Het is dus beslist.—Jonathan! Of gij wilt of niet, gij moet er aan
gelooven. Men laat u geen rust. Gij moet de wijde, wijde wereld nog
eens weder in! Nog meer! gij moet uwe stem nog eens op nieuw laten
hooren. Het is een vaderplicht, zegt men, dien gij aan uw papieren kind
schuldig zijt, en waaraan gij u niet onttrekken kunt...
—Welnu! laat het dan zoo zijn! hier ben ik!
Mijne heeren en dames!—(Ouderwetsch, niet waar? Of sedert mijn laatste
optreding de emancipatie der vrouwen—die arme, witte slavinnen van ons
koude Noorden!—niet aan de orde gekomen was, die een eenigszins galant
spreker verplicht met de Dames te beginnen!... Ik kan het niet helpen.
Ik vrees, dat ik op sommige punten tot de onverbeterlijken behoor, en
geef mij als vroeger gelijk ik ben.)—Derhalve nog eenmaal: Mijne heeren
en dames! Ik begin—met voor u een diepe buiging te maken, die een
uitdrukking mijner dankbaarheid moet zijn.
Uit mijn jeugd herinner ik mij nog flauw, hoe ik, als ik eens een
enkele maal in de komedie kwam, er meermalen getuige van was, dat de
akteur, die, naar het oordeel van het publiek, zijn rol wèl had
afgespeeld, bij het einde van het stuk „teruggeroepen” werd, en dan met
vele strijkaadjes een plechtige buiging maakte! als blijk van
erkentenis voor de bewezen onderscheiding. Ook mij valt nu van wege het
achtbaar Publiek een soortgelijke eer te beurt. Het vriendelijk
onthaal, aan mijn boekje geschonken, dat een nieuwe uitgaaf noodig
maakt, is een soort van terugroeping. Zou ik daarvoor ongevoelig zijn?
Neen, ik buig mij zoo diep ter aarde als mijn stramme rug het eenigzins
toelaat, en als ik kon, zou ik u, mijn lezer! die thans met dit blad in
de hand zit, als vertegenwoordiger van al mijn tegenwoordige en
toekomende lezers, uit de verte erkentelijk de hand drukken.
In allen ernst, ik heb reden tot erkentenis. Zie, dat had de „Meester
Droomer,” die Waarheid en Droomen schreef, nu wel niet gedroomd. Nog
heugt het hem, hoe het hem te moede was, toen hij zijn eersteling de
wereld inzond. Hij, zulk een nieuweling, die maar wat in een
huiselijken leuningstoel had zitten mijmeren en peinzen, en wat hem
daarbij in den geest was gekomen, in allen eenvoud had neêrgepend, rijp
en groen, wijs en dwaas, allegro en andante, major en minor, alles
dooreen, en die bij dien inval de nog grooter stoutheid had om zijn
salmagundi, zijn olla-podrida aan dien grooten heer—dien grootste van
alle heeren—het groot Publiek aan te bieden.... is het wonder dat de
bloed beefde en dat hij bij dat waagstuk het voorkomen had—om met
koning Filippus te spreken, toen hem eens een smeekeling al bevend een
rekest overgaf—van een bedelaar, die een penning aan een olifant geeft?
Verbeeld u, dat de olifant dien penning vertrapt en den schenker er van
met zijn vier groote pooten vertrapt of—zooals ik meen dat het
officiële kunstwoord luidt—vernietigd had! Hoe duur zou ik, arme hals,
dan mijne stoutheid hebben geboet! En kon het anders? De olifant en ik!
Dat was toch ook waarlijk, als er oneenigheid kwam, geen portuur! Dan
had het feit kunnen gebeuren, waarvan de bekende Dichter-Schoolmeester
spreekt, dat
—zoölogiesche Jonathans wel eens aan ’t sneuvelen raken.
Maar neen, neen! het viel gansch anders uit. De groote olifant was zoo
grootmoedig, zoo nederbuigend, zoo goed! Hij nam uit mijn hand den
penning met zijn slurf, bekeek hem van alle kanten, legde hem daarop,
zooals men dat wel eens meer in een diergaarde zien kan, in het
daarvoor bestemde bakje ter bewaring en keek den gever van den penning,
in plaats van hem te verscheuren, met zijn groote, bruine, goedige
oogen zoo vriendelijk aan, dat het hart er mij van overliep. Die
edelmoedige olifant! Kon hij mij nobeler behandeld hebben?
Ik ben dan ook van top tot teen enkel verrassing en genoegen, enkel
erkentenis en dankbaarheid. En dat te meer, omdat de vriendschap
tusschen den olifant en mij, door dit klein geschenk ontstaan, sedert
even bestendig heeft voortgeduurd en nu reeds de proef van bijkans het
derde eener eeuw gelukkig heeft doorgestaan.
Waarlijk, dit komt niet alle dagen voor. Ziet gij, ik wil het wel
erkennen. Op één ding had ik, toen ik mij voor de eerste maal in het
openbaar presenteerde, wel een weinigje gerekend. Er bestond toen—bij
al de onbeduidendheid mijner geringe gaven—tusschen mij en een deel
althans mijner lezers één punt van aanraking. Ik was min of meer een
kind van mijn tijd. Die tijd nu had zijn eigenaardige fysionomie.
