Ik kan zeer galant zijn.
Ik bid u, lach niet! Het is waar, dat mijn ouderwetsche figuur met mijn
zwart weduwnaarskleed, dat zoo onveranderlijk is als het kostuum van
een standbeeld, mij niet tot den geschikten persoon maakt om naar de
gunst van vrouwen te dingen. Maar eilieve! wie zegt u ook, dat ik een
van die overjaarde petit-maitres ben, die van hun leeftijd een
schandelijken vrijbrief maken om zich met saterachtige onbeschaamdheid
bij lieve meisjes in te dringen? Zie mij aan en zeg, of ik tot zulk een
wanvoegelijkheid in staat ben? Even weinig behoor ik tot een ander
soort van wezens, die, met een altijd groene jeugd in het hart, niet
bemerken willen, dat de Tijd, die onverbiddelijke Censor, hen reeds
lang van de lijst der jonge Heeren geschrapt heeft, en zich dus niet
dan met geweld van de plaats laten dringen, die aan hun jeugdiger
mededingers toekomt. Voor zulk een bespottelijkheid heb ik mijn reeds
niet meer éénkleurige haren weten te behoeden: of liever—want wie kan
zeggen, dat hij zichzelven behoed heeft?—daarvoor heeft mij de gestalte
bewaard, waaraan mijn getrouw hart niet ophoudt zijn hof te maken. Als
ik ooit een vrouw met meer dan gewoon welgevallen aanzag, was het
altijd, omdat zij een zweem van de oogen, een enkelen toon van de stem,
of eenigen anderen trek van overeenkomst met Betsy had. En indien ik,
door deze gelijkenis aangetrokken, aan zulk een liefelijke verschijning
buitengewone oplettendheid bewees, het was altijd met een gevoel, dat
niet minder haar dan mijzelven vereerde.
Dit recht moest ik mijzelven doen. En toch blijf ik er bij, dat ik zeer
galant kan zijn.
Als gij in een gemengd gezelschap komt, waar ik mij bevinde, zoek mij
dan niet in den kring der Heeren, die rondom den haard staan te praten
met een voorkomen van ernst en gewicht, of het de Rostra van Rome zelve
waren; zoek mij noch minder in den vroolijken schitterenden kring,
waarin de gevierde Schoonheid hare onderdanen rondom haren troon
vergadert; zoek mij ook niet bij de goede huismoeders, die gij met
bijeengestoken hoofden en gesmoorde stem over andere goede huismoeders
hoort babbelen; zoek mij op een eenzaam plekje, in een donkeren hoek,
op een tochtig plaatsje, ver van de kachel en de punch. Daar zult gij
mij in een hoffelijke houding zien staan, al mijne oplettendheid en
beleefdheid toewijdende aan—een oude Vrijster!
Een oude Vrijster! De oude Vrijsters mogen u het spotachtig gezicht
vergeven, dat ge bij deze woorden trekt. En al zoudt gij er u nog
uitbundiger meê vermaken, het zal u niet gelukken mij van daar weg te
spotten. Ik heb daarvoor menig schrootvuur van geestige en bittere
aanmerkingen moeten uitstaan, maar nu is men met deze gril bekend en
laat mij in rust. Er is slechts één paar meê bedorven, denkt men.
