 Augustus 1842.)
De Koning komt! Zie, dien man reik ik als burger de broederhand niet,
wien bij deze tijding het hart niet een paar slagen sneller klopt dan
te voren. Trouwens, ik voor mij geloof niet, dat er veel zulke harten
zijn. De eerbied voor het koningschap is in ons, onderdanen van den
Koning der koningen, van wiens Majesteit het koningschap in iederen
vorm slechts een afschaduwing is, iets natuurlijks,—iets
instinktmatigs, had ik haast gezegd. De hermelijnen mantel moet wel in
eene wolfshuid, de gouden kroon in een ijzeren, en de schepter in een
dorenstaf veranderd zijn, eer die eerbied voor de verachting en afkeer
plaats maakt, die het wettig loon van tirannen is.
Er bestaat buiten dit geweldig, misschien nog een zachter kunstmiddel
om dit gevoel ten onder te brengen; het is de theorie, die in de vorige
eeuw door Marat en Robespierre geleerd, en door hen met proeven op
Lodewijk XVI en Maria Antoinette bloediger gedachtenisse gestaafd is.
In die school, waarin men begint met den Koning des hemels te
onttroonen, en Hem alle gezag en invloed op de verheffing van de
koningen der aarde te ontnemen, komt men, langs een zeer natuurlijken
weg van gevolgen, tot de leer, dat een koning eigenlijk geen koning is,
maar een onderdaan; een onderdaan zijner onderdanen; een knecht der
knechten, wiens eigenlijke plaats aan de punt van den staart des volks
is; ten gevolge waarvan dan ook, met de strengste consequentie, in de
gouden eeuw dier theorie, de geheele maatschappelijke ladder onderst
boven gezet en op haar hoofd geplaatst werd, zoodat de koning achter
den adel, de adel achter den middelstand, de middelstand achter het
gemeen, en het gemeen van het gemeen op den zetel geraakte, die de
guillotine tot voetstuk had. Die koorts is sedert, den Hemel zij dank!
na vele aderlatingen en een gestreng dieet, onder de homoeöpathische
behandeling van den Korsikaanschen Wonderdokter, wel gelukkig afgegaan:
maar er is toch in het groote lichaam nog zekere koortsachtige neiging
overgebleven, die bij de minste irritatie met eene wederinstorting
bedreigt. En het zijn deze heimelijke sluipkoortsjes, die zich hier en
daar openbaren in de Jakobijnsche manier, waarop men de vorsten weêr
begint te beschouwen en te behandelen. Eene wijze van beschouwing, die
dan ook onder anderen aan den dag komt in de bekoorlijke nonchalance,
waarmede de ultra-constitutioneele wijsgeer het bericht ontvangt, dat
„de Koning komt.” Merk op, hoe hij bij die aankondiging den hals in den
nek werpt, u met een spotachtig lachje aanziet, en een gezicht zet, zoo
onverschillig, dat het bijkans veelbeteekenend wordt van
onverschilligheid, waarop dan voor ieder die het zien wil te lezen
staat, dat hem het heele bericht niet meer aangaat, dan of de haan van
zijn buurman op zijn erf gekomen was, wiens roode kam en vurige sporen
in zijn oog evenveel waard zijn als de erfelijke koningskroon en de
verworven riddersporen van alle Majesteiten der wereld. Maar zoo als ik
zeide, die wijsheid is geen natuurlijke, maar eene verkregene en
aangeleerde, die in plaats van uit het hart naar het hoofd te komen,
met kunst- en vliegwerk uit het hoofd naar het hart gepompt is, en
daaraan niet zonder tegenstand opgedrongen. Het spreekt dus van zelf,
dat eenvoudige menschen, als waaronder ik hier buiten verkeer, daarvan
niets verstaan, en alzoo nog omtrent hetzelfde voelen, wat onderdanen
van ouds af voor koningen van ouds af gevoeld hebben, te weten: achting
voor het koningschap, eerbied voor de koninklijke waardigheid, en, als
hij haar niet moedwillig verbeurt, liefde voor den persoon des konings.
Dat bleek bij ons op een treffende wijze, nadat wij eindelijk het zeker
bericht ontvangen hadden: de Koning komt!—Van dat oogenblik af klopte
aller hart en glinsterde aller gelaat van vroolijke verwachting. Men
sprak elkander niet, zonder van het heugelijk nieuws te gewagen. Ieder
maakte aanstalten om den vorst op de feestelijkste wijze te ontvangen.
