Er kwam verandring in ’t gezicht mijn drooms.
Nog eens hervat ik mijn Reize door mijn kamer, ik sla mijn oogen her-
en derwaarts in ’t rond. Zoo valt mijn oog op wat ik mijn Stamboom
noemde: op mijn erentfesten Bijbel op zijn ouderwetschen lezenaar. Mijn
stamboom; als behelzende op zijn eerste bladzijde de volglijst mijner
Voorouders, mijn Genesis X, waaraan, door de hand der mijnen, een en
andermaal een soortgelijke aanteekening, als in dat kapittel zoo
menigmaal voorkomt is toegevoegd: „Deze en die werd geboren, gewon
kinderen, en stierf.” Hier zie ik ze weer: de namen van mijne vaderen,
van den eersten, dien we kennen, tot mijn eigen lieven vader en moeder
toe, en onderaan het open plaatsje voor Jonathan ... dat nog open is.
Tot hoe lang? ... neen, dat willen we niet andermaal gaan vragen. Één
ding is zeker. Ik vergeleek mijn stamboom met Genesis X; maar dat geldt
allerminst van de getallen. Die zijn voor het minst gedecimeerd. In die
dagen was zeven, achthonderd jaar een gewone leeftijd. Mozes hield er
reeds een andere rekening op na: Aangaende de dagen onser jaren, daarin
zijn seventig jaer, of zoo wij seer sterk zijn, tachtentig
jaer—Jonathan, hoort gij het?
Laat het zoo wezen. Jonathan worde ouder en ouder, zoodat het witte
graan om den zeis roept, de oogstdag zal welkom zijn. En wel beschouwd,
wat doet het er ook toe, of de namen op het schutblad van den Bijbel
een jaar of wat meer of minder achter zich tellen, als de Bijbel zelf,
waaraan ze als vastgehecht en waarmeê ze verbonden zijn, maar jong,
maar eeuwig jong is en blijft!
En dat blijft hij!
Zie, daar ligt hij voor mij. Wij zien elkander na lange scheiding weêr.
Hoe zien wij elkander? Hij vindt mij vrij wat veranderd: de Tijd
schreef in rimpelen zijn voortgangen op mijn voorhoofd aan; ja ze
staan, als op iederen van mijn gelaatstrekken, op elke van mijn
lichaamsleden te lezen! Hoe geheel anders met hem. Hij altijd dezelfde.
Ook uitwendig, in den sterken juchtlederen band, de soliede koperen
sloten, het stevige, degelijke, deugdelijke ouderwetsche papier met den
kloeken zwarten letter, en de platen van Luyken, bijna even duurzaam
als het koper waarin ze eens gegraveerd zijn. Maar ook inwendig, in den
inhoud. Ook daarvan geldt ten volle: „Niet verouderd!”
Welk een verschil tusschen hem en mij!
Ik las onlangs een bijzonderheid uit het leven van Alexander van
Humboldt, die mij trof. Toen hij als jongeling met zijn vriend Bonpland
in Zuid-Amerika reisde, zag hij een boom, Saman del Guere—meen
ik—geheeten: een waren reuzenboom, in al zijn pracht, macht en kracht.
Zestig jaren daarna, in 1858, bracht hem een reiziger, die uit die
streken kwam, een gelijkende fotografie van dien boom mede. Dat gezicht
deed hem aan. Naar de teekening te oordeelen, was die boom nog volmaakt
dezelfde als in 1798. De stam even hoog, vast en recht; de kroon even
breed en rijk; de takken even overvloedig, weelderig en schilderachtig
naar alle zijden uitgebreid; de bladeren even rijk frisch en groen; de
bloemen- en vruchtenschat even kleurig en welig. Toen werd Alexander
bedroefd. „Die boom nog geheel onveranderd, terwijl Bonpland lang dood
is, en ik een oud man aan den rand van ’t graf! Wat is er nu van die
vlucht van jeugdig enthusiasme, die mij en mijn reisgenoot toenmaals
bezielde, en ons met onze gedachten en plannen hoog boven de hooge
kruin van dien reuzenboom, ja, van de hemelhooge bergen daarachter en
rondom, opstijgen deed!...” Maar genoeg, gij hebt mij reeds begrepen.
