Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms.
Ik zie de wanden van mijn studeercel rond, en ik vind daar, als
vroeger, de ettelijke planken met boeken waarom in der tijd Judith mijn
eenvoudig kamertje wel wat pompeus met den naam van Bibliotheek
versierde. Daar staan ze, achter den groenen voorhang, die ze als een
sanctum van den voorhof van mijn kamer scheidt. Als ik ze nu aanzie,
het is niet zonder een onwillekeurig gevoel van weemoed. Op een
schilderijen-tentoonstelling hangt men boven het werk van een in den
jongsten tijd ontslapen schilder een inmortellen-krans. Maar inderdaad,
indien ik boven al de boeken der Auteurs, die in het laatste Derdendeel
der eeuw gestorven zijn, inmortellen kransen wilde ophangen, mijn
boekenkas zou zelf iets van een bloemen-tentoonstelling krijgen.
—Welnu, wat kwaad? Als de ééne Auteur sterft, komt een ander in de
plaats. Om uw eigen beeld te gebruiken: Men roepe maar: „No. 1
ontbreekt!”....
—Meent gij dat? Ik wenschte, dat het waar ware. Maar reeds toen ik een
jongen was, die „Bröder tot mijn pijn en Weijtingh voor mijn straf”
kreeg, moest ik leeren: Consules fiunt quotanis—
Consuls krijgt men alle jaren en Proconsuls ook er bij;
Maar de Koning en de Dichter komt niet alle jaar als zij.
De dichters groeien niet als de spinazie in de lente of de bloemkool in
den zomer, waarvan in den regel de oogst tamelijk wel te gelukken
pleegt: in den hof der letterkunde heeft men nog al eens jaren van
misgewas. Welke vruchtbare tijden heb ik in dit opzicht beleefd. Welk
een tijdvak, waarin men in één jaar (1832) drie dichters als Göthe,
Walter Scott en Bilderdijk verliezen kon! Toen had men er nog eentje
voor ’t breken. Zulk een slag zou de groote Maaier nu met den besten
wil niet kunnen slaan. Les rois s’en vont: dat geldt ook van de
koningen der poezij. Eerst hadden we de koningen, toen de prinsen en
nu—exceptis excipiendis,—zijn wij aan de grootvorsten, ja misschien nu
en dan een kleinvorstje, of, dat op hetzelfde neêrkomt, een grootvorst
van Luxemburg, het landje van ééne stad, er bij. Toen de koning van
Frankrijk na den dood van Turenne acht maarschalken in diens plaats
benoemde, zeide men: De koning heeft zijn goudstuk tegen zilvergeld
verwisseld. Dit geldt ook in onzen tijd, in den regel, van de munt, die
op de poëtische pers geslagen wordt.... In vredes naam, als het niet
anders kan! als dan het zilver maar echt zilver blijft, en geen
Russisch zilver wordt!
Toch is het een gebrek, dat gevoeld wordt. Aardappelennood valt zeker
moeielijker te dragen, dan dichternood; maar een nood is het toch. Het
is smartelijk, als men de jaren beleefd heeft, dat er bijna ieder nieuw
jaar een nieuw groot dichter bij de overigen kwam, dat men nu den eenen
dichttroon na de anderen ziet ledig worden, zonder dat er legitieme
opvolgers zijn om ze te vervullen, naar den regel: Le roi est mort!
Vive le roi!—Jean Paul verhaalt een anekdote, die hier te pas komt. De
Prins Van Esterhazy had zijn geheele muziekkapel, en Haydn als
kapelmeester afgedankt. Dien ten gevolge componeerde deze een
muziekstuk, waarin elk muzikant, de een na den ander, een solo speelde
en aan het einde er van den blaker op zijn muziek-lessenaar uitdoofde
en wegging. Zoo verdween het eene lichtje en het eene instrument na het
andere, en eindelijk bleef het orkest geheel stom. Ik heb aan dat
verhaal wel eens gedacht, toen ik Bilderdijk, en na Bilderdijk Loots,
en na Loots Staring, en na Staring Tollens, en na Tollens Da Costa, en
na Da Costa Van Lennep zag aftreden, en voor de meesten te vergeefs
naar een plaatsbekleeder, en dat vooral onder de jongeren, zocht. Toch
willen we niet ondankbaar worden: stom is ons orkest gelukkig nog niet;
er klinken nog eerste violen, al zijn ze schaarsch. Mocht het nu gaan
als bij Haydn te Weenen, waar de Prins berouw kreeg van zijn besluit en
de afgedankte kapel weêr aanstelde. Toen kwamen, in de omgekeerde orde,
al de lichtjes en al de muziek-instrumenten één voor één weer terug....
