Nogmaals—

Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms.

Ei zoo.... Gij daar ook nog, mijn portret? Beeld mijner kindsheid,

miniatuur-exemplaar van den tegenwoordigen Jonathan! O zeker, u ziende,

gedenk ik aan de dagen van ouds. Toen ik vroeger evenzoo voor u stond,

en u mijn kleine meditatie wijdde, was er tusschen u en den toenmaligen

Jonathan reeds verschil genoeg. Dat verschil is sedert nog grooter

geworden. Een leeuwerik onder de zangeressen uit den vreemde, (schoon

tamelijk in de buurt; het is eene Vlaamsche, die niet voor niet Rosalie

Loveling heet), heeft het gevoel, uit het gezicht van zulk een

gedaante-verandering geboren, aardig uitgedrukt:

In grootmoeders kamer, daar hangt het beeld

Uit hare kinderjaren:

Een lachend mondje, peerlenoog,

En bruine kroezelharen.

De kinderen stonden en staarden ’t aan,

En ’t een zeî aan het ander:

„Och, waar’ dat schoone kindje hier,

Wij speelden met malkander.”

En de oude in haar leunstoel met bril en toer,

Keek op bij deze rede:

„Wie zou dat schoone kindje zijn?....

Gij speelt er altijd mede.”

Inderdaad, de vergissing der kinderen is verschoonlijk: het onderscheid

is ook zoo erg groot! En laat dat zoo zijn! Oud te worden, is geen

kwaad, als maar niet alles aan ons en in ons te gelijk mede oud wordt.

En dat is niet noodig. De dichter Tegner heeft ergens gezegd, dat de

ouderdom sneeuw strooit, niet alleen in het haar, maar ook in het hart.

Zou dat regel zijn? Als er sneeuw op een vulkanischen grond valt, smelt

ze: dat kan de Etna leeren. Misschien is het, omdat mijn hart wat warm

van temperatuur is uitgevallen, dat ik van de sneeuw in het binnenste

nog niet veel merk. Schleiermacher is de eenige niet, die zich zelven

beloofde, dat hij, oud wordende, jong zou blijven,—en woord hield. Er

zijn dwergen, die dezen reus dit hebben nagedaan, door ’s mans

zevenmijlslaarzen aan hun kleine voeten te doen.

Ja, er is een middel—ik sprak er reeds vroeger van—om ouderdom en jeugd

in één zelfden mensch te vereenigen, zooals de oranjeboom aan één stam

het groene blad, den zilveren bloesem en de gouden vrucht draagt. Een

dichter zong er van:

Eenmaal wordt het kind een man,

Die veel trefflijks wil en kan;

Eenmaal wordt de man een kind,

Zwak zooals men kindren vindt!

Waart gij lang een kind van God,

Grijsaard-Kind! dan heil uw lot!

Grijsaard-Kind. Een eigenaardige combinatie, die mij denken doet aan de

bekende Kind-Vrouw uit den David Copperfield van Dickens. Nu, wat het

grijsaard-worden aangaat, daaraan heeft het bij mij niet ontbroken. Een

groene grijsheid—zegt men—een spar onder de sneeuw;—ik verzeker u, dat

er sneeuw op de bladen ligt! Maar nu de andere helft: het Kind in den

Grijsaard, Jonathan, hoe staat het daarmeê?

Hoort eens, lieve menschen, ik zit hier niet in den biechtstoel. Daar

zijn dingen, die men liefst alleen, of nog beter onder vier oogen

afdoet. Maar die andere twee oogen, die ik daarbij tegenover mij

wensch, zijn de uwe niet. Intusschen, dit kan en mag en wil ik u wel

zeggen: het Grijzen is makkelijker en voorspoediger gegaan, dan het

Kind worden. Het is daarmeê als met het op- en afklimmen van een berg.

Het afklimmen gaat rad genoeg ja, het gaat van zelf; maar het

opstijgen! En Kind, in den besten en hoogsten zin Kind te worden, is

eene opstijging, erger dan tegen den Montblanc. En geen wonder! Het

gaat ook naar een Montblanc, den Witten berg der volmaakte en

vlekkelooze heiligheid, op welks top, even als het licht van den zon in

den morgen op den Zwitzerschen berg, het groote eeuwige Licht, waarin

gansch geen duisternis is, woont. Nu, ziet gij, zulk een bergreis gaat

met groote moeite en inspanning gepaard. Het heeft wel iets van den

gang van sommige bedevaartreizigers naar Jeruzalem, die soms, bij wijze

van vrijwillige zelfmarteling, telkens na twee stappen voorwaarts weer

éénen achterwaarts deden. Of wilt gij een nationaal beeld? Denkt aan

den tijd, toen gij als kinderen tegen de een of andere duin op zoudt

klimmen, en gedurig met het zand, dat gij pas en met moeite bestegen

hadt, naar beneden kruidet! Ach, als gij zondag een goeden stap

voorwaarts hebt gedaan, komt maandag, en dinsdag alles bederven, en ’s

woensdags daarop is het, of het weer de vorige zaterdag ware. Waarlijk,

er is volharding en moed toe noodig om den strijd niet op te geven.