De arme bosschen moesten twee maanden te vroeg hun groen afstaan,
Ommeêdoogend hakten mes en schaar in sparren- en eikenboomen. Bloemen
en wat naar bloemen geleek werd zonder deernis afgeplukt. De
lijsterbessen verloren er al hare trossen bij; want lijsterbessen
tusschen eikenbladeren, wat kan men schooner hebben? Er bleef geen
besje over om meê te lijsteren: van daar zeker, dat ik dit jaar nog
geen lijster geproefd heb.—Nu aan het kransenmaken: de een al zwieriger
dan de andere. Men durfde in al die dagen niemand de hand geven van den
boomharst, die er aan kleefde van al de taxies, gelijk men bij ons de
sparren verkiest te noemen. Ik heb er gezien, vijftig voet lang, waarin
de bloemen met zulk eene mathematische evenredigheid waren verdeeld,
even als de ringen op eene slangenhuid, dat ik den vervaardiger verdenk
van er den duimstok bij gebruikt te hebben. En vlaggen? Die konden,
ontboden ze van elders; wien dit te kostbaar was, maakte ze zelf van
gekleurd papier, oranje, blanje, bleu, vast aaneengeplakt, zoodat ze
bij ieder tochtje rinkelden als het klatergoud in eene haringkroon. De
ijverigsten richtten bogen op met eene kroon er in, want dat is
boerenstijl: zonder kroon geen bruiloft: bruiloft is het feest der
feesten; dus geen feest zonder kroon. En tusschen de kroonen
opschriften op een half vel papier, beschreven door den ondermeester
van het dorp, in alle soorten van letterformaat, groot, middelslag en
klein, met lettertrekken er rondom, die de Koning van zijn rijtuig moet
kunnen zien! Zoo waren dagen achtereen aller handen—en dat zegt hier,
aller harten—met des Vorsten komst bezig. Toen ik in den avond vóór den
grooten dag in het donker te huis kwam, zag ik hier en daar nog een
enkel dwaallicht zweven; eene kaars of lantaren van den een of anderen
dorpeling, die, eer hij ging slapen, zich het genot nog eens gunnen
moest om het door hem gebouwde Babel met zijne hangende tuinen te
bewonderen, en te zien, welk effect zijne decoratie bij donker voor
uilen en bietebauwen maakte.
Onder zulke tooneelen en onder zulke menschen werd ik den anderen
morgen wakker. Was het wonder, dat het mijne eerste gedachte bij het
ontwaken was: de Koning komt?—Ook ik had mijne stulp op het zwierigst
en tierigst opgetooid. Een keurige taxies-krans slingerde zich als eene
reusachtige slang, met schilderachtige en veelkleurige bochten, van den
ijzeren arm aan het dakvenster, langs het geheele huis, tot op den
grond naar beneden. Editha had er hare kleine handen met honderd
„eerlijke wonden” aan bezeerd, en er een extraknikje van Z. M. aan
verdiend. Daarboven ontrolde zich van een fraai geschilderden en
vergulden vlaggestok een vlag, eene vlag veel te lang voor mijne lage
stulp, en daarom nog verscheidene ellen vluchts gekort, die een mijner
vrienden mij uit Amsterdam, van ik weet niet welk aanzienlijk college
bezorgd had. Maar wat nog meer zegt, mijn hart vlagde met een langen
wimpel van vroolijkheid en geestdrift, die door het minste windje hoog
omhoog gevoerd werd. In die stemming kon ik het niet lang binnen
uithouden. Nadat ik dus mijn feestpak had aangetrokken, trad ik naar
buiten, om nu het geheel der versiering nog eens op te nemen. Het was
een schoon gezicht! Overal waren de menschen bezig om het mooie nog
mooier te maken, door eene gele dalia, die tegenover een witte zat, met
eene dito te vervangen, een oranjelintje, dat losgeraakt was, vast te
strikken, en dergelijke gewichtige verbeteringen meer. Ik sprak nu met
den een, dan met den ander, en zeide elk op zijne beurt iets vleiends
over zijn goeden smaak, die in deze of gene bijzonderheid vooral
schitterend aan den dag kwam. Daaronder glommen de gezichten van
zelfbehagen, en klom de geestdrift al hooger en hooger. Intusschen
renden de rijtuigen met menschen beladen als in wedloop naar de stad,
om daar getuige van den Intocht te zijn; en ieder blik van
opmerkzaamheid en goedkeuring, naar de bogen en kransen geworpen, werd
met gretigheid opgevangen en door een glinsterend oog weêrspiegeld.
Onder zulke waarnemingen, die mijn hart vervulden met dankbaarheid aan
God, die zijne menschenkinderen zooveel onschuldige vreugde schenkt en
gunt, en het in liefde tot mijn dorpsgenooten, mijn volk, mijn land,
mijn koning, tot alle menschen, verwijdde, wandelde ik den weg vóór
mijn huis op en neder. Zoo dwaalde ik langzaam af, totdat ik mij geheel
buiten de kom van het dorp in de eenzaamheid bevond. Deze was mij nu
niet onaangenaam: er was in de vreugde van mijn hart ook iets, dat zich
liever niet voor anderen uitstortte; en gelijk ik altijd tracht mij
reden van mijne gewaarwordingen te geven, zoo poogde ik dat ook nu te
doen. Zoo kwam ik op de aanleiding van het feest: de Koning komt.