Maar nu gelooft gij, dat ik een zonderling ben, een bizarren smaak heb
en alle oude jufvrouwen de liefste schepsels ter wereld vinde. Gij
vergist u. Ik voor mij heb ze op zichzelve niet liever, ja niet eens
zoo lief, als anderen van haar geslacht. Ik spreek, bij voorbeeld, veel
liever met een moeder. Als ik mij tot deze wende en haar dadelijk met
belangstelling naar hare lievelingen vrage—o, dan is voor mij een bron
van zielverheffend genot geopend. Als ik dan bij deze vraag het
moederlijk oog van hoogmoed zie glinsteren, en het gelaat een lachende
uitdrukking van geluk aannemen, dan worde ik van een onverschillig,
welhaast een deelnemend toehoorder. Niet, omdat de kinderen, waarvan
zij spreekt, mij zoo bijzonder ter harte gaan; zij zijn niet beter of
slechter dan andere kinderen; maar, omdat de moeder mij boeit en
wegsleept. Het is zoo schoon, als bij zulk een gesprek het zuiverste en
edelste gevoel des menschen, de zichzelf vergetende en opofferende
liefde, uit het binnenste heiligdom des harten te voorschijn treedt;
als het verheven symbolum van den verhevensten godsdienst, de pelikaan
met de bloedige borst, voor mijn oog gestalte en wezen verkrijgt; als
de mensch met al zijn egoïsme en kleinheid meer en meer naar den
achtergrond wijkt, en de Engel in hem hoorbaar met zijne vleugelen
klapwiekt; o, uren zou ik kunnen staan luisteren naar dien nooit
opgedroogden vloed van moederlijke welsprekendheid! En wist gij eens,
welk een liefde ik aan zulke gesprekken verschuldigd ben! Want de
vrouwen, die het in mijn oogen lezen, hoeveel belang ik in zulk een
verhaal van de kinderkamer stelle, weten mij dank voor de deelneming,
waarmede ik haar aanhoore. En dan is het zoo aangenaam tot een oud
vrijer te spreken, die er nooit een lofrede op zijn eigen kinderen
tegenover plaatst, en haar Pietjes behendigheid in de schaduw stelt
door van de nog veel grooter vlugheid van zijn Jantje te spreken. Zie,
het moge aanmatigend klinken, maar waarlijk, als ik in sommige kringen
binnentreed, weet ik reeds vooraf, welke oogen mij vriendelijk zullen
toeblinken en uitnoodigen om te komen vernemen, hoeveel woorden het
jongste kind nu reeds meer spreekt, dan bij onze laatste ontmoeting.
En niet alleen de moeders, ook onder de jonge meisjes zijn er, die ik
boven het gezelschap harer oudere zusteren verkieze. Het zijn zulke
aanvallige schepselen! Ik heb een vriend, die vroeger een schoon
buitengoed had, dat hij door verval zijner zaken heeft moeten wegdoen;
maar nu gaat hij alle avonden langs die plaats wandelen op hetzelfde
uur, waarop hij vroeger het goed zelf rondging, ziet nog eens dezelfde
boomen, dezelfde vijvers, dezelfde geliefde plekjes, die eens de zijne
waren, en komt daarop zoo vergenoegd te huis, of hij nog eigenaar van
die schoone bezitting ware. Jonge menschen zijn voor mij, wat zijn
buitenplaats voor mijn vriend is. Ik heb mijn jeugd aan hen moeten
afstaan, maar, om dit verlies zoo veel mogelijk te vergoeden, zoek ik
hun omgang. En als ik hen dan hoor spreken van hunne schoone droomen,
zooals mijn dorre verbeelding er niet meer droomt, en hen gevoelens
hoor uitboezemen, zoo als mijn verkoelend hart er geen meer huisvest,
dan is het mij of ik op eens weêr als als een jongeling droome en
gevoele. Dan knik ik bij ieder woord toestemmend met mijn hoofd, speel
de gansche Opera féerie van mijn jeugd nog eens over, en scheide niet
van de bezitters van mijn verloren Eden dan met het gevoel: „Hoe jong
en gelukkig ben ik geweest!” Zie, daarom heb ik jonge menschen en
vooral jonge vrouwen, waarin de natuur nog ongemaakter spreekt, lief.
Meer dan eens heb ik in zulk een gesprek een hart zich allengskens voor
mij zien openen en ontsluiten, al de aderen zien liggen, waaruit de
heldere wellen van menschelijk geluk zoo mild voortspringen, al de
zilveren stemmen hooren klinken, die de harmonie des levens scheppen,
en de Voorzienigheid bewonderd in het schoonste zijner werken op
aarde—een onschuldig vrouwenhart!
