De muziek spreekt bovenal de taal der vertroosting! haar gestrook

Is waarlijk van fluweel.

Haar vriendelijke stem vloeit als balsem in het verscheurde hart: ik

weet niet, of het waar is, wat sommigen beweerd hebben, dat muziek de

kracht heeft van sommige zielskrankten te genezen; maar ik weet wel,

dat zij in staat is het lijden van alle zielskrankten te verzachten en

te lenigen. En is zij niet een bode der hope, die van betere tijden

spreekt? Dikwijls als bittere teleurstellingen mij hadden ter aarde

geworpen, richtte zij mij aan haar hand op, en nam mij aan haar zachte

borst; dan dauwden er woorden van liefde en troost van haar zoete

lippen; dan ademde zij mij nieuwen moed in ’t hart; dan goot zij mijn

boezem vol van nieuwen levenslust en nieuwe levenskracht; dan spande

haar opwekkende invloed mijn spieren en zenuwen tot dapperen wederstand

tegen den druk, die op mij woog; dan klonk haar stem voor mij als een

wapenkreet, die mij ten strijd daagde; dan ging haar moed-inboezemend

geluid mij voor op den weg der overwinning; dan hergaf zij mij aan mij

zelven.

Nog plechtiger herinneringen verrijzen voor mijn geest.

Stemme des orgels! Stemme der muziek in het huis des Heeren! Hoe de

gewaarwordingen te beschrijven, die gij zoo dikwijls in mij verwektet?

Ik weet het, de Godsdienst heeft meerder rechten op de welluidendste

der kunsten, dan deze haar in onze eenvoudige heiligdommen betaalt. De

storm der Hervorming heeft in haar geweldige, schoon heilzame

omkeering, onder meer, dat wij hadden willen gespaard zien, ook de

snaren van de heilige harp Davids verbroken, die Gode zoo

welgevalliglijk placht te klinken. Het zij! wij weten, dat het een

hachelijk oogenblik was, toen het niet de keuze tusschen een eerdienst

met of zonder muziek, toen het de keuze tusschen een hulde des harten

en der lippen en een hulde der muziektuigen gold; toen er beslist moest

worden, of de zanger zou zingen, of zijne luite. Doch des te hooger

eere en dank aan hen, die het pleit des orgels voor de rechtbank der

Hervorming hebben verdedigd en gewonnen. Nu hebben wij ten minste een

enkel harmonisch voertuig voor onze heilige inboezemingen behouden; en,

wij erkennen het dankbaar, het geschiktste en waardigste, om dien

gewijden last ten Hemel te voeren! Er is in den klank des orgels iets

statigs en majestueus, dat wonderlijk overeenkomt met de plaats en het

doel, waartoe het zich laat hooren. Ik zou haast zeggen: het orgel is

een beeld van den Godsdienst zelven, dien wij belijden. Zoo woont hij

in ons hart, onzichtbaar en verborgen, even als het geluid in het

speeltuig. Geen bonte pronk of valsche schittering tooien hem, maar een

deftig, plechtig en eerbiedwekkend uiterlijk. Hij vermengt zich niet

onder de ijdelheden der aarde, noch paart zijn stem aan den luchtiger

toon der wereld; altijd blijft hij waardig, achtbaar en zijn hooge

bestemming indachtig. Zich gedurende de zes ongewijde dagen in

zichzelve terugtrekkende, verheft hij ten zevenden, ten dage des

Heeren, zijn jubelende stem, en roept dan luide zijn verrukkingen uit!

