patronen of met papierproppen of meel of wát dan ook. Ik wil er niet
voor gèk staan. Als ik zoo vroeg uit m’n bed kom wil ik er ook wát van
hebben, en als ik den vlerk in een vlerk kan raken, dan doé ik het. Dus
geen grappen hè?”
We beloofden.
„Dank je,” zei Boy.
En ik ging met een kop thee en wat brood met veél jam, naar boven, waar
Loekie, éen open oog van onder de dekens vandaan, wakker lag.
„Wat wàs er?” vroeg ze.
Ik vertelde het geval.
„Mag ik mee?”
„Nee, dat kàn niet, Loekie?”
„Hè, tóe nou—wat flauw.”
„Heusch niet kindje, en dan zoo vroeg op, en heelemaal naar het strand.
Je zult kou vatten. Je blijft hier maar lekker in je nest.”
„Kan ik vannacht dan weer blijven?” vroeg ze blij.
„Altoos als je wilt.”
„En kom je me het morgen dan dádelijk vertellen?”
Ik beloofde alles en beurde ze óp in mijn armen, liet ze gezellig thee
lebberen en de boterhammen met veel jam oppeuzelen.
Bram was naar Leiden om den med. cand. te zoeken.
Kalmpjes zaten we dien middag op mijn kamer, Loekie in den kimono, ik
in een chamberloek,—toen opeens beneden ons, in Brams kamer, een geraas
van de andere wereld klonk.
Meteen kwam Janne boven:
„M’nheer!—M’nheer!” griende ze, „m’nheer Boy is beneden aan het
schieten—ogotogot—aan het schieten, m’nheer!”
„Leuk,” vond Loekie, maar ik was het daarmee heel niet eens.
„Pas op!” schreeuwde Boy, toen ik Brams deur op een kier opende en er
net een revolverschot losdreunde.
„Schei uit—ik kom binnen,” waarschuwde ik.
De kamer zag er allerzonderlingst uit. De gordijnen waren overal
neergelaten en lieten flauwen schemer door. In Brams erker zat Boy.—De
schuifdeuren naar de eetkamer stonden open en in de serre had hij op
een stoel een groote ijzeren haardplaat neergezet, met een brandend
kaarsje er voor.
„Blijf staan,” gebood Boy, en weer pangde een schot.—
„Geraákt!” juichte hij—springend als een roodhuid, die een scalp
bemachtigde.—„Geraakt!”
De kaars was uit.—Maar mijn kalmte ook.
„Zeg Boy, ben je nou een haartje bedonderd of hoe heb ik het met je?”
„Ik train me,” verklaarde Boy.
„Je bent gek,” kwam ik bot. „Als je straks door de ruiten schiet heb je
kans om aan den overkant van de tuintjes iemand te raken.”
„De ijzeren plaat staat er toch?” kwam hij op den toon van iemand die
tegen een verstokten idioot redeneert.
„En als je er làngs schiet?”
„Ik schiet er niet langs, verbeél je.”
„Dat weét je niet,” hield ik vol.
„Dat weet ik wèl,” kwam hij halsstarrig.
„Je kunt schrikken van iets;—d’r kan je een kat in je gezicht vliegen
zooals aan Bram;—er kan... Enfin je scheidt er mee uit,” besloot ik
gezaghebbend.
„Vast niet,” koppigde hij.
„Ja,” hield ik vol.
„Laat mij eens schieten,” verzocht Loekie.
„Dat ontbrak er nog maar aan,” stoof ik op.
„Schei nou toch uit m’nheer,” smeekte Janne.
„Jullie bent vervelend,” meende Boy en smeet wrevelig den revolver op
tafel.
„Dien krijg je niet eerder weerom dan morgenochtend,” zei ik vaderlijk,
den patroonhouder er uit nemend, den kogel uit den loop wippend en den
Browning in den zak stekend.
„Stik—dat is kinderachtig,” oordeelde Boy.
Er werd gebeld; Janne ging opendoen. Zooals te verwachten was kwam de
onderbuurman brieschend verzet aanteekenen.
