GEKROONDE VROUWEN.

(26 October 1837.)

Welk een drukte! Wat gewoel! Er komt van daag geen einde aan het rijden

en rossen. De diligences hebben meer bijwagens, dan anders passagiers.

De veerschuiten zijn tot zinkens toe vol geladen. De wegen wemelen van

voetgangers. Het is of de aarde op ééns in een hellende richting

geraakt is, waardoor al wat beweegbaar is met geweld naar éénen kant

gedreven wordt. De stad is half verlaten.

’t Kinderschool is leêg geloopen;

De Invalied komt aangekropen;

’t Grootje hinkt van ’t spinnewiel.

Ik zou mij niet op straat durven vertoonen. Men zou het mij nooit

vergeven, dat ik heden mijn paar gezonde beenen tot iets anders

gebruikte, dan om den grooten stroom te volgen. Ik ben toch reeds

meermalen voor een wijsneus uitgemaakt. „Hé,” zeide men met open mond

en mij van het hoofd tot de voeten opnemende: „zoo kort bij den Haag te

wonen, en dan te verzuimen om de Koningin te zien begraven!”

Ziedaar mijn misdaad! ik wilde de Koningin niet zien begraven. Verdenk

daarom mijn Koningsgezindheid niet; zij werd nooit verdacht. En als gij

mij op den morgen van heden gezien hadt, gij zoudt u met mijne

weigering hebben verzoend. Ik had mij voor dezen dag van alle

dienstwerk ontslagen. Het was voor mij een heilige dag, de dag van

Sancta Wilhelmina. Ik ging evenwel niet ter kerke: mijne kamer diende

mij tot huiskapel, waar ik in den geest een lijkmisse ter eere van de

afgestorvene vierde. De onophoudelijk luidende kerkklok ondersteunde

mijne illusie:

Von dem Dome

Schwer und bang

Tönt die Glocke

Grabgesang.

Ik kan u den inhoud van het Miserere mijns geestes niet mededeelen. Zóó

veel kan ik er van zeggen, dat mijne mijmering in geen opzicht leek

naar het vers, door uw neef, uw broeder of uw vriend op den dood der

Vorstin gemaakt. Het was in den rechten zin des woords een mijmering,

eene fantasie, een visioen. Allerlei beelden dwarrelden bont en grillig

voor mijne oogen heen; ik volgde in mijne gedachten den trein van het

paleis, de woning der macht en der eere, naar het graf, de woning der

vernedering. Ik zag de kist in het graf plaatsen zes voeten lang en

drie voeten breed, meer niet, en dacht aan het woord van Juvenalis:

Mors sola fatetur quantula sint hominum corpuscula, zóó klein kwam mij

dit hoekje voor, dat nu volstond voor haar, die voorheen paleizen tot

woning, een geheel heir tot dienaren en een gansch volk tot eerewacht

op haren weg gehad had. Ik zag den trein de kerk verlaten, en bleef

alleen achter. Toen daagde ik in mijn geest, zoo als de Egyptenaren

deden, geheel het volk op, om over de Doode recht te spreken. Nog bleef

ik alleen. De menschen brachten geene beschuldiging tegen haar in. En

toen ik haar mij voor een andere vierschaar vertegenwoordigde, toen zag

ik haar gevolgd door al hare goede werken, die haar „bij hare afreize

uit deze wereld vergezelden, omringden en omstuwden, als een drom van

hemelsche Serafijnen, en haar juichende binnenleidden in de eeuwige

tabernakelen.”

Zoo peinsde en droomde ik al voort. Toen ik mijn lief kamerke verliet,

zal het omstreeks den tijd geweest zijn, dat de heraut bekend maakte,

dat de begrafenis van de Koningin was afgeloopen. Ik was over mij

zelven voldaan. Ik had naar mijn inzien het begrafenisfeest der

Koningin beter gevierd, dan menigeen, die geen slip van de staatsie

onopgemerkt had laten voorbijgaan. Want, (en nu kom ik op den grond

mijner weigering om naar den Haag te gaan,) ik zag er tegen op, om mij

in de drokte van het volksgewoel te begeven. Reeds vroeger was ik

meermalen geërgerd geworden door den toon, waarmede men over de sombere

plechtigheid sprak: kinderachtig (ik wil er geen anderen naam aan

geven) was de ingenomenheid van sommigen met de beloofde vertooning.

