DE BIBLIOTHEEK.

** graden Fahrenheit—dat is de rechte hoogte!

Ach lezer! ik ben op het punt om u een leelijk zwak te bekennen.

Ik ben.... ik durf het haast niet zeggen.... ik bid u, als gij in een

kwade luim zijt, lees dan dit artikel niet! het mocht u voor altijd een

tegenzin tegen mij inboezemen. Maar, als gij eens in een buitengewoon

vergenoegde bui zijt, zoodat gij alles zoudt kunnen hooren zonder boos

te worden, en in staat zoudt zijn uw ergsten vijand te vergeven, sla

dan deze bladzijde op en heb medelijden met het slachtoffer der

vreemdste vergissing, waaraan zich de natuur ooit schuldig maakte.

Welnu! ik ben een onzinnig liefhebber van vuur!

Neen, versta mij niet verkeerd, door aan de belijdenis van mijn

physiologische zwakheid een psychologischen draai te geven. Ik spreek

niet van dicht-, oorlogs- of godsdienstvuur. Ik bedoel vuur in den

eenvoudigsten, minst overdrachtelijken zin des woords, kortom vuur, zoo

als op den keukenhaard en in de kachel brandt! Was ik een filosoof, ik

zou zeggen: het vuur nu, dat ik bedoel, is die warmtestof, welke door

de ontbranding van hout, turf, steenkolen of andere ontvlambare stoffen

wordt voortgebracht.

Ik beken het, het is leelijk. Als redelijk wezen moest men zich boven

zulk een zinnelijke gehechtheid aan de elementen (of hoe de dingen

heeten, sedert het geen elementen meer zijn) weten te verheffen. Men

moest zich van de aarde en het aardsche meer weten los te maken. Men

moest omtrent de verschillende temperaturen dezelfde onverschilligheid

leeren koesteren, die een rondtrekkende vogel daarvoor aan den dag

legt, die zich aan de Ceylonsche rozijnen zat eet, en den dorst,

daardoor verwekt, met sneeuw van den St. Bernard verslaat. UEd. en zeer

Gel. heeft gelijk. Ik zal meer toegeven. Zich aldus aan koû of warmte

te laten gelegen liggen, is afstand doen van een onzer eerste

menschelijke privilegiën, van namelijk over de geheele aarde te huis te

zijn, en den contrôleur onzes lichaams naar het klimaat, waarin wij ons

bevinden, te regelen. Maar UEd. en zeerGel. is Philosophiae Doctor, en

ik niet, en dat scheelt veel. Ik word er ambts- noch eershalve toe

geroepen, een impermeable van ongevoeligheid om mijn gevoelige leden te

slaan, en, om het nu eens kort en lomp te zeggen: ik heb een

natuurlijken afkeer tegen al wat Stoïcijn heet. Ik word er niet voor

betaald, zulk een lastige en moeielijke rol te spelen; ik heb mij bij

den regisseur van het groote wereldtooneel voor het karakter van

overgevoelige geëngageerd,—en ik mag bevriezen, eer ik dat engagement

breek! Ik wil pleizierig vinden, wat mij pleizier doet, en onaangenaam

wat mij niet bevalt. Ik wil zelfs nu en dan sybariet zijn, en tegen een

gekreukeld rozenblad morren en als gij mij het recht daartoe betwist,

zal ik zoo vrij zijn u te zeggen, dat—UEd. een Philosophiae Doctor is.

Zoodat, ik hou dol van vuur; en niet zoo, dat ik alleen een vijand van

koû ben. Neen! ik ben evenzeer een vijand van een gematigde

temperatuur; ik hou van heet, positief heet. Overal waar ik kom, ben ik

een geducht mededinger voor hond of kat, die gaarne de eerste stralen

van de koesterende kamerzon voor zich nemen; en reeds dikwijls zijn

daardoor de zachtste deelen van mijn onderstuk in gevaar geweest van

kennis te maken met de hardste ledematen van mijn tegenpartij. Wie mij

lief heeft werpt, als hij mij ziet aankomen, nog in de vlucht een

extra-blokje op het vuur. En meer dan een dame van mijn kennis, die mij

om die onzindelijke passie niet lijden mag, neemt altijd juist een

nieuw kooltje uit den haard in haar test, als ik binnenkom. Mijn

gehardheid tegen een groote hitte is zelfs een natuurkundige

zeldzaamheid, waaromtrent ik het niet eens ben, of ik die

salamanderachtigheid van mijn huid aan een grillige speling der natuur,

of aan een hardnekkige oefening moet toeschrijven. Dit is nu zeker iets

zeer bijzonders, zeer bizars en zeer onaangenaams. Maar mag ik zoo vrij

zijn te vragen, wat mijn lezer doet, als hem in de constructie van zijn

lichaam het een of ander niet bevalt? Tot mij te zeggen, wees dan zoo

koûelijk niet! is of men een kreupele gebood: maar loop dan toch zoo

niet hinken! gebruik uw beide beenen toch!—Wat baat het immers, of ik

het al verfoeilijk verwaand en aanmatigend vinde, voor mij, brandnetel

in Gods hof, de broeikaswarmte van den edelen ananas te eischen? Ik kan

er niet tegen: de natuur is sterker dan ik. Nooit beging zij grooter

misslag, dan toen zij mij, wiens lichaam de onbeschaamdste

vuuraanbidder is die er leeft, in een land deed geboren worden waar men

van de zon der fireworshippers—leest. Iederen dag, dat ik mij weêr in

de ruime lucht begeef en mij daar zoo veel mogelijk in het brandpunt

van onze bleeke dagmaan [3] plaats, met het gevoel van een wrange

October-druif, wier kleurloos gezicht de natuur stilzwijgend verwijt,

dat zij haar te veel zuur voor zoo weinig gloed, of te weinig gloed

voor zoo veel zuur gegeven heeft, vernieuw ik met haar den ouden twist.

Indien ik een gissing durfde wagen, zou ik zeggen: ik behoor hier niet!

ik ben hier een exotische plant.—Ik heb mij wel eens laten vertellen

van zekere steenen, die bij een onweder uit de lucht komen vallen,

waarvan men verhaald heeft, dat zij van de algemeene verwarring

daarboven gebruik maken om van de een of andere planeet op aarde te

komen rollen. Welnu—ik ben zulk een onweêrssteen. Ik ben door een

noodlottige vergissing van de een of andere warmer star op aarde

verdwaald geraakt. Wie weet! misschien ben ik oorspronkelijk wel „een

Zoon der zon” in de meest eigenlijke beteekenis. Hoe het zij, het is

droevig, en ik noem het onmenschelijk, wanneer men het mij ten kwade

duidt, dat ik, die in het zomerhalfjaar zoo veel van mijn competente

portie van warmtestof te kort kome, dat deficit zoek te vergoeden door

in het winterhalfjaar mijn schâ zooveel mogelijk in te halen.

Waarheid en droomen · 第 24 / 64 题