Wat Alexander voelde tegenover de afbeelding van zijnen langlevenden
boom, gevoelt de verouderde Jonathan, staande tegenover zijnen altijd
jongen Bijbel. Alleen maar, de aard van de daardoor opgewekte
gewaarwording verschilt. Humboldt werd droevig, ik gevoel mij gelukkig
en blijde. Geen wonder: de jeugd van zijnen boom kon zich aan hem niet
meêdeelen: maar de onveranderlijkheid van onzen Bijbel waarborgt ons
onze onsterfelijkheid, onze eeuwige geestelijke jeugd. Daarom roemen
wij: Alle vleesch is als gras, en alle heerlickheyt des menschen als
een bloeme des gras. Het gras is verdorret en sijne bloeme is
afgevallen: maar het woordt des Heeren blijft in der eeuwigheid.
Ja, het Woord blijft. Jaarhonderden en jaarduizenden zijn dáár, om het
te staven; ook het laatste jaarhonderd is daarvan een getuige te meer.
Dat tijdvak toch is voor mijnen Bijbel niet al te goed geweest.
Vreeselijke stormen en orkanen, o gij, woudkoning in den vreemde, gij
machtige saman-boom! zullen in den loop van die zestig jaren, van 1798
tot 1858, over uw kruin zijn heengevaren; ontzettende onweders zullen
uw stam hebben bedreigd, en misschien ook wel vreeselijke aardbevingen
uwe wortelen hebben geschokt en geschud; maar gij zijt staande
gebleven, altijd jong, altijd sterk, altijd groen, altijd vruchtbaar!
Welnu, niet anders deze Bijbel! Ook over hem heeft een Pinksterstorm,
gelijk wij er een in 1860 beleefden, die de grootste en sterkste eiken
ontwortelde en nederwierp, wat zeg ik? onderscheiden zulke
Pinksterstormen zijn over zijn hoofd heengegaan, en hebben getracht hem
te knakken of neêr te slaan; maar het is niet gelukt. Hij heeft geen
blad verloren, geen bloesem laten vallen, geen vrucht afgeschud.... hij
staat daar altijd even krachtig en bloeiend, en als gij hem nadert,
reeds van verre waait u uit zijne bladeren een geur des levens te
gemoet!...
Men zou zeggen: maar wie heeft dan zulke stormen en onweders tegen dit
beste der Boeken verwekt? Kan het zijn? Hebben dat de menschen gedaan?
En waarom? Wat dan, o mijn Bijbel, wat hebt gij den menschen gedaan,
dat velen uit hen u zoo gram konden zijn, en u zoo gaarne zouden
verbrand, verscheurd, of voor het minst verminkt hebben, zoo ze hadden
gekonnen?
Wat gij den menschen gedaan hebt? Dat is spoedig gezegd. Gij hebt ook
in het jongst-verloopen tijdvak, ook in de laatste zestig jaren hebt
gij duizenden, en tien- en honderdduizenden onder de menschen geleerd,
gij hebt ze gesticht, gij hebt ze getroost, gij hebt ze gesterkt: gij
hebt wonden gebalsemd, gij hebt rimpels glad gestreken, gij hebt tranen
gedroogd. Toen er ten vorige jare oorlog was, was het als een hemelsche
verschijning, als er in de hospitalen, waar de gewonden lagen, een
broeder of een zuster van het Roode Kruis kwam, met een zachte hand, en
een zacht verband, en een verzachtenden balsem in de vingers, en vooral
met een zachte stem, die opbeuring en vertroosting sprak tot de
verslagenen naar het lichaam en de verslagenen naar den geest. Maar wat
die barmhartige Samaritanen onder de menschen in zwakheid hebben
beproefd, dat hebt gij, o hemelsche Samaritaan des goddelijken Woords!
in kracht beoefend en volbracht. Gij hebt in het groote hospitaal des
menschelijken levens, waar de zichtbare, maar vooral de onzichtbare
wonden niet te tellen zijn, gij hebt daar al wat krank, en zwak, en
lijdende, en geknakt en gebroken was geheeld en gesteund; gij zijt dien
mannen van krankheid en smart, dien kinderen der zonde en des doods,
een engel der vertroosting en des levens geweest: gij hebt u dien
Benoni’s een Benjamin, een zoon der Rechterhand getoond! O hoe zal men
er u ooit genoeg voor danken? hoe zal men er u voor begroeten en
zegenen: Gezegend gij die komt in den naam des Heeren!... Maar neen!