Men sprak er over als over een publiek amusement. En ik denk, dat wie

de menigte op de naar den Haag loopende wegen opmerkzaam heeft gade

geslagen, wel verwonderd heeft moeten vragen: zijn dit pelgrims naar

het graf der geliefde Koningin? Neen, dan hadden de bedevaartgangers

van het heilige graf, wier voorkomen, ja, zelfs wier kleeding in

overeenstemming was met het ernstig doel van hunnen tocht, dezen beter

de passende houding van een pelgrim kunnen leeren en hen doen blozen

over de gejaagdheid, over de verwachting, over het genoegen zelf, dat

op veler aangezicht te lezen was! En daar mijn gevoel een

kruidje-roer-mij-niet is en voor elke onvoorzichtige aanraking

schuchter terugkrimpt, mocht ik het niet in zulke een hinderlijk

gedrang wagen; het kan weinig tegen zulke stooten, als waaraan ik te

midden van zoo veel ergernissen zou hebben bloot gestaan. Ik had mij

zeker boos gemaakt over de weinige sympathie, die ik in den aanblik

mijner medegenoodigden ter begrafenis zou hebben opgemerkt. Ik had mij

bij het gezicht van den trein beklaagd, dat ik zulk een indrukwekkend

schouwspel niet onder gelukkiger omstandigheden had kunnen genieten. Ik

had geknord tegen de onderkaak van mijn achterman, die mijn hoofd tot

een rustpunt nam, of tegen den arm van mijn naaste, die op mijn

schouder als eene vensterbank leunde, en mij zelven wel honderdmaal van

dáár en op mijne kamer gewenscht; in één woord, ik had het genoegen van

anderen bedorven en mijn eigene stemming door anderen laten bederven.

En daar ik dit alles voorzag, wie moet mij niet toestemmen, dat ik de

wijsste partij koos met te huis te blijven?

De doodklok luidde nog altijd voort, en bepaalde voortdurend mijne

gedachte bij de plechtigheid van den dag.

Tot welk een ongewone drukte geeft de dood der Vorstin aanleiding! Welk

een scherp kontrast van het stil en verborgen leven der vrome Vrouw,

met het gewoel dat zich om hare kist verdringt! Ik twijfel er niet aan,

of zij zelve, indien zij recht van kiezen gehad had, hadde verkozen, in

den avond, zonder andere getuigen dan hare betrekkingen, zonder andere

rouwdracht dan die waarin zich het deelnemend hart kleedt, zonder

anderen lijksleep dan dien der dankbare beweldadigden, te worden

bijgezet.

Maar eene koningin heeft geene keuze. Zij is de slavin van haren stand.

Hofdwang benauwt het wicht reeds in de purperen windselen: hofdwang

klemt den dartelenden voet van het kind in den looden schoen der

etiquette: hofdwang leidt het wederstrevend slachtoffer naar het

geschuwde bruidsbed: hofdwang eindelijk ontrukt het heilig overschot

der gestorvene aan de armen harer betrekkingen, om het als een mummie

voor onverschillige oogen ten toon te stellen, of als een heiligenbeeld

in processie onder het gapende volk rond te dragen.

Voor een vrouw, die geheel vrouw is, moet er iets kwetsends in wezen,

al de verplichtingen der tiara te vervullen.

Arme onnoozele, die op éénmaal uit het vertrek uwer moeder wordt

opgeroepen, om den troon eens vreemdelings te deelen! Terwijl gij tot

nu toe in half kloosterachtige afzondering versmachttet, wordt gij op

ééns aan de vrije, koude lucht blootgesteld. Duizenden verdringen zich

op uwen weg, om u te bespieden; onbeleefde Courantiers kijken u de

woorden uit den mond, om die verdraaid aan het groote publiek weder te

vertellen: glurende schilders betrappen het blosje op uwe wangen, om te

weten, hoeveel karmijn zij voor uw portret noodig hebben; het gemeen

mompelt onder elkander, alsof gij geene ooren hadt, het vonnis zijner

voorbarigheid over uw voorkomen uit; hovelingen snuffelen als

speurhonden om u heen en fluisteren, met het oog op u geslagen,

elkander in de ooren. Eindelijk bereikt gij de plaats uwer bestemming.

