DE KONING GAAT TEN GRAVE.

(Maart 1849.)

„Mijne broeders! God alleen is groot!” Aldus luidde het woord, bijna

anderhalve eeuw geleden door een beroemden hofprediker bij het graf van

den grooten koning van een groot land en volk gesproken. „Mijne

broeders! God alleen is groot!”

Ik wist het van het oogenblik af, dat ik geleerd heb, dat alle koningen

der aarde, ook de grootste onder de grooten, niet alleen vleesch van

mijn vleesch en been van mijn been, maar ook stof van mijn stof en asch

van mijn asch zijn, en dat ook voor hen de ure komt, waarin zij, die

zoo vele duizenden en tienduizenden onder zich gehad hebben, tot elk

van wie zij zeggen konden: „Ga!” en hij ging, „kom!” en hij kwam, op

hunne beurt moeten gehoorzamen aan de stem van Hem, die alleen te

spreken heeft: „Keer weder, gij menschenkind!” en hij keert weder. Maar

wat ik reeds vroeger wist, heb ik nooit krachtiger gevoeld, dan in de

laatste tijden, die wij hebben doorleefd.

Ruim anderhalf jaar is het geleden, dat ik in de Champs Elysées te

Parijs wandelde. Plotseling ging eene stofwolk op: eene cavalcade kwam

aan. Ik zag, en zie—het was een koning. Het was Lodewijk Filips, de

koning der Franschen. Het was—zonderling spel der omstandigheden—de

zoon van Philippe Égalité, bezitter van den troon van Lodewijk Capet.

Daar snelde hij heen, van zijn koninklijk lustslot van Neuilly naar

zijn koninklijk paleis der Tuilerien, in al de pracht en heerlijkheid

eens konings, in zijn met acht paarden bespannen rijtuig, te midden van

den hem omringenden gouden hof- en scharlaken ruiterstoet en den bonten

stoet des volks, dat zich bewonderend of juichend op zijn weg schaarde.

Daar snelde hij heen, de erfgenaam der Carolingen, der Capets, der

Valois, der Bourbons, der Napoleons; daar snelde hij heen, de vorst,

wiens voet op de leliën trad, die voor de Bourbons ontloken,—om wiens

hoofd de adelaars zweefden, wier vleugelen Napoleon hadden gedragen.

Daar snelde hij heen, de eigenaar van Frankrijks schoonste paleizen en

prachtigste lusthuizen, de heer en meester in het paleis te

Versailles;—het schoonste, dat menschenhanden voor een koning hebben

gebouwd, gelijk St. Pieter het schoonste is, dat menschenhanden hebben

gebouwd voor Hem, die niet in tempelen woont;—het paleis van

Versailles, waar alles schijnt uit te roepen: „Ziedaar het Babel, dat

men u, o koning, gebouwd heeft! O koning! wie van de koningen der aarde

kan tegen u geschat worden? Wie is als gij?”.... Drie maanden

verliepen, en de groote koning was een balling, die, even als de vóór

hem verdreven Bourbon en Napoleon, om zijns levens wil vluchten moest

uit het land, waar zesendertig millioenen onderdanen aan zijn oog

hadden gehangen en aan zijne stem hadden gehoorzaamd.

Ruim een jaar later was ik te Tilburg. Ik bezocht daar het nieuwe

koninklijke paleis. Het is waar, het verschil tusschen Versailles en

Tilburg is zoo groot niet, als het verschil tusschen het paleis van

Versailles en het paleis van Tilburg is. Desniettemin, ook het paleis

van Tilburg draagt meer dan één ondubbelzinnig kenmerk van zijne

bestemming. Al ware het alleen in den eigenaardigen bouwstijl, dien

Willem II bij voorkeur beminde, bijna alsof hij eene dankbare

herinnering aan zijne in Engeland doorgebrachte kinderjaren moest zijn!

Maar wat meer is, wat aan het paleis van Tilburg als koninklijke

woonstede moge ontbreken, het werd voor mijn gevoel meer dan aangevuld

door de vertegenwoordiging van den Koning, die hier wonen zou. Hem toch

vond mijne verbeelding in al deze gangen en zalen, onder de kleinste

bijzonderheden, naar het door hem gemaakte bestek daargesteld, weder;

hem zag ik in al de grootheid van zijn koningsluister, in al de

waardigheid van zijn koninklijken persoon; hem, den lieveling niet

alleen van het door hem beweldadigd en verheerlijkt Tilburg, maar den

wellust van een geheel volk, dat hem met het hart beminde; hem, die

zonder de grootste van Europa’s koningen te wezen, in dit opzicht een

der gelukkigste van hare monarchen kon worden genoemd.... Drie weken

verliepen, en koning Willem II was een lijk, dat onder de tranen der

hem liefhebbende bevolking naar zijne laatste rustplaats werd heen

gevoerd!

Waarlijk, mijne vrienden! de Fransche hofprediker had recht. In

gindschen doorluchtigen val, in dezen doorluchtigen dood heb ik het

gezien, dat hij naar waarheid sprak: „God is groot! hoe grooter de

koningen en grooten der aarde bij hun leven zijn geweest, des te

verhevener is het getuigenis, dat zij bij hunnen val aan de alles te

boven gaande grootheid Gods geven. God blijkt alsdan te zijn die Hij

is, en de mensch is niets meer van dat alles wat hij dacht te wezen.”

Wie had het gedacht? Lodewijk filips, de groote koning, viel; Willem

II, de zooveel minder groote en machtige koning, bleef op den troon

gezeteld, ja, zat daarop na des eersten val nog vaster dan ooit. Gelijk

de dichter terecht zeide, wij konden juichen:

„Stort elders oproer en verraad

De vorsten van hun wankle troonen,

Hoe bleef de trouw van d’ onderzaat

Hier ’s vorsten liefde en trouw beloonen!”

