Ik weet niet, van waar ik de onbeschaamdheid haal, om een hoofdstuk
over Muziek te schrijven. Maar de lust bekruipt er mij toe. Ik wil ten
minste beproeven, hoe ver ik het breng. Mislukt het mij, dan blijft die
mislukking een geheim tusschen mijn papier en mij. En breng ik het
gelukkig ten einde, dan is dit een blijk, dat mijn onbeschaamdheid een
goed voorteeken geweest is. En immers ben ik de eerste niet, die over
een onderwerp schrijft, waarvan hij niets verstaat?
Ja, het harde woord moet er uit: ik versta niets van de muziek.
Beleefde menschen hebben mij wel eens verzekerd, dat het jammer is,
omdat ik er zoo veel natuurlijk gevoel voor heb: ja die overbeleefd
wilden zijn, hebben mij indertijd wel gevleid, dat ik geen kwade stem
had; maar het is ongelukkig, het kwam bij mij altijd op een verkeerd
oogenblik aan den dag, waartoe ik aanleg had of niet. Twee jaren had ik
reeds met het Italiaansche boekhouden vertobt, toen men zag, dat ik
niet veel beter voor een koopman deugde dan de Hottentot, die niet
verder rekent, dan zijn tien vingers. En omgekeerd, was de geschikte
tijd om mij muziek te laten leeren voorbij, toen men bemerkte dat er in
mij misschien een Meijerbeer of Paganini stak. Het is nu te laat. Ik
moet mij nu vergenoegen met mijn stem roemloos in het gezelschapskoor
te mengen, als men aan het nagerecht het voorvaderlijke:
Hoe zoet is ’t waar de vriendschap woont!
of het geliefkoosde:
’t Welvaren van dezen huize,
aanheft. Editha beweert wel, dat ze mij soms in mijn eenzaamheid uit de
volle borst een solo-partij heeft hooren aanstemmen! maar de lezer zal
mij genoegen doen met haar niet te gelooven; hij weet, welke spotters
de vrouwen zijn.
Zoodat, ik versta niets van de muziek. Was het nu bij mij: onbekend
maakt onbemind; kon ik van mijn kant de muziek laten rusten, gelijk zij
het mijn talent heeft gedaan, dan waren wij gemakkelijk te scheiden
geweest, en had ik onder anderen dit hoofdstuk over de muziek niet
geschreven; maar hinc illae lacrymae! bij ongeluk ben ik juist een dol
liefhebber van deze heerlijke kunst! Ja, wel mag ik zeggen, een dol
liefhebber; want ik aanbid haar onder alle gedaanten: in het
staatsiekleed op de muziekfeesten, in het koorkleed in de kerken, in
het feestkleed op de concerten, in het tooneelkleed in de opera, in het
militaire kleed op de parades, in het danskleed op het bal, in het
burgerkleed langs de straten, ja in het bijna-geen-kleed der armoede,
die met een draaiorgel loopt. Alle vormen waarvan zij zich bedient,
zijn mij lief: het statige oratorium en de luchtige wals-maat; de
prachtige symphonie en de eenvoudige aria; de rijke gevarieerde opera
en het altijd wederkeerende orgeldeuntje; ik bemin duetten, terzetten,
quartetten, quintetten, sextetten—als zij er zijn, hetgeen ik niet
weet. Alle instrumenten zijn mij aangenaam, van koper of hout, met of
zonder snaren, geblazen of gestreken, getokkeld of geroerd; ik hou
zonder onderscheid van de schetterende trompet en het piepende
flageoletje; van den brommenden bas en de snerpende vioolsnaar; van de
toeterende trombône en de klagende dwarsfluit; van de donderende pauk
en den tjingelenden triangel. Ik ben verzot op alle stijlen en
methodes; Italiaansch, Duitsch of Fransch, klassisch of romantisch,
oud- of nieuwerwetsch, ik ben overal uw man.
