In den winter—

Dan zomert het binnen bij beukstam en veen,

zingt de Dichter: goed, maar met dit gelukkig onderscheid, dat dan

ieder zijn eigen Hore kan zijn, en den zonnewagen zoo dicht bij zijn

gestarnte rollen als hij verkiest. Dan wordt men door geen tyrannieke

wetten van aantrekkings- of afstuitingskracht gedwongen, zijn corpus

altijd op denzelfden eerbiedigen afstand van vijfentwintig jaren

(kanonskogelmaat) van het verwarmend middelpunt te houden. Zalige tijd!

Dan heb ik niet naar boven te zien, om mij te beklagen, dat de hond in

den dierenriem noch niet dol van hitte, en de kreeft noch niet rood

gekookt is door het vuur dat onder hem gestookt wordt. Dan maak ik met

mijn thermometer mijn eigen zodiac, en schep naar verkiezing een

Oostersche, ja, een Keerkringswarmte.

Lach mij uit, zoo gij wilt; naast mijn haard gezeten trotseer ik u, en

daag u uit mijn genoegen door uwe spotternij te bederven. O, mijn

redelijke en zedelijke lezer, in de stemming van algemeene

menschenliefde, waarin mijn tegenwoordig lekkere atmosfeer mij brengt,

kan ik niet nalaten u tegen wil en dank een wensch op te dringen: het

is, dat gij ook in den wereld iets stoffelijks zoo lief moogt hebben,

als ik mijn vuurtje! Rijkdom, liefde, roem, macht, het is alles

bedriegelijk en aan verandering onderworpen; maar iets materieels als

een vlammende haard deelt in die wisselvalligheid niet. Altijd is hij

heet, even heet, en even gereed mij te verwarmen. Ontrouw grieft hem

niet. Na een geheelen zomer in donkere eenzaamheid gekwijnd te hebben,

is in het najaar een blozende glimlach zijn eerste welkomst.

Verkwisting put hem niet uit, want al heeft hij den vorigen dag stapels

hout verslonden, een oogenblik, en hij brandt weêr met dezelfde

geestdrift. Zijn schoonheid is onvergankelijk; want al teisterden hem

de jaren, zijn wang blijft rood, zijn oog vonkelen, zijn geheele

houding is vol vuur en leven! En wat niet minder zegt, terwijl van den

anderen kant de vatbaarheid voor de meeste der overige genoegens met

den leeftijd vermindert, de vatbaarheid om zich te verwarmen neemt met

de jaren eer toe dan af. Hoe ouder men wordt, hoe meer onze rechten op

een sterke dosis warmte erkend en geëerbiedigd worden; en, wanneer ik

aan sommige volken denk, die de weelde zoo ver drijven van na hun dood

niet weg te slinken, maar weg te knappen, dan moet ik zeggen—dat die

een zeer warm uiteinde hebben.

Intusschen verzoek ik mijn haastigen lezer, zijn vlug oordeel over de

mogelijke gevolgen van zulk een hartstocht nog een oogenblik op te

schorten. Zoo protesteer ik er volstrekt tegen,—en verzoek dat mij van

dit protest acte verleend worde,—dat ik aan deze warmteliefde mijn

winterplichten of eenigen anderen plicht hoegenaamd zou opofferen. Ook

heb ik daartoe geen verzoeking. Want ik bid u instantelijk, mijn

vuurzucht niet te verwarren met de lafhartige vrees voor koude, die

sommige menschen bezielt. Ik kan u zeggen, dat ik „van haar en van hen”

een vinnigen afkeer heb. Ik zeg met de liefhebbers: kou is gezond! dat

spiert de spieren en spant de zenuwen; dat verstaalt het bloed, als het

metaal de minerale wateren; dat verfrischt den adem, zoo als het de

lucht doet; dat verhardt den mensch met den grond, waarop hij gaat.

Alles waar! Ook mag ik gaarne een helderen kouden winterdag, wanneer u

van de lippen van het blonde Noorden „gezondheid tegenvlot.” En een

schoone winternacht, wanneer de sterren zoo koud en klaar aan den hemel

tintelen, als de juweelen op het sneeuwbed aan uw voeten—willen wij

pariëren, wien van ons beide de klapperman daarin het eerst buiten zal

aantreffen? Gij gevoelt dus, dat ik om een kouden tocht geen zieken

vriend of armen buurman onbezocht zal laten. Herinner u mijn St.