Misschien was het wel een weinig een Janus-aangezicht, een hoofd met
twee tronies, dat hij droeg. Maar één van die tronies dan toch had
tamelijk hetzelfde uitzicht als ik. Er lag iets van den fantast, den
droomer, den mijmeraar in zijne trekken. Chateaubriand’s René en Byrons
Harold waren nog niet uit de mode; Lamartine mediteerde en harmonieerde
uit al zijn macht en Victor Hugo botaniseerde feuilles d’ Automne met
volle handen; de mindere goden volgden, als het gaat, van zelf, en, om
in den toon van den tijd te vallen, hadden ook de vroolijksten van
nature q. q. hun „Zwarten tijd.” In die dagen trad Jonathan in het
karakter van Penseroso op. Is het wonder, dat hij niet alleen
binnengelaten, maar ook heusch nog al wèl onthaald werd? Hij was immers
met een goed deel zijner tijdgenooten een vogel van gelijke veêren, en
zong zooals hij, maar ook zij, gebekt waren? Het was maar natuurlijk,
dat het koor hem inhaalde:
Dignus, dignus est intrare
In nostro docto corpore.
Maar, ziet gij, dat is sedert vrij wat anders geworden. Welke gezichten
Janus nu heeft, durf ik niet bepalen, om niet met de toongevers over
hoop te raken; maar dit weet ik, dat hij zijn Yoricks-gelaat bepaald
kwijt is. Als hij mij nu aanziet—nu, daarvoor kan ik wel ruiterlijk
uitkomen—keert hij mij een volle realiteits-tronie toe. De „hartstocht
der werkelijkheid” bezielt hem tot fanatisch-wordens toe. Arme
Jonathan! Dat lijkt u niet. Zulk een mensch, zulk een positivist der
positivisten is uw man niet, evenmin als gij de zijne. Pak dus, hoe eer
hoe beter, uwe biezen. Procul hinc abite, profani. Gij zijt een
antiquiteit, een reliek, een mummie. Naar de zaal der Etrurische of
Egyptische oudheden, naar de collectie van werktuigen uit het
vóórhistorische steenen en bronzen tijdvak met u!....
En toch! en toch!..
Misschien staat de zaak nog niet zoo volkomen wanhopig. Op den bijval
van het gros valt niet meer te rekenen. De dubbele deuren zijn en
blijven gesloten. Misschien echter is er nog een achterpoortje.
Misschien is er hier of daar nog een enkele vriend verborgen, die mij
door een spleet er van binnen laat. Ja, misschien heb ik in stilte nog
meer vrienden, dan ik zelf wel weet, of mij onderwinden zou te hopen.
Ziet gij, men kan wel, o ja! als een recht geaard kind van het achtste
tiental jaren der negentiende eeuw, een man der realiteit, zelfs in de
tweede macht, zijn... Werkelijkheid hier! Werkelijkheid daar!
Werkelijkheid overal! maar dat neemt toch niet weg, dat men, qua
mensch, onder het koude harnas van de wetenschap en den ijzeren
maliënkolder van het empirisme, in de linkerborst iets zachts, iets
weeks, iets menschelijks heeft, dat zich niet te best beschrijven laat,
maar dat ieder, ook zondere verdere beschrijving, na dezen wenk genoeg
herkent: iets, waarvan Chateaubriand zoo schoon zeide, dat men het
heeft van God of van zijne moeder. De mannen van het Heden mogen nu,
als de bekende dokter van Molière, die het hart aan de rechterzijde van
den mensch plaatste en bij een protest daartegen uitriep: Nous avons
changé tout cela! zij mogen nu het hart hebben zoeken te verplaatsen,
of, zoo dat niet ging, het dan toch inwendig hebben zoeken te verstalen
of te versteenen; een mensch kan, zelfs in 1871, maar niet alles wat
hij wil. In een van de geestigste kleine stukken van Scribe beveelt de
Oostersche Vorst, de Pacha, al zijn hovelingen op een zekeren dag
vroolijk te zijn, aangezien de Vorst vroolijk is, en al wie nu niet
terstond vroolijk wordt, dien zal zonder genade het hoofd op kommando
voor de voeten worden gelegd!—maar daarmeê is de vroolijkheid nog niet
dadelijk present, en zal zich misschien ook verder nog wel wat laten
wachten. Welnu, zoo is het met de realiteits-passie. De Romeinsche
blijspeldichter heeft in een bekend woord geleerd:
’k Ben een mensch, en deel in alles wat
eens menschen is als ’t mijn.
En waarlijk, als zoodanig, als mensch, leeft en trilt er bij ons,
tusschen alle spieren van onze volle werkelijkheidskracht, toch ook
hier en daar een enkele zenuw van poëtisch gevoel. Wij hebben staal in
ons bloed, veel staal, erg veel staal—maar toch ook een dropje of wat
melk. En die melk doet soms, als het staal goed gewerkt en tijdelijk
uitgewerkt heeft, wel eens voor een oogenblik haar verzachtenden,
verzoetenden, malsch- en weekmakenden invloed gevoelen. O ik weet het,
Jonathan is maar een sober citerspeler op dat verhevenste, dat meest
hemelsche van alle instrumenten op aarde, het snarentuig van het
menschelijk hart. Maar toch is het hem soms wellicht een enkele maal
gelukt, met zijn ongeoefenden vinger, bij het beproeven van zijn
eenvoudig deuntje:
Al de eendjes zwemmen in het water,
of wat nog eenvoudiger is dan dit, een liedje uit de verre kindsheid,
uit de leer- of speelkamer, een enkele snaar bij enkele harten zoo te
raken, dat zij antwoord, dat zij geluid, harmonisch geluid gaf—welnu!
