Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms.
Editha—zeide ik straks—speel een lied! Zoo ze hier was, ze zou het
kunnen; want waarlijk, daar, tegen den wand, staat haar piano, die mij
zoo vaak voor huiselijke harp heeft gediend. En zeker, ze zou willen
ook; want wanneer heeft de vriendelijke mij ooit iets geweigerd, waarop
mijn hart gesteld was, indien zij het mij toestaan kon? De lieve
zuster! die mij zoo vaak het woord op de lippen heeft gebracht:
O zusterliefde is de edelste van allen;
Daar mengt zich drift, noch teedre hartstocht in.
Ik mag het met blijdschap erkennen: als ik het Album met zijn vele
namen van vroeger en later ontslapenen aanzie, en daarbij de namen
voege, die in dit Album zouden behooren, al staan zij er niet in, omdat
ik op het laatste blad het cetera desunt lees,—Godlof, Editha is nog in
het land der levenden. Dàt stuk van mijn leven althans, dàt stuk van
mijn hart is mij nog niet afgevorderd. Dit is voor het minst een
troost. Want, ziet gij, na den moederschoot, die u het leven gaf, en
den vaderschoot, waarop gij het eerst met verrukking ontvangen en met
een welkomskus onthaald zijt geworden, is er geen dierbaarder plekje
voor u, dan de heilige grond, waarop gij, aan hun voet, met uw eerste
speelnootjes hebt gespeeld: na hun beeld geen liever gestalte, dan dat
zwarte jongenskopje of dat blonde meisjeskrulhoofd, waaraan gij met de
eerste streelingen van uw kleine vingers en de eerste kussen van uw
eigen kleinen mond u in het eerste liefdebetoon geoefend hebt. Kinderen
hebben altijd kinderen lief en zijn bij voorkeur met kinderen samen;
maar dàt kind, of dèze kinderen!... ze hebben een eigen plaats in uw
hart. Zijn ze niet als knoppen met u op denzelfden stam gegroeid?
Hebben ze niet uit de lieve moederaarde denzelfden malschen zoeten dauw
gedronken? Hebben ze den zonnestraal, die van den hemel op u en hen
scheen, niet broederlijk en zusterlijk met u gedeeld? Het zou wel
vreemd zijn, als de bloeddroppels in de aderen van het kind dáár naast
u niets voelden van de bloeddroppels in uwe aderen hier, daar ze toch
uit ééne moederbron zijn gevloeid. Wel kan het zijn, en zal het
waarschijnlijk zoo wezen, dat de verschillende sprankels uit die bron
later ieder hun eigen weg gaan. Jonathan rechts, Editha links... maar
al raken ze uit elkander, ze raken daarom niet van elkander af. Ze zijn
twee helften van een schelp; ook als ze gescheiden zijn, roepen ze om
elkander, en als ze weer samenkomen, zie! zie! ze passen op elkaâr
alsof ze nooit van elkander geweest waren. Het is één stem in twee
harten, de oudste stem van allen: de stem des bloeds.
Zoo was het ons in lang verloopen dagen, waarvan de luite zong:
Gij zijt mijn zuster. ’t Zacht geluid
Der snaar, die in uw boezem trilde,
Drong straks van uit de loofhut uit,
Waarin gij ’t eerst zoo gaarn besluiten wilde.
’k Huwde aan uw zang mijn eigen lied,
En ’t kwam welhaast aan honderden ter ooren,
Die naar den wildzang wilden hooren,
Geneuried op mijn pijp van riet,
Hoe Jonathan geen grooter schat
Op aarde dan Editha had.
Zoo bleef het ook later, na het uur van scheiding. Voorwaar, die
scheiding was bitter, al was de reden zoet, maar die scheiding heeft
niets gebroken. Het is toch met den band der liefde, als met den
telegraafdraad. Hij is zoo lang, zoo lang, zoo lang... als de geheele
wereld: hij doet des noods de reis rondom de wereld zonder te breken.
Niet waar, Editha? dat hebben ook wij gevoeld; dat hebben ook wij
ervaren. Wij hebben elkander nog lief. Anders dan vroeger? Voorzeker.
Maar minder dan voorheen? Ik zou zeggen, nog meer. Naarmate de
gelederen dunner worden, sluiten de overblijvenden zich dichter aaneen.