Nicolaas-wandeling maar! Ja, ik durf meer zeggen. Toen de Koning zijn

trouwe onderdanen opriep, om hem den dienst van hun arm te leenen,

verliet ik mijn kamer, waar ik juist mijn kachel had laten zetten,

zonder omzien, en trok met een warm hart den vijandelijken winter

tegen. En ofschoon de Novembermaand van 1830 al een zeer barre maand

was, met de hand op het hart kan ik zeggen, dat ik geen oogenblik om

mijn vuurtje gezucht heb. Herinnert gij, die met mijn vuurpassie spot,

u den nacht van 24 op 25 November nog? Gij herinnert hem u wel, mijn

vrienden! die hem met mij in een stroohut doorbracht, waarin de kegels

aan de sparren hingen, die ons verwarmden, en de soep aan den rand van

den emmer bevroor, waaruit wij het maal onzes bescheidenen deels

moesten opdiepen! terwijl wij van tijd tot tijd verzocht werden, op den

omloop van een nabij gelegen molen, gedurende een paar uur proef te

gaan nemen, hoeveel de koude op dien hoogeren stand die van ons

Laplandsch verblijf beneden nog te boven ging. Wie uwer, die ik hier

met name zou kunnen noemen, herinnert zich uit dien nacht iets van een

wapenbroeder, die tegen de koude morde of het geweer niet recht in de

verkleumde armen droeg?

Verschoon mij, vriendelijke lezer! Ik moest mijzelven daar in ’t

voorbijgaan eens prijzen. Gij die reeds zoo veel van mij weet, moet

toch ook weten, dat ik, met al mijn overgevoelige theoriën, een

praktisch liefhebber van mijn vaderland ben. En daarenboven,

Mijneheeren! is de aanhaling in casu van toepassing, daar er mijn

kliënt ten hoogsten aan gelegen ligt, niet voor een kleumschen luiaard

of vertroeteld wittebroodskind te worden gehouden.

Het is waar ook, ik zou u iets van mijn Bibliotheek verhalen. Maar ik

kon niet zoo lomp op mijn onderwerp vallen, zonder eerst mijn hulde en

dank gebracht te hebben aan mijn warmen vriend en buurman, die mij in

zulk een aangename stemming van geest brengt, dat ik den lust niet kan

wederstaan, een schoon velletje papier en een nieuw versneden pen te

nemen, om aan mijn genoegen schrijvende lucht te geven. Besteedt menig

Dichter een goed deel van zijn vers aan de oproeping van de Muze, die

hem bezielen moet, dan mag ik wel een gedeelte van mijn opstel aan mijn

kachel wijden, die de bezielende geest van mijn schrijflust is.

Calescimus illo! En indien gij een menschlievend mensch zijt, die

gaarne in eens anders vreugde deelt, dan moet het u goed doen, zoo

dadelijk aan het hoofd van deze schets, de uitboezeming van een

tevreden en dankbaar hart te vinden.

En hoe kan het anders? hier zit ik op mijn aangename comfortable kamer.

Mijn trouwe huisklok staat voor mij, en telt voor mij de gelukkige

oogenblikken, die ik beleef, terwijl mijn hart zoo rustig in mijn

boezem spint als de poes, die op de warme kruk? bij het vuur ligt.

Editha en Judith blijven als vaste starren ieder in haar sfeer, zonder,

zoo als wel eens gebeurt, als onrustige kometen door het huis te

zwerven. De hagel kletst tegen de ruiten en op den hemel van de

koetsen, die mijn huis voorbij rollen om hun opgeschikte vracht naar de

komedie te brengen, waar voor de zevende maal Raton door Bertram bij

den neus, en het publiek door den bureaulist bij de beurs zal genomen

worden. Het is iets ongeloofelijk rustigs in zijn huisjapon te zitten,

als anderen zich de moeite geven hun beste pak naar een tentoonstelling

te dragen. Mijn kachel—doch daarvan heb ik reeds gesproken. Maar

waarvan ik nog niet gesproken heb, is mijn Bibliotheek!

Van den oudsten tijd af zijn gordijnen iets geheimzinnigs, waarvan de

reden veel gemakkelijker te vinden is, dan lucus a non lucendo. Reeds

als een een kleine jongen stond ik met glinsterende oogen naar de bonte

hoes te loeren, die de causa movens der marionetten voor mij verborg.