neen! Alzoo, o mijn Bijbel! is het u van velen niet gegaan. Veeleer het
tegendeel. Iemand heeft een verhaal aangaande u geschreven: De
geschiedenis van het Boek. Maar indien men die geschiedenis raadpleegt,
dan ziet men dat weinige lijders in deze negentiende eeuw moeielijker
dagen hebben beleefd, dan gij; ja, zoo moeielijk, dat het ons soms
wonder dunkt, dat gij er het leven afgebracht hebt; hoeveel meer, dat
aan u de belofte ten volle vervuld is: Geen been van hem sal verbroken
worden.
Inderdaad! het is een zware strijd, die in onze dagen op het groote
slagveld des geestes gestreden wordt. Op een van de heerlijke zes
fresco’s van Kaulbach in het nieuwe museum te Berlijn, voorstellende
zes hoofdtijdperken uit de Algemeene geschiedenis der menschheid, heeft
de schilder de zegepraal des Christendoms over het Heidendom afgebeeld.
Het tafereel geeft u een blik te slaan op het slagveld van den slag, in
de velden van Catalonië tusschen Theodorik en Attila geleverd. Het is
een geniale greep! Beneden ziet men het slagveld zelf met zijne
gewonden en dooden. Maar niet alleen beneden, ook daarboven is er
strijd. Uitgaande van de legende, dat men nog dagen daarna
krijgsgerucht in de lucht zou hebben gehoord, ontleent de schilder
daaraan een schoone dichterlijke gedachte. De geesten zetten daarboven
in de lucht den strijd voort, dien de lichamen der verslagenen beneden
hebben moeten opgeven. Welnu, een dergelijke geestenslag heeft ook in
onzen tijd plaats. Wie ooren heeft om te hooren, hoort het geklikklak
der zwaarden in de lucht. Wat zal de uitkomst zijn? Dat vraagt niemand
die gelooft. Wij zijn als Eliza. Wij zien en hooren de legers van onzen
grooten Bondgenoot in de lucht, en roemen als hij: Wie met ons is is
meer, dan die tegen ons zijn. Wij zijn vóór het einde van den slag der
victorie zeker. Toen de Fransch-Duitsche oorlog van 1870 begon, riepen
de Franschen; naar Berlijn! de Duitschers; naar Parijs! Dat was bij den
een grootspraak, bij den ander anticipatie, bij beiden overmoed. De een
had Parijs wel niet kunnen, de ander heeft Berlijn niet mogen zien.
Maar als wij in den grooten geestenslag tusschen licht en duisternis,
tusschen de wereld en het geloof dat de wereld overwint, bij voorraad
en voorbaat uitroepen: Naar Jeruzalem! Naar het Nieuw Jeruzalem! dan
weten wij, dat wij er komen zullen. Hij, die niet liegen kan, de
Waarachtige en Almachtige heeft het gezegd. Het bulletin is reeds
geschreven: het is in de Apocalyps geboekt.
Dit neemt evenwel niet weg, dat voor een hart, dat dezen strijd
aanziet, dat aan dezen strijd deelneemt, de dagen boos en hachelijk
genoeg zijn. Een man, die recht van medespreken heeft; daar hij jaren
opperstuurman op het schip van staat in Frankrijk was, en dat schip
door menigen storm gelukkig heenvoerde, totdat ook hem het roer in de
handen brak; de groote en edele strijder Guizot heeft er van gezegd:
„Mijn ziel is te gelijk van vertrouwen en onrust, van hoop en vrees
vervuld. Ten goede en ten kwade is de krisis, welke de beschaafde
wereld doorgaat, oneindig sterker, dan onze vaderen hebben voorzien;
sterker dan wij zelven het denken, wij, die er reeds de meest
verschillende uitwerkselen van ondervinden. Verheven waarheden,
uitnemende beginselen zijn innig samengemengd met denkbeelden, die
volkomen valsch en verderfelijk zijn. Een schoone arbeid van
vooruitgang en een afschuwelijk werk van verwoesting volgen elkander in
de geesten en in de samenleving op. Nooit heeft de menschheid in zulk
een mate tusschen hemel en afgrond gezweefd.” De schilderij is niet
bemoedigend, en toch, we willen den moed niet opgeven. Ook daarom niet,
omdat we op den eind-uitslag gerust zijn. Maar ook niet om deze reden,
dat hoe dreigend zulk een strijd zijn moge, er nog iets erger is dan
dat, en dat is: een volkomen rust.... namelijk de rust van het kerkhof,
de rust des doods. En die was er vroeger, eer deze strijd ontbrandde.