Oude vrijsters op zichzelve zijn mij dus niet liever dan hare zusteren;
maar zij zijn verlatener, en hebben daardoor aanspraak op mij. Het kan
mij leed doen, als ik in een gezelschap verschijne, haar terstond aan
de onachtzaamheid te herkennen, waarmeê men haar behandelt, al herkende
ik haar anders niet aan de eigenaardigheden van haar voorkomen. De
Mevrouwen nemen een voorname houding jegens haar aan; de jonge Dames
sluiten ze als invaliden uit haren kring; de Heeren, indien zij van
pijp en glas scheiden kunnen, vervoegen zich bij voorkeur tot de
fauteuils, of, als zij jonger zijn, tot de minderjarige schoonen; aan
de oude Jufvrouwen worden alleen de kruimelkens van den
gezelschapsdisch toegeworpen.
Als ik dit zoo zie, doet mijn hart zeer. Ik ga dus moeders en dochters
voorbij, en vervoeg mij dadelijk bij mijn vrouwelijke lotgenoot. Mij
dunkt, dat is haar goed recht. Bilderdijk heeft in zijn dichtstuk Oude
Vrijsters, naar alle billijkheid, deze arme miskenden op hare plaats en
in hare eer gesteld, om al het vuur zijner verontwaardiging te richten
tegen die vieux garçons, die door hun ongeregeld leven de orde der
maatschappij verbreken en de oorzaak zijn, dat zooveel onschuldige
schepsels onder het vrouwelijk lijden van een aanzijn zonder huwelijks-
en moedervreugde gebukt gaan. En inderdaad! ik heb wel eens gezucht
onder het denkbeeld, dat ieder oud vrijer den verlaten toestand van een
zijner medeschepselen voor zijn rekening had. Ik heb gezucht als ik
dacht, dat er ook door mijn schuld eene eenzame meer was, dan er
behoefde te zijn. Ik hoop, dat mijn onbekende schuldeischeres mij niet
te hard moge vallen. Ik wage het, haar daarom te smeeken.
„Lieve Jufvrouw X!
„Ik kenne u niet, en gij mij ook niet. Maar ik ben toch uw
schuldenaar. Want ik had u mijn hand en hart moeten aanbieden.
Vergeef mij, dat ik de vrijheid nam het niet te doen. Uw kieschheid
waarborgt mij, dat gij mijn hand zonder mijn hart niet zoudt hebben
aangenomen. En over mijn hart was ik, onder vier oogen gezegd, geen
meester meer. Had ik u gekend, het zou misschien anders geweest
zijn. Maar ik heb een andere vóór u gekend. En schoon deze thans
een anderen naam dan den mijnen draagt, ik kan haar nog niet
vergeten. Ik ben dus tot mijn groote schande met mijn 4* jaren nog
niet beter dan een onmondige, en zonder over mijn hand te kunnen
beschikken.
„Heb mededoogen met mijne insolventie, en geef mij, bidde ik u,
kwitantie van deze kwade schuld. Geloof mij voorts met de gevoelens
der diepste achting
„Uw onderdanigen Dienaar
Jonathan.”
Ziedaar een zwaren last van mijn hart gewenteld! En nu ik aldus met
mijn partij mijn rekening gesloten heb, hope ik dat gij allen,
Mejufvrouwen! mij mijn schijnbare ongevoeligheid voor uw bevalligheden,
talenten en deugden vergeven zult. Het moge mij onmogelijk zijn, uit u
allen ééne te kiezen, ik heb daarom u allen gezamenlijk te liever.
