Dat is, volgens eene opgave die men in Willem Bartjes niet vindt:
Een uur staat tot de eeuwigheid, gelijk een goede of kwade daad tot de
gevraagde.
Het was deze cijferkunst, die Mozes reeds doceerde, toen hij zijn volk
leerde, hunne dagen „also te tellen dat sy een wijs herte bekomen”
mochten. Ja, tijden en eeuwen mogen veranderen, maar zoo lang er
menschen op aarde leven, wier bestemming in de eeuwigheid ligt, blijft
de tijd het kleinood des levens, de ware steen der wijzen, die slijk
tot goud kan maken. Als ik een klokkenmaker was, zou ik in plaats van
al die vergulde krullen mijn uurwerk in den ring van een slang sluiten,
die de staart in den bek houdt. Het symbolum der eeuwigheid rondom het
symbolum des tijds, dat zou, dunkt mij, van tijd tot tijd ernstige
gedachten geven. Het is een groote dwaling, dat sommige menschen het er
voor schijnen te houden, dat hun klok een perpetuum mobile is, dat
nooit zal blijven stilstaan: zóó is het niet: het perpetuum mobile is
boven, en onze klok kan ons alleen helpen om het te vinden. Foei,
dezelfden, die zich schamen zouden het kapitaal van hun vermogen aan te
raken, verspillen van hun beter kapitaal hoofdsom en renten te gelijk.
Het komt altemaal van het verkeerd gebruik der klokken.
Ik zou denzulken wel eens een verschijning toewenschen als die van den
H. Johannes: „Ende de Engel, dien ik sagh staan op de zee en op de
aarde, hief sijne hand op nae den Hemel, ende hy swoer by Dien die
leeft in alle eeuwigheid, dat daar geen tijd meer en sal sijn!” of een
droom, gelijk Père Bridaine in een visioen zijner vervoering had; de
man, die de eeuwigheid een klok noemde, waarvan de slinger in de stilte
der graven onophoudelijk herhaalt: Altijd—nooit! nooit!—altijd!—een
droom, zeg ik, gelijk hij had, toen hij een der rampzalige
tijdverkwisters hoorde roepen: hoe laat is het? waarop een zijner
lotgenooten antwoordt: de eeuwigheid.—Maar neen, waartoe zouden
verschijningen of droomen dienen? Heeft dan mijn Meester mij niet
geleerd, dat wie Mozes en de Profeten niet hooren, al ware het dat er
iemand uit de dooden opstond, zich niet zullen laten gezeggen? En
indedaad! ieder die in de school des Bijbels is opgevoed, en een klok
aan zijn muur heeft, heeft in die klok een vermaner, gelijk de
geheimzinnige hand bij Belsazar, die aan den wand het dreigende: mene,
tellen, schreef. En indien zijn oogen dat cijferschrift niet verstaan,
het hapert niet aan de kunde, maar aan den wil dezer uitleggers.
Jonathan! Jonathan! wat draaft gij u zelven weêr voorbij! En als ik wel
zie, zijt gij weêr aan ’t veroordeelen van anderen ook. Och ja! die
Farizeeuwsche zuurdeesem: o God! ick dancke u, dat ick niet en ben
gelijk de andere menschen! wil maar niet ophouden te gisten. Och, met
al mijn wijsheid over mijn klok, mocht ik mij wel wat meer door hem
laten herinneren, dat het „den menschen geset is eenmael te sterven en
daerna ’t oordeel,”—en „Met welck oordeel ghij oordeelt, sult ghij
geoordeeld worden.”
En zoo kom ik tot mijn klok terug, en zie hem scherp aan, als om hem te
vragen: wanneer zijn wijzer het uurtje zal aanwijzen, waarop voor mij
„geen tijd meer en sijn sal.” Vergeefs zoek ik het plekje op het
wijzerbord: hij geeft geen ander antwoord dan het onzekere: Una ex his
hora mortis. Nu, mijn vriend! zoo is het ook wel! Ga gij maar voort
mijn leermeester en vermaner te zijn, dan zal ik niet licht moede
worden mijn leven bij uren te tellen. Ik weet toch dat ge woord zult
houden met uwe Una ex his. Een van deze!
Wat is dat? het is of er een nevel op mijn oogen zinkt. Zou het wezen
omdat.... ja, laat ik het bekennen. Toen ik daar zoo aan mijn laatste
uurtje dacht, viel het mij in, hoe ik dan liggen zou op de eigen peluw,
waarop mijn vader is ingesluimerd, en met mijn oog even als hij naar
mijn geliefde klok gericht. Maar wie zal er dan aan mijn leger zitten
om de sekonden te tellen, die ik nog te leven heb? Wie zal mij op het
bestemde uur mijn geneesmiddelen ingeven? Wien zal ik de zorg voor mijn
klok overdragen: Houd die klok in eere!...
„In de opstandinghe en nemen sy niet ten houwelicke, noch en worden
niet ten houwelicke uitgegheven, maar sy sijn als de Engelen Godts in
den hemel!”
Een—twee! Goeden nacht!