„’t Was een zevenklapper,” hoorden we Janne vindingrijk uitleggen. Dan
kwam ze binnen:
„Die m’nheer van onderen wou u spreken.”
Maar de m’nheer van onderen was al boven en stond in de kamer.
„Hier werd geschoten,” meende hij.
„U bent abuis—er is bij vergissing een zevenklapper afgegaan,”
verklaarde Boy.
„Ik meende...” Maar toen zagen des grijsaards oogen, een beetje gewend
aan de schemering der kamers, daar Loekie staan. Hij zág dat ze bloote
enkels en kuiten had, waarvan hij de schoonheid niet op prijs wist te
stellen; hij zág dat ze geen hemdje droeg onder den kimono, die nog het
kuiltje tusschen haar marmersterk-geheven boezem onthulde.
„’t Is schande, zoo’n gemeene meid in een net fatsoenlijk huis,”
jammerde hij.
Waarop ik hem bij de nek greep en met een kniebeweging de deur
uitzette.
„Niemand heeft je gevraagd hier te komen, onbeschofte aap,” schold ik,
hevig ontroerd.
„M’nheer!”
Maar Loekie, over de trapleuning gebogen, spoot hem met een
spuitwaterflesch op den hoed en in den nek: een paar korte, floepende
stralen.
„Dat zal je bekoelen!” schaterde ze.
Hij ging—een beroerte nabij.—Toch bleef dien dag zijn doodsbericht uit.
Tegen etenstijd kwam Bram met den „dokter” aanzetten. Hij heette Henk,
vond het geval ijselijk grappig, maar vergat opeens al zijn opwinding
voor het tweegevecht, toen Loekie binnenhuppelde, die nog steeds den
kimono droeg maar toch door mij overtuigd was, dat een paar kousen en
een hemdje er onder „gekleeder” stonden.
Henk boog allerdeftigst toen Loekie „bonjour” zei en hem haar smalle
handje toestak.
Aan tafel dronken we voor de feestelijke gelegenheid een paar flesschen
champagne,—je wist immers nooit of Boy morgen nog onder de levenden
was!—en Henk en Loekie kregen de hoogte. Bij Henk had dit tot gevolg,
dat hij ons heele kliekje alleraardigst vond, en bij Loekie, dat ze met
theekransjes smeet en iedereen, die den mond opendeed, al bij voorbaat
uitlachte.
Er werd veel gerookt en weinig verstandigs gezegd.—Tenslotte besloten
we maar óp te blijven, daar we er anders beslist niet uit zouden komen.
„Heb je verbandmiddelen meegebracht?” vroeg Bram.
„Ja—een paar”, zei Henk, „wat zwachtels, wat sublimaat, wat
jodiumtinctuur.”
Loekie vond dat alweer ijselijk mal.
„Maar áls er iemand ernstig gekwetst wordt,” veronderstelde ik.
„Laten liggen en hard wegloopen,” raadde Loekie gierend.
„In ’n rijtuig zetten,” meende de dokter.
„’n Rijtuig—we gaan op de fiets,” verwonderde Boy zich.
„Met een hoogen hoed op?” schaterde Henk.
„Wel ja, we zullen zooveel ómslag maken,” verweerde Bram.
„Ja—áls er dan wat gebeurt,” bedacht Henk, „dan zal het lástig wezen.”
„’t Lijk óok maar op de fiets,” ginnegapte Loekie.
Maar daarmee was het vraagstuk niet ópgelost.
We bleven doorpraten. Henk vertelde van de snijkamer, van énge
operaties, die Loekie stil maakten.
„Enfin—ik bén nog geen dokter,” besloot de med. cand., „áls er wat
ernstig gebeurd weet ik er óok geen raad mee.”
Maar Boy trok zich daar niets van aan.
„Als de katjang maar mikt,” piekerde Bram,—„als die maar raak schiet,
heb je kans dát ie raak schiet.”
„Ik zou je bedanken voor een ander schijf te staan,” bekende Henk.