Waarschijnlijk komt dit daaruit voort, dat mijn hart muzikaal is. Het
zit bij mij niet alleen in de ooren, zoo als bij sommige kenners, wier
gehoorzenuwen meer met hun maag, dan met hun ziel in verband staan. O,
ik kan mij er dikwijls aan ergeren, wanneer ik de bezoldigde dienaars
van Polyhymnia, onder de uitvoering van een heerlijke muziek, daarvan
niet meer zie gevoelen, dan de instrumenten die zij behandelen. Vast in
de maat, ze zijn het verwonderlijk: met den bril op den neus en den
strijkstok in de hand, zitten zij te tellen als metrometers; nauwelijks
is hun tijd om te spelen gekomen, of wip! gaat de viool naar de kin, en
kras! gaat de stok over de snaar! laat er rondom hen gebeuren wat wil,
zij vertrekken er geen oor naar, en blijven geheel noteblad; maar hun
gewaarwordingen daaronder! leest ze op hun dommelige, levenlooze,
houten aangezichten! zij voelen niets van de verrukkende harmonie, die
om hen ruischt; zij blijven koud als steen te midden van dien
vuurvloed, die van rondom hen op het sidderende gehoor nederbruist; hun
nuchter hoofd bemerkt niets van de bedwelming, die zich van hun snaren
op de opgewonden menigte stort. Ja wat meer is! zij zelven werken mede
tot de betoovering, die u overmeestert: ook hun snaar giet zijn melodie
in den stroom, wiens geweld u medesleept; ook hun spel is een schalm in
de magische keten die u onzichtbaar omslingert; maar de ongelukkigen!
zij zijn daarbij slechts doode werktuigen: hun invloed op u is die van
doove hamers, die onder de hand des kunstenaars de snaren der piano
treffen; gelijk de windharp, die geen aandoening heeft van het koeltje,
waaronder haar zangerig hout zucht; zij zijn eenigermate gelijk aan
„die werklieden vreemd aan Israël, die de bouwstoffen bijeenbrachten
voor den prachtigen tempel, waarin het hun nooit vergund zou zijn
binnen te treden.” O, ik beken het met schaamte en spijt, dat ik een
oningewijde in het heiligdom der harmonische kunst ben; ik kom er voor
uit, dat ik van deze Levieten hares altaars het eenvoudigste onderricht
in haar geheimen zou moeten ontvangen. Maar toch! ik sta in mijn oogen
hooger dan zij, ik, die de harp in het hart draag, welke zij op hun
knechtslivrei voeren. Vergeeft het mij, Heeren muziekmeesters en
dilettanti! maar als ik na een heerlijke muziek u de gehoorde
compositie hoor ontleden, alsof het een thema ter analyse ware, terwijl
de opgevangene melodie in mijn hart, als een weêrklinkend gewelf,
zuiver en helder nagalmt, en het met welluidendheid vervult, dan verhef
ik er mij op, dat ik tot uw kunst in nader en inniger betrekking sta,
dan gij zelven; en terwijl ik uw medelijdende vraag:
Mijnheer is geen kenner? met een zedige buiging beantwoord, beschouw ik
u met het gevoel, waarmede de moedige reiziger den gids aanziet, die
hem in het wonderoord der Zwitsersche Alpen weet te zeggen:
Dit is nu de St. Bernard, en die spits daar is de Montblanc, en die
punt ginds is de Jungfrau.
Nog eens, bij mij zit de virtuositeit in het bloed; mijn ooren zijn
niet dan de geleiders van mijn hart, en dat springt op, als het maar
een enkele noot hoort, gelijk een hert dat de stem van zijn moeder
verneemt! dit vraagt niet eerst: Wat hoor ik? Is het in mijn methode,
wat ik hoor? Is het van mijn componist, wat ik hoor? Is het mijn
instrument, dat ik hoor? Wordt het goed uitgevoerd, wat ik hoor? en zoo
al voort totdat—er niets meer te hooren is. In dien tusschentijd heeft
mijn hart reeds ruim en rijk genoten; het heeft de maat nagehuppeld, en
met de noten meê in het rond gesprongen; het heeft voor een uur
opgeruimdheid en vroolijkheid opgedaan, en herhaalt het liedje dat het
gehoord heeft nog wel tienmaal in zichzelve.
Waarom ziet Mijnheer zoo knorrig?
Heet dat muziek maken? muziek-verknoeien is het!
Tra la la la—tra la la la.
Dan liever in het geheel geen muziek, dan haar zoo te hooren
mishandelen.
Maar wie is Mijnheer dan?
Ik ben een musicus.
Ha, ik niet. Vaarwel Mijnheer! leve de muziek! Tra la la la—tra la la
la.