Altijd zou mij die komst belangrijk en aangenaam geweest zijn, maar
heden bovenal. Het was de derde Augustus. De derde Augustus,
gedenkwaardige en roemrijke dag in de jaarboeken van ons vaderland,
inzonderheid voor ons geslacht. Op dien dag was het, dat voor elf jaren
Willem, Prins van Oranje, op last van den Koning zijn vader, aan het
hoofd van een getrouw leger, den eersten voet op Belgischen bodem
zette. Die geheele veldtocht met al wat hem was voorafgegaan en
gevolgd, verrees op eenmaal voor mijn geest. En als de hoofdpersoon op
die schilderij,—hoe kon het anders?—hij, die toenmaals Prins van Oranje
genaamd werd. Zie! wat ik bij die herinnering gevoelde, kan niemand
beseffen dan hij, die met mij de wapens in dien veldtocht droeg. Wie
Willem II niet als veldheer gezien heeft, heeft hem slechts ten halve
gezien. Niemand verdenke dezen uitroep van grootspraak: ik beroep mij
met vrijmoedigheid op de bezadigdsten onder mijne wapenbroeders. Kon ik
er u een denkbeeld van geven! Maar hij laat zich niet beschrijven, de
aanblik van den vorstelijken Held, gelijk hij zich aan het hoofd zijner
dapperen vertoonde. Nog zie ik hem met het aanbreken van den dag tot
ons komen, op het schoone ros gezeten, dat zijn meester niet lang meer
dragen zou, maar bij zijne verminking vóór Leuven hem een dier schoone
woorden in den mond geven, die de geschiedenis van de lippen der
dapperen opzamelt, om er het nageslacht mede te ontvonken. Nog zie ik
hem, met den lagen hoed en de vallende pluim op het hoofd, die door den
bijzonderen en bij den vijand bekenden vorm wel den kogels den weg
wees, die op zijne edele borst gericht werden, maar tevens, als de
beroemde pluim van Hendrik den Vierde, den zijnen tot wegwijzer op den
weg der eer verstrekte. Nog zie ik hem met het prachtige zwaard aan de
zijde, door de hand der Keizersdochter aan de heup van den vorstelijken
echtgenoot gegord, opdat hij het haar, gelijk hij ook gedaan heeft!
smetteloos, maar met frissche lauweren omsnoerd, terugbrengen en voor
de voeten leggen mocht. Maar vooral nog zie ik hem met die rustige
houding, die rust inboezemde ook aan de bekommerdste, moed aan de
versaagdste gemoederen, met dien helderen oogopslag, die van de
vroolijkste geestdrift glinsterde, en met die geheel onbeschrijfelijke
uitdrukking van strijdlust, die mij aan het krijgsros van Hiob denken
deed: „Heerlijk dampt zijn gesnuif! Met zijn hoef graaft hij den grond
op, en dartel in zijn overmoed, gaat hij het wapentuig te gemoet. Hij
lacht met de vrees, en ontzet zich niet en deinst niet terug voor het
zwaard. Rondom hem ratelt de pijlkoker, de bliksem van spies en lans.
Onrustig trappelt hij den grond, en kan niet stilstaan op ’t geluid der
trompet. Luider klinkt de trompet, hij briescht haar tegen, en riekt
den strijd van verre; des veldheers donderwoord en ’t krijgsgeschrei!”
Nog zie ik hem, zoo als deze verschijning telkens bij zijne komst een
luid hoezee uit den mond zijner getrouwen deed opgaan, waaraan hij door
een wenk met de hand zedig, maar te vergeefs, het zwijgen zocht op te
leggen.
Ja, ik herhaal nog eens: wie Willem II niet als Veldheer en in het veld
gezien heeft, heeft hem slechts ten halve gezien.—En in die gestalte
trad zijn beeld heden met de levendigste kleuren voor mijn geest.
Anderen zouden hunnen Koning aanschouwen—maar ik zou mijn ouden
Veldheer zien; mijn Veldheer! wiens vaan ik gevolgd, wiens wachtwoord
ik gesproken, wiens „Voorwaarts!” ik gehoorzaamd heb; mijn Veldheer,
die mij in den strijd en uit den strijd geleid heeft, en aan wien ik
het, onder God, te danken heb, dat ik op het veld van eer mijn jong
leven niet gelaten, maar daaruit een luttel schoone herinneringen voor
mijn ouden dag medegebracht heb; mijn Veldheer, van wiens lauweren een
zedige schaduw op mijn hoofd was afgedaald! Hoog klopte mijn hart onder
het gedenkkruis, dat ter eere van den dag mijn knoopsgat versierde; het
kruis van metaal, dat de hand van den Vorst ten aandenken aan hem en
den onder hem gevoerden strijd op mijne borst hechtte, terwijl hij het
wederkeerig als een aandenken aan mij en aan al de overigen, die met
mij zijn vederbos gevolgd waren, op zijn eigen boezem hing. Hem zou ik
wederzien, na elf jaren scheidens; wederzien, nu niet meer als
Veldheer, maar als het Hoofd des geheelen volks, maar als Koning. „Leve
Willem II!” riep ik, en zou mijn hoed wel in lucht hebben kunnen
gooien. „Leve Willem II”; de oude Prins van Oranje, gelijk hem het
vaderlandsch hart nog zoo gaarne noemt! Leve Willem II, de Held van
Hasselt en Leuven! Leve Willem II, voorheen mijn Veldmaarschalk en
opperbevelhebber, en nu mijn Koning en Heer!”