Ik heb wel eens kanonniers zien exerceren: als dan de bevelhebber van
het stuk kommandeert: No. 1 No. 4 No. 6 ontbreekt! treden die nommers
uit, maar dan reiken ook terstond de anderen dubbel ijverig elkaâr de
hand om de ledige plaatsen aan te vullen, en komen ze zoo altijd
dichter bij elkaâr. Doen nu de soldaten zóó, bij dat leelijke werk van
kanonnenladen, dat op het hart en het leven van hunne evennaasten
doelt, zou dan de broederlijke liefde, bij haar werk, dat een werk des
levens is, minder doen? Zouden de laatste Nommers elkander nog niet
meer en liever helpen en steunen, naarmate er andere „Nommers
ontbreken?” O voorzeker. Als vader en moeder niet meer zijn, zoeken de
kinderen hun beeld op elkanders gelaat en in elkanders stem, en zoo
goed het gaat, al gaat het niet volkomen, ze zoeken den weêrschijn van
de uitgebluschte, neen! naar elders overgebrachte vlam in elkanders
liefde terug te vinden. En daarom, Editha, geef mij de hand. Wij
blijven elkander trouw, zoolang de lieve God ons samenlaat. Wij willen
broeder en zuster blijven tot den einde: tot dat wij de een den ander
goeden nacht kussen in de tweede wieg, gelijk wij het zoo vaak in de
eerste wieg hebben gedaan.
En nu, uw piano! Ja, ik herken ze, het is nog het oude instrument: de
oude Broadwood, waarop gij zoo vaak de reeds genoemde Dernière pensée
en zoo menig ander lied voor mij hebt gespeeld. Ik weet wel, die
liederen zijn uit de mode; men heeft nu andere muziek: of ze ook beter
is? Ik heb het openlijk en rond verklaard: ik ben geen kenner; het zou
mij dus allerminst passen, een oordeel te spreken. Maar er zijn knapper
luî op dit punt, die ik wel eens in twijfel heb hooren trekken, of we,
ook in dit opzicht, wel op den weg van vooruitgang zijn. Ze zeiden,
maar ik zeg het niet, de verantwoording blijft voor hen—de kooi, waarin
de zangvogel zit, zou nu mooier zijn, kostelijker van stof en fraaier
van vorm, maar de zangvogel zou er niet op verbeterd wezen. Mij heugt,
hoe ik Andersen met eigen mond eens een sprookje van hem hoorde lezen
van een Oostersch hof, waar men eerst een nachtegaal had, die voor den
koning zong, en later een mechanischen kunstvogel, die geleerde liedjes
speelde, maar hoe toch ten slotte... doch, het is waar, dat was in het
Oosten, en wij wonen in een kouder klimaat: dat past dus niet op ons.
Wij hebben dus geen recht om te vragen, of de muziek der Toekomst van
Wagner het bijvoorbeeld van Weber met zijn: Einsam bin ich nicht
alleine, of zijn: Dernière pensée wint? Ik stel mijn lezers voor, de
beslissing van die vraag aan de Toekomst over te laten. Dan mogen
mijnentwege de toekomstige Patti’s en Jenny Linds boven Wagners graf
den triomfzang van de Polyhymnia der nieuwe kunst-eeuw uitvoeren!
Één ding echter staat vast. Mocht ook de zangvogel in onze dagen minder
rijk aan melodiën zijn, dan wel eens vroeger, omdat hij min of meer in
den ruitijd is, geheel zwijgen, en nog meer, sterven zal hij niet. En
gelukkig, dat het zoo is. Wij kunnen de schoone kunst van Jubal op onze
arme, koude aarde met hare dissonanten niet missen. Die ons de
uitvinding gaf, zal het ons aan de noodige hulpmiddelen tot haar
gebruik wel nooit geheel laten ontbreken. Er is een stem, die in den
mensch met Jenny Linds beroemd lied roept: Ich musz nun einmal singen!
Luther wees aan de muziek, na de theologie, de eerste plaats onder de
aan den mensch verleende goddelijke gaven toe. En dit moeten wij
erkennen: Is in den laatsten tijd onze muziek niet beter geworden, wij
zelven werden muzikaler dan voorheen. Sancta Cecilia is nu een der
eerste santinnen van onzen almanak: zij geeft onder haren naam feesten
in de Hoofdstad, waar het hart der kenners van verdaagt. Jonge heeren
en dames neuriën en musiceeren uit den treuren; de liedertafels trekken
met hunne banieren en medailles triumferende het land rond; zelfs den
kinderen op de school wordt, naar een woord van Luther, de wijsheid
ingezongen: er zijn enthusiasten, die van de heerschende melomanie de
hervorming des volks verwachten. En hoe kan het anders? Als er zooveel
harmonie is in de lucht, die we indrinken, dan moet immers ons
binnenste, dat daarmede geheel vervuld wordt, zeker wel gansch en al
harmonisch worden!...