Dit is nu uw echtgenoot, uwe Hoogheid! Die Heer dáár is Z. M. uw

schoonvader. Mag ik de eer hebben, u aan mevrouw uwe koninklijke

schoonmoeder voor te stellen? De eerste kus wordt ten aanschouwen van

honderdduizenden gewisseld; handgeklap vergezelt, evenals in de

komedie, de vaderlijke omhelzing. Nu kunt gij in de eenzaamheid een

weinig tot bedaren komen? Neen! gij moet op het balcon aan het volk

worden voorgesteld. Daar staat gij aan ontelbare onbeschaamde blikken

bloot; het volk applaudisseert bij den aanblik uwer schoonheid—lieve

Hemel! is het niet of het uw Schepper wilde toejuichen?—Gij moogt het

tooneel verlaten. Meen evenwel niet, dat gij daarom vrij zijt. Men

wacht u aan tafel. Daar zijt gij wederom de hoofdschotel. Men eet niet,

men drinkt niet, men doet niets dan u begluren en u beluisteren. Gij

komt niet tot u zelve dan in de armen van den man, die u zijne vrouw

noemt. Arme onnoozele! uw feestdag was een bange dag.

Eindelijk is aan de wetten der etiquette voldaan. De nieuw aangekomene

heeft de spitsroeden der openbare beoordeeling doorgeloopen. Men laat

haar in hare vertrekken met rust. Zij heeft den tijd zich met haar te

huis bekend te maken. Nu is het ergste geleden!—Misschien—zeer

misschien. Weet gij wel, hoeveel kansen zij tegen heeft? De man, aan

wien men haar heeft opgedrongen, kan harer onwaardig zijn. Zij heeft

hem moeten nemen. Maar al verdient hij haar: zal het verkeer der

wittebroodsweken de zoete gemeenzaamheid te weeg brengen, die anders

uit de langzaam toenemende vertrouwelijkheid van een verloofd paar

ontstaat? Of zal niet de betrekking der gehuwden levenslang den schok

gevoelen, die hen, als ik het zoo zeggen mag, tegen elkander geworpen

heeft? Hare moeder moet weder van haar weg. Zal hare schoonmoeder haar

dit verlies eenigermate vergoeden? Zij had onder hare hofjuffers een

vriendin—wel geene halsvriendin, die hebben Vorstinnen niet—maar toch

een lieve bekende gevonden. Aan wie zal zij nu haar vertrouwen

schenken? Zal zij in dit vreemd klimaat aarden? Zal zij hare lippen aan

de ongewone taal kunnen gewennen? Zal zij zich met de zeden haars volks

kunnen verzoenen?

Altemaal vragen, die haar niet eens gevraagd worden. Het heeft in de

Hofcourant gestaan: zij is met den vorst getrouwd; ergo, zij heeft hem

lief. Zij is zijn landgenoot geworden: zij heeft zijne taal en zijne

zeden aangenomen: zij heeft haar hart genaturaliseerd.