Maar helaas!

„Wat oproer noch verraad vermocht,

Dat heeft de magt des doods gewrocht!”

Koning Willem II is niet meer! O, hoe daverde die rouwkreet scheller en

feller dan de klokkenklepels, die straks te zijner eer alom begonnen te

kleppen, door den lande heen! De ijzeren tongen, die van stad tot stad

en van dorp tot dorp het elkander toegalmden, hieven gezamelijk in de

hoogte eene klacht op, die echter verre overstemd werd door het geklag,

waarmede zoo vele stemmen beneden het elkander toesnikten: „De Koning

is gestorven! Willem II is niet meer!”

Willem II is niet meer! Die rouwgalm klonk ook in de plaats mijner

woning, klonk ook in mijn huis, klonk ook in mijn hart. Wat Oranje voor

mij is, wat Koning Willem II voor mij was, wat elke vorst uit het huis

van Oranje—indien ik (wat God verhoede! ooit op nieuw een vorst uit dat

huis den troon moest zien beklimmen,) immer voor mij wezen zal, ik heb

het meermalen kenbaar gemaakt; ik heb er bepaalder van doen blijken ook

in die nederige veldbloem, die ik vóór acht jaren, ter begroeting van

Willem II, op den weg van zijn eersten eeretocht als koning door de

provinciën van zijn land en de harten van zijne landgenooten heb

gestrooid: „De Koning komt!” Ach! hoe weinig dacht ik toen, dat na zoo

luttel jaren elders dezelfde stem, maar op geheel andere wijze, mijne

ooren treffen zou: „De Koning komt!” maar—om voor altijd heen te gaan:

„De Koning gaat ten grave!”

De Koning kwam om ten grave te gaan. Dit te weten, deed de begeerte in

mij ontwaken om op zijn laatste pad een cipressenblad te strooien,

gelijk ik bij zijn eersten tocht als Koning een enkel rozenblad op zijn

weg geworpen had. De gelegenheid daartoe bood zich gereedelijk aan. Op

den weg van Tilburg, de plaats van zijn dood, naar Geertruidenberg, de

plaats der inscheping van zijn overschot naar Rotterdam, om van daar

verder naar zijne laatste rustplaats te worden vervoerd, moest hij

langs een niet ver afgelegen heide gaan. Hem van die heide af ten grave

zien voeren, dit denkbeeld trok mij aan. Aan het gedrang eener

opgehoopte volksmenigte in deze of gene stad zou ik mij te nauwernood

hebben gewaagd: het contrast tusschen het luidruchtig gewoel der

toeschouwers en de stille plechtigheid van het schouwspel zou mij te

stuitend zijn geweest. Maar onder Gods vrijen hemel, in de stille

natuur, op eene eenzame heide te midden van weinigen die gevoelden als

ik, kwam mij de gedachte om getuige van den laatsten gang des Konings

te wezen niet alleen dragelijk, maar zelfs aanlokkelijk voor. Had ik

den Koning niet zien komen? Ik wilde hem nu ook zien gaan.

Het was dinsdag morgen. De klok sloeg vijf uur. Ik reed naar buiten.

Het rijtuig bracht mij op omstreeks een half uur van de plaats mijner

bestemming. Daar stapte ik het rijtuig uit. Het overige van den weg

legde ik wandelende af.

Het was schoon weder. De morgen was frisch, zelfs koud, maar tamelijk

helder. Was de lucht hier en daar licht bewolkt, de zon brak toch

telkens koesterend door de wolken heen. Zoo zongen dan ook de vogelkens

een vroolijk morgenlied. Boven allen klonk de stem van den leeuwerik

uit. Of het aan mijne stemming te wijten was, dat ik zulks meer dan

anders opmerkte, ik weet het niet; maar zelden heb ik meer leeuwerikken

gehoord. Van alle zijden opstijgende, zongen zij het lied, dat hun God

hen leert: het lied der lente, het lied van de wederopstanding der

natuur, dien spiegel van de wederopstanding der dooden. Er was iets

contrasteerends, en toch ook weder iets harmonisch in dat vogelengezang

op dezen morgenstond. O, hoe verschilde dit contrast van het contrast

met den woelenden en joelenden volkshoop, dien ik ontvlood! Het was een

contrast, gelijk alleen de natuur er ons biedt, waar de wet van den

cirkel heerscht, die de uitersten elkaâr ontmoeten en omhelzen doet!

Onder dit vogelengezang en al de geluiden der ontwakende menschen- en

dierenwereld wandelde ik, met tusschenpoozen van rust, in stille

gepeinzen daarheen. Op eens wordt die stilte afgebroken. Hoor! het is

een klokkentoon!

„Klagend klinkt heur traag geluid

Ten bemosten toren uit,

Waar de streng in wordt getrokken;

Zuchtend is heur klank en dof,

Als een toon van rouw en smarte,

En zij valt hem zwaar op ’t harte,

Wien zij de ooren trof.”

Het is de kerkklok van het naburig Oosterhout, die zich laat hooren:

het is ter eere van den Doode, dat zij met grove basstem haar somber

uitvaartlied begint. Bij dat geluid werd mijn geest al meer en meer in

den geest der plechtigheid van dezen dag verplaatst en gestemd. Ik

wandelde verder voort. Hoor! een nieuw geluid! het is gebulder van het

kanon, dat aan de andere zijde gromt. Het is het geschut, dat te

Tilburg het teeken tot den uittocht van den lijkstoet geeft. Dat schot,

het bracht mij als door een tooverslag op het tooneel des rouws over.