Va-t-en voir s’ils viennent, Jean,
Va-t-en voir s’ils viennent!
Het is waar, men heeft één troost: denzelfden troost, dien men mij ook
op het punt der muziek aanbood; dat schijnt op dit gebied „de troost
der armen” (de bekende balsem) te zijn. Groote dichters heeft men nu
minder dan vroeger, maar daar staat één voordeel tegenover. De poezij
is in onze dagen meer gemeengoed geworden. De taal, de stijl der goede
Auteurs, ook over andere, soms de meest afgetrokken onderwerpen, is
dichterlijker geworden, Humboldts Kosmos is, ook literarisch, een
meesterstuk: dat zag men vroeger zoo niet. Zelfs over den goeden
conversatie-toon ligt een meer poëtisch waas dan voorheen.—Ik wil het
niet geheel ontkennen. Maar de troost is schraal. De honderdduizend
boterbloempjes in het gras voldoen mij niet, wanneer ik, als
bloemen-liefhebber, eens een schoone camelia of azalia of puike
stamroos zou willen hebben. Ik geef vijfhonderd tjilpende musschen voor
een enkelen nachtegaal.
Zelfs dat de poezij voor sommigen min of meer een artikel van mode
geworden is, kan mij niet geheel voldoen. Twee dingen, lieve jufvrouw,
ik weet het, zijn in onze dagen voor een modieuse Dame onmisbaar: een
Album met visite-portretten en een Poezijboek, vooral een Poezijboek,
roodfluweel, met verguld slot en verguld op sneê! En dan van binnen tal
van Versjes, met lange dunne letters van Engelsch model met bleeke inkt
half leesbaar geschreven, sentimenteel tot in het schrift! En de
inhoud: luttel Hollandsch, maar Fransch, en Duitsch, en Engelsch,
vooral Engelsch, dat lieve Engelsch! En als men er dan een handschrift
van een heuschen dichter, van „mijn dichter” bij krijgen kan, dat
verhoogt de waarde van zulk een verzameling ontzaggelijk: dat is of men
zijn kleed of hoed onmiddelijk uit de eerste hand, uit Parijs, kreeg.
Ik moet erkennen: het is vleiend voor de betrokken poëten; maar of er
nu de poezij zelf, of de geest en geestdrift voor poezij in den boezem
des volks bij die Album-manie veel wint,—ik zou het niet durven
verzekeren. En zie, dat is toch noodig. Ik gaf het reeds vroeger te
kennen: Poezij beantwoordt aan een ingeschapen trek en behoefte in de
natuur van den normalen mensch. Laat de bekende mathematicus bij het
zien opvoeren der Fedra van Racine vragen: wat dat bewijst? Uw vraag, o
wijsgeer! bewijst dat gij een cijferbord zijt, waarbij het stuk krijt
in het bakje, bij gebrek van beter, de plaats van hart vervult. Het
meerendeel der menschen is anders gemaakt. De mensch leeft niet alleen
van brood; zoo kan ook een ziel niet alleen van proza leven. Ik heb een
harp in mijn keel; als die bespeeld wordt, komt er een geluid, dat men
in de wandeling de Stem heet. Maar ik heb ook een harp in mijn boezem;
als die getokkeld wordt, komt er ook een geluid, en dat heet men
Poezij. Nu kan ik de harp daarbinnen wel tot zwijgen doemen.... o ja!
evengoed, als ik eens in een Trappisten-klooster een menigte monnikken
zag, die niet alleen schoon linnen en warme spijs, maar ook de vox
humana op de lijst der objets de luxe hadden gebracht, waarvan ze zich,
ten genoegen van de engelen en den hemel, liever passeerden. Maar, ziet
gij, als ik zoo handel, doe ik mijn aanleg en natuur te kort, en zulk
een verminking blijft dan ook niet ongewroken. De mensch, die de Poezij
als een overtolligheid afschaft, is als iemand die een vogel kortwiekt.
Och ja, uw uitvlieg-duif blijft nu wel op de binnenplaats, mijn lieve
kleine vriend! en hij leeft alleen van de duivenboonen die gij hem
geeft, en geen nijdig buurman kan nu uw mooi exemplaar in zijn kooi
opvangen: maar—nu is ook uw duif geen uitvliegduif meer, dan titulair,
en de prachtige vogel, dien God geschapen heeft om meê de blauwe lucht
te doorstreven en te doorzweven, te bevolken en te bezielen, is een
arme invalide op zwart zaad geworden, waarop de dikgepropte doffer van
uw buurman, als hij triomfeerend den hemel doorklieft, met deernis of
verachting neerziet. We kunnen alles wat in ons met den hoogeren,
beteren, etherischen mensch in verband staat wel afdanken en op
pensioen zetten; dat kunstje wordt helaas! in onzen tijd genoeg geleerd
en geoefend; maar men noeme zich dan ook geen kompleet mensch meer. Die
halben und die ganzen, zei iemand in onzen tijd. Ja, als er minder
„halve” menschen waren! Dan....