Die was er in de zoogenaamde vredejaren, toen de kwade stoffen
stillekens werden opgehoopt, die de lucht zoo elektriek gemaakt hebben,
dat nu het bliksemlicht niet van den hemel is. Vraag een wakker
kapitein, die op de Oost vaart: Wat hebt gij liever: storm, of
langdurige windstilte? Hij zal het eerste kiezen. Met storm komt men,
al is het dan dan stormende, toch nog voort: met eene windstilte gaat
tijd, geld, lust, geduld, moed, alles verloren.—En ziet gij, er was
vroeger op de Galilesche zee der kerk windstilte. Het zeil van het
scheepke des Heeren hing los langs den mast; er was geen adem op het
water, geen gang in het schip; alles doodstroom; men kon niet varen;
men kon niet voort. Later begon de wind op te steken..... het woei....
het woei hard.... het woei harder.... het waait nu erg hard.... het
waait soms een stoker... om het even! Beter zoo, dan in ’t geheel niet.
We weten nu voor het minst, dat we leven, we weten waarom we leven, we
weten ook waarvoor we strijden, en met Gods hulp, we zullen er ons
doorslaan, en de haven halen!
Als nu maar alle man zijn plicht doet! Nelson zeide voor den slag van
Trafalgar: Engeland verwacht dat ieder man zijn plicht doen zal. En zij
deden hun plicht, en overwonnen. Zoo ook wij. Elk zijn plicht: van den
admiraal tot den matroos; van den opperstuurman tot den koksjongen; van
den kolonel der marine-soldaten tot den pijper, die den slagmarsch
blaast. Alle man zijn plicht. En dat is niet: hard geroepen! luid
geschreeuwd! Maar: trouw gewerkt! ijverig gearbeid! en moet het
wezen—en het moet soms zijn—moedig en dapper gestreden! Ach, dat het
daaraan zoo dikwijls ontbreekt! Jonathan, gij ziet hier toch niet
bezijden? Zie vóór u! of liever: Zie op u! En nog het allerliefst: Zie
in u, en spreek uw peccavi!
Och ja, peccavi! Als ik naar binnen zie, dan sta ik hier voor mijn
Bijbel, die mijn stamboom, den stamboom ook mijner vrome vaderen bevat,
als een arm zondaar. En dat niet enkel, omdat ik misschien soms wel
eens wat traag, of achterlijk, of lafhartig was in den strijd,—daar
zijn er, die mij den Jonathansgeest op dit gebied als de zwaarste
mijner zonden aanrekenen—maar ook, en vooral, omdat ik, naar mijn eigen
inzicht en gevoel, niet trouw genoeg heb gewaakt en gewerkt. Dat is
toch nog altijd de weg, die de uitnemendste is. De vorsten en ridders
der hervorming droegen in der tijd op hun kleed het woord gestikt
V.D.M.I.A. Verbum divinum manet in aeternum. Dat voorbeeld moeten we
volgen. Of nog liever: we moeten dat woord niet alleen dragen op ons
kleed, maar op ons lichaam, op onze ziel, op ons verstand, op onzen
geheelen uit- en inwendigen mensch. We moeten niet alleen een levenden
Bijbel hebben, maar ook een levende Bijbel zijn: een boek, waarin de
Heilige Geest niet met inkt, maar met vuur, zijne geboden schrijft, om
tot een brief van introductie en recommandatie voor zijn Evangelie bij
anderen te strekken. Mocht ik die les leeren aan den voet van het
Woord, waarvoor ik sta. Het is de les, waarin men nooit volleerd is.