Ik zag het sterfhuis; ik hoorde de kreten der koninklijke weduwe; ik

vernam de snikken der treurende menigte; ik stemde in den toon van

smart, dien de lijkmuziek bij het zich in beweging zetten van den

zwarten stoet deed klinken.

En intusschen zongen de leeuwerikken altijd hun vroolijk morgenlied.

Nog ten minste twee uren moesten verloopen, eer het lijk op de plaats

kon zijn, waar ik mij bevond. Dien tusschentijd maakte ik mij ten

nutte, door in mijn geest voor mij te laten heengaan al de beelden, die

de gelegenheid van dit uur, als zoovele schimmen van het verledene,

voor mij als uit den grond deed opkomen. En wel mag ik als uit den

grond zeggen! Of welke was de grond, op welken ik mij bevond? Een

heidegrond, die eertijds een legerkamp was geweest; de heide van Rijen,

die de landlieden uit den omtrek nog heden het kamp van Rijen noemen.

Het is hetzelfde kamp, waar, in de gedenkwaardige zomerdagen van 1831

en later, een deel der mobiele armée gelegerd lag, en waar alzoo door

de legeroefeningen en spiegelgevechten de zege werd voorbereid, die

later in de gevechten voor Hasselt en Leuven werd behaald. Zonderlinge

afwisseling! eerst eene stille, verlatene heide—daarna een woelig

legerkamp—straks weder eene stille, verlatene heide. Welk een verschil

tusschen de stilte, die hier thans regeert, en het gewoel, dat hier

vroeger heerschte! Hier, op ditzelfde veld, waar nu bijna geen teeken

van leven werd bespeurd, hadden binnen een klein bestek duizenden—en

welke duizenden!—geleefd. Luidruchtige soldatenliederen hadden er

geklonken, fiere krijgsmuziek was er gehoord, ja, psalmen Davids waren

er aangeheven; want ook hier in dit kamp had men het vierde gebod, dat

in het legerkamp aan den voet van Sinaï gegeven werd, heilig gehouden.

Ook hier had op elken eersten dag der week de stem des Evangelies aan

de zonen van den krijg Vrede door het bloed des kruises verkondigd. Ook

hier, uit dezen tempel der natuur, waren, bij het geluid van horen en

trompet, even als vroeger, bij de begeleiding van Schoschannim en

Neginoth, duizenden zangstemmen opgegaan tot den Koning der schepping

en der menschen:

Zijn naam moet eeuwige eer ontvangen;

Men loov’ hem vroeg en spâ!

Hier vond ik er een, die zich herinnerde, het aandenken aan de

overwinning van Waterloo op deze eigenaardige wijze te hebben gevierd;

een ander dacht aan de wapenschouwing, die het uitspreken van het

„Voorwaarts!” voorafging. Maar wie kon aan iets van dit alles denken of

er van spreken, zonder te gedenken aan hem, die van dit alles het

bezielend middelpunt uitmaakte? hem, het hoofd, den held, den lieveling

van geheel het Nederlandsche leger, den Prins van Oranje, den

overwinnaar van Quatrebras, den mede-overwinnaar van Waterloo! Ja, wat

zich op dat groot en schitterend tooneel in die dagen al grootsch en

schitterends vertoond hebbe, het schitterendste bleef immer de altijd

groenende lauwerkrans van den Prins-Veldheer, die zelfs toen door de

nog in al den glans der populariteit blinkende koningskroon van Willem

I niet overschaduwd werd. En die prinselijke krijgsheld zelf! O, hoe

lief had hij op zijn beurt dit leger, hoe lief was hem dit legerkamp,

hoe lief was hem geheel het krijgsmansleven, dat hij in en om dit kamp

mocht leiden! Vraagt men, waar het geheim dier betoovering schuilde,

die voor den overleden Koning haren glans over Tilburg scheen uit te

breiden? Ik aarzel niet te antwoorden: het was de herinnering aan de

jaren van ’s Prinsen krijgsmansleven, aldaar en daaromtrent gevoerd.

Wij weten het immers allen: hoevele koninklijke en menschelijke deugden

onze Koning ook in zich vereenigen mocht, boven alles was hij

krijgsman, krijgsman in zijn hart. Dat onbezorgde, vrije, van allen

drang en dwang der hof-etikette, van alle streken en treken der

hof-diplomatie vrije soldatenleven was een leven naar zijn lust.

Ziedaar de eenige reden, waarom, geloof ik, onze Koning noch in zijn

prachtig paleis te Brussel, noch in zijn nieuw Gothisch prachtgebouw te

s’ Hage, zich ooit zoo zeer te huis gevoeld heeft, als onder de

veldtent in het kamp van Rijen, als in de eenvoudige woning, die te

Tilburg aan den Prins-Veldmaarschalk hare herbergzaamheid aanbood.

Tilburg en zijn omtrek was voor hem eene altijd dierbare herinnering

aan jaren zonder zorg of kommer; van daar bleef het hem een Sans-souci

in de jaren der zorgen; van daar werd het eindelijk de plaats zijner

ruste in de ure, die aan zijne zorgen op aarde een einde heeft gemaakt.

Ach, welk eene verandering! Met welk eene verwachting van de genezende

werking van Tilburgs lucht en invloed, was hij pas kort geleden dezen

weg langs gereden, en nu klonk hier het gebulder van het kanon, dat de

nadering van zijne lijkkoets langs dezen zelfden weg aankondigde.