om dien enkelen toon is er sympathie tusschen luit en luitenspeler! en
daaraan alleen dan ook wijt hij het dank, dat men hem niet reeds lang
als een miserabelen straatmuzikant, als een ondragelijken liereman of
orgeldraaier van de deur heeft weggejaagd,.... wat zeg ik? dat men hem
soms heeft laten binnenkomen, in het kantoor bij mijnheer den reeder,
in de werkplaats bij mijnheer den fabrikant, zoowel als in het salon
bij de mevrouwen en jonkvrouwen, met de boeken van de hoogere
burgerschool op den schoot en de handwerkjes voor Arbeid-adelt in de
handen, en hem gezegd heeft: Kom aan, zoon van de citer! wij maken een
kleine pause. Maak het niet te lang! maak het niet te zoet! maak het
niet te treurig! Maar terwijl ons werk een poosje rust, ga uw gang!
laat hooren, welke aria gij op uw speeldoos hebt. Stem uw speeltuig, en
zing uw lied!
Gij ziet, waarop ik reken, waarop ik speculeer. Ik zoek mijn bondgenoot
in het hart, dat, minder dan de geest, de kleur van den omringenden
atmosfeer, blauw of grauw, bloedrood of scharlaken, naar het valt,
aanneemt en minder onderhevig is aan variatiën van de mode dan hij. De
mode! Ik heb daar een leelijk woord genoemd. Want, ach! uit de mode en
buiten model, dat is Jonathan gansch en al, van top tot teen!
Verouderd, mijnheer! totaal verouderd! van het jaar nul!
Ik weet het, mevrouw! en is het wonder?
Het is nu meer dan dertig jaar geleden, dat ik als auteur mijn intreê
in de wereld deed. Denk eens, meer dan dertig jaar! bijna tweemaal de
leeftijd van uw lieve oudste dochter daar naast u, die reeds met den
jonkman, die daar ginds het venster voorbijgaat, teedere blikken
wisselt. Het is een eeuw! Hoe zou het mogelijk zijn, dat in dien tijd
niet het een en ander, buiten mij of aan mij, verouderd zou zijn? Ik
weet het ook wèl. De heeren dragen in mijn boekje geen knevel en de
dames geen chignon. Van de muziek van Offenbach geen spraak en Mijnheer
en Mevrouw Bebé—totaal onbekend. De naaimachines nog in het hoofd van
den uitvinder, en het Roode kruis nog achter den horizont. Ik kan het
niet helpen, Hildebrand is gelukkig genoeg geweest, de onderaardsche
Schietblaasbalg in een visioen voor uit te zien en te voorspellen; maar
ik, kortzichtige, ik heb zulk een fortuintje niet gehad. Ach, ik ben,
om met Bilderdijk te spreken, maar een „Jasper ouderwetsch,” en zal
het, vrees ik, blijven. Al draag ik geen pruik, wat erger is, ik ben
zelf een pruik, een pruik der pruiken. Ik was het reeds zooveel jaar
geleden—hoe zou het er nu beter op geworden zijn?—„Alzoo niet modern?
niet modieus? niet naar ’t model? weg met u!”
En ook de bezem en de bijl
Verheffen samen hun kritiek:
„Uw speeltuig is van d’ouden stijl
En geeft gantsch nutlooze muziek!”
Aan spaanders moet het! en op ’t vuur!
Dan dient het toch nog ergens toe!
En gij, onbruikbare nabuur!
Op straat! Wij zijn de wildzang moê!
„Het hakmes geeft den waren toon;
De bezem is de levenskern
Van ’t huis, en houdt den drempel schoon:
Dat’s zuiver praktiesch, en—modern!”
Bravo! Maar, wat volgt er?
Alleen het kinderlijk gemoed
Zucht, daar ’t een stillen traan vergoot:
„Gij, schoone zwerfster, wees gegroet!
Treê binnen! zing! en—deel ons brood!”
Het al te prijzende bijvoegsel: „schoone”! bij de Zwerfster zullen we
daar laten. Maar verder, op den spreker, en met name op den naam,
waaronder hij wordt opgevoerd op het „kinderlijk gemoed” leg ik de
hand. Zulk een gemoed, zie, dat vindt men nog wel hier en daar; dat
vindt men aan alle plaatsen; onder een pruik en onder een Brutuskop;
achter een chinesche kamerjapon en onder een jurk naar het model van la
Gracieuse van Januari 1872 in paulo post futuro. Er zit in sommige
oogen, zwarte en blauwe, oude en jonge, achter een bril en achter een
binocle, zoo’n zekere elektrieke vonk, die uit het hart komt, en waar
die vonk haar werking doet, zie! daar is de telegraaf aan ’t werk—’t is
slag en weêrslag—vraag en antwoord—de communicatie is daar!