Zoo juichende verdiepte ik mij al meer en meer in het verledene. Was
het wonder, dat uit die diepte allengskens ook somberder beelden voor
mijnen geest verrezen? Ja, het was, als had ik door dien eenen blik in
de wereld, die achter mij lag, die geheele wereld voor mij geopend, en
als moest ik daarin nog eens op al mijne schreden teruggaan. Al wat
sedert dien blijden derden Augustus tot op dezen derden Augustusdag
gebeurd was, kwam mij achtereenvolgens voor de verbeelding. Eerst de
verstoring van onze heirvaart naar Brussel, door de wapenen van den (nu
ook reeds zoo jammerlijk ten grave gesleepten) Hertog Van Orleans, als
schild van het bedreigde België, vreedzaam, maar ernstig gestuit.
Vervolgens de terugkeering op den weg der onderhandeling, den hier wel
langen weg! Van daar het noodlottig stelsel der volharding, geboren uit
dien eigen geest van standvastigheid, die bij alle groote mannen, en
zoo ook bij Willem I, het snoer om den bundel hunner deugden en de
moeder aller groote daden is, maar die, even als elke andere deugd, in
het gevaar van VERharding hare eigenaardige schaduw met zich voert! Het
stelsel der volharding, na de aftreding van diens Hoofd, met
onedelmoedige partijdigheid, door al de vroegere voorstanders alleen
aan hem geweten en op hem gewroken, alsof het ook niet jaren lang het
stelsel des geheelen volks—met schaarsche uitzondering!—geweest ware,
zelfs toen de rookende puinen der citadel en het lauwe bloed der
vestinghelden er tegen scheen te roepen! Het stelsel der volharding,
eene dwaling misschien van Willem I en zijn volk, maar altoos eene
Nederlandsche dwaling; de dwaling van een volk, welks taaie
standvastigheid de grondslag van het gebouw hunner grootheid werd, dat
daarop rust, als zijne hoofdstad op hare palen; de dwaling van een
volk, dat de schoone dwaasheid had van niet van zijn tijd te wezen, dat
is, van in eene eeuw van diplomatie (men vergunne mij dit diplomatieke
woord) nog aan eerlijkheid, aan goede trouw, aan de heiligheid van een
eed, in den naam der Heilige Drieëenheid gezworen, te gelooven; de
dwaling van een volk, welks leuze het was van ouds af, om liever den
vaderlandschen grond terug te geven aan de baren, waaraan dijken en
dammen het ontwoekerd hadden, dan van vreemde oogen de wet te wachten.
Welnu! Nederland, die voorvaderlijke leus getrouw, heeft pal gestaan;
het heeft het hoofd geboden aan koninklijke en keizerlijke willekeur,
die geen hooger recht erkenden, dan dat van het voltrokken feit; het
heeft pal gestaan voor zijn recht, toen het voorwerp des geschils lang
opgehouden had een voorwerp van begeerte te zijn; het heeft pal gestaan
voor zijn Vorst, wiens dwaling het uit liefde deelde, toen andere
volken, uit oproerigen haat, op de goede daden hunner vorsten spuwden;
het heeft pal gestaan, gelijk een groot volk doet, als het eens den
Rubicon overschreden heeft, met opoffering van alles wat een volk
dierbaars en kostbaars heeft; het heeft, in een oneigenlijken zin,
zijne dammen doorgestoken, en zijn grond aan de wateren prijs gegeven.
Nu ligt het daar, het is zoo, half overspoeld en bedolven, en door den
stroom doorweekt; het ligt daar onder eene zee van schuld begraven,
waaronder het graan van ’s lands welvaart in den akker verkwijnt; het
ligt daar, als zijn zinnebeeld op de Zeeuwsche munt, met het
onderschrift: Luctor et emergo. Maar het ligt daar, als die Zeeuwsche
leeuw, door het water omgeven, maar door het water niet overwonnen. Het
kan zonder zelfverwijt op zijne overstroomde gronden zien: en zeggen:
„Mijn vijand was sterker, maar niet beter dan ik!”