En intusschen zongen de leeuwerikken altijd hun vroolijk morgenlied.

Ik sloeg een blik op het tijdvak, dat het veldbed van Rijens legerkamp

van het sterfbed binnen Tilburgs muren scheidt. Ik dacht aan de dagen

van den veldtocht, van

„den strijd, die minder dagen

Dan verwonnen steden telt.”

Ik gedacht aan de geestdrift des volks na de overwinningen, te Hasselt

en Leuven behaald. Ik gedacht aan de moeitevolle tijden, die die

roemvolle dagen hebben opgevolgd. Ik gedacht aan de zwaarwichtige ure,

toen met de kroon en koningsmantel van Willem I de last der regeering

op de schouders van Willem II was overgegaan. Ik gedacht aan hetgeen ik

toen met het oog op des Konings eed ten dage der kroning, en de

verwachtingen, daardoor verwekt, heb gevraagd: „Zoo waarlijk helpe mij

God almachtig!”—Willem II! Koning der Nederlanden! hebt gij aan die

verwachtingen voldaan?

Ja, ja! durf ik daarop thans antwoorden: Gij hebt het gedaan, o mijn

koning! zoo waarlijk helpe ons God! Willem II heeft dit vertrouwen niet

beschaamd: Willem II is een goed Koning geweest. Hebben wij hem als

Veldheer bewonderd en met hand en mond toegejuicht, als Koning hebben

wij hem liefgehad en in ons hart gedragen. Aan het gejuich, dat rondom

hem opging toen, hij den eersten eeretocht als Koning door zijne

provinciën deed, beantwoorden heden de tranen, die op den doortocht van

zijn lijk door zijne provinciën worden geschreid. En kon het anders

wezen? Liefde is liefde’s wetsteen. Nu! de geheele regeering des

Konings heeft het zegel gedrukt op dat woord uit zijn mond: „Ik heb

slechts éénen hartstocht, dien om bij mijn volk bemind te zijn.” Des

Konings ministers hebben eene gelukkige uitdrukking gebruikt, toen zij

spraken: „Diepe rouw overdekke het Vaderland bij het afsterven van een

vorst, die zijn volk boven alles liefhad.” Dit getuigenis is de

eikenkrans, dien zijn volk naast den lauwerkrans der koninklijke weduwe

op zijne lijkkoets leggen moet. Men vrage niet, of Koning Willem II

zijn volk heeft kunnen bevrijden van al den druk, dien het verledene

met zich bracht; helaas, zulke zegepralen zijn bezwaarlijker en worden

trager behaald dan die, welke hij te Quatre-bras en Waterloo bevocht:

maar dit erkennen wij: hij heeft de geslagene wonde zooveel mogelijk

zoeken te heelen, en daaraan meermalen eigen rechten en eigen schatten

ten offer gebracht. Hij toonde het in alles, dat, indien hij eens het

bloed uit zijne aderen voor Nederland gestort had, hij er andermaal

zijn bloed veil voor zou hebben, om Nederland zoo gelukkig te zien als

hij het wenschte te maken. Kan een koning schooner getuigenis in het

graf met zich nemen? Ik sprak straks van Versailles: ik deed opmerken,

welk een verschil er tusschen Versailles en Tilburg, tusschen beiderlei

paleizen en tusschen beiderlei koningen bestond. En toch, zie beiderlei

koningen bij hun uiteinde! O, hoe verre gaat dan Willem de Goede

Lodewijk den Groote te boven! Bij het lijk des eenen de minachting der

grooten, de haat des volks, de vijandschap van geheel het buitenland,

en op den achtergrond het schavot van Lodewijk XVI, als slachtoffer

vooral ook van den grootvaderlijken hoogmoed en weelde geslacht. Bij

het lijk des anderen de hulde van geheel het koninklijk geslacht en

hofgezin, de achting van den vreemdeling en bovenal de liefde van den

landzaat, als van drie millioen kinderen bij het lijk des algemeenen

Vaders; de liefde van den landzaat als de beste erfgave op het hoofd

van zoon en kleinzoon overgebracht.

Altijd rondwandelende, knoopte ik nu met dezen, dan met dien der

landbewoners uit den omtrek een gesprek aan. Het had niets

opmerkelijks, dat aller monden met de plechtigheid van den dag waren

vervuld; maar wat opmerking verdiende, het was de liefde, die uit aller

mond op de meest overvloeiende wijze sprak. Overal zamelde ik trekken

op, te onbeduidend om hier mede te deelen, maar die eene geheele wereld

van goedhartigheid en liefde in het hart des ontslapen Konings

ontdekten; trekken in den geest van dien trek, die ons ergens is

medegedeeld, hoe de Koning nog, weinige dagen vóór zijn dood, voor zijn

paleis in den Haag gezien werd, terwijl hij zich een geruimen tijd met

drie arme kindertjes onderhield. Ja, tot de armen, tot de kleinen, tot

de geringen zich neder te buigen, was een van die beminnelijke

karaktertrekken, die meest kenmerkend waren in den betreurden vorst.

Die nederbuiging was in hem meer, dan eene berekende en afgesproken

minzaamheid van vormen, die men zoo vaak bij vorsten vindt; hier was

zij iets beters; zij stond in verband met dat kinderlijke in hem, dat

hij ook onder het krijgsharnas en den koningsmantel had weten te

behouden. Spraken krijgsmansgrootheid en koningsadel uit de plooien van

dien mantel, dien hij op zoo ridderlijk fiere wijze droeg, een hart vol

liefde sprak uit de plooien van dien mond, waarmede men te recht gezegd

heeft dat „hij alle harten tot zich wist te trekken”. Indien hij in

meer dan één opzicht aan Hendrik IV deed denken, dien Frankrijk tot op

dezen dag le bon Henri noemt, dit geldt bovenal ook van de weêrgalooze

populariteit, die hij zich had weten te verwerven. Zelden heeft een

vorst beter het geheim verstaan om de waardigheid des konings met de

minzaamheid van den mensch en den menschenvriend te vereenigen: van

daar, dat hij de Koning van bijna even vele harten als zielen was.