Ja, leve de muziek! Ik heb behagen in alles wat maar zingt en klingt;
melomanie is mijn zesde zintuig, ofschoon, gelijk ik zeide, in zijn
natuurlijken toestand, zonder ontwikkeling of verfijning door de kunst;
zij is mij dan ook aangeboren. Naar het zeggen van mijn moeder, was ik
in der tijd een ondeugend en lastig wicht; maar gelukkig bezat zij in
haar schoone stem een machtig toovermiddel, waaraan het bijna altijd
gelukte den boozen Demon in mij te bezweren. Zette ik mijn keel op tot
een gillende dissonant, dadelijk beproefde zij die in haar heerlijke
sopraantonen op te lossen, en eere zij aan mijn jeugdigen smaak, dat ik
haar liever scheen te hooren dan mij zelven; want gewoonlijk hield ik
dadelijk op om geen noot te verliezen, en eindigde met haar door mijn
tranen toe te lachen, als Astyanax dichterlijker gedachtenis. De lieve
moeder! Vooral was het hare gewoonte, mij des avonds zingende in slaap
te sussen. Uren lang kon zij aldus aan mijn wiegje doorbrengen. Daarbij
had zij een gevaarlijken vijand in haar gezang zelf; want ik was er
veel te verliefd op, om er niet zoo lang mogelijk naar te luisteren.
Zoo lag ik dan dikwijls een geruimen tijd tegen den slaap, die mij
allengs overmeesterde, te kampen, tot dat mijn moeder eindelijk
triomfeerde: zachtkens streek de rust met haar liefelijk ruischende
vleugelen mijn luikende oogleden toe, en met een genoeglijk lachje om
den mond sluimerde ik in.
Naar mijn moeder mij vertelde, was er evenwel geen lied, waarvoor ik
gevoeliger scheen te zijn, dan het avondlied der Hernhutters:
Laat mij slapend op U wachten,
O dan slaap ik zoo gerust.
Ik geloof het gaarne; geen lied zong zij beter. Het is dan ook bijna
het eenige van hare wiegezangen, waarvan mij een diepe indruk is
bijgebleven. Nog kan ik het niet hooren, of er trilt in mijn hart een
akkoord uit mijn vroegste kindschheid. Nog kan ik het niet hooren, of
ik denk aan mijn lieve moeder, en—het toen nog onschuldige wicht. O
gezegend het kind, dat zulke herinneringen heeft! hoe teêr ze zijn, ze
zijn dikwijls sterker tegen de verzoeking, dan de stemmen van rede en
deugd. Bij mij althans, welke booze gedachten zich ook in mijn
binnenste mochten verheffen, ik geloof niet dat ze het zouden kunnen
uithouden tegen een zachte stem, die in zulke oogenblikken zong:
Laat mij slapend op U wachten!
Opgroeiende verloochende zich deze zucht voor muziek in mij niet, en,
gelijk ge ziet, zij is mij nog bijgebleven; zij is in mij iets
natuurlijks. Ik heb de muziek lief uit instinkt, niet als een kunst,
maar zoo als ik den blauwen hemel, de lekkere zon, de zachte maan, de
heerlijke sterren, het donkere bosch en het groene veld lief heb. Ik
vraag mij geen reden van deze liefde; ik laat er mij niet op voorstaan,
noch zoek er meê te pralen. Ik noem het een gave van God, en ben er als
zoodanig dankbaar voor.
En zou ik niet? Göthe spreekt ergens van menschen, die een gebrek in de
oogen hebben, waardoor alles voor hen een rozeroode kleur heeft, de
beklagenswaardigen! Wat genieten zij van die duizendmaalduizend
schakeeringen van kleuren en tinten, die in de natuur ons oog
verrukken? Maar mij dunkt dat menschen, die volstrekt geen gehoor voor
de muziek bezitten, weinig minder te beklagen zijn. Want ook voor hen
gaat immers een gedeelte van het schoone van Gods schepping verloren?
Zij hooren niets van al die welluidende stemmen, die overal klinken, en
den Schepper prijzen, dat er te gelijk de schepselen door gestreeld en
verheugd worden. O, het eerste vogelengezang in de lente! als het
bosch, dat zoo lang stil en zwijgende was, weêr voor het eerst leven en
geluid herkrijgt. Als de vogelkens hun stem schijnen te beproeven en
allengs voller en ruimer uit de borst beginnen te zingen. Als
langzamerhand al mijn lieve oude kennissen, met haar bekende stemmetjes
mij haar welkom toeroepen. Als eindelijk mijn uitverkorene, de
nachtegaal, voor de eerste maal mijn oor verrukt... o hoe baadt dan
mijn ziel in genot! hoe zwemt zij in de zee van melodie, die uit de
hoogte op mij nederstroomt! Zie op! voor het oog is alles nog winter.