Wat ouder geworden, stond ik met de dezelfde nieuwsgierige verbeiding

voor het doek, waarop der kunsten God aan ’t Y, veel te lang voor mijn

ongeduld, verdiensten en deugd alleen bekroonde. Als jongeling hadden

weêr schoone gestalten, wier schaduwen zich in schemerende omtrekken op

een nijdige gordijn teekenden, voor mij haar eigenaardige

aantrekkelijkheid. Maar nooit rustte mijn oog met grooter verwachting

op eenig voorhangsel, dan op het dikke groene kleed, dat ginds mijn

boeken in hun plankenwoning van de buitenwereld scheidt. En toch, nooit

vond mijn verwachting volkomener vervulling. Anders—laat men er u voor

waarschuwen, mijn jonge vrienden!—zijn gordijnen niet veel te

vertrouwen. Meestal zijn het bedriegelijke sluiers, die de hebzucht of

de ijdelheid over de nietigheid der aardsche dingen spreidt. Althans

sedert ik mij menigmalen, achter het doek getreden, den prijs

beklaagde, dien ik er vóór staande betaald had, heb ik een besluit

genomen, voortaan alle overdekte geheimen geheim te laten, en mij met

het ontdekte en bekende te behelpen. Maar dit moet ik tot eere van mijn

Bibliotheek zeggen, zij is een uitzondering op den regel. Achter haar

nederige gordijn liggen schatten verborgen, waarvan gij op het aanzien

van verre geen vermoeden zoudt hebben. Met welk een begeerlijke hand ik

haar ook immer opsloeg, altijd liet ik haar met nog grooter voldoening

vallen, als ik den Auteur, dien ik aan haar schaduw onttrokken had,

weêr aan haar bescherming toevertrouwde. Ja, mijn eenvoudige voorhang!

Gij bedekt voor mij een geheele schoone wereld van gezichten en

droomen! Gij bewaart voor mij den ingang tot het Heilige der

wetenschap, tot het Allerheiligste der hoogste kennis! Gij overspreidt

als een wolk het Elysium, waarin de Wijzen en Edelen van alle tijden

voor mij herleven, en mij met hunne godenstemmen toespreken!

Dat klinkt wat opgewonden, niet waar? Maar mijn Bibliotheek is ook

zóóveel voor mij!

„Menschen”, schrijft een vaderlandsch Humorist, „die genoodzaakt zijn

de ruime wereld door te trekken met even weinig deelneming, als een

vogel door de lucht vliegt, of als Mr. Sharp in zijn reiskoets Italië

doorrolde, heeft de Hemel deswegens vertroost, door hen te plaatsen in

hunne studeerkamer, in eene maatschappij van boeken, en de macht

verleend om rondom zich een papieren wereld te scheppen, waarvan zij de

onafhankelijkste wetgevers zijn.”

Zou de man gelijk hebben? Ten minste ik heb het daaraan toegeschreven,

dat mijn kleine boekverzameling zulk een ruimte in mijn hart en in mijn

leven vervult.

Ziet ge, niet alle menschen, die ’s avonds na gedaan dagwerk t’huis

komen, komen op dezelfde wijze t’huis. Er is bijvoorbeeld een

Tehuiskomst, door mijn lievelingsdichter beschreven:

Goeden avond, hartig wijf,

Mijn geluk en lust!

Dat mij vurig prangt aan ’t lijf,

En mij welkom kust.

Goeden avond!—

Eerst nu ’t wiegkleed opgedekt

Van het speelziek wicht,

Dat de handjes tot mij strekt,

Reeds met de oogjes digt.

Eerst mijn kussen omgedeeld.

Tusschen al mijn kroost,

Dat mij hand en wangen streelt,

En mij kust en koost.

Dat is weêr anders, dan wanneer men ’s avonds in zijn woning

terugkeerende niets te vragen heeft, dan: Judith! is mijn kamer in

orde?—Nauwelijks heeft de oude Ja gezegd, of vijf minuten later sta ik

voor de gordijn—van mijn boekenkast. Dat zijn mijn lievelingen, mijn

speelpopjes, mijn kinderen! Die moeten door hun onthaal mij de moeite

van mijn dagelijkschen arbeid beloonen. Die moeten door hun gesnap mij

den langen avond korten. Die moeten door hun lachjes mijn rimpels

verdrijven. Die moeten mij van liefde en geluk spreken!—Brr! het

mislukt hun wel eens. Gij zoudt mij soms wel eens vinden, met de hand

waaraan het geopend boek ontzonken is onder het hoofd, en in diep

gepeins verloren, terwijl mijn papieren kroost vruchteloos de handen

naar mij uitstrekt en mijn aandacht zoekt te trekken. Maar dat zijn

maar enkele donkere buien, die straks weêr afdrijven. Over ’t algemeen

heb ik mij over mijn Bibliotheek, noch zij zich over mij te beklagen.

Veeleer heeft zij alle reden van roemen; want—wat zoo hatelijk voor een

boekvertrek is—nooit dringen er dartele gasten binnen, om van mijn

folianten een vesting te bouwen, die zij daarna met mijn duodecimo’s

beschieten. En evenmin heeft zich ooit een van mijn boeken te beklagen,

dat er onder het lezen op eens een vriendelijke gestalte achter mij

staat, die met een zachte hand mijn peinzend voorhoofd streelt, hetgeen

zoo licht een geheele stoornis in de lektuur veroorzaakt.—Neen, als ik

eens haar drempel ben overgetreden, sum totus in illo. Dan ben ik enkel

boek: dan verdiep ik mij welhaast zoo geheel in de wereld, waarin zij

mij inleidt, dat ik de wereld buiten mij vergeet. Inderdaad, na een

Bibliothekaris geloof ik niet, dat een Bibliotheek een beter meester

hebben kan, dan mij.