Ja, ik heb oude vrijsters lief! Misschien is het ook, omdat ik in haar
iets anders, iets meer dan een oude vrijster zie. Het is waar, nu is
vaak haar voorkomen onbeduidend, haar kleed eenvoudig, hare manieren
zonder bevalligheid: maar ziet gij, die bedaagde maagd is een jong
meisje geweest; iets, dat ik zoo onedelmoedig niet ben te vergeten. Als
ik bij een bouwval sta, zie ik altijd meer dan een ander; terwijl de
anderen van den eenen grooten steen op den ander springen, de kranke
muren van hun blaauwe klimop-bloempjes berooven, holen en kelders van
hun gejuil doen weêrgalmen, hun hoofd schertsende door de schietgaten
steken en den eerwaardigen oude—foei!—bespotten, sta ik mijmerende aan
den voet van de ruïne; ik trek in mijn verbeelding de muren weêr op,
overdek de openliggende vertrekken met gewelven, bedek de naakte muren
met beschotten, vul de ledige, verlaten ruimte met menschen, hoor
stemmen galmen, bekers klinken, en ben in een andere wereld
overgebracht. Dat is mijn eerlijkheid. Mij dunkt, daarop heeft een
bouwval recht. Wij zouden ook niet gaarne beoordeeld worden naar het
karkas, dat men over eenige jaren bij het opruimen van ons graf in het
knekelhuis weg zal werpen. Zoo is het ook meer meetkundig, dan
menschelijk-gevoelig, den omvang en grootheid van een ruïne alleen met
het lichamelijk oog af te meten.—Om op den tekst terug te komen: ik zie
nooit een oude vrijster, of ik herstel den bouwval nog eens naar mijn
smaak. Ik doe voor haar, wat de actrice voor zichzelve doet. Ik plaats
haar op een afstand, kleur hare fletse wangen rood en hare
verschietende wenkbrauwen zwart, laat van haar hoofd lange zijden
krullen afhangen, verberg het verval harer gestalte en houding, en
plaats haar in een kring van jonge menschen, waaronder een of meer
harer aanbidders. Ben ik hiermede gereed, begin ik mijn roman dan....
maar neen! gij zoudt mij, droomer, uitlachen, indien ik voortging.
Genoeg! ik geef aan ieder een bloeiende, gelukkige jeugd, even rijk aan
liefde als ik hoop dat de jeugd van uw dochter zijn moge, en zoek voor
de reden, waarom die liefde nooit met den krans van oranjebloesem is
bekroond geworden, een aanleiding zoo aandoenlijk, dat zij er dadelijk
in mijn oogen hoogst interessant door wordt. Zeker schrijver zegt van
een nonnenklooster: „Wie de geschiedenis van al deze gebroken harten
kon te weten komen, zou menig verhaal vol zuchten en tranen te verhalen
hebben.” Een dergelijk denkbeeld wekt bij mij het gezicht van een oude
vrijster op. Haar eenvormig voorkomen is als een zerk, waarop niets
anders te lezen is, dan het altijd wederkeerende: hic jacet. Maar wat
er in den doode, daaronder begraven, is omgegaan, gevoeld, geleden en
gestreden, daarvan zegt de koude steen en het rustige voorhoofd niets;
maar dat zegt mij mijn warm hart. En als het mij dan invalt, hoe velen
er zijn onder haar, die het slachtoffer van mannelijke ontrouw en
mannelijke ondeugd zijn; onnoozele lammeren, opgeofferd door de hand,
die zij lekten; verlaten echtgenooten, maar die bij geen menschelijke
rechtbank tegen hare echtscheiding hebben kunnen opkomen; treurende
weduwen, maar die de wet niet als zulke erkent, en de deernis niet als
zulke bejegent; dan breekt mijn week gemoed. Gelooft mij, Mijneheeren,
die tot het onderhoud van wees- en weêuwengestichten contribueert, ook
bij de oude vrijsters hebben wij een onrecht der fortuin weder goed te
maken, en te meer, omdat het hier menschen,—omdat het hier mannen zijn,
die den dood het werk hebben uit de hand genomen. Samaritanen, ook deze
gewonden hebben recht op uw olie en wijn!
Hier ziet de oude vrijster die dit leest met bevreemding op en vraagt,
of zij dan niets is, dan in zooverre zij iets geweest is. Stel u
gerust: het is verre van mij, u dat onrecht te doen. Er mogen er
enkelen zijn, op wie deze beschuldiging past; groote kinderen, die van
haar speelgoed niet scheiden willen, en zich krampachtig vastklemmen
aan een verleden, dat voor haar en voor ons gestorven is; of wel
verschaalde bekers, die uit ergernis van onaangeroerd gebleven te zijn
zuur en wrang zijn geworden; of wel geleerde Muzen, die het al te veel
doen gevoelen, dat Minerva een gewapende godin is; of wel ... St! st!