En daarom, mannen broeders! geen onedelmoedig Wee over het hoofd van
den Man, die in deze, als in alle lotwisselingen, sedert meer dan
vijfentwintig jaar aan ons hoofd stond, ons vertegenwoordigde, en trouw
alle goed en alle kwaad, alle verhooging en alle vernedering, alle
verdienste en alle schuld met ons heeft gedeeld! Geen Wee over het
hoofd van den Man, die, misschien! naar verhevener bedoeling, in onze
oogen van de hoogte vallen moest, waarop onze armen hem verheven
hadden, om ons te doen zien, hoe dwaas onze vroegere menschenvergoding
was, en hoe kwaad! Geen Wee over het hoofd van den Man, die de schuld,
indien er schuld was, boette met het roer van het schip te verlaten,
dat hij niet voor alle klippen had vermogen te beschermen! Geen Wee
over het hoofd van den Man, die van vijfentwintig jaren leeds, om onzer
vaderen schuld geleden, en van vijfentwintig jaren arbeids, aan hunner
kinderen heil besteed, de verlangde rust zoekt in eene vrijwillige
ballingschap, en wien wij niet te hard mogen vallen, omdat hij die
gezocht heeft bij vreemden, nadat wij maar al te duidelijk getoond
hebben, dat hij die in de armen der zijnen te vergeefs zou hebben
gezocht! Geen Wee over ’t hoofd van den Man, die, in den strijd en de
dienst voor ons land vergrijsd, en van den troon afgestegen, niets van
ons vraagt dan een weinig aandenken voor het goede, dat hij gedaan
heeft, een weinig vergetelheid voor het kwaad, dat hij tegen zijn wil
mocht gedaan hebben, en een weinig liefde voor het goede, dat hij heeft
willen doen!
Neen! de goeden en edelen in den lande spreken over u geen Wee, Willem
I, Stam- en naamgenoot van den Vader des Vaderlands, voor wien wij
bezig zijn een gedenkteeken onzer hulde en liefde te stichten. Rondom
uwe asch vergaderd,—want immers zijt gij als Koning voor ons
gestorven?—rondom uwe asch vergaderd, als eenmaal Egypte rondom de asch
zijner koningen, wagen zij het niet, daarover vloek te spreken,
gedachtig aan uwe, en aan hunne eigene, menschelijke zwak- en
gebrekkigheid. Ja, met herinnering daaraan spreken zij, voor hunne
menschelijke vierschaar, u vrij, en laten uwe asch de eere der
gestorvenen wedervaren! Wat meer is, hun bede rijst voor u omhoog tot
Hem, door wiens gratie gij u Koning noemdet, die eenmaal, in den
grooten dag der verantwoording van koningen en volken, u gratie
verleenen moge, Koning der Nederlanden, Willem de Eerste!
Waar ben ik? Geheel en al van mijn onderwerp afgedwaald, naar ik zie.
Want het was niet Willem I, dien ik heden aanschouwen zou, maar Willem
II; de nieuwe Koning, met wien Nederland een nieuw tijdperk is
ingetreden. En toch, laten wij het niet verbloemen, niet zoo nieuw, of
het draagt de litteekenen van het oude; niet zoo nieuw, of zijn eerste
taak is om de wonden te heelen, die het uit het oude heeft meegebracht.
Laten wij het erkennen: zelden aanvaardde een vorst onder ongunstiger
omstandigheden de kroon van een vrij volk, dan de eerste der
Nederlandsche Kroonprinsen. Het was eene zware kroon, die kroon, die
van het grijze hoofd van Willem I op den heldenschedel van zijn zoon
nederdaalde. En wel mag u die kroon veel zwaarder gevallen zijn, mijn
Vorst, en veel zwaarder de schepter, dien gij uit zijne hand overnaamt,
dan de gevederde veldheershoed en de omlauwerde maarschalksstaf, dien
gij zoo licht en vroolijk droegt. Wel mag het u veel moeielijker zijn
gebleken, een volk te bestieren, dat van zijn Vorst zoo veel te eischen
heeft, en zoo licht te veel eischen kan, dan het u was, uwe dapperen
aan te voeren, die zoo gehoorzaam aan uw lippen hingen, zoo gedwee op
uw wenken vlogen, en naar krijgsmanswijs geen wil kenden, dan den uwe!
Wel mag het u eens veel gemakkelijker hebben toegeschenen, toen gij, na
dagen van mistrouwen en onzekerheid, onder geen al te gunstige
verwachting den veldheersstaf opnaamt, in weinige dagen de weifelende
gunst des volks, als ware het met een slag van het zwaard, te
heroveren, dan nu aan al de gunstige verwachtingen te voldoen, die
geboren werden, toen gij, in de Nieuwe Kerk der hoofdstad, de
rechterhand ophieft, en met de linker op de grondwet zwoert: „Zoo
waarlijk helpe mij God Almachtig!”—Willem II, Koning der Nederlanden!