Nu ik moet haar de getuigenis geven, het is bij haar: liefde voor

liefde. Ik zou vruchteloos beproeven u een denkbeeld te geven van het

genoegen, dat ik haar te danken heb.

Zoo is het bijvoorbeeld heerlijk reizen, dat ik doe. Ik begin met mijn

reispak aan te trekken. Dit bestaat uit een blauwdamasten kamerjapon

met driekleurige sjerp, fluweelen kalotje en saaietten pantoffels, door

de hand van Editha gewerkt. Daarna neem ik plaats op mijn voertuig. Een

hooge stoel met breeden rug, lage zitting en bekleede armen. Na mij

alzoo in postuur te hebben gezet, geef ik het teeken van vertrek....

het boek valt open.... en binnen vijf minuten rij of zeil of stoom ik

dat het een aard heeft. Ha! hoe het er over heen gaat! De

zevenmijlslaarzen uit de fabel loop ik wel tienmaal voorbij. Indien

iemand tegen mij zou kunnen reizen, moesten het de heksen van den

Bloksberg op haar bezemstelen zijn. Belangrijke tochten, die ik alzoo

doe! De hoogste hoogte van den Montblanc wordt door mij betreden, tot

in de diepste laagte van den Vesuvius daal ik af; nu wasch ik mijn

handen op den Chimboraço in de wolken, dan zoek ik in een duikersklok

op den bodem der zee de schatten, waarvan de Peri’s zingen. Nu nader ik

tot aan de „schatkameren der sneeuw en de schatkameren des hagels;” dan

zwerf ik door de diepten, waar het zout groeit en het ijzer geboren

wordt; nu zie ik de aarde à vol d’oiseau, dan à vue de taupe. Vreemde

en gevaarlijke uitspanningen, die ik mij daarbij veroorloof! Ik hengel

met den harpoen naar walvisschen, zet olifantsknippen uit, jaag op

arenden en klipgeiten, ga uit tijgeren met tijgerstrikken, botaniseer

aloë’s en kokosnoten, en antiquariseer pyramides en andere

kleinigheden. Dit niet alleen. Door het aanzien van mijn reisgenooten,

zie ik veel meer dan de gewone reiziger. Ik dring met onzen Van Braam

in de audiëntiezaal van den Keizer van China; Lamartine opent mij den

toegang tot de Koningin van Palmyra; Byron leidt mij in bij Ali van

Janina; zelfs ontsluit Lady Montague mij den harem des Sultans. En dat

alles zonder eenige vermoeienis of hinder! De slapelooze zon der

Morgenlanden moge met „ongebogen stralen” op mijn hoofd branden, de

Noordpool mij met haar kouden adem in het gezicht blazen, ik blijf er

kalm onder. Ik ben getuige van de vreeselijkste stormen, hoor de

verschrikkelijke monsters brullen, adem de verpestendste dampen in,

drink sneeuw aan de bron en gluur door de tralies van den grooten

aard-oven, zonder er het minste kwaad van te hebben. Het is wonderlijk!

Er bestaat tusschen mij en mijn reisgenoot een zonderlinge graad van

sympathie. Ik zou haar willen vergelijken met die van Meleager voor

zijn houten dubbelganger, wiens brand hem mede verteerde; maar met dit

onderscheid, dat het vuur, hetwelk den ander verschroeit, mij niets dan

een pleizierige warmte veroorzaakt. De schokken, die zijn zenuwen

dreigen te verscheuren, kittelen de mijne op een aangename wijze; de

angsten, die zijn gestel uit elkander schudden, veroorzaken het mijne

een genoegelijke huivering; het verschrikkelijke en medelijdenswaardige

van zijn toestand wordt voor mijn gevoel in een zoete voluptas tragica

gedistilleerd. Gelukkige kamerreizigers! Zij laten de reizigers rondom

de wereld de kastanjes uit het vuur halen, waaraan zij zich te goed

doen.

Maar niet alleen voert mijn Bibliotheek mij door de aarde zoo als zij

is en haar bewoners zoo als zij zijn; maar zij voert mij ook naar een

aarde zoo als er geen is, en bewoners zooals er niet zijn. In haar

schoot berust het houten zwaard van Arlequin, dat u met een tooverslag

uit de wezenlijke wereld naar een wereld van verbeelding verplaatst.