Jonathan, van waar zoo hard? Over het algemeen ken ik geen trek, die de
oude vrijsters meer karakteriseert, dan zelfopoffering! Het is een
groote en moeielijke les, waardig de hoofdinhoud van de tweede Tafel
der goddelijke Wet te zijn: „Gy sult uwen naesten liefhebben als u
selven.” Evenwel, deze les is niet voor allen even moeielijk. De
getrouwe huismoeder, wier geheele bestaan zich in dat des geliefden
Mans heeft opgelost, en voor wie het nog meer geluk dan plicht is alles
te verlaten om hem te volgen; voor wie de kinderkamer het beste
vertrek, de feestzaal des huizes is; die geen behoefte gevoelt, zich
buiten het paradijs van haren huiselijken kring te begeven; heeft tot
de nakoming van dat gebod ongelijk minder zelfverloochening noodig dan
de oude vrijster, die geen eigen plaats in den grond beslaat, maar zich
als een rank om den naastbijzijnden stam slingeren, of als een
muurplant in de steenen eener aangrenzende woning hechten moet. Zij is
uit den aard van haren toestand zichzelve de naaste; zij moet als een
soeur de charité de voorwerpen gaan opzoeken, aan wie zij liefde
bewijzen wil; zij is in gevaar van, als „de Priester en de Levijt” in
de gelijkenis, tegenover de hulpbehoevenden voorbij te gaan, indien zij
zich de les niet herinnert: „Gaat henen en doet gy des gelycx.” Maar
indien zij zich deze les herinnert en daarnaar handelt; indien zij een
voorwerp gevonden heeft, waarop zij hare liefde vestigen kan; indien
zij al de kracht van hare in één punt saamgedrongen genegenheid op een
uitverkoren hoofd vereenigt;—o, dan is het iets roerends, iets
verhevens te zien, tot welk een hoogte de zelfvergeting en
zelfverloochening in den mensch stijgen kan. Dan dient de zwak- en
buigbaarheid der rank alleen om den geliefden boom te vaster, te
getrouwer, te inniger te kunnen omklemmen, dan wordt haar groen de
bedekking van zijn gebreken, haar gebloemte de versiering van zijn
stam; dan wordt deze omhelzing haar leven, en beide, zijn val of haar
verwijdering, haar dood; dan wordt hare liefde, zoo als de Dichter
schrijft:
Ze is groot en schoon en door zichzelve levend,
Ze is zacht en sterk en reklijk en toegevend,
Volhardt het meest, schoon vaak het minst ontzien;
Een Engel is ze, ons achtloos hoofd omzwevend.
Een Engel! Onze schoone, liefelijke Godsdienst heeft de bestemming, de
menschen tot Engelen, vooral tot Engelen van liefde te vormen. Dikwijls
heb ik er om getreurd, hoe weinigen deze bedoeling begrepen of wilden
begrijpen, en dan wel eens getwijfeld aan de verzekering van den
grijzen Apostel: „Ende sijne geboden en sijn niet swaer.” Maar dan
waren meermalen oude vrijsters mijne apologeten. Ik riep ze mij voor
den geest, zoo als ik er kende, ware discipelinnen van de leer der
liefde, echte zusteren van den Man van liefde en smarte, die „niet en
is gekomen om gedient te worden, maer om te dienen,” en die om
onzentwil „is arm geworden, daer hij rijck was;” wezens, in wie de
zelfzucht schijnt gestorven te zijn; in wier mond het woord IK, anders
de radix van alle andere woorden, een vreemde klank geworden is; die
het zooverre gebracht hebben, dat het haar niet zwaar meer valt, „so
wie haer op de rechterwange slaet, hem oock de andere toe te keeren,”
en „so iemant haer rock neemt, hem oock den mantel te laten,” en „so
wie haer dwingt een mijle te gaan, met hem twee mijlen te gaan;” goede
geniussen, door God in zijn gunst geschonken aan degenen, die hij lief
heeft. En wanneer ik mij deze vertegenwoordigde, dan werd ik schaamrood
over den twijfel van mijn verstand en—mijn hart. Dan zag ik met
verdubbelden eerbied en liefde naar het goddelijke boek, dat tevens het
menschelijkste aller boeken is, dat niets dan een liefhebbend hart
eischt om begrepen en gehoorzaamd te worden; dan beloofde ik mijzelven,
dat oude vrijsters mijn leermeesteressen in het gebod der liefde zijn
zouden.