Hebt gij aan die verwachtingen voldaan?—De vraag is stout: het antwoord
zou nog stouter zijn. Het verleden heeft ons wijs gemaakt: wij hebben
geleerd, hoe voorbarig het is, vorsten goed of kwaad te spreken, eer de
toekomst, die de mond is der Voorzienigheid, ons wèl of wee bevestigd
heeft. Zooveel mogen wij zeggen, dat wij van u het goede verwachten,
omdat wij zeker zijn, dat gij het goede bedoelt. „Ik heb slechts één
hartstocht, dien van bij mijn volk bemind te zijn!” Dat woord van uwe
lippen, uit de binnenkameren uws paleizes tot het oor van den schrijver
dezer regelen doorgedrongen, heeft geloof gevonden in zijn hart, en wie
het met hem gelooft, ziet de toekomst met vertrouwen te gemoet. En
eigenlijk steunt dat vertrouwen niet eens op dit, of op eenig ander
menschenwoord, maar op het woord van den God van Nederland:—zoo noemen
wij, zonder erg of trots, de Hemelmacht, die zich van ouds af aan
Nederland in onderscheidende liefde en gunst heeft geopenbaard;—den God
van Nederland, die belooft, dat hij niet varen laat de werken zijner
handen. Want zie! indien daar iets het werk zijner handen is, het is
het land, dat hij tot een land gemaakt heeft, Nederland! het is het
land, dat hij als het ware tweemaal geschapen heeft, daar hij het, even
als eenmaal geheel de aarde, later op nieuw uit de wateren heeft
opgetogen en bewoonbaar gemaakt. Het is het land, door hem langs
allerlei wonderbare wegen en leiding uit eene aanslibbing van rivieren
en zeeën, gelijk een keizerlijke mond verachtend sprak, tot de
meesteres van rivieren en zeeën verheven. Het is het land, door hem
onder de vleugelen van allerlei vorsten, koningen en keizers
gekoesterd, totdat het sterk genoeg geworden was om op eigen wieken te
drijven. Het is het land, straks van de ketenen bevrijd, waarmede zijne
voedsterheeren het in zijne vlucht zochten te weêrhouden: bevrijd, dat
wil zeggen, vrijgevochten, opdat het zijne krachten beproeven mocht en
oefenen, en even goed en vroom worden, als sterk en groot. Het is het
land, met de Nassau’s gezegend, met Hem aan het hoofd, op wien keizer
Karel leunde, toen hij deze gewesten aan Philips overdroeg, weinig
vermoedende, dat de arm, die hem nu steunde, zich eens zou uitstrekken
om deze gewesten met zijn zwaard tegen Spanje te dekken. Het is het
land, met schaarsche en schuinsche stralen door de geschapen zon
belonkt, maar met den helderen warmsten gloed van het ongeschapen licht
bestraald. Het is het land, tot op dezen dag, ondanks Engelands
naijver, ondanks Frankrijks veroveringszucht, en wat meer zegt, ondanks
eigen dwaasheid en schuld, in stand gehouden, ten levenden gedenksteen
van de macht en trouw van Hem, die Nederland tot zijnen Verbonds-God
koos, toen het op zijne munten aan het beeld der vrijheid Gods woord
ten steun gaf, met de spreuk: „Hac nitimur, hanc tuemur”: op dien God,
de leus onzer vendelen en stempelen, bouw ik, en al wat in Nederland
Gode geeft wat Godes is zijn vertrouwen voor Nederlands toekomst. Ach,
ware het slechts, dat het volk.... maar neen, hier geen klaaglied,
schoon het er misschien de plaats voor ware: want het is heden een
blijde dag! De Koning komt! de koning, ons door den Koning der koningen
geschonken om het werktuig Zijns welbehagens over ons te zijn. Leve
Willem II! Hoezee!
Leve Willem II! Hoezee! Zoo klonk het gejuich, dat in de verte opging.
De koning kwam. Ik haastte mij om hem te gemoet te gaan. Al de
dorpelingen liepen toe. Daar was hij! Lache er om wie wil, ik gevoelde
mij bij zijn aanblik getroffen. O, de liefde voor Oranje is bij den
waren Nederlander nog iets meer dan een woord. Wie de geschiedenis des
Vaderlands gelezen heeft,—bij Bilderdijk of Wagenaar, het doet er niet
toe,—wie haar gelezen heeft en gezien, hoe de dynastie van Oranje als
eene ader van leven, welvaart en bloei door die geschiedenis henen
stroomt, zegenende als zij vloeit, dorheid nalatende als zij opdroogt
of afgeleid wordt, en wederom zegen met zich voerende als zij
terugkeert,—en daarin het beeld van Hem, die ons haar schonk en wien
zij ons vertegenwoordigt,—die vraagt niet aan een ander, of het
verstandig, of het constitutioneel, of het negentiendeneeuwsch is, den
zoon der Oranjes tegen te juichen. Het is, gelijk een onzer Dichters
het treffend genoemd heeft, het is de stem van het bloed in ’s lands
kinderen, dat ’s lands Vader tegenroept. Laat anderen er tegen
verhandelen, eer ik er over gedacht had, had mijn bloed zijn loop
tweemalen versneld, mijn hart twee slagen in één geklopt, mijn hand den
hoed wuivend in de hoogte geheven, en riep mijn mond met de menigte
mede: „Leve Willem II! Hoezee!”