Welke koning droeg ooit met meer recht den naam van beschermheer der

kunsten? Welke koning had ooit meer aanspraak op den titel van

weldoener der armen? Ik begrijp het mij, hoe een kunstenaar het eerste

sein voor de oprichting van zijn standbeeld gaf; maar ik moet het er

bijvoegen, indien men de tranen der beweldadigden in eene urn

vergaderen en die als eene lijkbus op zijn overschot plaatsen kon, dat

dit hem een nog schooner gedenkteeken zou zijn. O, ik weet niet, of ik

niet te stout spreke; maar mij dunkt, Willem II heeft in zijn korte

levensdagen een groot werk volbracht. Hij ontving eene kroon met

doornen bezet; ontveinzen wij het niet, te recht of ten onrechte, de

liefde des volks voor zijn Koning, de populariteit van Oranje in

Nederland had geleden, toen Willem II Koning werd. Een vreemdeling, die

vaak in onze zaken scherper ziet dan wij zelven, heeft den toenmaligen

staat van Nederland naar waarheid geschetst. „In de zestiende eeuw

heeft de volharding van Willem den Zwijger Holland gered, in de

negentiende heeft die van Willem I het land in groot gevaar gebracht.

Dertig jaren oud beklom hij den troon, gedragen door al de wenschen,

omringd door al de zegenwenschen zijner onderdanen. Het gansche land

gaf zich met liefde en vertrouwen aan hem over, en in het hart van den

rijke, zoowel als in het gemoed van den eenvoudigen dorpeling, wekte

zijn naam niets dan een gevoel van hoop en vereering op. Twee dwalingen

hebben hem die voorbeeldelooze populariteit doen verliezen.... Maar

welk een rust heerscht er in dat land! Welk eene edele onderwerping!

Welk eene standvastigheid! Toen Willem I de kroon nederlegde, hoorde

men onder het publiek niet eene enkele beschuldiging tegen de

verschillende daden van zijne regeering,—hoorde men niet eene enkele

klacht Iedereen heeft bij zichzelven de redenen van dit besluit

begrepen, en het stilzwijgen bewaard. Zelfs vertoonde zich in de

bewijzen van liefde en vertrouwen, den nieuwen Koning betoond, eene

zekere terughouding, die vol welvoegelijkheid was, alsof het volk

vreesde, dat de openbaring van eene te groote geestdrift voor den zoon

den schijn zou kunnen hebben van eene veroordeeling voor den vader te

wezen”. Maar nu! was de toestand van Nederland zoodanig, als hier door

een onpartijdig aanschouwer en opmerker wordt gezegd, welke bezwaren

ontmoette dan Willem II niet van stonde aan op zijn pad! Welk een

verschil tusschen de stemming des volks bij de troonsbeklimming van den

souvereinen vorst en de kroning van Nederlands tweeden koning!—Wel nu,

had Willem I het voorrecht niet gehad, de liefde des volks tot den

einde toe in dezelfde mate te behouden, Willem II heeft, als de

schoonste zijner veroveringen, den verloren grond herwonnen. Hij heeft

tot en op den naam van Oranje wederom al die liefde weten terug te

brengen, die daaraan van ouds onafscheidelijk verbonden was. Hij heeft

alzoo aan het nationale middelpunt van onzen staat, dat niet is la

charte constitutionelle, als vroeger in Frankrijk, maar dat is: de stam

der Nassaus met de spreuk Je maintiendrai, zijne aantrekkende en

bezielende werking teruggegeven. Hij heeft het koningschap in Nederland

op nieuw weten te bevestigen op die rots, die in deze dagen alleen

vaststaat, liefde tot den Koning, door de in vleeschen tafelen des

harten gegronde overtuiging, dat „zijn Koning hem van God gegeven

is!”—Koning der Nederlanden, vroeg ik straks: hebt gij aan die

verwachtingen uws volks ten uwen opzichte voldaan? En ik antwoord

nogmaals: Ja, gij hebt daaraan voldaan; want gij hebt de taak van een

Oranje volbracht! Gij zijt op nieuw het plechtanker geworden van het

hulkje, dat zich aan u vertrouwde. Daarom is de dag van uwen dood een

dag van rouw voor geheel Nederland; daarom is de dag van uwe uitvaart

een dag van droefenis voor alle Nederlanders; daarom gaat nu van

Tilburg een lijkstoet uit, die met andere tranen wordt overdekt dan de

kunst des zilverwerkers over het zwarte kleed van uwe lijkkoets heeft

uitgestrooid; daarom klinkt, van Tilburg tot aan de boorden van de

Lauwerszee, eene stem, die doodklokgalmen en uitvaartsalvo’s verdooft,

en die ook in mijn hart boven die allen weêrklinkt.

En intusschen zongen de leeuwerikken steeds hun vroolijk morgenlied.

Een dikke stofwolk doet zich in de verte op. Tusschen het stof wemelt

een roode gloed. Het zijn de kleine witte en roode vanen aan de speren

der lansruiters. De trein genaakt.