Het geboomte heeft nog zijn eentonig Decemberbruin; het groen slaapt
nog in de zich ontwikkelenden bot; de rijp kraakt onder uwe voeten; een
scherpe Noord-oostenwind blaast u in het gezicht, en bederft u het
genot van de reeds koesterende voorjaarszon. Maar hoor toe! Voor het
oor is de lente daar! zij is daar in de muziek, die even als andere
vreugde, ook de vreugde der lente voorgaat; zij is daar in die duizende
voorjaarsboden, die de komst van het schoone saizoen uitroepen,
arkduiven die de belofte van een groenende aarde in den vriendelijken
mond dragen; zij is daar in het lied van de Koningin der lente, die
haar levenwekkende stem over ’t land doet hooren, die de „bloemen
openfluit” en de bladeren uit hun zwachtels lokt. Gelukkig de vriend
der muziek; hij heeft een lentemaand meer in het jaar!
En komt gij in den kring der gezellige samenleving, hoe veel genot gaat
ook daar voor het harde oor verloren. Het is toch in onze prozaïsche
wereld nog iets poëtisch, en onder haar vele dissonanten nog iets
melodisch, dat er zoo veel muziek in gehoord wordt. Laat het zijn, dat
daaraan voor twee derden de ijdelheid en de mode deel hebben: ik
vergeet dat, zoodra de eerste toon mij tegenklinkt. Wat menschen als ik
daaraan te danken hebben, is ongelooflijk; menig vervelend bezoek,
menige taaie avond is mij door het maken van muziek verkort en
veraangenaamd. Maar foei! wat spreek ik alleen van hare negatieve
verdiensten, als of zij geen andere rechten op mijn hart had? Maar laat
het zich dan onder woorden brengen, welk genot ik dikwijls aan haar
betoovering verschuldigd was?
Immers staat mijn hart altijd voor haar invloed open, en wacht slechts
op haar komst, gelijk de marmeren kom van een fontein op de stralen des
dolfijns: een enkele noot, en mijn hart zet zijn deuren wagenwijd open.
Hoe kan ik dan met een luisterziek oor aan de heerlijke klanken hangen!
hoe met een van wellust bevenden voet den stroom der muziek in al zijn
kronkelingen volgen, gelijk een knaap den schoonen vogel, dien hij
hoopt te verrassen! Hoe kan ik mijn hart op de deining der melodie
laten heen en weder wiegelen, gelijk een zwaan op de rimpeling van het
kabbelende water! hoe mij op de vleugelen des stijgenden geluids laten
opheffen, of op het dons der dalende akkoorden nederzinken! hoe kan ik
mij in den Feeëndans der luchtige noten laten meêslepen, of door de
klacht der andante tot tranen bewegen! Van dat de eerste toon in mijn
ooren klinkt, ben ik mijns-zelven niet meer: ik ben het eigendom van
den componist, die mijn hart met volkomen willekeur beheerscht; hij
heeft mij in zijn hand, hij kan van mij maken wat hij wil, ik ben de
zijne door het recht van verovering.
Evenwel het gebeurt soms, dat hierop een uitzondering plaats heeft. Het
is dan als mijn hart te vol raakt, om meer te kunnen toehooren. Er zijn
oogenblikken, dat de muziek, in plaats van mij met haar adem te
streelen, het meir mijns harten beroert, en een sterke aandoening in
mij wakker roept; dan is het mij niet mogelijk, langer aan haar klanken
geboeid te blijven; dan word ik doof voor haar taal, en luister alleen
naar de stem, die uit mijn binnenste oprijst; dan verlies ik mij in een
diep verleden, of zie vooruit in een schemerende toekomst; dan verzink
ik in dien toestand, dien de Dichter beschrijft:
Het is een onbestemd „gevoelen,”
Een toestand donker en verward.—
Wij voelen zóó, als op ’t concert
De tonen op iets treurigs doelen:
Een algemeen besef van smart;—
Waarbij we, zonder orde of reden,
In toekomst dwalen en verleden.
Ziet gij, wanneer zulke gedachten mij aangrijpen, ben ik voor de
toespraak der muziek verloren: voor haar toespraak, maar evenwel
geenszins voor haar invloed. Want die mijmeringen zijn alleen onder
haar invloed geboren, en leven alleen in den dampkring van haar
melodie. Laat de muziek ophouden, en zij zullen wegvluchten als
schuwgemaakte vogels! Laat de muziek voortduren, en zij zullen haren
sylphendans voortzetten, en zich gedurig helderder en levendiger voor
mijn geest vertoonen. Ook wordt haar voorkomen door de macht der muziek
beheerscht. Gedurende de allegro zullen zij een licht, een vroolijk
aanzien hebben; met de andante zal haar gelaat betrekken en haar gang
sleepender worden; en als deze eindelijk in de adagio overgaat, zal er
een floers van somberheid op haar dalen, als op een landschap, dat de
zon op eens ophoudt te beschijnen. Zoo ontvangen zij, even als het
corps de ballet, in alles de wet van het orkest.