Noem mij niet zonderling, als ik zeg: de koninklijke eere is alleen

voor mannen geschikt. Dat staan op eene hooge, uitstekende plaats, dat

dragen van een zware kroon en een klaterend kleed, dat bekleeden van

een middelpunt van dienaars, dat treden door laag gebogen rijen, dat

ten doel staan aan de algemeene opmerking, dat openbare leven, als van

den Opperpriester te Rome, met nacht en dag openstaande deuren, dat

wonen in een altijd geurenden dampkring van wierook:—dat alles vervult

de borst des mans met edelen hoogmoed en doet hem den troon zelf om

zijn purper beminnen. Maar de zachte, ingetogene, kuische en vrome

vrouw, wier wereld is aan den boezem harer moeder, of aan het hart

haars echtgenoots; wier oog den sluier en wier hart de eenzaamheid lief

heeft; die schuw is voor lof en siddert voor afkeuring—kan zij gelukkig

zijn, geplaatst in een kring, waar zij boven de overigen opgeheven en

tot een voorwerp van algemeene aandacht gesteld wordt? Kan het haar,

indien zij haar kinderlijk, vrouwelijk hart behouden heeft, genoegen

doen, vrouwen, die hare moeder konden zijn, voor haar te zien uit den

weg gaan; mannen, die in de dienst des Staats vergrijsd zijn, voor haar

te zien buigen? Moet het haar niet hinderen, door den dwang der

etiquette verplicht te zijn, de haar natuurlijke voorkomendheid en

hulpvaardigheid te onderdrukken? En wee haar, indien zij een eenigzins

verheven, dichterlijken geest bezit, die behoefte heeft zich mede te

deelen, uit te breiden, over te gieten. Want hare Dame van kleedkamer

leest alleen den hofalmanak en het modejournaal: want hare

grootmeesteres kent geene andere wereld dan de hemisphaera van de

vertrekken der Koningin: want hare staatsdames hebben allen zielen van

klei en harten van steen. Daar ginds, in de verte, bespeurt zij wel de

groote mannen, die zij bewondert, de schoone geesten, die zij lief

heeft en met wie zij sympathiseert; maar de diadeem der genie wordt

niet erkend aan den ingang der zalen, waar boven de gouden kroon

praalt. Al wat het wetboek van den hofdwang duldt, is: dat ieder nieuw

voortbrengsel der schoone letterkunde haar op best papier gedrukt en in

een vergulden band worde aangeboden. De ongelukkige! zij moet alle

groote gewaarwordingen in hare borst opsluiten; zij moet, binnen haren

vergulden kerker gebannen, in zich zelve verteren: zij is aan het dier

in de fabel gelijk, dat, door de vlam ingesloten, den angel tegen zijn

eigen borst richt.

En wanneer zij de hoflucht verlaat, is het beter? Voorzeker niet:

overal dezelfden nasleep. De Koningin vertrekt naar haar buitengoed, om

een luchtje te scheppen. De Koningin gaat een luchtje scheppen,

herhalen honderd couranten. Het hof, de residentie, het gansche land

spreekt over een luchtje, dat de Koningin gaat scheppen! Eene

ongelukkige paraphrase voorzeker van hare beklemde zucht naar Gods

vrije natuur. Eindelijk is zij op haar lustslot aangekomen. Het weder

is schoon, de natuur in bloei, het bosch verrukkelijk. Maar wie geniet

daar iets van, door een drom van gonzende muggen ingesloten? En de

Vorstin is altijd van gonzende muggen omringd. Het water van de vijvers

is zoo helder en frisch: spiegelde het slechts geene hofrokken weder!

de vogels zongen zoo lief: maar zij hebben de vlucht genomen voor de

hovelingen, die eene aria uit de nieuwe Opera neuriën. De menschelijke

echoos: „Ja, uwe Majesteit!—Neen, uwe Majesteit!” maken, dat men de

echoos in het bosch niet hooren kan. De Koningin komt in de hofstad

weder, zonder een enkel uur van vrij en zuiver genot van de natuur te

hebben gesmaakt.

De Koningin zal den schouwburg bezoeken. Te harer eere is het er eens

zoo vol en tweemaal zoo warm als anders. Zij komt de zaal binnen;

handgeklap. Zij gaat zitten; al de lorgnetten zijn in beweging. De

Dames ontleden haar toilet van stuk tot stuk. De Heeren ontzien zich

niet, haar onbeschaamd aan te staren. Ware het eene andere Dame, haar

cavalier zou verplicht zijn het voor haar op te nemen. Maar de

Koningin, hoewel een vrouw, is geene vrouw als iedere andere; men

behoeft voor haar de gewone beleefdheden niet in acht te nemen. Het

stuk begint; eene menigte van aanschouwers blijft, met den rug naar het

tooneel gekeerd, het koninklijk gezin aangapen. Voor hen wordt de

representatie van den avond in de hofloge gegeven; de Koningin gevoelt

zich in den lastigen toestand van eene actrice, die debuteert; zoo

wordt zij in al hare bewegingen bespied. Lacht zij, men zegt: zie, zij

lacht! Welt er een traan van natuurlijk gevoel zachtkens in haar oog,

zij moet hem met geweld onderdrukken om niet bespot te worden. De

acteurs zijn gedwongener en spelen slechter dan anders. Dit is ook ten

deele het gevolg van het verbod om te applaudiseeren. Het is jammer;