O, hoe stil en bijna onopgemerkt naderde hij hier! Op het punt, waar ik

mij bevond, waren slechts zeer enkele menschen. Ook vóór den trein

bevond zich bijna niemand. Recht zooals ik het had gewenscht en

gehoopt. Des te ongemengder en dieper was de indruk, dien de optocht op

mij maakte. Vooraan enkele ruiters, om den trein te openen; daarna eene

afdeeling lanciers, voorafgegaan door den majoor Coets van Baggen, die

te Waterloo aan de zijde des ontslapenen streed, en die het voorrecht

had hem bij een nog zwaarder strijd zijnen zetel tot een laatste ruste

te mogen aanbieden. Daarna het muziekcorps der lanciers, met hunne in

floers gewikkelde muziekinstrumenten, die zich, eenige honderde

voetstappen verder, in eene schoone andante klagende lieten hooren.

Eene eenvoudige koets met twee paarden volgde, en onmiddelijk daarna,

door vier paarden getrokken, de lijkwagen, waarin het kostbaar

overschot was bevat. Het was een indrukwekkend gezicht. De hemel van

den wagen was van somber zwart met rein zilver afgezet, en verhief zich

in een spits, die door een zilveren kroon gedekt werd: ik dacht aan het

schoone woord van Bossuet aangaande de toerichtingen, „die tot aan de

wolken de doorluchtige bewijzen verheffen van—ons niet”. Onder den

hemel, op het zwarte dekkleed, dat de kist omsloot, lag een kussen met

de gouden kroon, en naast de gouden kroon eene groene lauwerkrans, door

de hand der koninklijke weduwe gevlochten. Frisch, als waren zij pas

geplukt, waren die lauweren om het hoofd van den ontslapen held nog

niet verdord. Maar dat die kroon met geen enkelen traan van uwe

onderdanen door uwe schuld bepareld was, al was zij dikwijls voor u een

doornenkroon geweest, dat strekt u tot grooter eer, dan alle lauweren u

konden aanbrengen, o mijn Koning! Tegenover de kroon lagen de

epauletten, waarschijnlijk met de gekruiste veldmaarschalkstaven

versierd, het eereteeken van den rang, dien de held op het slagveld

verwierf, en waarop de Koning uit dien hoofde bleef prijs stellen. Ter

wederzijden lagen de degens. Ginds de degen, die, na in Spanje den

troon des overweldigers mede te hebben ondermijnd, daaraan bij Brussel

den laatsten slag toebracht. Want zonder Quatre-Bras geen Waterloo, en

zonder Waterloo geen St. Helena! Hier de degen, die den

Noord-Nederlandschen helden andermaal den weg naar Brussel opende, en

die in Brussel het bulletin van Belgiës onderwerping zou hebben

geteekend, indien geen Fransch leger, overmachtig en overmoedig, zich

tusschen Leuven en Brussel had gesteld: de degen, dien ook ik op den

IJzeren Berg als een starre der zegepraal tusschen de wolken van den

kruitdamp hebben zien blinken, en die ook mij als een starre naar het

veld der overwinning en van daar wederom huiswaarts heeft geleid!

Ziedaar alles wat ik zag; maar wat ik zag, kon mij niet beletten meer

te zien dan dat. Het belette mij niet in den geest het lijkkleed van

die kist te nemen, de kist te openen, en een blik op den daarin

rustenden doode te slaan. Welk een aandoenlijk gezicht trof mij daar!

Dat hoofd, dat zich zoo fier placht op te heffen, roerloos ter

nedergezonken; dat sprekend oog vol geest en vuur verdoofd! Nog altijd

diezelfde lach om den mond; maar die lach als in marmer gegoten,

roerloos, koud en kil. Die borst, met de welverdiende eereteekenen

versierd; maar het hart in die borst levenloos, verstijfd en stil. Het

geheel een beeld des doods; van dien dood, „die den geest der vorsten

als rijpe drijven afsnijdt;” van dien dood, die koningen en bedelaars

gelijk maakt, en den eersten recht geeft den laatsten met de woorden

bij Jesaja toe te roepen: Zoo zijt gij dan ons gelijk geworden! Ach,

wat was er nu van dien Koning overgebleven, die over zoovele millioenen

had geheerscht! wiens schepter zich, behalve hier over de oevers der

Zuiderzee, in een ander werelddeel over de eilanden eens onmetelijken

oceaans had uitgestrekt! Een ziellooze stofklomp, die welhaast een wolk

van stof zou zijn, als die stofwolk, die door de hoeven zijner paarden

werd opgejaagd. „Mijne broeders! God alleen is groot!”

Zoo was dan nu, na zes-en-vijftig jaren strijds, dat hoofd op weg om

zijn laatste peluw te gaan zoeken. Ach, ach! hoeveel stormen hadden

gedurende dat tijdvak niet al over dat hoofd gewaaid! Pas had het twee

jaren beleefd, toen het reeds in de

„kinderlijke wieg moest hobblen op de baren,

Uit huis en hof geschopt door dolle woestaardij.”