Hm! Hm! het kan zijn. Maar of ik er voor’shands veel van merk? zie, dat
is een andere vraag. Tot nu toe althans heb ik niet kunnen vinden, dat
de geblazen en gestreken harmonie tot liefelijke akkoorden en muzikale
samenstemming in de gedachten en gevoelens der verschillende
menschenkinderen heeft geleid. In dit opzicht heeft het diereningewand
tot nu toe te vergeefs voor ons gezongen. Ik heb niet gehoord, dat de
mooie Grenadier-concerten van Dunkler in het Haagsche bosch belet
hebben, dat er onder de vaders des Volks op het Binnenhof nog al eens
gekibbeld wordt. En ik weet niet, of het aan de Cecilia-feesten van
Verhulst in het Amsterdamsche Volks-paleis wel al gelukt is, om al de
geleerde hoofden in het Trippenhuis op de zittingen der Koninklijke
Akademie onder één hoed te brengen. Als ik met een zachte stem die
bescheiden opmerking maak, heeft men mij wel eens te gemoet gevoerd,
dat dan toch in elk geval de muziek, even als het orgel in de kerk, ons
de goede dienst bewijst om de dissonanten, die het niet verhinderen of
oplossen kan, te helpen dekken; en dat wil ik gaarne toegeven. Het is
dan maar te hopen, dat de dissonanten hunne stemmen niet al te luid
verheffen, zoodat ze de muziek, die ze moet helpen verdooven,
overschreeuwen. Wie weet, wat de muziek der Toekomst doen zal?
Misschien zal aan haar hand de klankladder van Ut re mi fa sol de
hemelladder worden, langs welke de mensch tot het bereiken van zijne
bestemming langzaam wordt opgevoerd. Ik heb ergens gelezen, dat er
menschen zijn, die naar een algemeene taal voor de gansche menschheid
hebben gezocht, en daartoe de hulp van de viool hebben willen
gebruiken: tot dusverre is dit niet gelukt. De taalverwarring, die van
Babels toren dagteekent, duurt nog altijd voort: vraagt het de
discipelen van de Burgerscholen maar, die nog altijd met zulk een
inspanning zitten te zwoegen om de vreemde talen, die ze aanleeren
moeten, onder de knie te krijgen! O welk een vreugde zou de uitvinding
en invoering der algemeene taal onder de jeugdige kielendragers en
kort-gejurkten verwekken! Welnu, misschien gaan wij er heen. Orfeus
bouwde steden op de klanken van de citer; misschien is er een Orfeus
der Toekomst aanstaande, die door zijn Paganini-viool de verdeelde,
elkander kwalijk verstaande, met elkaâr twistende en kijvende
menschheid in een groot concert van broederlijke en zusterlijke stemmen
verandert en herschept. Men moet niet wanhopen.... piano wil zeggen
zachtjes! en daarvan komt de derivatie pianissimo!
En wederom:
Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms.
—Een—twee—drie—vier—vijf—zes—zeven—ACHT! Daar slaat waarlijk mijn oude
Huisklok acht uren. Welkom kameraad!—We hebben elkander in lang niet
gezien. Ik heb u in lang niet gehoord. Toch weet gij, of ik u lief heb
gehad. Nog meer ik heb gemaakt dat ook anderen u lief kregen; ik heb
zelfs eens een bezoek van een vriend gehad, die mij kwam vertellen, dat
hij u een jongeren broêr gegeven had. Hij had een ouderwetsche klok
gekocht, en die laten opmaken precies als gij, tot uw eigen opschrift
toe: Una ex his hora mortis. Zoo zoudt gij op het laatst nog haast
oktrooi moeten gaan vragen, en in den oprechten Haarlemmer een
advertentie bij wijze van Waarschuwing tegen Namaak moeten plaatsen. Nu
laat u namaken wie wil, als men dan ook de lessen maar navolgt, die gij
zoo gereed en gewillig zijt aan uwe aandachtige en indachtige hoorders
te geven. En dat hebt ge zeker ook blijven doen, al was ik daar niet om
ze van u te ontvangen. Hoeveel tijd is er voorbijgegaan, sedert ik ze
hier op dezen zelfden stoel van u ontving! Hoeveel malen hebt gij
twaalf geslagen, twaalf uren op den dag en twaalf uren in den nacht,
sedert ik, op het punt staande om van hier te gaan, uw wijzer vroeg, of
het nog geen tijd was, en toen gij ja! zeidet, u een laatst Vaarwel
toeriep. En sedert zijt gij daar altijd blijven staan, terwijl ik hier
en daar rondzwierf, en mij met een plaatsvervanger van u zoo goed
mogelijk behielp. En sedert zijt gij altijd even gelijkmatig unisono
blijven voorttikken: tik-tak! tik-tak! tik-tak! terwijl intusschen mijn
hart menigmaal zoo onrustig sloeg en joeg. Ach, mijn goede Huisklok,
zoo ik u dat vertellen kon! In Dertig jaar kan er door een
menschenhart, welks ketting en veer niet van hard, stug metaal is, wat
worden afgeleden, afgestreden, en afgebeden, waarvan een Huisklok aan
den wand, en zelfs een zakuurwerk op de linkerborst, dat toch zoo dicht
bij de levens- en gevoelsbron tikt, niets vermoedt. Maar ik zal ook
niet pogen u dat te vertellen. Gij zoudt mij toch niet begrijpen. Hoe
wild het ook daar buiten storme, bij u gaan de scheepjes van de
geschilderde mechaniek op uw wijzerplaat altijd even kalm en effen heen
en weêr. Als de horlogiemaker maar op het opwinden, en nu en dan op het
schoonmaken past, raakt gij nooit van de wijs of uit de maat. Dertig
jaren zijn in dit opzicht voor u als één dag.