Zij verstaat de kunst om den draak van den tuin der Hespriden te

verschalken; de Gelukkige Vallei is voor haar niet verborgen; de hal

van Eblis weigert haar geen toegang; het eiland van Prospero daagt voor

haar uit de zee; het paleis van Mahomed ontsluit zijn gouden poorten;

de Cherub van Eden draagt voor haar geen vlammend zwaard; ja, de

Engelen ontzeggen haar niet een enkelen blik in hun zalige verblijven

te werpen. Dat is iets heerlijks! O, het is op aarde wel schoon en

goed, en zij is, zoowel als eenig ander deel der schepping, een tooneel

van Gods almacht en liefde: de vrome Camphuijzen heeft gelijk:

Och, waren alle menschen wijs,

En deden daarbij wel,

Deze aarde ware een paradijs.

Maar toch is het een wellust voor iemand, wiens verbeelding verder

reikt dan zijn oog, zich somwijlen met zijn geest in een volmaakter

schepping te verplaatsen, waarvan het onvolmaakte der oude aarde is

afgescheiden, de borst, door de nevelen van onzen dampkring beklemd, in

een zuiverder aether te verruimen en te verkwikken, en zich in een

eeuwige lente over de winters der aarde te troosten. Toch is het een

wellust voor iemand, wiens verwachting verder reikt dan zijn gezicht,

zich de nieuwe aarde te droomen, „nederdalende uyt den hemel, als een

bruyt die haren manne verciert is;” of als Mozes in verrukking de

woning in de lucht te aanschouwen, die men later in wezen hoopt te

zien. Gelukkig alzoo voor hem, die dit verlangen in zich voelt

ontwaken, dat hij Dichters en Zangers gereed vindt om hem op zulk een

luchtreis te geleiden. Gelukkig wie Dante en Tasso, Shakespeare en

Moore, Vondel en Bilderdijk, Klopstock en Schiller kan oproepen, om hem

op de vleugelen van hun rijker verbeelding en stouter genie tot die

hoogte op te heffen. O, wie ook, zwaar van hoofd en zwaar van hart,

door zijn ongeloof de bezwering dier Toovenaars moge verbreken; wie

zich door hen moge laten omhoog voeren, als de schildpad door den arend

in de fabel; ik niet alzoo. Ik geef mij gaarne en gewillig aan hunne

leiding over: ik zie hunne gezichten, ik droom hunne droomen, ik smaak

hunne wellusten. Mijn nederige cel! Niemand zou vermoeden, welke

betoovering dikwijls voor uw bewoner uw eenvoudig verblijf in een

heerlijk lustoord veranderde. Niemand zou kunnen denken, dat die lompe

gordijn visioenen verbergt, waarbij al wat er ooit schitterends van

achter een tooneelgordijn te voorschijn kwam, poppenspel is. Niemand

zou gelooven, dat die kleine trap, die mij naar de bovenverdieping van

mijn Bibliotheek voert, dikwijls een Jacobsladder is, die mij helpt om

ten hemel op te klimmen. Heerlijke poëzij! Hoe wèl voegt gij op een

aarde, die een verloren paradijs beweent en een herwonnen paradijs

verwacht!

Maar niet alleen voert mijn Bibliotheek den huiszittende naar andere

gewesten, maar zij brengt ook den eenzame onder andere menschen. En

welke menschen! Onder de wijssten, de edelsten, de grootsten, de

welsprekendsten van alle tijden. Hier staan zij allen op een rij

geschaard, gereed om op den eersten wenk tot mij te komen en zich met

mij te onderhouden. Ja, wat meer is, om mij als met den room van hun

geest, den bloesem huns harten en het merg van hun vernuft te voeden.

Gelukkige uren, die ik, onwaardige, in den kring dezer voortreffelijken

doorbreng. En welk een verrukkelijke afwisseling bieden zij mij aan! Nu

is het mij, of ik mij op de markt van Athene bevinde, en de donders van

Demosthenes tegen den Dwingeland hoor losbarsten; dan verteedere ik mij

onder het gehoor van Tullius over den schuldig-onschuldigen Ligarius;

straks voel ik mijn hart breken over het ellendig schouwspel van de in

het stof wentelende Hecuba; wil ik mijn smart daarover verzetten, ik

ontspan mij met de snakerijen van den groot sprekenden Thraso; elders

wederom meng ik mij onder de feestvierende schare, die het Olympisch

worstelperk omringt, maar de hoogste kroon toekent aan den zanger, die

de kroon des overwinnaars verheerlijkt; of begeer ik zachter tooneelen,

ik ben getuige van de onschuldige dartelheid van Nausikaä, de

ondeugende schalkheid van Eunika, of sta als rechter over de zangen van

Menalcas en Damoetas. Op andere tijden daarentegen verlaat ik den

klassieken bodem, om mij met mijn geest in later dagen te verplaatsen.