Die eerste storm was opgevolgd door het driedubbel geweld, waarmede

Napoleon hier den burger in zijn volk vertrad, daar den vorst in zijn

voorvaderlijk erfgoed beroofde, elders den krijgsman in zijn leven

bedreigde. Straks op een hulk wedergekeerd uit datzelfde Engeland, waar

hij op een hulk was heengegaan, schitterde wel om dat hoofd de kroon

van den vorst met den krans des overwinnaars omvlochten, maar ook toen

ervoer de vorst, hoeveel zwaarder het is, die kroon dan dezen krans te

dragen, en nog eens zag Engeland hem onder den last eener zware

beproeving gebogen terug. Wel joeg de zegepraal van Leuven die nevelen

weder uiteen, en daalde straks met den diadeem van Willem I de liefde

van een geheel volk op dien schedel neder; maar toen wachtte den Koning

eene nog bitterder ervaring: de ervaring hoe centenaarszwaar ook de

kleinste kroon kan wegen op het sterkste hoofd, en werd hem dit woord

van de lippen gedwongen, dat uit zijn mond tot mij gebracht werd: het

woord, waarbij hij verklaarde, dat men de uitdrukking „zoo gelukkig als

een koning te zijn”, in onze dagen liever omkeeren mocht. Als ter

voorbereiding voor het naderend einde kwam daarbij het lijden eener

geschokte gezondheid, het lijden van een leven, dat op die wijze „een

dagelijksche dood” werd, een leven als onder het zwaard van Damocles.

Ai mij, daar breekt de brooze draad, waaraan dat zwaard was

opgehangen.... daar valt dat zwaard neder... het treft dat dierbare

hoofd.... dat hoofd, nimmer gewoon te bukken, heft zich nog eenige

malen tot de worsteling op... vergeefs.... het wordt gedwongen te

buigen.... het buigt zich voor den laatsten slag... het zinkt voor

altijd op de koude borst.... Koning Willem II is niet meer!

Nu dan, het ruste zacht, dat edel helden- en koningshoofd! Het ruste

zacht op het rustbed, dat de liefde het in de laatste woning heeft

gespreid. Het ruste zacht in de schaduw der dankbare nagedachtenis, die

het graf der Nassaus, als een altijd geurende wierookwolk omzweeft.

Geene aanklagt, geene verwensching, geene stemme der beschuldiging of

der veroordeeling zal die ruste storen; immers, het weenen en snikken

des volks rondom het graf stoort zulk een ruste niet?

Slaap dan zacht, o Koning! Slaap zacht, in het hart uws volks beter dan

in alle oostersche specerijen ingebalsemd, en voor een spoedig vergaan

bewaard! Slaap zacht onder de lauweren, die eene zachte hand voor uwe

lijkkist vlocht, en moge ook de nooit gedroogde traan van Haar, aan wie

die hand behoort, zoowel als de rouw van het u teederlievend kroost,

dien slaap niet storen! Slaap zacht, en neem bij zoovele anderen ook

uit mijn hart dezen mannelijken traan als een offer der dankbaarheid en

der liefde mede.

En boven mij zongen de leeuwerikken altijd hun vroolijk morgenlied.

De trein was voorbijgetogen. Ik zag haar na. Daar ging zij heen, eerst

naar Oosterhout, dan naar Geertruidenberg, dan naar Rotterdam, dan naar

Delft, dan naar het graf. Rondom dat graf zouden al de dierbaarste

betrekkingen des Konings zich vereenigen, om het de laatste eer te

bewijzen. Mij dunkt, ik zag ze daar staan, en in hun midden zag ik den

jeugdigen man, die thans Willem III heet.

Willem III! Nog herinner ik mij als een aandenken uit de schoone jaren

van voorheen, hoe ik meermalen, langs de straten mijner vaderstad

gaande, een open rijtuig opmerkte, waarin zich twee jongelingen in

gezelschap van een opperofficier bevonden. Het waren de twee oudste

kleinzonen des toenmaligen Konings, Prins Willem en Prins Alexander,

die destijds kweekelingen der alma mater Leidensis waren. Waarlijk, men

had minder dichter moeten zijn, dan ik het toenmaals was, om niet wel

eens bij het gezicht dier twee jongelingen een blik in de toekomst te

wagen, en voor hen hun jongelingsdroom te droomen. Wat is er van dien

droom geworden? Ga naar het praalgraf der Nassaus te Delft, en vraag

den bewaker van dat graf, wat er van dien droom voor Prins Alexander

werd? Hij stierf op een vreemde kust, verre van zijn Vaderland, verre

van het hart zijns vaders en den boezem zijner moeder. Des te

dankbaarder zijn wij voor Prins Willem, dat zijn levensdroom zich

aanvankelijk heeft vervuld. Hij heeft de kroon verkregen, die hem voor

de oogen zweefde. Wat zal die kroon hem zijn? Ziedaar eene vraag,

waarop niemand op aarde antwoord geeft. Wat zal hij dier kroone wezen?

Ziedaar eene vraag, waarop evenzeer het antwoord blijft ontbreken. En

toch willen wij de beantwoording van die vraag door de toekomst

vooruitloopen, en het in hope zeggen: hij zal dier kroon een waardige,

een zijns vaders en onzes volks waardige kroonvoerder zijn! De

omstàndigheden, waaronder hij het gebied ontvangt, zijn al te

aandoenlijk, de tijden, waarin hij leeft, al te zwaarwichtig, om niet

op zijn hart te doen wegen de grootheid der verantwoording, die thans

op hem rust. De dood en begrafenis zijns vaders heeft hem toegeroepen:

Zie, hoe lief men hem had! Zie, hoe lief ons volk goede koningen heeft!

Zou dit hem niet dringen om een goed Koning voor zijn volk te wezen?