1840–1871. Inderdaad! het is een heele sprong. Een sprong om haast den
hals bij te breken. Maar toch ook tusschen die jaren was er eenige
gelijkheid. Zoo hebben wij ook in 1871 lente gehad, al kwam ze wat laat
en was ze wat koud. Wij hebben lente gehad; een heusche lente, zoo goed
als 1840 maar durfde denken. De seringen geurden, de tulpen bloeiden,
de hyacinten zonden uit haar blauwe en roosverwige wierookkelken haar
geuren omhoog, de nachtegalen zongen, de leeuwerikken kwinkeleerden,
en, onder den bloeienden Meiboom en tusschen het slaan van de
nachtegalen zat Romeo met Julia in het priëel, en spraken ze samen
teederen liefdekout—precies zooals in 1840. Zulke dingen veranderen,
zulke dingen verouderen niet. Ik las ergens van een graf, waarin men,
vele eeuwen geleden, oude Celten begraven had, te gelijk met zaden van
granen en bloemen, die, bij het openen van hun tomben, in de lijkkist
gevonden werden. Men zaaide die zaden—en zie! terstond ontkiemden
groeiden en bloeiden ze, na een rust van meer dan twee duizend jaar,
tusschen het stof van graven en doodsbeenders. Elders las ik van een
stuk geurend hout, dat men in de diepte vond, mede eenige duizenden
jaren oud, en toen men het op het vuur wierp ... zie! daar ging de damp
als een wierookwolk naar boven, en die damp rook, alsof de boom pas was
gegroeid en uit den zomer-adem van 1870 of 1871 zijn versche geuren
ingedronken had. Zoo is het in de wereld der planten; zou het in de
wereld van die denkende planten, ces roseaux pensants, waarvan Pascal
spreekt, anders zijn? Neen! neen! spreek den mensch, mits hij waarlijk
mensch en kompleet mensch zij, spreek hem aan met een woord uit het
woordenboek des echten menschengevoels: spreek hem van poezij en kunst,
van vriendschap en liefde, van geloof en hoop, en hij zal weêrklank
geven, in 1840 in 1871, in 1971, in 2071 en al de jaarhonderden die
volgen, zoolang de Darwin’s-theorie geen omgekeerden loop neemt en de
mensch een mensch-aap, de Johannes of Maria een broeder-Jocko of een
zuster-Gorilla wordt. Reken daarop gerust, oude liereman en, in die
bewustheid, grijp uw strijkstok, tokkel uw snaren, en speel uw lied!
Nu, waarlijk! dat is een buiging naar de mode, als met een sleepjapon,
die nog op den trap is, als de draagster reeds lang bezig is haar
kompliment voor de gastvrouw te maken—welk een staart! Als we zoo
voortgaan zouden, kwamen we met ons artikeltje in geen halven dag
klaar. Maar daarvan is geen nood. Ik geef u in bedenking, om van
stonden aan alle komplimenten af te breken, en het gordijn wêer achter
den uitgekomen acteur (of auteur) te laten vallen. Wat meer is, ik stel
u voor met hem op reis te gaan.
Waarheen?.... Het zal u spoedig blijken.
Toen ik beloofd had, een nieuwen druk van mijn Schetsenboek te helpen
bezorgen, nam ik het natuurlijk wêer eens opzettelijk in handen. Niet
om te zien, of er niet wat aan te verbeteren viel. Daarvan kon in geen
geval de rede zijn. Het boek moest blijven wat het is. Gij zult ook een
kinderportret van u niet nemen om het door een schilder in een zwarten
rok te laten steken, in de hoop, dat het dan beter op u in uw
tegenwoordige gestalte en voorkomen gelijken zal. Bij de afbeelding van
den jongen behoort een jongenskiel; men noemt dat thans: „het beeld in
de lijst van zijnen tijd.” Maar al wil men een oud boek niet
moderniseren, dit belet niet dat, als men voor het publiek verschijnen
zal, men zich toch even voor den spiegel plaatst en een oog over zijn
toilet laat gaan om er het stof af te schuieren, en een vlek of smet te
doen verdwijnen, die er bij ongeluk op gekomen of op gebleven is. Zoo
las ik mijn eigen boek nog eens door, alsof ik, in plaats van
schrijver, een gewoon lezer ware.... Zonderlinge gewaarwording! waarbij
haar te vergelijken?
Het was mij vreemd te moede. Hoe dan wel ongeveer? Ik zou zeggen:
Omtrent zooals iemand zich gestemd zou gevoelen, die na een langdurig
afzijn in zijn eigen huis wederkeert. Verbeeld u bijvoorbeeld een
Landjonker, die op een kasteel is grootgebracht, en daar al de liefste
herinneringen van zijn kindsheid heeft liggen; daar kind, knaap en
jongeling is geweest. Maar later heeft hij dat Buiten verlaten; hij is
buitenslands gaan reizen. Hij heeft een goed deel van zijn leven in een
anderen streek der wereld doorgebracht. Na een geruimen tijd echter
roepen buitengewone omstandigheden hem in het vaderland terug, en bij
die gelegenheid bezoekt hij ook zijn oude ouderlijke en voorouderlijke
woning. Hij vindt het alles zooals het hij gelaten heeft; men heeft
alleen de kamers schoongehouden en de meubels nu en dan wat opgewreven;
maar anders alles geheel het oude! Wonderlijk gevoel. Zie, hoe hij, het
huis ingegaan, het geheele gebouw doorloopt, van voren naar achter, van
boven naar beneden, van den zolder tot den kelder. Eindelijk keert hij
op zijn vroegere dagelijksche woonkamer terug, zet zich daar neer in
zijn eigen leuningstoel, legt de hand onder het hoofd, en peinst,
peinst, peinst.....