Dertig jaar. Mocht ik nu maar kunnen zeggen: Dertig jaar ouder—Dertig
jaar wijzer—Dertig jaar beter. Dertig jaar dichter bij het graf—Dertig
jaar dichter bij het doel. Maar, ach, mijn waarde tijdmeter, ik moet
het met schaamte bekennen: Ik ben een vergetel hoorder, een traag
discipel van u geweest. Ik heb er niet genoeg aan gedacht: Una ex his.
De kleine wijzer van den Levenstijd heeft wel altijd trouw de ronde
gedaan, maar de groote wijzer van den Plicht heeft de hare wel eens
vergeten: hij stond wel eens stil, en haperde, terwijl zijn kleiner
broeder altijd even trouw voortliep. Bij zulk een hapering kan men niet
zeggen, dat een horlogie gelijk loopt! Ik ben geen wellust van het
menschengeslacht, als wijlen Titus, maar dit toch heb ik met hem
gemeen, dat ik ook nog al eens aan den avond van een dag heb
uitgeroepen: ik heb een dag verloren. Als ik van u een kerfstok wilde
maken om zulke kwade dagen op te teekenen, zou uw lange kast veel te
kort zijn. Zie, dat is een leelijk gebrek. Wij waarderen den
kostelijken tijd niet genoeg. Wij laten de met goudkorrels bezwangerde
rivier, den rijken Pactolus, langs ons heenvloeien, en bukken ons
menigmaal niet eens om de goudkorrels op te zamelen, die de stroom met
zich wegvoert. De Britsche denker had wel gelijk, die sprak: „Wij
gelijken aan beelden van marmer in de tuinen, waarvan men fonteinen
maakt. Uit hun lippen vloeit een helder water, dat voort- en doorloopt
zonder ooit stil te staan, en het marmer is daar, lijdelijk, koud en
geenerlei poging doende om den altijd doorgaanden stroomval tegen te
houden.” Ach, ook ik zelf ben maar al te zeer zulk een bewegingloos
beeld op de fontein des Tijds geweest, en zoo al de droppels, die
zonder vrucht voor mij en anderen daarheen gevloeid zijn, in ééne kom
samen vergaderd werden, welk een bassin zou daarmede worden gevuld! En
zoo al die droppelen, die nu zoo eentoonig voortkletteren, een kenbare
stem kregen om te verhalen wat ik in den loop dezes tijds gedaan en
niet gedaan heb,—dan zou ik wenschen, dat die fontein de Lethe ware, en
dat ik in haar water de vergetelheid van al dit lang verleden drinken
kon. Maar, maar, het zal zoo niet zijn. Geen droppel vloeit naar
beneden, die niet weêr zal opkomen, als een water-ader, die hier van de
bergen stroomt, om ginds in het dal uit den grond weer op te komen en
op te springen. Laat het zijn! Reeds vroeger, als ik u aanzag en,
rekening met u hield, spraken wij samen van het groote Middel om het
Tekort in eens menschen leven te helpen dekken. Gij hebt dertig malen
gedurende mijn afwezen die zekere Drie slagen op zekeren Goeden dag
geslagen, die herinnerden aan het groote Consummatum est, dat der
wereld den triomf van de wereldverzoenende liefde over de zonde en den
dood verkondigde, en daarom mijn lieve Klok, tik voort! tik voort! Wij
gaan den eenigen, eeuwigen goeden Vrijdag tegen, waarop niet alleen al
wat te kort is zal worden aangevuld, maar ook al wat ten deele is zal
worden volmaakt. Al gaan de dobberende scheepjes op uw wijzerplaat,
niet voort, ze brengen ons toch naar die haven—de Goedereê, de Schoone
haven van het eeuwig T’huis!