En hierbij denk ik vooral aan de oogenblikken, onder het gehoor van
Editha gesleten. Het is namelijk haar standvastige gewoonte, des
namiddags in het uur, waarin anderen zich het genoegen geven van, zoo
als zij het met een euphemisme noemen, stil te zitten, de piano te
openen, en een poosje te spelen. Nu speelt Editha zeer wel; ten minste
naar mijn smaak, omdat er in haar spel meer uitdrukking dan kunst is.
En dit stille uurtje is mij het liefste van den geheelen dag. O, hoe
kan dan mijn geest zich op de wolken der zwevende melodie inschepen, en
zich daarop omhoog laten voeren! Heerlijke luchtreis, die ik dan doe,
waarbij al de luchtreizen van Green niets zijn. Kon ik u beschrijven,
wat dan mijn verrukt oog niet al aanschouwt! Welke lusthoven de gouden
tooversleutel der harmonie voor mij opent! Welke paleizen de stem der
muziek, als een andere Amphion, voor mij doet oprijzen! Welke gezichten
mij vervoeren, welke geuren mij tegenwalmen, welke hemelsche tonen mij
toeklinken! Gelukkig voorwaar, dat deze luchtkasteelen voor u
ontoegankelijk zijn, Mijnheeren Ontvangers en Rijksschatters! kondt gij
er bijkomen, arme Jonathan, hoe zoudt gij moeten bloeden! Op welke
sommen zou u de grondbelasting te staan komen van een terrein, waarbij
uw aardsche hut niet veel meer is dan een notendop; met welke schatten
zoudt ge het bezit van een mobilair moeten boeten, bij hetwelk goud,
als het geringste der metalen, de plaats van hout en steen vervult. Ik
kan er van sidderen, als ik denk, dat iemand hunner zijn brakken neus
in deze kostbaarheden steken mocht. Maar geen nood! Ieder mensch heeft
boven zijn armoedje, dat door den maatstok der wet wordt nagemeten, een
ruime plek aan den hemel, waar zijne verbeelding een luchtpaleis mag
stichten, zoo prachtig als hij wil, zonder dat men hem daar kan komen
lastig vallen. En waar ook verschil bestaan moge, hier niet. Want de
weinige spannen gronds, die den bedelaar toebehooren, hebben even
zoowel den onmetelijken hemel tot gewelf, als het uitgestrekte domein
des Vorsten. Daarheen dan onze toevlucht genomen, mijne vrienden! die,
even als ik, uw aardsche heerlijkheden met weinige passen beschrijden
kunt. Wij zullen ons daarboven wreken! Wij zullen er een luchtkasteel
bouwen, zoo heerlijk, dat de geheele schatkist, om wier wil we zoo
geplaagd worden, niet in staat zou zijn er een enkelen vleugel van te
betalen. Wij zullen er een pleasure-ground bij aanleggen, waarin al de
Ontvangers (en dat’s veel gezegd) des noods zouden kunnen verdwalen! En
wij zullen het genoegen smaken van onze kwelgeesten bij den neus te
hebben, die terwijl zij onzen nederigen inboedel taxeeren, van onze
bezittingen in de maan niets vermoeden zullen. Ik voor mij althans hoor
hen nooit een prijs op de piano van Editha stellen, zonder in mij
zelven te glimlachen: *** guldens! Zij is voor mij het tiendubbel
waard; in die kast is voor mij het wenschhoedje van Fortunatus
verborgen! Daarin schuilen de papieren van eigendom van mijn goederen
in het bovenland. Maar gij zult er niets van te zien krijgen.—En
nauwlijks heb ik de deur achter hen gesloten, of ik kom met een
vroolijk gezicht weêr binnen: kom aan, Editha! nu nog eens een liedje:
L’or n’est qu’une chimère.