Zelfs invaliden moeten in dezen strijd zich nog blijven oefenen, als
jonge conscrits. Laat dat zijn. Als de dood ons maar bij het vaandel,
op onzen post vindt. Als we maar met Bossuet, in het schoone slot van
zijne lijkrede op Condé, ons door onze witte haren indachtig laten
maken aan de rekenschap, die wij eerlang hebben af te leggen, en aan de
vervulling onzer taak tot den einde toewijden les restes d’une voix qui
tombe et d’un ardeur qui s’éteint.
Negen—tien.—Mijn klok spreekt. Hij zegt, dat het tijd is om te
eindigen. En dat kan ik ook doen: mijn taak is af. Ik heb mijn Laatste
woord aan den lezer gesproken. Dit woord is als een enveloppe om een
brief, dien men nu, met een allerlaatsten groet op de keerzijde van den
omslag, definitief verzendt. Moge de brief goed aankomen, en met een
vriendelijk gezicht worden ontvangen. Ik heb geen reden er aan te
twijfelen. Ik zeide het reeds vroeger: het groot publiek is van ouds
goed, en meer dan goed voor Jonathan geweest. Ik had die goedheid
vroeger niet verdiend, en weet niet, waardoor ik haar nu zou hebben
verbeurd. Ik wil er het beste van hopen.
En zoo leg ik hier niet, zonder een gevoel van zachten weemoed de pen
neder.
Ik zie nog eens voor het laatst het tijdvak over, dat deze vijfde
uitgave van de eerste scheidt. Waar zijn nu velen van de lezers, die
mij het eerst door hun goedkeuring en toejuiching verblijdden en
bemoedigden? ze zijn niet meer. Ze zijn uit dit land van Droomen in het
vaderland der eeuwige Waarheid overgegaan, en aanschouwen daar de
vervulling van menige schoone verwachting, waarover wij ons samen, al
schrijvende en lezende, in de voorgaande bladzijden hebben verheugd.
Daarentegen is een ander geslacht opgestaan, en omringt in zijn
jeugdige gestalte den steeds ouder en ouder wordenden vader van dit
papieren kind. Zal ik bij de kinderen iets terugvinden van de
welwillendheid, die ik van hunne ouders, en misschien grootouders,
genoot? Ik mag er althans niet op rekenen.
Andre tijd, andere oogen, een andere kreet,
En de tijd is nabij, die mijn schijnsel vergeet!
Ook voor den flauwsten nagalm van vroeger ondervonden waardeering
wensch ik dankbaar te zijn.
En nu eindelijk nog een handdruk aan de vrienden onder mijne
tijdgenooten, die nog in leven zijn. Dit kringetje is klein geworden,
maar het is, Goddank, toch nog niet geheel gebroken: het is nog een
kringetje: tres faciunt collegium. Hen moge de oude bekende stem nog
eens, van uit deze bladen, van mijnentwege groeten. Een Requiescat voor
de dooden: een hartelijk Salve voor de jeugd; maar dan ook een trouwe
handslag met een hartelijk: Semper idem! voor de vrienden! De dichter
heeft gevraagd:
Maar de mannen, in wier hairen
Wij een grijzen vlok ontwaren,
Daar zij zich in ’t hoekjen scharen,
Waar zij uit de drukte zijn,
Prijzen luide d’Ouden Wijn,
Geurig, keurig, uitgelezen....
Zou ’t met vriendschap ook zoo wezen?
De vraag wordt aan allen, dus ook aan mij gedaan; en dan roept alles
wat in mij is daarop luid en vroolijk uit: Ja, Dichter! zoo is het! Zoo
is het! Zoo blijve het! Zoo worde het steeds meer en meer!
En nu gaan wij, eer de nacht valt, het oude huis, waaraan wij in den
geest samen een Afscheidsbezoek brachten, verlaten. Ik schuif den
leunstoel terzijde, ik sluit de boekenkast dicht, ik sla een laatsten
blik op den uurwijzer van mijn Huisklok, ik wuif een groet toe aan het
Kinderportret aan den wand, ik richt ten slotte een dankbare zegenbede
aan den ouden Huisbijbel—en thans den trap af, de deur gesloten, de
sleutel uit de deur.... heil zij dezen huize! Waarschijnlijk kom ik
hier niet weêr. Andere stemmen roepen elders heen. De weg leidt
voorwaarts....
Voerman! rij in Godsnaam voort!
VERSPREIDE STUKKEN
VAN
JONATHAN.