Terwijl ik dit schrijve, vloeien er tranen van dankbare erkentenis op
mijn papier, mijn goede, lieve Editha!
Maar er zijn onder mijne heldinnen niet alleen Marthaas, „die haer
bekommeren ende ontrusten over vele dingen,” er zijn ook Mariaas onder,
die „het eene dingh, dat noodigh is, het goede deel, hebben
uytgekozen.” Zij zijn Johannessen onder de vrouwen, en rusten altijd
aan den goddelijken boezem haars Meesters. Zij hebben de aarde
vergeten; zij hebben geen oog dan voor het licht van haar leven, geen
hart dan voor den Vriend harer ziele; zij maken zich van haren eenzamen
en verlaten toestand een kluizenaarshut, een nonnencel, waarin zij der
wereld afsterven, om alleen voor den hemel te leven. Zij sluiten zich
hier op aarde aan dien blinkenden stoet van Engelen aan, „die niet
bevleckt en zijn: want zij zijn maeghden. Deze zijn ’t, die het Lam
volgen, waer het oock henen gaet.” Zij zijn het, die zich „toebereyden,
om haer als een reyne maeght eenen manne voor te stellen, namelick
Christo.” Zij zijn het, wier geheel aanzijn op aarde de uitdrukking is
geworden van dat schoone lied van Lodensteyn;
„Hoog, omhoog, het hart naar boven!
Hier beneden is het niet.”
Al kon ik, ik zou u niet in hare eenzaamheid mogen binnenleiden, om u
getuigen van het verborgen leven harer vroomheid te maken; maar ik mag
u wel aanbevelen, als gij den drempel van zulk een heiligdom
overschrijdt, het met eerbied te doen. O, ik heb een afkeer van
kloosters, omdat ik een afkeer van Farizeeuwsche ceremoniedienst en
slaafachtige Esseensche gerechtigheid heb: maar, waar ik in eenig
Bethanie op mijn weg de woning van zulk een Heilige aantref, zwaai ik
het wierookvat mijner vereering hoog in de lucht!
Ik weet wel, dat zulk een gewijde liefde dikwijls geofferd wordt op het
altaar eens harten, door een onheiligen hartstocht gebroken; ik weet
wel, dat de wierook, daarop geurende, niet altijd zoo onvermengd en
zuiver was, als nu; ik weet wel, dat de Heer aardsche banden heeft
moeten verbreken, eer hij dit hart tot het zijne maakte; ik weet wel,
dat hij somtijds zelfs duivelen heeft moeten uitwerpen, eer hij de
„Rabbouni” dezer Magdalenaas werd; maar ik weet ook, dat onze
barmhartige Meester van zwakke menschen geen Engelendeugd eischt; ik
weet ook, dat hij even weinig als wij, bij het inzamelen eener edele
vrucht, naar den wilden stam vraagt, waarop zij geënt is; ik weet ook,
dat hij tot een zondaresse, die zijn voeten met hare tranen baadde en
met haar lokken afdroogde, gezegd heeft: „Uw gheloove heeft u behouden,
gaet henen in vrede;” ik weet ook, dat Petrus een boeteling en Paulus
een van verre gekomen bekeerling was; ik weet ook, „datter blijdschap
is in den Hemel over eenen sondaer, die hem bekeert, meer dan over
negen-en-negentigh rechtveerdige, die de bekeeringe niet van nooden en
hebben!”....
En laat mij nu aan mijzelven over, om nog eenigen tijd te mijmeren.