Dan vergezel ik Dante op zijn geheimzinnige tochten; dan laat ik mij

door Racine in de schoone wereld overbrengen, die zijn maagdelijk reine

verbeelding zich opende; dan dool ik aan de zijde van Schotland’s

Meistreel langs de schilderachtige bouwvallen, door het genie des

dichters met een tooverachtigen gloed bestraald; dan zie ik met

bewondering in Göthe’s Ifigenia den geest van een jong leven in een

beeld der oudheid geblazen. Maar bovenal dan verrukken mij de heerlijke

scheppingen der vaderlandsche kunst. Dan adem ik, luisterziek over

Hoofts luite heengebogen, de balsemluchten van Florence; dan hoor ik,

aan Vondels lippen geboeid, hemelsche stemmen in den aardschen

kerstnacht klinken; dan roepen de zangen der Van Harens, als een

droomgezicht, schooner dagen voor mij terug; dan vermeide ik mij met

Bilderdijk in den aanblik van het jeugdige aardrijk; dan beluister ik

Tollens onder zijn kinderen in de uitboezeming van het zuiverste

menschengevoel, dat ooit een menschenhart deed kloppen. Eileive, vraag

mij dus niet, of ik tot eenige, en tot welke school ik behoore. Vergun

mij geen school te kiezen, maar een eclecticus te blijven. Waar ik het

schoone vinde, al is het onder het stof der oudste oudheid, al is het

onder het waas der nieuwste nieuwheid, laat mij toe het schoon te

vinden. In mijn Bibliotheek heerscht een algemeene vrede, gelijk die

van 1815. Aristoteles verbroedert zich met Shakespeare, Socrates met

Mirabeau, Horatius met Victor Hugo, Quinctilianus met Jean Paul. Kan

het anders of het schouwspel dier onderlinge verdraagzaamheid moet ook

mij tot onpartijdigheid stemmen?