Maar ook dan nog handhaaft hij zich als de bode eener heilige

blijdschap, en laat in den klank van zijn zich naar buiten openbarende

vreugde, altijd den grondtoon van een statigen ernst klinken.—Vol en

breed vervult de galm van het speeltuig het heiligdom, en doordringt

het met een welluidende huivering; langzaam, gelijk de geur des offers

met de lucht samenvloeit, vereenigt hij zich met de stem der menigte;

en daarmede ineengesmolten heft hij zich met een kalme gelijkmatige

duivenvlucht omhoog, dringt door wolken en uitspansel, en stort zich

uit voor het oor van Hem, die den adem geeft. O, het is verwonderlijk,

hoe machtig dit geluid is op hem, die er gevoel voor heeft, om hem te

stemmen en tot een waardige aanbidding voor te bereiden. Hoe dikwijls

kwam ik verstrooid en afgetrokken in het heiligdom; maar het orgel

klonk! het orgel, dat ons in zijn indrukwekkend geklank opriep: Lovet

den Heere met de harpe. Psalmzinget Hem met de luyte.—Als een geest der

bezieling woei die welluidende adem mij aan; helder weêrklonk die stem,

die den tempel doorgalmde, in den tempel mijns harten. En nauwelijks

droeg de eerste golf van melodie den eersten toon des gezangs naar

boven, of reeds mengde zich mijn stem, eerbiedig en vroom, in het

duizendstemmig lied der gemeente, en klom zwak en bevende, maar uit het

volle hart, tot den Heer! En hoe zou ik al de verplichtingen kunnen

opnoemen, die mijn stichting en zielsverheffing aan u heeft, muziek des

gewijden orgels? Of kende ik de oogenblikken niet, waarin mijn

overstelpt hart zijn dank niet hoog genoeg ten hemel heffen kon, maar

zich gelukkig voelde, dien op uw breeder en sterker schacht te mogen

nederleggen, om dien te brengen tot waar mijn stem niet reikt;

oogenblikken van bezwaardheid en droefenis, waarin met uw opbeurende

galmen van boven licht en troost in mijn donkere ziel vloeide;

oogenblikken, waarin uw majestueus geluid mij een huivering van eerbied

op de leden stortte, en mij den Allerhoogste voor den geest stelde, als

was het dat „suyzen van een sachte stilte” waarin de Heer zich aan zijn

dienaars openbaart; oogenblikken, waarin uw donderende toon,

ontzagverwekkend als de klaterende wolk van Horeb, op mij nederdaalde

en mij met den schrik des Heeren sloeg, of waarin ik in een rollend

gebulder de bazuine des laatsten oordeels meende te hooren;

oogenblikken waarin uw machtige stem voor mij de wolken deed scheuren,

en mij, onder uw zegevierend jubelen, den hemel opende, waaruit mij

reeds het lied der tienduizendmaal tienduizenden scheen toe te klinken!

O zeker, al waart gij voor mij de eenige tolk der harmonie, die door al

het geschapene ruischt, orgel des heiligen bedehuizes! toch zou ik met

Schiller aan uw kunst den palm reiken!

Aber die Seele spricht nur Polyhymnia aus.

Ja, durfde ik, ik zou verder willen gaan en zeggen: Muziek is de taal

des hemels!

„Muziek de taal des hemels!”

Kent gij la dernière pensée musicale van Weber? Laat haar u anders

eerst eens voorspelen.

Begrijpt gij mij nu?

Ik ken geen muziekstuk, dat mijn gedachten beter uitdrukt. Hoort gij

het niet, dat er in deze heerlijke andante een stem is, die van een

betere wereld spreekt? Dat weemoedig-zwevende, dat biddend-klagende,

dat smachtend-verlangende, dat opwaarts-strevende,—in één woord, dat

gevoel van heimwee, dat in deze noten ademt, wijst het u niet als met

de hand naar den hemel? O, zóó zou ik wenschen te sterven met zulke

gedachten, met zulk een gevoel, met zulke verwachtingen! Welnu, dit

karakter der muziek is het, wat haar voor mij zoo aantrekkelijk maakt!