„’t Loopt wel los,” suste ik.
En zoo werd het twee uur, drie uur. Het gesprek werd fluisterend
gevoerd, nu Loekie op mijn schoot in slaap gevallen was, het hoofdje op
mijn schouder.—Om half vier dutte Boy, misschien zijn láatsten slaap;
om vier uur begonnen Henk en Bram om het hardst te snorken, weggezakt
in de leunstoelen.
Bram droomde van ijselijke dingen, gorgelde telkens: „Sla ’m dood ...
sla, sla...” en dan knikkebolde hij even en hernam krachtig: „...
dood!”—Loekie lag te glimlachen, mondje half open; ze zag zeker
grappige dingen gebeuren. Mijn arm sliep; m’n beenen sliepen; met
moeite stond ik op, droeg het slapende meisje naar boven. Ze merkte
niet toen ik haar kimono en kousen uittrok, merkte niet toen ik ze
dichtdekte en haar de haren van het voorhoofd streek;—ze glimlachte
maar in haar droom.
Boy’s wekker, op half zes gezet, plaatste ik te midden van het
ronkende, knikkebollende drietal op de tafel; toen zocht ik een
plaatsje in het eigen bed op en ditmaal werd Loekie instinktmatig
wakker, legde het hoofdje op mijn schouder ... en sliep weer in.
Het geraas van den wekker benéden wekte me. Toen het áanhouden bleef,
stond ik op, ging er heen. Juist bij mijn binnenkomen sloeg Bram met
een nijdigen armzwaai het lawaaimakende ding van de tafel in een hoek,
waar het doorratelen bleef.—„Dóod!” gorgelde hij en dommelde weer in.
Boy en Henk waren niet eens wakker geworden.—Ik schudde,—het gaf niets;
toen nam ik een spons en kwakte die op Boy’s gezicht:
„Godverdómme!” vloekte hij.
„Opstaan,” gebood ik.
„Waarom?”
„Je moet duelleeren.”
Dat deed hem klaarwakker worden:
„Die beroerling ook—is dát nou een uur om op te staan?”
En toen pakte hij Bram beet, terwijl ik Henk onderhanden nam: de spons
kwam er weer bij te pas en Bram, zeer lijdend aan ochtendkribbigheden,
werd nijdig:
„Schei uit—nou géen gekheden!”
Maar om zes uur hadden we toch een stevig ontbijt op, stak Bram den
revolver in den zak.
„Hoeveel patronen zitten er in?” vroeg Boy.
„Een stuk of zes geloof ik.”
„Dat is wéinig,” vond Boy.
„Verdikkie,” bedacht ik opeens, „er is niet vastgesteld hoeveel kogels
er gewisseld moeten worden.”
„Natuurlijk tot een resultaat,” meende Bram, met amerikaansche
veeleischendheid.
„Een is genoeg,” voorspelde Boy.
En we grepen de fietsen; Henk zou om de beurt op Bram’s en op mijn step
staan, want Boy moest gespaard worden.
Het was gemeen koud, er hing een vochtige mist.
„Sakkreju—ik schiet de vent dóod!” gromde Boy, weggedoken in zijn
jaskraag. „Wat een pest—zóo vroeg op te staan.”
Met een flinken spurt ging het langs het ververschingskanaal, de sluis
over,—zwoegen met de fietsen door het mulle zand:—Grauw, dampig, wijd
verlaten lag het strand.—Het was half zeven.
„De eersten op het terrein,” zegevierde Henk.
We gingen liggen tegen het duin, rookten.
„Waar blijven die kerels?” mopperde Boy.
„Ik denk dat katjang wat in de broek gedaan heeft en zich verschoonen
moet,” meende Bram.
Om zeven uur knarsten er wielen,—verscheen het rijtuig van de familie
katjang.
„Vertrapt deftig,” meende Boy.
„De vent is overtuigd dat ie aangeschoten wordt,” kwam Henk.