Gij zoudt lachen, mijn deftige lezer, indien ge mij somwijlen zaagt,

terwijl ik mij in de beschouwing en genieting dezer heerlijke schatten

verdiepe. O, het hart kan mij daaronder zoo hoog slaan! Zoo kan ik het

met geen woorden beschrijven, wat ik gevoel, wanneer ik zoo dikwijls

bij mijn schrijver menige gedachte, menige gewaarwording uit mijn ziel

gestolen vinde, als hadden zij achter mij gestaan of in mijn hart

gelezen. Bovenal wanneer ik die gedachte of gewaarwording duidelijker

zie uitgesproken, dan ze in mijne ziel schemerde. Wanneer ik een

lievelingsdenkbeeld, lang weifelend bij mij omgedragen, en beurtelings

aangenomen of verworpen, door een vreemd en groot gezag bevestigd

vinde, dat aarzelende hope in vast geloof verandert! Wanneer ik in de

droomen van anderen mijne droomen herkenne, maar helderder gedaagd,

aanschouwelijker gemaald en schooner gekleurd! Wanneer ik door den mond

van anderen het voor mij onuitsprekelijke hoor uitgesproken en alleen

zeggen kan: Anch’ io!—O, het is heerlijk! En al is het, dat er geen

dadelijke overeenkomst van gedachten tusschen mij en mijn Auteur

bestaat, welk een aangename gewaarwording evenwel, zich aan de voeten

dier groote geesten neder te zetten en den honing der wijsheid van hun

lippen op te vangen. Voorzeker, het is een nietig mensch, die het geen

wellust vindt, grooter zielen aan te treffen dan de zijne; klaarder

spiegels, waarin het verheven-goddelijke en schoon-menschelijke

helderder afschijnt; teederder snaartuigen, die door het

hemelsch-majestueuse en het aardsch-bevallige lichter en welluidender

geroerd worden; zuiverder wierookvazen, die voor het eeuwig-heerlijke

en het tijdelijk-beminnelijke met reiner vlammen branden. O, wanneer ik

alsdan in zulke groote zielen lezende, daarin minder dan in de mijne

het beeld des Scheppers verdonkerd en uitgewischt vinde, hoe verheft

zich mijn geest bij de gedachte: „Wy syn Godts geslachte!” Hoe hoog

klopt mijn hart over mijn verwantschap met die toonbeelden van

menschen-adel! Ja, dan versterkt zich niet alleen mijn hope op een

ander leven, maar het krijgt tevens voor mij als ware het een

herkenbare gedaante. Was het dat ik mijzelven wel eens in moedeloosheid

afvroeg, hoe ik eenmaal aan het ideaal zou beantwoorden, dat zich mijn

geest van den verheerlijkten mensch vormde, het was of ik bij hen

daarvan reeds eenige trekken ontwaarde. Wanneer een Bossuet, zoo met

recht de adelaar van Meaux genoemd, wiens arendsoog een blik op de

ongeschapen zon kon werpen zonder duizelig te worden, mij tot voor den

troon des Eeuwigen voerde. Wanneer Fenelon, zoo treffend de zwaan van

Kamerijk geheeten, in de uitboezemingen zijner engelzachte ziel woorden

scheen gevonden te hebben voor de onuitsprekelijke teederheid der

hoogste liefde. Wanneer onze Chrysostomus, wiens naam eerbied op mijn

lippen terughoudt, maar door ieder in het hart genoemd wordt, het

aanbiddelijk geheim van de vriendschap des Eeuwigen voor zijn

menschenkind voor zich scheen te hebben opgelost, en in zijn

Aartsvaderlijke tafereelen mij in den Schepper van hemel en aarde den

God, wat zeg ik, den Vriend van Abraham aanschouwen en beminnen deed.

Wanneer een Klopstock in zijn Messias de verhevenheid van den Ziener

van Patmos met den liefde-ademenden geest van den Zebedeus-zoon scheen

te vereenigen, en met onnavolgbare kunst het majestueuse van den Zone

Gods met het beminnelijke des Menschenzoons tot een enkel harmonisch

beeld ineensmolt. Dan scheen het mij in zulke oogenblikken, of door die

menschen het hemelsche nader tot mij kwam. Mij dacht, van de leere die

zij predikten omtrent de onlosmakelijke verwantschap tusschen God en

den mensch, waren zij niet minder bewijzen, dan getuigen. In hunnen

boezem droegen zij het onderpand eens hoogeren levens om; in hen zag ik

den eersten schalm van die keten van volmaaktheid, die,—duizelende

gedachte!—bij den troon des Oneindigen eindigt!.... O, noem het

overdrijving, noem het dweperij, zoo ge wilt, ik zal er niets anders op

antwoorden dan met den wensch, dat gij ten minste eenmaal dat gevoel

kennen moogt, als ik!

Evenwel niet alleen van het goddelijke in den mensch, ook van het

menschelijke in hem laat ik mij door mijn lievelings-schrijvers

verhalen. Het is mij zoo wèl en goed, als door zulk een beschouwing het

geloof aan menschenwaarde en menschendeugd,—dat daar buiten wel eens

een schok krijgt,—op nieuw in mij versterkt wordt. Als ik zie dat er

nog zijn, wier hart den indruk van den vinger des Scheppers behield; in

wier bloed „de melk bleef”, waarmede een vrouwenborst hen voedde; wier

tranen nog vreemde smart beschreien en wier handen nog vreemde tranen

drogen kunnen. En waarom het ontkend, dat ik daarbij niet vrij van

partijdigheid ben omtrent die halflachende, halfschreiende

Aprilskinderen, die mijn verstandiger lezer met spotachtig

schouderophalen Humoristen noemt? Kan ik het helpen, dat op het klavier

van mijn hart die snaren het eerst en zuiverst klinken, die door hun

vingers worden aangeslagen? O, Yorick! Yorick! hoe meesterlijk verstaat

gij de kunst om de toetsen van mijn ziel te bespelen. Verrukkelijke

uren, die ik achter u op uw klein paardje gezeten, en met u over bergen

en dalen, door steden en gehuchten zwervende doorbreng. Wat gaat het

mij aan, of gij mij al langs onophoudelijke kronkelpaden voert, en

telkens uw eigen weg schijnt vergeten te zijn; gij kent toch den weg

door het menschelijk gemoed uitmuntend, en, waar gij ook henen dwalen

moogt, in dien doolhof verdoolt gij nooit. Wat vraag ik er naar, of uw

rede dikwijls naar een pijl gelijkt, die door den wind opgenomen,

vademen ver van het doel slingert? Gij weet toch het kortste pad naar

mijn hart, en uw doel om dat te roeren bereikt gij altijd. Wat kreun ik

mij er aan, of hier en daar een enkel woord uw radde lippen ontvalt,

dat een voorzichtiger man zou hebben binnen gehouden? Juist dat

uitpakken van uw geheele mars met al wat er goeds en kwaads in u is,

met de argeloosheid van een kind, dat zijn geheele hart voor ons

omkeert en leêgstort, juist die naïve oprechtheid is het, wat mij in u

zoo zeer behaagt. Gij bedelt ook niet om onze bewondering en vergoding;

gij vertoont u aan ons als een gemeenzaam vriend met al uw grootere en

kleinere zwakheden, maar ook zoo, dat wij u als een vriend moeten

liefhebben. En wie ook laag op u nederzie, met al uw gebreken zijt gij

een heerlijk man, op wiens menschelijke verwantschap ik trotsch ben. En

het is voor mij altijd een verrukkelijk genot, als het uurtje gekomen

is:

Kom, bij ’t vuur de koude ontweken,

Zal vriend Yorick voor ons preken.