een beschaafd publiek, dat zijne bewondering in luide goedkeuring te

kennen geeft, is zulk een schoon, éénig schouwspel! Maar waar het

koninklijk gezin zich vertoont, is alle enthusiasme contrabande,

behalve die zich in de nationale liederen lucht geeft. Het hof heeft

ook zijne claque. Eindelijk is de vervelende avond om, de menigte

schaart zich in de corridors, om den stoet te zien vertrekken. Met

gapenden mond en groote oogen staart men den glinsterenden sleep aan,

en wie weet, hoe velen bij dat gezicht niet kunnen nalaten te zuchten:

De benijdenswaardigen!

En nu zwijg ik nog van diplomatieke audienties. Nu zwijg ik nog van een

wandeling door het bosch van de hofstad en toertjes door de gewesten

des Lands. Nu zwijg ik nog van verre reizen naar buitenlandsche hoven,

om de kinderen te bezoeken, die de staatkunde aan het hart der moeder

ontrukt en door zeeën van haar gescheiden heeft. En wat is dit alles

nog, bij het deelen van de zorgen des bestuurs? Bij den plicht, om de

groeven te verzachten, die de scherpe rand der kroon in het voorhoofd

haars gemaals achterlaat? Om den vermoeiden en belasten den dienst te

bewijzen van Aäron en Hur aan Mozes, daar zij de tegen Amalek opgeheven

hand, toen zij te zwaar werd, ondersteunen? Om haar teedere schouders

te laten kneuzen door het tillen van een last, die zelfs den sterken

man nederbuigt?

o Gouden vertrekken der Koningin! indien uwe wanden spreken konden,

welk een Ilias van lijden zouden zij te verhalen hebben!

En gelukkig nog de Vorstin, die niets dan de gemalin des Konings

behoeft te zijn, in vergelijking van haar, die geroepen wordt, om den

zetel alleen te bekleeden. Arme bloem van Kent! Hoe dubbel zwaar moet

de driekroon der Eilanden op uwe fijne slapen drukken! Welke een

jammerlijke misgreep weder door de politiek tegen de natuur begaan, om

een zoet, achttienjarig kind op den hoogen troon te heffen! Zoo jong,

en reeds zoo hoog geplaatst! Gij doet mij denken aan die ellendige

schepseltjes, over wie ik soms mijn hart heb voelen breken, die, vijf

of zes jaren oud, gedwongen worden op de halsbrekende hoogte van een

koord kunsten voor het publiek te verrichten. Wat springt men

meêdoogenloos met u om! Wat heeft men u nog onlangs de straten van

Londen langs en door het gewoel eener joelende menigte gesleept! En dat

eene jonge beschroomde, die, bij de uitgelatenheid van ’s volks

geestdrift in Drurylane, zelfs de sporen van angstvalligheid niet

verbergen kon. O, hoe wel versta ik, wat men bericht, dat gij de

opgewondenheid van den grooten hoop, bij uwe verschijning,

onverschillig hebt blijven aanzien. Wat de borst van een jongeling hoog

had doen zwellen, moest op u noodzakelijk een onaangenamen indruk maken

en uwe schuchterheid beangstigen. En toen gij daarna vernomen hebt, dat

uw feestelijke optocht voor enkelen uwer goede onderdanen doodelijk

geweest is (plectuntur Achivi!) en dat het bloed van een jong wicht de

wielen van uwen zegenwagen bespat heeft, hoe beklaag ik u over den

rouw, die daarbij uw hart zal hebben vervuld, onnoozele duive, Koningin

Victoria!

Nog nauwelijks droeg de jonge wees het rouwkleed over haren

koninklijken oom, of reeds twistte het Parlement, wie bij haren dood

moest opvolgen. De erfenis eener achttienjarige te verdeelen.... zie,

dat is toch onvriendelijk vroeg! Of zouden misschien de Ministers Harer

Majesteit de zwarte verbeelding van Byron hebben, die zich ergens

beklaagt, dat hij geen jong meisje zien kon, zonder haar in zijne

fantasie tot een geraamte te ontleden? Zeker althans is het, dat de

Courantiers te haren opzichte het lastig gebrek van la vieille fille

hebben, om haar met geweld aan een jongen partner te willen koppelen.