Zoo Jonathan met zijn eigen boek in handen. Ook hem is het als keert
hij, na een betrekkelijk lang afzijn, in het oude huis terug. Waar hij
sedert geweest is, wat hij intusschen gedaan, maar ook wat hij gedacht
en gevoeld, genoten en geleden heeft,—dat alles wordt hier niet
beschreven. Het is in den Jonathan nooit om een biografie, maar eer om
een prosopografie, vooral inwendig, om een afdruk van indrukken te doen
geweest. Maar genoeg, Jonathan, wie hij overigens vroeger was en nu
zijn moge, hij is thans voor het oogenblik weêr thuis. De tijd, waarin
we nu leven is er recht geschikt voor. Terwijl deze regelen ten papiere
komen, leven wij in den Advent. Kerstmis nu lokt als van zelf uit tot
een bezoek naar huis. Rondom den kerstboom verzamelen zich gemakkelijk
en gaarne al de hier en ginds verspreide leden van een familie, en als
men dan bij de lichtjes van dien boom de oude lieve gezichten uit zijn
kindsheid en jeugd terugziet, is het alsof men zelf weer kind wordt met
de andere kinderen meê. Iets dergelijks gaat ook mij nu door het hart.
Bij het weerzien van de oude woning met al hare lieve herinneringen
wordt Jonathan wel geen kind,—zulk een halsbrekenden sprong zal hij wel
niet doen—maar hij gaat toch in zijn verbeelding een geheel tijdvak van
meer dan dertig jaren terug.
Somtijds in mijn dier gezin,
’s Avonds aan mijn haard,
Haal ik weer de droomen in,
Reeds zoo vaak verjaard.
Dertig jaren dring ik door,
Drijf ik uit mijn oog,
En herroep den tijd er voor,
Die zoo ver vervloog.
dus zingt hij Tollens na. Zie hem, hoe gelukkig hij zich in die
herinnering, in die verjonging voelt. Hij doet even als de straks
beschreven Landjonker; hij loopt het oude huis op en neêr, van kamer
tot kamer, en terwijl hij de oude lievelingsplekken bezoekt, is het hem
of hij het oude, daar eens doorleefde, leven nog eens overleeft.
Eindelijk komt hij weêr in zijn bekende eigen lieve woon- en
boekenkamer te land. Zie, daar ginds staat ook de oude fauteuil, waarin
hij zoo dikwijls nederzat; wel wat verkleurd en wormstekig geworden,
maar toch nog altijd even zacht en gemakkelijk als altijd. Zoo strekt
die hem dan ook als van ouds de beide armen uitnoodigend en uitlokkend
tegen. Hij valt er in en.... daar zit waarlijk de oude Pythia weêr op
haren drievoet... de heilige dampen stijgen op uit den grond... daaruit
vormen zich weêr beelden en gestalten.... de Droomer droomt als in de
dagen van ouds!....
’k Herroep u hier een droomgezicht; ik zag ’t......
In slaap misschien!—wat iemand sluimrend ziet
Kan menig jaar omvatten, en geheel
Een leeftijd samenpersen in één uur. [5]
Laat ons rondzien. Ja, wel voel ik mij hier thuis, alsof ik niet weg
geweest ware. In mijn verbeelding zie ik al de bekende en geliefde
voorwerpen weêr, die mij hier vroeger plachten te omringen, en niet
zooals ze sedert geworden zijn, maar zooals ze toen waren. Eerst zien
ze mij een tijd lang zwijgend aan, gelijk ik hen, maar straks!....
hoort! hoort! daar beginnen ze te spreken, even als ginds mijn
huisklok, die zijn lied speelt wanneer hij heel of half slag zal gaan
slaan. Wat ze mij zeggen,—laat ik beproeven, in hoeverre ik het in
woorden weêr kan geven. Dat zal dan als een gesprek met de Dooden zijn!
Daar ligt waarlijk nog een exemplaar van de oude Haarlemmer-Courant uit
den jare 1840. Welkom, oude vriend! Zien wij elkaâr nog eens terug? Ik
ben toch ook blijde, dat, voor hoeveel dooden gij sedert ook het
klokkentouw getrokken hebt, gij zelf nog leeft. Met een artikel over u
in de hand, ben ik het eerst voor het publiek gekomen; een kramer zou
zeggen: Enschedé heeft mij handgeld als auteur gegeven; dit maakt, dat
er tusschen mij en die firma een oude relatie bestaat. En daarom
verheug ik er mij in, dat de Haarlemmer nog steeds bestaat. Och, er
zijn sedert zooveel andere dingen verdwenen, of met verdwijning
bedreigd. Denk maar aan Jan Laurensz Koster, van wien het nu schijnt te
blijken, dat hij geen Jan Laurensz, en geen Koster, en, wat het ergste
is, dat hij geen uitvinder van de boekdrukkunst is; de Duitsche
Guttemberg, die door ons, hem ten behoeve, zoo dikwijls voor al wat
leelijk is uitgemaakt, en dien wij het half gestolen octrooi zoo vinnig
uit de handen hebben gescheurd, zal nu ten slotte nog met al zijne en
onze glorie op dit punt gaan strijken. Ten minste, er zijn geleerden,
die zeggen, dat er voor Koster zulk een onttrooning en ontkrooning,
niet minder erg dan die van Napoleon te Sedan, onvermijdelijk op handen
is. Welk een val! Denk nu eens aan 1824 en het Kostersfeest; denk aan
de schoone redevoering van Van der Palm en het enthusiastische vers van
Tollens:
Neen, vreemden, neen, verhit op Neerlands loof,
En die u ’t hoofd wilt met haar roem beladen!