Vriend Yorick! helaas, een vriend naar den geest. Een vriend, nooit

door mij gezien of gekend! Een vriend—ik hoop het—later door mij te

zien en te kennen! met zoo vele anderen, met wie mij hier reeds de

gemeenschap der ziele verbond, ofschoon het mij nimmer te beurte viel

hun aangezicht te aanschouwen. Heerlijke gedachte! Als al die groote

geesten, die hier in het afgietsel hunner schriften voor mij

vertegenwoordigd werden, mij niet meer als schemerende schimmen, maar

als levende gedaanten omringen zullen. O God, hoe zalig moet het in uw

hemel en onder hemelingen zijn, als het ons hier op aarde en onder de

aardsche menschen dikwijls reeds zoo wèl kan wezen!

Maar, gelukkige die ik ben! Niet alle vrienden dáár in mijn boekenkast

dragen dien naam in een zoo onbepaalden zin. Er zijn er verscheidene

onder, die het niet beneden zich geacht hebben, Jonathan een nederig

plaatsje in hun vriendschap te schenken. Dat is een voorrecht, waarvoor

ik de hand, die ons bij elkander bracht, dankbaar zegene. Het is toch

iets eigenaardigs, het werk van een vriend te lezen of te genieten.

Daarvoor gaat het hart nog geheel anders open dan voor de stem, die wij

nooit levende hoorden. Bij het openen van hun schriften is het alsof

zij tegenover ons plaats namen. Onder het lezen is het alsof hun stem

ons toeklinkt, en, wat het voornaamste is, te gelijk met het gevoel van

bewondering dringt zich het gevoel der liefde diep in onze zielen. O,

het is zoo gelukkig, met de hand op een bladzijde, waarop een groot

talent schittert of een schoon gevoel spreekt, te kunnen zeggen: Deze

is mijn vriend! en daaronder te ontwaren, wat Tollens in zijn

heerlijken rouwzang op Borger zoo wèl uitdrukt:

Zoo heb ik hem gekend en ’t hart aan hem gesloten,

Het onwaardeerbaar hart met zulk een geest verzaamd,

En mij op de eer verhoogd, met zelfgevoel genoten,

Dat zich zoo rein een ziel niet mijner heeft geschaamd.

Mijne vrienden! die weet, dat uwe werken een plaatsje in mijn

Bibliotheek, en gij zelven een plaatsje in mijn hart hebt; ik dank u

voor dat gelukkig gevoel. Weest verzekerd, dat ik ten uwen opzichte

mijn naam niet verloochenen, maar voor u een Jonathan zijn zal, die

zijn grooteren vriend zoowel hulde als liefde wist toe te dragen, en de

kroon op zijn hoofd eeren kon zonder haar te benijden. Moge uw

vriendschap, die mijn kroon is, mij blijven versieren en gelukkig

maken! uw genie staat u borg voor de mijne, mij bevele een liefhebbend

harte aan!

En nu, mijn Bibliotheek! nu zult gij welhaast nog met een nieuw boek

vermeerderd worden—ik durf het nauwlijks zeggen—van mij zelven.

Welnu?... Zullen de overige schrijvers, die ge bevat, mijn heeren en

meesters, mij geen zedig plaatsje in hun midden weigeren? Zullen zij

mij niet hard afwijzen en als een onwelkomen indringer uit hun kring

verstooten? Ik weet niet, of de verontschuldiging, die ik voor mijn

vermetelheid in de uitgave van dit boekske heb in te brengen, bij hen

voor een verontschuldiging gelden zal. Er waren er, die meenden, dat de

uitdrukking van een warm godsdienstig gevoel, in een vorm die niet al

te streng of somber was, hier of daar verwarmend in een hart kon

vallen, dat niet te preekachtig gestemd was. Het was misschien dwaas,

dat ik aan die inblazing gehoor gaf.... toch was het, geloof ik, geen

ijdelheid, die mij daartoe verleidde! Als ik mijzelven hierin

vertrouwen mag, was het, denk ik, meer de hoop, dat ik, die mijn

eenzaam leven niet zoo nuttig voor mijn medemenschen maken kan, als

ik.... gewenscht had, daardoor toch nog eenig nut stichten mocht. Kan

ik dit langs dezen weg niet doen, dan zal men wijs en billijk handelen

met mij streng af te wijzen. Ik mag den weg voor anderen niet

belemmeren. Viel het evenwel naar mijn stoutste verwachting anders

uit.... lieve lezer! mijn hart zal u innig danken voor de enkele

bloemen, die gij daardoor zult gestrooid hebben op het anders niet al

te bloemrijke pad van Jonathan!

Waarheid en droomen · 第 25 / 64 题