Terecht schreef daarover iemand: „Arme Koningin, wier zoetste geheim

elke Dagbladschrijver raden, overbrieven, uittrompetten wil, hoe brengt

gij ons uwe doorluchtige voorgangster, Elisabeth, te binnen”!

En ware zij nog als Elisabeth! ik wil nog niet eens zeggen, ware zij

eene vrouw als deze, die onder hare kanten muts mannelijke hersenen

verborg en onder het zijden corset een mannelijk hart omdroeg! Maar

vergelijk eens den staatkundigen toestand van het toenmalig Engeland

met het tegenwoordig Groot-Brittanje. Gelooft gij niet met mij, dat het

toen veeleer dan nu de tijd was, om eene Koninginne-Maagd aan het hoofd

van den staat te hebben? De schepter der Monarchij laat zich des noods

nog door eene vrouwenhand voeren. Eenheid van wil vereenvoudigt de

regeering: onbeperkte ruimte van middelen maakt het heerschen

gemakkelijk. Maar bovenal, welke eene eeuw, de eeuw van Elisabeth!

vergelijk het ridderlijk Engeland, dat zich niet schaamde voor de

voeten eener edele jonkvrouw te knielen, bij het plebejisch en oproerig

Engeland onzer dagen. Vergelijk dien galanten hofstoet van Staatsraden

en Ministers bij den ongeregelden hoop der vertegenwoordigende kamers!

Vergelijk de kleine moeielijkheden, door de twisten tusschen den

hoofschen Leicester en den hooghartigen Burleigh ontstaan, met de

noodzakelijkheid, om zich op genade aan een brutalen, dweepzieken

O’Connel over te geven! Vergelijk eindelijk het volk dier dagen, als

een éénig man onder de monarchale banier geschaard, bij de veelkeurige

bende, die zich nu in allerlei partijen verdeelt. En beken, dat men

eene Amazone moet zijn om het wederspannig ros met zijden teugels en

zijden handen te kunnen breidelen.

En wat ik boven zeide, dat de Koningin zich door hare betrekkingen

meermalen in haar vrouwelijk gevoel gekwetst moet vinden, hoe veel

toepasselijker is dit nog op de regeerende Vorstin! Waar zal ik

beginnen, om de tegenstrijdigheden op te noemen, die zich tusschen de

plichten van haren stand en de eigenaardigheden van haar karakter

moeten opdoen? Neem eens de verheffing door de Engelsche Koningin van

den Edel-Achtbaren Lord Mayor en de Sheriffs tot Ridders. Wie gevoelt

er het onnatuurlijke en stuitende niet van? Welk een verschil met den

tijd, toen de bloedige hand des Vorsten zelven den moedigen schildknaap

de gouden spoor aan den hiel bond! Koninginnen der schoonheid te wezen

en den krans op het hoofd van edele mannen te drukken, ziedaar eene

vrouwelijke taak. Maar om voor zich den man te doen knielen, om

hem—even als Blount in Kenilworth met een geleend zwaard—door

onhandigheid misschien over de ooren te houwen, ziedaar eene

onvrouwelijke exercitie. Neen! wanneer er volstrekt tusschen twee

kwaden moet gekozen worden, dan liever het vrouwelijke lijden in het

paleis van Buckingham dan het spelen der mannelijke rol in Guild-Hall.

Dan liever de tranen, door de koninklijke Lijderes vergoten, dan de

feestdronk op den Souverein Victoria!

Met liefde keert mijn blik van zijne lange omzwerving naar uw stil graf

terug, Wilhelmina van Pruissen! ik verheug mij in de ruste, die hier uw

afgemat hoofd en afgefolterd lichaam vinden mocht. Want op wien ook, op

u zal de kroon in het graf niet zwaarder drukken, dan zij op de levende

woog. U is er een bange last meê van het hoofd gevallen. Het dankbare

volk misgunt u die ruste niet. Het verheugt er zich voor u in, dat de

hemel, en niet langer de aarde, u onder de Gekroonden telt!

Waarheid en droomen · 第 33 / 64 题