Grijpt, tast niet naar die lauwerbladen:
Gevreesd, gevaarlijk is de roof,
Die zijn bezitter kan verraden!
De drukkunst, uw bejaagde buit,
Brengt gruwlen en geheimen uit.
Zoo bralden we in ’24; en nu keert zich in ’70 dat wapen zoo akelig
tegen onszelven, en staat het geschreven, dat Koster vroeg of laat, als
zijn beeld niet van hooger hand wordt gesloopt, zelf van schaamte in
den grond zal verzinken, of in elk geval in arren moede de Symbolische
A, die hij in de hand heeft, zal opeten of het een Haarlemsche roode
letter ware.... het is om bij te weenen. Maar staat Koster, naar het
schijnt, op zijn laatste beenen, de Haarlemmer-Courant staat pal. Hij
is in die verloopen dertig jaren grooter geworden, en geleerder
geworden, en ijveriger geworden: hij doet nu zijn boodschap niet meer
drie-, maar zesmaal per week, en hij heeft nu soms geleerde
opmerkingen, alsof hij nu en dan in het fundatiehuis van Teyler ter
studie ging en er physische experimenten maakte.... waarlijk, men moet
wel erg zwartgallig zijn om te beweren dat in de wereld alles, alles
achteruit zou gaan. De Haarlemmer, de oude liefde van alle oude
vrijsters en van alle andere nieuwsgierigen, die gaarne op de hoogte
van het kraam- en trouw- en sterfnieuws blijven—de Haarlemmer gaat
bepaald vooruit!
Kon ik nu eens een blik laten gaan over al de veranderingen, die ook in
zijnen inhoud hebben plaats gegrepen! Ook daarin zou ongetwijfeld de
vooruitgang niet minder merkbaar zijn. Vroeger had men alleen
advertentiën, waarin het gelukkige paar bekend maakte, dat zij gehuwd
waren; maar nu komt een mijnheer, die lust tot trouwen heeft, en vraagt
een jufvrouw of des noods een mevrouw, die weduwe werd, liefst wat
jong, en wat mooi, en wat rijk, en wat rijk aan beminnelijke
hoedanigheden, bv. vrouwelijke kieschheid en maagdelijke schuchterheid,
die een dame zoo goed staat! Welk een schoone verhouding. Nu heeft men
de Duitsche en Fransche trouwkantoren niet noodig; men hoeft niet op
een schoone uit te gaan en een blauwen scheen te wagen; neen, men
blijft t’huis; men laat ze in effigie bij zich komen; als men niet naar
het stadhuis moest gaan om voor den ambtenaar van den burgerlijken
stand zelf zijn naam te teekenen, men zou kunnen trouwen in zijn
leuningstoel. Nog comfortabler is het, dat een enkele maal de
trouwlustige dames zichzelve aanbieden. Ik heb wel eens hooren zeggen
dat, als de Dames kiezen konden in plaats van de Heeren, het veel beter
in de huwelijkswereld toe zou gaan.... we zijn er nog niet, maar we
zijn toch op weg. Help kijken, als de emancipatie doorgaat....
De kindertjes worden geboren zooals vroeger, volgens den Haarlemmer.
Daarin schijnt minder verandering te komen. Alleen heb ik opgemerkt,
dat het bijvoegsel „mijn lieve echtgenoot” langzamerhand min of meer
uit de mode raakt; niet het „lieve” op zich zelf, maar het „lieve” in
de courant. Sterven doen de menschen ook nog als vóór dertig jaren.
Halloway en Malz, de oude Arabische-Revalenta- en de nieuwe
Amerikaansche-Condurango-kweekers hebben daarin nog geen doortastende
verandering teweeggebracht. Ook de duizend en een koude, heete en lauwe
bronnen, met hare levensstroomen hebben het lieve leven zelf nog uit de
aarde niet kunnen ophalen; het kruid tegen den dood schijnt nog altijd
op onze arme planeet niet te willen wassen. De Haarlemmer verandert nog
al eens van formaat, en is ook wel eens een tijd lang kleiner van stuk
geweest dan vroeger, maar de doodenlijst op bladzijde 3 is altijd even
groot gebleven; die heb ik nooit, als de krant zelf, tot drie kwart van
het formaat verkleind gezien!