Maar ik hoor nog een excuus, voor en door de kinderen onzes tijds
ingebracht.—De tijd deugt er niet voor. Het is in onze dagen te druk,
te woelig, te volhandig! Er wordt te veel in het bosch geschoten:
daarom kunnen de nachtegalen niet zingen.
—Ei zoo? Dus; de meest poëtische tijden zijn die, waarin de tempel van
Janus gesloten is? de tijden, waarin de menschheid, als de wijn, die
belegen moet zijn, in de vaten op den droesem rust? de tijden, waarin
de Jansalies het roer in handen hebben en al de kippen op stok zijn?
Dit had ik niet gedacht. Ik blijf ook nog wel een weinig twijfelen. De
historie althans schijnt er anders over te denken. Er is een eeuw
geweest, die men, evenals men de eeuw van Saturnus de gouden, zoo deze
„de groote eeuw” noemde; welke was die eeuw? Het was de eeuw in
Frankrijk, waarin de Zonnekoning regeerde; waarin Turenne, en Condé, en
andere reuzen der krijgskunst meer, veldslag op veldslag wonnen, en
Colbert den handel van zijn volk, met de zich steeds vermeerderende
zeilen der schepen, steeds nieuwe vleugelen aanbond. Maar zie dat
was—toevallig? ook dezelfde eeuw, waarin Corneille en Racine zongen,
Boileau de wetten op den zangberg gaf, Pascal zijn gulden wijsheid tot
goudstukken vermuntte, en Bossuet en Bourdaloue stemmen uit de hoogte
deden hooren, die het kolossale paleis van Versailles op zijn
grondslagen deden daveren.—Had de Vrijheidskrijg van 1813 zijnen Körner
niet? Van waar dan, dat men in den jongsten oorlog te vergeefs naar den
Tyrteus uitzag, die bij zulk een voorbeeldeloozen kamp niet scheen te
mogen ontbreken? De driehonderd Lieder der Schutz und der Trutz toch,
waarmeê de Germanen elkander zoo goed mogelijk hebben opgewonden,
kunnen even weinig voor een Ilias van dezen krijg gelden, als de houten
theater-ballen, waarmeê Victor Hugo voor zijne Franschen den
oorlogsdonder zocht na te maken. Het is gelukkig voor de Duitschers,
dat de Krupp-kanonnen krachtiger taal spreken; anders zouden Sedan en
Metz, Straatsburg en Parijs niet gevallen zijn!
Men vergunne mij dit elegietje op den Chute des feuilles van den
laurierboom der schoonste kunst. Misschien is het wel een weinig een
oratio pro domo; misschien pleit ik min of meer voor een familiebelang;
ik geloof werkelijk, dat ik een verren neef onder de dichters heb. Maar
ik geloof toch ook, dat er bij mij nog iets anders, iets beters bij
komt. Ik geloof waarlijk, dat de menschheid behoefte aan poëzij, en wel
aan waarachtige, verhevene, groote poëzij heeft. Thorwaldsen heeft eens
een basrelief gemaakt met het opschrift A genio lumen. Het vertoont een
vrouw, die bij een altaar zit, en die een uil en een lier aan de voeten
heeft: een voorstelling van het genie. Alle eerbied nu voor den uil,
die als de vogel van Minerva de Wetenschap moet voorstellen. Ik weet,
dat we zonder uilen niet kunnen. Maar als ik u verzoeken mag, als gij u
zoo bukt om den uil te streelen, trap dan bij vergissing de lier niet
stuk! Hoe zou ik anders kunnen zeggen: Waak op, gij harp en luit!
Victor Hugo! eens te recht Victor, Overwinnaar, geheeten! Ik bid u,
laat nu de Travailleurs de la mer eens een weinig op hun eigen hand
travailleeren, en grijp gij de gouden citer—gij zit toch nu niet meer
aan de wateren Babels, aan de oevers van den stroom eener droevige
ballingschap—grijp de citer, en zing ons een gouden lied, als in uw
gulden tijd. Laat ons nog eens hooren: Ce qu’on entend sur la montagne.
Laat ons nog eens hooren, hoe uw prachtige Klok
Chante l’amour au coeur et le blasphême au front!
En! opdat dit geschiede, genius der kunst! giet olie in de albasten
vaas, die de Muze u voorhoudt... A genio lumen.