En Willem II? Hij was ouder geworden. Zijne edele gestalte was meer
gebogen, dan toen ik haar voor de muren van Leuven onder de lauweren
der overwinning aanschouwde; de verloopen jaren hadden hun strijd en
hun leed in rimpelen op zijn voorhoofd aangeschreven. Maar nog altijd
zweefde over zijn voorkomen de adel van eenen Vorst; nog altijd drukte
zijn gelaat de gelijkenis van een Oranje uit; nog altijd zweefde om
zijne lippen de vriendelijke glimlach van een geslacht, welks
gemeenzaamheid dieper grond heeft dan de populariteit van een
burgerkoning. Ik herhaal u niet, wat bij de begroeting van den Vorst
voorviel: het ontleende zijne grootste belangrijkheid van de gezindheid
der aanwezigen, van het jubelend hart der menigte en den dankbaren blik
van den Koning. En toch was het, alsof de Vorst op mijne gepeinzen
antwoordde, toen hij na de opgeruimde herinnering aan den veldtocht,
dien het gezicht van het metalen kruis hem voor den geest riep, op
eens, als schoot er eene wolk voor dat licht, op veelbeteekenenden toon
uitviel: „Wat is dat lang geleden!”—Lang geleden, had ik willen zeggen,
lang geleden, mijn Vorst! maar niet zoo lang, of nog klopt bij die
herinnering uwen ouden wapenbroeder het hart; lang geleden, maar niet
zoo lang, of nog heeft de liefde van velen hunner de moeielijke jaren
overleefd, die tusschen dien en dezen derden Augustus in liggen; lang
geleden, maar moge het nog lang en zeer lang zijn, eer de gedachtenis
daaraan ophoudt uw koninklijk hart te doen kloppen! Leve Willem
II!—maar eerbied, en misschien ook nog eene andere gewaarwording, sloot
den mond. Nog eenige woorden van hulde en trouw van de eene zijde, van
dankzegging en welbehagen van de andere—en daar reed hij heen. De
Koning was gekomen. Daar reed hij heen, en liet ons na? Eenige
vervallen bogen en kransen, eenige verlepte en verdorde bloemen en
blâren, eenige woorden met den wind weggewaaid, eenige kreten in de
lucht verstorven!—Neen, wie zoo spreken mag, ik niet. Daar reed hij
heen, zeg ik, en liet ons na: de herinnering eener liefelijke en
wel-aangename verschijning, de verlevendiging van het beeld eens
Vorsten, aan wiens aanblik zich de schoonste vaderlandsche
herinneringen van het levend geslacht verbinden; de verwarming onzer
liefde voor den Koning, dien niemand, wien Neêrlandsch bloed door de
aadren vloeit, met het schoone lied van onzen Volksdichter, van het
Vaderland vermag te scheiden; de aanvuring onzer dagelijksche gebeden,
voor hem op te zenden; en eindelijk de gedachtenis onzer eenvoudige en
onschuldige vreugde, en onzer vreugde vóór en ná die vreugde, die mij
nu nog het hart warm maakt, terwijl ik deze regelen schrijve. O, wie
nooit de waarde eener herinnering geschat heeft, dan voor zoo ver die
zich op de hand liet wegen, roeme niet iets in de linkerborst te
dragen, dat een hart heet.
Daar reed hij heen! Onze juichtoonen, onze vivats, onze gelukwenschen
volgden hem. „Vaarwel, o Koning!” riep ik hem in mijn geest achterna.
„Vaarwel! Voleindig uw zege- en liefdetocht door de gewesten van uw
goed en getrouw volk in zege en liefde! Wandel op de bloemen, die de
burgerij, door de hand der onschuldigsten en lieftalligsten uit haar
midden, u voor de voeten strooit! En wanneer gij in uw verheven woning
teruggekeerd zijt, en daar de koningszorg u met vernieuwde zwaarte op
de schouders valt, moge dan de geur dier bloemen u als eene herinnering
omzweven, en u eenige vergoeding schenken voor de doornen, die op het
hooge pad der koningen gezaaid zijn!”—Wèl den vorst, wiens pad een
dorenpad is! Het pad zijns volks is een pad van bloemen! En ook hem
bereidt hooger hand uit die doornen een kroon, schooner dan de
keizerskroon van het Heilige Roomsche rijk! Leve Willem II!