Toch willen wij dit met Gods hulp niet doen. Daarvoor voelen wij ons te

sterk in de belofte: Hij heeft ons macht gegeven, kinderen Godts te

worden.—Kinderrang bij kinderzin. Het is beloofd. Het zal geschieden.

Het kan geschieden. Het is mogelijk, al is het ook moeielijk, al is het

ook wonderbaar. Van wonderen gesproken,—de klassieke dichter Ovidius

heeft een heel boek vol geschreven, waarin hij van niets dan van

metamorfosen verhaalt. Menschen worden boomen, vogels, en wat niet al

meer. Maar als ik van die mirakelen lees, blijf ik er koud bij: het

zijn immers maar fabelen? Het is alles mythologie. Maar als de Heilige

schrift van mannen en vrouwen, ja, zelfs van ouden van dagen spreekt,

die kinderen worden—zie, zoo waar God leeft, dat is geen fabel, geen

mythe, dat is een feit! Zoo waar ik leef, ik weet dat het een feit is;

ik heb het gezien.

Een schoon gezicht—om hetwelk te aanschouwen de engelen gaarne den

hemel verlaten—die gedaante-verandering van den volwassen mensch, die

een kind wordt! En zooveel te schooner, naarmate het zielsgelaaat van

dien mensch door de werking der zonde meer verdorven, meer verouderd en

leelijker gemaakt was. Als men u toen gevraagd had: kan die akelige

Kains-tronie nog weer een lief, onnoozel Abelsgezicht worden, zooals

deze er uitzag, toen hij nog levend en blozend als een kind op zijn

moeders schoot lag, of ook, toen hij in zijn tweeden en laatsten slaap,

met een lachje op het gelaat, door zijn moeder in de armen genomen werd

om tot de groote rust gebed te worden? dan zoudt gij geneigd zijn

geweest uit te roepen: Onmogelijk! En gij zoudt recht hebben gesproken:

dat is ook onmogelijk—althans bij de menschen is het onmogelijk. Adam

kan het niet, en Eva kan het niet, en Abel zelf uit zich zelven kan het

ook niet; er is geen enkel Adamskind, die het kan! Maar wat bij de

menschen onmogelijk is, is mogelijk bij God,—als God het wil, en dìt

wil God. Hij wil, dat menschen zalig worden, en tot die zaligheid voert

geene andere weg, dan door de tweede kindsheid heen, die wij het

kindschap Gods noemen. Om het wonder dier herschepping te

bewerkstelligen, beschikt hij over goddelijke krachten en gaven. Is het

vreemd? Men verhaalt van Rubbens, dat hij, met een penseelstreek of

wat, een schreiende in een lachende tronie op zijn paneel veranderen

kon; zou de hand, die Rubbens dit schildergenie in den boezem gaf, niet

iets dergelijks bij zijn maaksel vermogen? God heeft uit een handvol

klei eenen mensch gebootst; zou hij nu den misvormden, verbasterden en

ontaarden mensch niet weer tot een nieuwen en reinen mensch kunnen

hervormen? Het is zoo: de bewerking is nog zwaarder. Want de doode klei

was lijdelijk in de hand des Pottebakkers; maar de levende aardmensch,

in wien de klei van beneden vaak over den geest van boven heerscht, is

weêrstrevig en weêrspannig, en maakt den grooten kunstenaar soms moeite

genoeg. Maar toch, als er eens een begin met het groote werk is

gemaakt, o! het gaat. Het gaat langzaam, maar het gaat. Het gaat

moeielijk, maar het gaat. Hier een vlek weggewischt, daar een rimpel

weggestreken, elders een lach of een blosje aangebracht—het gaat. Zie,

het wordt reeds een geheel ander voorkomen. Het hangend hoofd heft zich

op, en het matte oog begint te glinsteren, en het ruwe vel wordt glad,

en het onrustig jagende hart wordt stil, stil—zegt de Psalmist—als een

kind bij zijn moeder.... en dat is niet de eenige kindertrek! Het

kinderlijke komt gedurig meer boven, en uit, en door.... Ik las ergens

van een volksgeloof, volgens ’t welke een mensch, als hij gestorven is,

het gelaat van zijn vroegere kindsheid weêr aanneemt... dat is een

legende. Maar dat Christenen, hoe ouder ze worden, temeer op kinderen

beginnen te gelijken, ja, telkens meer kind zijn.... dat is geen

legende. Dat is een feit. Ik heb het gezien en ik zie het aan mij

zelven, helpe God! Met zijne hulp zie ik het eens in zijn gansche

volheid en volkomenheid.

Wanneer?

Ik zie er mijn portret op aan, maar ik krijg geen antwoord. Mijn moeder

heeft mij bij mijn geboorte den horoskoop niet laten trekken. Er is dus

zelfs niet naar geraden, hoe oud ik wel worden zou. Nu, in zekeren zin

is dat ook onverschillig. Het aardsche leven is altoos een korte

ketting, waaraan het op een schalm of wat meer of minder niet aankomt,

daar zij toch bestemd is spoedig te breken. Anders is het gelegen met

het hemelsche leven, de keten die nooit breekt. Dat is als de keten van

den telegraaf, die onder rivieren en stroomen door, en zoo ook door de

Jordaan des doods heenloopt, en den Nebo aan deze zijde aan de kust van

de Palmstad aan den anderen kant verbindt. O wat het zijn moet, op dien

anderen oever te komen, en dan het strand te kussen, en daarna

opgerezen in den kristallen stroom zijn eigen beeld te zien, en

zichzelven zoo weinig te herkennen, als ik mij nu in dit

kinderportretje herken.... welk een verwachting! Toen men in der tijd

dit kindje wel eens vroeg: hoe groot zult ge worden? hief het wicht de

kleine armpjes omhoog, zoo hoog hij kon, maar altijd veel te laag....

het kleine schepsel! het kon niet hooger. Maar vraag nu het kind van

God eens: Hoe groot zult gij worden? Lieve menschen! dat kan hij u nog

minder toonen: want dat is zóó groot, zóó groot, dat men gaat duizelen,

alleen van het zich te verbeelden. Bedenk dat er geschreven staat: ze

sullen Hem gelijck wesen.

En dat alles, het ligt nu vóór ons, recht vóór ons, dicht vóór ons—wie

weet, hoe dicht? Zonderling, dat die gedachte ons niet meer verblijdt.

Ik weet nog, hoe het mij te moede was, toen ik het eerst den Montblanc

zou gaan zien.... ik was de wereld te rijk! en ik heb hem gezien en

uitgeroepen: schoon, schooner, veel schooner, dan ik mij had verbeeld!

Maar nu dien anderen Montblanc te zien, en niet alleen te zien, maar

ook te bestijgen, en niet alleen te bestijgen, maar ook blijvend te

bewonen. Gelukkiger dan De Saussure en zijne navolgers, die na een kort

verblijf op de hoogte weer naar beneden moesten in het Dal, in den

herberg, en bij de morsige wateren van de Arve, die door de

Chamounix-vallei stroomt. Nog eens, hoe kan het zijn, dat het ons zoo

koel laat? Nu zou ik toch haast weêr zeggen, dat de sneeuw niet alleen

op het haar ligt. Wat er aan te doen? Nog eens een blik op den

Kind-Grijsaard des dichters, met zijn schoon verleden en nog schooner

toekomst:

Ik ken twee schoone dalen,

Waarop ik blik met stille vreugd:

Het eene vol bloesem en stralen,

Is ’t groene veld der jeugd.

Het eene is doorgetogen!

En schemert reeds in ’t wijd verleên:

Toch wendt er de Grijsaard zijn oogen

Met dank’bre blijdschap heen.

Het tweede ligt daarboven!

Dáár storm, nog sneeuw, noch winterwee!

Maar eeuwige gaarden en hoven,

Aan kristallijnen zee.

Wel tintelen en bloeien

De bloemen uit mijn jeugd nog schoon.

Maar die uit den Hemelhof gloeien

Wel driemaal dubbel schoon!

Kind! kind! welke gezichten! welke uitzichten! O dat het nu ook waar

worde:

„Wie zou dat schoone kindje zijn?

Gij speelt er altijd mede!”

Waarheid en droomen · 第 31 / 64 题