De overige advertenties wijzen ook al niet onbepaald verbetering en
vooruitgang aan. Daar zijn nog altijd hoofdonderwijzers, die maar geen
hulponderwijzer krijgen kunnen, en hulponderwijzers, die het voor zulk
een kleintje niet kunnen doen. Daar zijn nog altijd—mijn oud
zwak—gouvernantes en gezelschapsjufvrouwen, die voor o! zoo weinig
loon, soms in ’t geheel geen loon, o! zooveel diensten, met o! zulk een
vriendelijk, pijnlijk-vriendelijk gezicht, voor allerlei mevrouwen
Waters verrichten willen, die, als de bekende lieve Dame uit den
Nickleby van Dickens, om hare delicate constitutie, zulk een
bliksem-afleider van haar booze luim allernoodzakelijkst behoeven om er
niet in te stikken.
En wat nu de politieke berichten aangaat, ook daar staat de thermometer
al zoo, na enkele afwisselende op- en neêrwaartsche bewegingen, gedurig
op hetzelfde punt. Het is daarmee als met het slechte weêr in
Schotland, volgens een bekende spotprent:
—Regent het hier altijd, jongetje?—
—Neen, Sir! soms sneeuwt het ook.
De keizer van het Blauwe land (ik neem de verschillende kleuren van de
landkaart, om niet personeel te wezen) heeft de koning van het Groene
land bezocht; ze hebben elkander op de hand beloofd om samen vrede te
houden. Na het rooken van dien vredepijp heeft de Blauwe en passant op
de werf te *** eenige nieuwe oorlogsschepen besteld en de Groene in de
gieterij te *** een partij allerbeste getrokken kanonnen laten
aanmaken.... waarom? Wel natuurlijk, om als pleizierjacht te dienen en
vreugdeschoten te lossen, als zij elkaâr weêr zulk een vredelievend
vriendenbezoek komen geven!—De vorst van het Roode land ligt over hoop
met zijne ministers, en de ministers met de Kamer, en de Kamer met het
volk, en het volk weer met den Vorst. Ze twisten voornamelijk over de
financiën, over het uitschrijven van belastingen op de lucifers en van
een hoofdgeld op honden en katten.—De President van het Zwarte land wil
graag keizer worden, maar het roode volk wil den President wegjagen en
een Commune stichten, waarvan de tijger uit den Jardin des plantes
koning en de salamander uit de fabel eerste minister zijn zal!... Ach!
ach! en zoo gaat het altijd voort; en intusschen worden jaar op jaar
een steeds grooter aantal courant-artikelen met bloed geschreven. Was
het in den laatsten tijd niet soms, of de drukkerij van den Haarlemmer
voor politiek nieuws roode, in plaats van zwarte letters gebruikte? En
toch zitten de mannen van het Vredeverbond trouw op den wachttoren,
waarop de witte vlag waait; maar op de vraag: Wachter! wat is er van
den nacht? is het antwoord nog gedurig: De morgen is gekomen, en nog is
het nacht. Waarlijk, ook met den steeds vooruitgaanden Haarlemmer in de
hand, is het toch soms moeielijk, aan den gestadigen vooruitgang van
den menschheid in ’t groot te blijven gelooven. Wel geloof ik nog
steeds daaraan, omdat ik aan eene hoogere Macht geloof, die het
scheepje van de menschheid over den grooten oceaan voert, en die niet
alleen over het roer en de zeilen, maar ook over den stroom te gebieden
heeft, zoodat het vaartuig ten slotte, dwars door stormen en onweders
heen, den koers inslaan moet, dien zijn vinger het vóórtrekt... maar
het is misschien omdat mijn oogen slecht beginnen te worden met de
jaren, ik zie van de voorwaartsche beweging soms niet veel, en indien
ik durfde, zou ik een enkele maal haast willen vragen: De stuurman is
immers wel aan boord?
Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms.
En ligt gij daar ook nog, mijn eigen lief Album, met uw handschriften-
en portretten-verzameling van den ouden tijd? O wat ziet gij er uit!
Niet van buiten; daarvoor heeft men trouw genoeg gezorgd; maar van
binnen! Hoe zijn uwe beelden verkleurd, uwe teekeningen verflauwd, uwe
manuscripten tot onleesbaar wordens toe bleek en geel geworden! En,
ach! wat het ergste is, niet alleen hebben de beelden hier vóór mij van
den tijd geleden, maar ook hier, in het binnenste, zijn ze, althans
voor een deel, niet meer zoo helder en frisch van kleur en omtrek als
voorheen. De dichter heeft het wèl gezegd:
Les morts durent bien peu; laissons-les sous la pierre!
Hélas! dans le cercueil ils tombent en poussière
Moins vite qu’en nos coeurs.
Willen wij oprecht zijn, laat ons het erkennen: we zijn vergeetachtige,
ondankbare en liefdelooze schepsels. Nu ja, het is waar; we kunnen met
de dooden niet leven, dat is vaak genoeg gezegd; maar dat rechtvaardigt
de toepassing van den egoïstischen regel niet: Uit het oog, uit het
hart! De ouden waren gewoon hunne lijken te verbranden om hunne asch in
een lijkbus altijd nabij zich te kunnen hebben; de Chinezen leggen hun
begraafplaatsen aan in hunne tuinen om telkens de graven der hunnen te
kunnen bezoeken; ik zeg niet, dat ik een genootschap zou willen
stichten met het doel om dit gebruik, zoo mogelijk, bij ons ingevoerd
te krijgen: misschien kreeg ik het met de een of andere
Gezondheids-commissie te kwaad, en daar blijf ik maar liever buiten.