Wat zijn zij zeldzaam, de stemmen, die ons aan ons vaderland daarboven

herinneren! en wanneer ze zich al laten hooren, hoe zelden hebben zij

den waren toon, die het hart toespreekt, en met waarachtig verlangen

vervult! Maar voor mij is de muziek zulk een roepstem, en wel een stem,

zoo liefelijk, zoo uitlokkend als eenige, een stem als van een moeder,

die haar kind tot zich roept. Ja, ik begrijp dat heimwee van den

Zwitser, als het lied zijner bergen, het klagende ranz des vaches in

zijn ooren klinkt. Ik geloof dat dit geluid de snaren zijner ziel kan

spannen, dat ze breken. Immers weet ik wat ik gevoel, als de muziek mij

als een stem uit de hoogte toeruischt, en mij met reikhalzende begeerte

naar de bergen mijns hemelschen vaderlands doordringt. Dan doorstroomt

een nameloos gevoel mijn boezem; dan vervult zich mijn hart, en zet

zich uit, en zwoegt als om zich ruimte te maken, gelijk een vogel in

zijn kouw; dan rijzen zucht op zucht uit dien beklemden kerker op, en

stijgen daarheen, waar het hart ze niet volgen kan, dat ze treurig

naziet als een gevangen duif, die haar jongen ziet opvliegen. Dan

verheft zich mijn hoofd, dan glinstert mijn oog, dan openen zich

onwillekeurig mijn armen, dan zucht ik bezwaard zijnde om ontbonden te

worden. Zou het misschien daarom zijn dat Luther de muziek de eerste

der menschelijke kunsten noemde, en haar de naaste aan de

godgeleerdheid plaatste?

De eerste der menschelijke kunsten, zeide ik. Maar.... ik weet niet....

ik durf niet gissen.... ik vrees vermetel te wezen.... en waarom niet?

Een groot man heeft van den aanstaanden geluksstaat der zaligen gezegd:

„Geeft u onbeschroomdelijk toe in kinderlijke droomen en

voorstellingen! Alleenlijk, laten het geen opgeblazen, wijsgeerige,

maar laten het kinderlijke droomen zijn!”—Welnu, tot die kinderlijke

droomen van mijn verbeelding behoort ook, dat de vreugde, uit het genot

der muziek geschept, mede tot het geluk der zaligen behooren zal. Ik

weet wel: „de lofzangen der hemelingen zullen toch geen Jeruzalemsche

tempel-muziek wezen!” Even weinig durf ik raden, hoe dan anders zich

mijn mijmeringen verwezenlijken zullen. Maar ik laat mij daarom het

denkbeeld niet ontnemen, dat daar een stemme des gezangs en geklanks

zal gehoord worden in den hemel, gelijk er een stemme des lieds en der

speeltuigen gehoord wordt op aarde. Niet alleen om den wil der fijne,

zuivere, geestelijke en bijna bovenaardsche weelde, waarin de stroom

der harmonie het gevoelig hart doet baden; maar omdat ik mij zóó, en

zóó alleen verbeelden kan, hoe het van hemelzaligheid overvloeiend hart

zich, in gemeenschap met zijn medegezaligden, in dankbaarheid en

vreugde voor den Vader der Lichten zal uitstorten. „Gloeit het vuur der

dankbaarheid,” zoo leze ik, „diep in mijn binnenste, verliest u dan in

de plechtige lofgezangen, die voor het aangezicht van God worden

uitgeboezemd!” Laat ik er mij dan in verliezen! Beklage of belache mij

wie wil; ik laat anderen gaarne hunnen hemel, indien men mij slechts

toelaat mij mijnen hemel te scheppen, zoo als hij voor mij meest

aantrekkelijk, meest uitlokkend, meest hemelsch is! O, dat stemmen der

gouden citers! dat aanheffen van een nieuw en nooit gezongen lied! dat

mengen der stem in het koor van al wat in den hemel leeft! dat

uitstorten van zijn hart in den adem der Godsverheerlijking!.... Indien

gij een droom zijt, hoe schoon zijt gij! En indien meer!....

Kom, Editha! speel de dernière pensée musicale van Weber nog eens voor

mij!

Waarheid en droomen · 第 17 / 64 题