Maar nog dierbaarder is mij de herinnering aan die oogenblikken, waarin
de muziek de uitwerking had van den storm der hartstochten in mij te
doen bedaren, oogenblikken waarin het mij ging als Saul; Ende ’t
geschiedde als de geest Godes over Saul was, so nam David de harpe,
ende hy speelde met syne hant: dat was Saul eene verademinge, ende het
wert beter met hem, ende de boose geest weeck van hem.—O, het is een
zalig gevoel in een tijd, wanneer de drift, als een storm uit zijn
krocht losgebroken, de kalmte der ziel beroert; wanneer alles, wat er
kwaads en ondeugends op den bodem des harten slaapt, opgist, en het
hoofd door zijn dampen bedwelmt; wanneer de onreinheid, die den grond
onzes gemoeds bedekt, door onvoorzichtigheid in beweging gebracht,
opborrelt, en deszelfs helderheid troebel maakt; het is een zalig
gevoel, wanneer men zich in zulk een tijd de kracht voelt ontbreken om
die woeling te gebieden: Zijt stille!—dat er zich dan een macht van
buiten opdoet, die de verbroken rust en klaarheid herstelt. Zulk een
macht nu is voor mij die der muziek. Dikwijls, als onreine gedachten
mijne verbeelding dreigden te besmetten; als de hartstocht mijn gemoed
in oproer bracht; als een weêrbarstige ontevredenheid zich van mijn
ziel meester had gemaakt; was het genoeg, dat de muziek haar liefelijke
stem liet hooren, om den kwaden geest, die mij verzocht, uit te bannen.
Niet dikwijls gebeurde het, als zij zich ter rechter tijd gelden deed,
dat mijn drift zich tegen haar tooverkracht bleef verzetten. Bij de
eerste tonen reeds werd het oproer in zijn vaart gestuit; langzamerhand
liet het zich met zachten tegenstand terugdringen, zoo als men een
blaffenden bandhond streelend in zijn hok lokt; terwijl de muziek de
muitende driften bedwong, riep zij de sluimerende betere
gewaarwordingen wakker; vandaar een korte strijd, die eindelijk in de
zegepraal van het goede beginsel eindigde, terwijl het kwade als een
neêrgeslagen droesem op den donkeren bodem terugzonk. Gelukkig
oogenblik, wanneer alsdan een zacht rood van schaamte de wangen
kleurde, welke vroeger de hartstocht in vollen gloed had gezet, en een
verkwikkende traan het brandend oog bevochtigde. Alsdan werd de
wonderspreuk des Dichters aan mij bewaarheid:
Alles heeft zich-zelf verloren.
’t Honderdhoofdig Helgedrocht
Ligt ontketend in zijn krocht,
Met ter neêr gestreken ooren,
Vastgeboeid door ’t maatgeluid.
En wat wonder? Immers was ik altijd, licht ontvlamd als ik ben, de
speelbal van snel afwisselende aandoeningen, en even ras „in gloed
gevlogen,” als tot zachtere gemoedsaandoeningen terug te brengen. Mijn
moeder vooral verstond meesterlijk de kunst om in zulk een onrust rust
te gebieden. Zij deed dit niet door mij, als een hollend paard, in den
teugel te vallen; zij deed het door den leniger, maar sterker drang der
overreding! „Jonathan! Jonathan!” Er was in den toon, waarmede zij dien
naam uitsprak, iets zoo krachtig en teeders te gelijk, dat ik er niet
aan kon weêrstaan. Welnu, in de stem der muziek is voor mij iets
dergelijks; als zij mij hare zachte klanken tegenwalmt, is het of ik
nog de stem van mijn nu zalige moeder hoor; „Jonathan! Jonathan!” En
gepaard met deze herinnering, vallen mij op het eerste geluid de wapens
uit de handen. Heerlijke muziek, zeker zijt gij een broeder-engel van
mijnen Genius!
Ook weet ik van oogenblikken, waarin zich aan mij een andere
verzekering des Dichters bevestigde:
Dan vergeet zich in ’t verrukken,
Zelf Prometheus arendsbeet,
Tantalus versmachtend leed,
Bij ’t vervoerend vingerdrukken.
Waar is de mensch, wien het hier wel niet eens bang was? Ik althans
behoor tot hen, die aan het bestaan van Prometheus en Tantalus
gelooven. Ik ken die pijn, die het hart eet en het bloed drinkt; ik ken
dat onverzadigd verlangen, dat den mensch naar de gouden
paradijsappelen doet hongeren, die altijd even ver van zijn lippen
verwijderd blijven; maar ik ken ook dat zich vergeten van arendsbeet en
versmachting,
Bij ’t vervoerend vingerdrukken.