Eene zijner eerste regeeringsdaden is geweest, zijn volk met zich ten

gebede op te roepen. Is dat niet reeds een goed begin, dat aan Salomo

te Gibeon denken doet? Of zouden zoo vele gebeden, met de tranen onzes

volks over den ontslapen Koning, en, wat meer zegt, met het bloed van

den Koning der koningen, bij wiens kruis wij heden in den geest staan,

en op wiens kruis wij onze gebeden nederleggen, als besproeid, ledig

tot ons kunnen wederkeeren? Eindelijk,—o hoe gaarne neem ik dit als een

voorteeken aan!—hij heet Willem III. Accipio omen. Willem III! Welk een

naam is de uwe! Misschien hebt gij er zelf aan gedacht, toen gij daar

te Londen in Westminster-Abbey bij het graf van uw doorluchtigen

naamgenoot stondt; er aan gedacht, toen gij thans nog overal

Groot-Brittanje van den naam van Willem III vervuld zaagt; er aan

gedacht, toen men u in Engeland zoo menige hulde, aan uwen naam

verschuldigd, daarom te liever bracht, omdat gij ook een naam- en

stamgenoot van Willem III waart. Willem III! wij bidden het van God,

maar wij vragen het ook u, beschaam die schoone verwachting niet! Wees

voor Nederland als Koning, wat Willem III als Stadhouder voor Nederland

is geweest. Heeft Willem III voor de republiek het werk bekroond, door

de wijsheid van den Zwijger begonnen, door de dapperheid van Maurits en

Frederik Hendrik bevestigd, bevestig gij alzoo voor het koningschap het

werk, dat Koning Willem II tot dusverre voortgezet heeft. Daartoe zij

uw oog voortdurend op onzer vaderen God, op onzer kinderen Vader

gevestigd, met wien de groote Zwijger (immers ook voor al zijne zonen?)

een plechtig verbond heeft gemaakt. Biddende zijt gij begonnen; o,

mocht gij biddende voortgaan, opdat wij samen dankende mogen eindigen.

Christus te volgen, zoo waagde ik het reeds vroeger, met een woord uit

den ouden tijd eenmaal tot een uwer vaderen gesproken, u toe te

spreken, „Christus te volgen is den menschen vóór henen te gaan, en die

op dat pad de voorste is, is de eerste aller menschen, Gode het naaste

en alleen een rechtschapen prins.” Amen! zeg ik thans met dubbelen

nadruk op dat woord,—en al het volk zegge Amen!—en gij, o God der

vaderen! doe gij om en door Jezus Christus zoo en zoo daartoe!

Een beroemd schrijver heeft onlangs een bezield tafereel opgehangen van

de omstandigheden, waaronder Willem III Stadhouder der Unie werd.

Onwillekeurig vergeleek ik den heeten strijd op leven en dood, waarvan

die verheffing de uitkomst was, met de woorden der ministeriële

proclamatie: Het heeft den Almachtige behaagd Willem II tot zich te

roepen.—Willem III is Koning der Nederlanden.

Ziedaar, zeide ik bij mij zelven, den zegen van het erfelijk

koningschap. Elders worstelingen, die den vrede des lands in gevaar

brengen; elders, gelijk thans nog in Frankrijk, ook bij het behoud des

vredes, het gevaar om aan het hoofd des volks een man te zien, wiens

persoon niet alleen, maar wiens naam alreede voor velen een voorwerp

van dubbelzinnige herinneringen is; hier daarentegen de stille overgang

van de kroon des eenen Nassaus op het hoofd des anderen, en wat het

schoonste is, de overgang van de liefde, die op des eenen hoofd rustte,

althans bij aanvang, ook op des anderen hoofd. Nederland! moogt gij het

nooit vergeten, welk een voorrecht ons God tot op dezen dag in het

behoud van een erfelijk en wezenlijk koningschap liet, en eeuwig blijve

van onzen grond geweerd de invloed der voorstanders dier valschelijk

genaamde vrijheid, die Karel naar Holyrood, Lodewijk Filips naar

Claremont en Lodewijk XVI naar het schavot op de Place de Louis XV

bracht. Maar ook gij, o Koning! moogt gij nooit vergeten, met hoeveel

vertrouwen en liefde uw volk u tegenkwam van den dag aan, dat het in

den weg van God uw volk werd. En nooit ontga uw hart het aandenken aan

die schoone ure, waarin het op nieuw bleek, dat de liefde van Nederland

voor Oranje te recht genaamd is „de stem van het bloed van ’s lands

kinderen, dat ’s lands vaderen tegenroept.” Ja, zij is eene stemme des

bloeds, die stem! want zij is geboren uit het bloed, dat de Vader des

Vaderlands voor Nederland vergoot, terwijl hij stervende met dat bloed,

als met een onoplosbaar cement, Nederland en Oranje tot één verbond!

Welaan dan, bij het graf van dien Vader des Vaderlands ons verbond

vernieuwd! O Koning! wees gij ons een koning gelijk wij verwachten; en

wij zullen u een volk zijn gelijk gij hoopt. Willem I! Vader der

Nassaus! Vader des Vaderlands! wees gij getuige van dat verbond, bij

het open graf van dezen uwen naneef gesloten! Eer wij het verbreken,

verdorre onze hand! Eer wij het verloochenen, verstomme onze tong! Eer

wij er ontrouw aan worden, verstijve ons hart!—En nu! De koning is

gestorven. Zijn assche ruste in vrede! De Koning leve! Zijne regeering

zij gezegend! Ja, zijne regeering, ze zij, o God! gelijk aan die lente,

die gij weder over de aarde doet aanbreken; en het lied der vogelen,

dat dezen feestdag der lente viert, moge het de voorbode, gelijk van

een nieuw leven voor de aarde, zoo ook van een nieuw leven vol vrede en

voorspoed voor Nederland zijn! Mocht het zoo wezen.... o dan is de

laatste strijd tusschen het gindsche klokgeklep en dit vogelengezang

opgelost, en zingt dan, gij leeuwerikken! zingt luide uw vroolijk

morgenlied!

Waarheid en droomen · 第 35 / 64 题