Zoo sprak ik; maar weinig dacht ik, dat mijn wensch reeds zoo spoedig
verhoord zou worden; want terwijl ik deze regelen nederschrijf, geniet
alreeds onze Koning een van die blijde dagen, die de zorgen der vorsten
helpen vergoeden. Juist heden kondigt mijn geliefde Haarlemmer op
aanstaanden Zaterdag de voltrekking van het hooge huwelijk tusschen
Karel Alexander Augustus Johannes, Erf-Groothertog van Saxen-Weimar, en
Wilhelmina Maria Sophia Louisa, Prinses der Nederlanden aan.
Saxen-Weimar en Nederland—de vereeniging dier namen klinkt niet vreemd,
vooral niet in het oor van een oud soldaat, die ze eenmaal op het veld
van eer door dezelfde glorie omschitterd zag, toen de ridderlijke
Hertog, die de hoogmoed en de wellust van ons leger is, de sleutels van
Leuven voor den voet van zijn koninklijken krijgsbroeder nederleide:
Willem van Oranje en Bernhard van Saxen-Weimar, een Vorst zulk een
Veldheer, een Veldheer zulk een Vorst, twee vrienden elkander
waard!—Maar nog liefelijker dan deze vereeniging is de vereeniging van
jeugdigen Vorstenadel en bloeiende Vorstinnenschoonheid, waarvan die
echt den knoop legt. Duitschland, sedert het ons zijnen Nassau schonk,
pleegt sedert lang ons zijne Vorstendochters voor de onze uit te
wisselen. Eene schoone ruiling, waaraan wij ook uw bezit te danken
hebben gehad, Wilhelmina de Gezegende!—Nu zendt het ons weder een
edelen Duitschen jongeling, gelijk de faam hem prijst, om van de
verhevene Paulowna het evenbeeld der moederlijke deugden tot deelgenoot
van zijn voorvaderlijken troon te vragen. Nederland geeft niet alleen
door den mond zijner vertegenwoordigers, maar ook met zijn hart, zijne
goedkeuring en zegen tot dien echt, en deelt in uwe blijdschap, Vader
Willem en Moeder Anna!—O, wat zorgen en smarten het koninklijk paleis
omsluite, het omsluit toch ook eene vreugde, die het met alle lagere
daken gemeen heeft: de hoogste, de reinste, de zoetste vreugde, naar
men mij zegt: vader- en moedervreugde. Vader- en moedervreugde! door
den Vader der menschen aan de eerste menschen geschonken, als de
vergoeding voor hun verloren paradijs, en sedert de vergoeding voor de
verloren paradijzen van alle Adamskinderen. Gewis, er wordt veel leeds
verborgen onder ieder gewaad, van het met hermelijn bekleede purper af
tot aan het met lompen bedekte bedelkleed toe: maar onder alle soort
van gewaad kloppen ouderharten, en met dat ouderhart is de arme zoo
rijk als de koning, en de koning zoo rijk als de arme, die het
gelukshemd uit de fabel draagt. Ik heb vroeger het lot der Gekroonde
Vrouwen betreurd, en bij het graf van Wilhelmina het lijden der hoven
geschetst: maar nu, bij Sophia’s bruidskrans wil ik het geluk verheffen
van de Vrouw, die in de huiselijke schaduw van een aartsvaderlijk hof,
onder het oog van liefhebbende ouders, aan de hand van den erfgenaam
eener kroon, die te klein van omvang is om zeer zwaar te zijn, de
bruidskroon op het maagdelijk hoofd ontvangt. Daarom, al is het, dat
mij, den nederigsten van Zijner Majesteits onderdanen, die geen lid van
eenige orde ben, dan die der zestigduizenden van Hasselt, de toegang
tot de feestzaal ontzegd is, en dat ik mijn oog aan het gezicht van het
bevallig bruidspaar niet verklaren zal, zoo wil ik toch met mijn
onfeilbaren looper de hooge deuren voor mij ontsluiten, om getuige van
de feestvreugde te zijn: ik bedoel mijne Verbeelding, die met
vleêrmuisvleugelen over de hoofden van schildwachten en kamerdienaars
en kamerheeren-ceremoniemeesters heenvliegt! Ik wil mij te half één
uren bij het schouwspel vertegenwoordigen, als de hand der
Czarendochter en Vorstinnenmoeder de kroon op het hoofd der bloeiende
bruid plaatst. Ik wil mij onder het gehoor verplaatsen van den
welsprekenden man, die, zelf een vorst onder de redenaars, met
bewonderenswaardige kunst de wijsheid des Hemels in de taal der hoven
kleedt, en bij iedere koninklijke vreugde en bij iedere koninklijke
smart, als vertegenwoordiger van der Koningen Heer, het heiligend kruis
op de omfloerste of omkranste kroon plaatst. En als eindelijk de
honderd en één kanonschoten het Amen op de voltrekking des huwelijks
verkonden, zal ik met een glas ouden madera, die ik voor zulke
gelegenheden bewaar, een hartelijken feestdronk instellen, en wie zijn
koning lief heeft, drinke mede: Leve het Vorstelijke paar! Leve het
Koninklijk Gezin! Leve de Koning!