Maar toch, het denkbeeld, dat daarin en daarachter ligt, lacht mij wel
aan. Waarlijk wij moesten niet zoo gereed zijn om onze dooden, die ons
eenmaal afgestorven zijn, nog eens te laten sterven. Non bis in idem,
zeggen de juristen.
Zoo sprekende bemerk ik, dat ik aan het einde van mijn boekje gekomen
ben, hetwelk ik bezig ben te doorbladeren. Mijn boekje.... namelijk
zooals het was, toen ik mijn daaraan gewijd artikel besloot. Als de
verzameling in dien band sedert trouw was bijgehouden—o! hoe groot zou
dan het getal namen niet zijn, waarachter ik het bekende teeken † zou
vinden. Geen wonder. Dertig jaren. Het is een geheele menschenleeftijd:
zegt men niet, dat drie menschenleeftijden een eeuw vullen? In zulk een
tijdperk nu, hoeveel dooden! Inderdaad, het leven is als een reis met
den spoortrein. Men gaat van het station op het punt van vertrek af:
het rijtuig zit vol. Het zijn de vrienden, die men meêbracht, of men
maakt met de overigen kennis op reis. Maar telkens, te midden van het
gesprek, daar klinkt het fluitje... de deur gaat open.... een der
reizigers stijgt uit.... een ander komt in zijn plaats. Zoo verandert
gaandeweg de helft, drie kwart van het personeel, en, als gij bij de
aankomst op de plaats der bestemming rondziet, is het mogelijk? Is dit
het gansche overschot van het reisgezelschap, waarmede gij uw tocht
begont? En, ziet gij, naderbij beschouwd, het beeld gelijkt maar half.
Want de passagier die het rijtuig verlaat, gaat gezond en frisch, en
met een lachend gelaat, en met een: tot wederziens! op de lippen, van u
weg, maar die andere passagier, die op den reisweg des levens u voor
goed verlaat, gaat heen in een lang wit kleed, even wit als zijn lang
en bleek gelaat,—of hij gaat eigenlijk niet, maar hij wordt gedragen,
en het: vaarwel! of het: tot wederziens! zoo hij het nog zou willen
stamelen, is onder het spreken bestorven op de witte lippen. En die
eerste passagier, als hij gaat, neemt ten hoogste genomen bij zijn
vertrek een deel van uw gezelschap, een stuk van uw conversatie, een
zoetigheid uit den trommel van uw reisgenoegen meê. Maar de reiziger,
op wien ginds de zwarte Omnibus, (ja wel, Omnibus!) wacht, neemt,
weggaande, een stuk van u zelven mede, een stuk van uw leven, een stuk
van uw hart, een stuk van uw hemel op aarde. We sterven alle dagen. Als
men oud wordt, sterft men lid voor lid. In de oogen, die gaan
schemeren, in de ooren, die zich sluiten, in de beenen, die beginnen te
waggelen, in de handen, die onvast en bevend worden, en, het ergste! in
het hart, dat koud wordt. Maar er is nog een andere, een nog bitterder
dood, dien wij sterven in de onzen. Als een gewond soldaat op het
slagveld zijn been ziet begraven, dat moet hard zijn; maar als men zijn
hart, althans het beste deel van zijn hart, in het hoogste voorwerp van
zijns harten liefde begraaft, dat is eindeloos erger. Dan zou men bijna
wenschen, het voorbeeld der Malabaarsche weduwe te kunnen volgen, en er
zich zelven levend bij te begraven...
Ben ik bezig te klagen? Daarvoor beware mij de goede God! Er is geen
reden voor. Hoe rijk toch moet men niet zijn, om zooveel te kunnen
verliezen, en hoe dankbaar behooren wij den grooten Vader der menschen
te zijn, die ons zoo rijk aan liefde heeft gemaakt. Liefde is ten
slotte toch de grootste schat op aarde; het meest goddelijke in den
mensch. „Godt is liefde!” heeft de boezemdiscipel van den Menschenzoon
gezegd. Ik heb mij zelven wel eens een raadsel opgegeven, waarvan ik na
jaren zoekens de oplossing nog niet gevonden heb, en waarschijnlijk ook
wel nooit vinden zal: het is de vraag: wat zaliger is, lief te hebben
of geliefd te zijn? Maar wat is dat een heerlijk raadsel, en, bij al
hare leemten en ellenden, welk een heerlijke aarde is het, waarop men
elkaâr zulk een raadsel opgeven kan. Ik wil dus dankbaar zijn voor
alles, wat ik gehad heb, al heb ik het sedert ook voor een deel weêr
verloren: de Heere heeft gegeven, de Heere heeft genomen, de naem des
Heeren zij gelooft! Één ding weten we: wij zijn maar op reis: en
zoovelen wij in de rechte richting reizen, gaan wij naar het groote
centraal-station, waarop alle lijnen van de aarde uitloopen. Daar komen
eens al de reizigers saam om niet weêr te scheiden. Daar zijn geen
Albums meer met verwelkte bloemen of afgesneden haarlokken; daar
heerscht een eeuwige lente, daar bloeit een eeuwige jeugd, daar—om met
Van Haren te spreken—daar sterft de dood!
Als nu Editha hier was, zou ik zeggen: Editha! speel de Dernière pensée
musicale van Weber,—of nog beter, speel de schoone zangwijs van den
twee en veertigsten Psalm eens voor mij!