De getuigen, in gekleede jas met hooge hoeden, kwamen op ons af,
groetten. Piet, vaalbleek, oók in feestkleedij, hield zich op een
afstand, dicht bij het rijtuig.
„Bonjour,” groette Bram, lui liggen blijvend.
„Half uur te laat,” bromde ik, aan mijn pet tikkend.
De getuigen kuchten toen:
„Onze vriend Piet—wilde ... hm ... wilde zijn verontschuldigingen
aanbieden.”
We keken verbluft, maar Boy:
„Dat staat niet aan hém—hij is immers de beleedigde.” De getuigen keken
bedremmeld, maar Boy vervolgde: „Ik trek mijn beleediging niet in en
van m’nheer uw vriend neem ik de excuses niet aan. We zijn er vróeg
voor opgestaan en ik wil hier niet komen voor Piet snot.”
„Zoo is zijn naam niet,” verzekerde Bram, die dacht dat over Piet
katjang werd gesproken.
De getuigen gingen terùg naar het rijtuig, praatten met Piet, die nòg
valer werd.
„Zorg dat ze niet wegrijden,” verzocht Boy.
„Willen we maar beginnen heeren?” vroeg ik—„het is vrij koud en zoó
gezellig is het hier niet.”
De getuigen liepen meé op. Dan ging ik met katjang-éen rug aan rug
staan, stapten we ieder tien pas vooruit en groeven met de hakken een
kuil.
„Neem je passen niet zoo groot,” verzocht Boy mij, tegen alle
duelregels in.
Bram lootte met den anderen getuige om de plaats.
Boy, heel bedaard, had een versche sigaar opgestoken.
„Vooruit heeren!” verzocht ik.
Maar Bram begon opgewonden te gebaren:
„Die paarden moeten weg en de koetsier ook, je schiet ze anders
gedecideerd voor hun raap,” voorzag hij.
De getuigen voelden dat ook, en het rijtuig trok zich achter de duinen
terug. De koetsier, die van het heele geval niets begreep en half
angstig, half belangstellend,—zooals men naar gevaarlijke krankzinnigen
kijkt,—ons gedoe stond te begluren, kreeg opdracht te waarschuwen als
iemand van den kant der sluizen mocht komen.
Bram bracht Boy naar zijn plaats:
„Trek je jas uit,” gebood hij.
„Ben je mal? ik verrek van de kou,” betoogde Boy.
„’t Geeft te groot mikoppervlak;—en zet den kraag van je colbert op,
dat je witte boord geen mikpunt geeft.”
Boy deed zooals verlangd werd, pufte terwijl groote rookwolken uit,
vroeg:
„Zeg, is die verdomde katjang haast klaar?”
Piet hing in de armen van zijn getuigen, hevig lammenadig.
„Zou die dat wezen?” toonde Henk kalme belangstelling, in zijn city-bag
zwachtels schikkend.
„Hij is nog niet eens aangeschoten,” geestigde Boy, „maar daar zorg ik
wel voor.”
Toen katjang die enge verbandmiddelen zag, werd hij grauw, liet zich
sullig den revolver in den hand stoppen.
„Opgepast!” riep Bram.
Boy, handen in de zakken, sigaar groot dampend in den mond, hoed in de
oogen, stond roerloos bij zijn zandkuiltje. Wij getuigen kropen wèg
achter katjang; Henk, onvoorzichtig, zat een honderd pas terzijde van
de duelleerenden.
„Aanleggen,” gebood Bram.
Maar katjang maakte geen bewéging.
„Vooruit—aanleggen!” porde Bram hem op.
De arm ging slap omhoog.
„Vuur!” kommandeerde ik.
Pang! knalde het schot.
„Verrek!” riep Henk, handen voor de oogen, terwijl Boy, ongedeerd, nog
al maar rechtop stond te rooken.
„Verrek!” riep Henk weer, het zand uit de oogen wrijvend, dat Piets
kogel, vlak voor hem neerslaande, hem in het gezicht gejaagd had.
„Uilskuiken!” schold Bram tegen Piet—„kijk wáar je heenschiet!—ik heb
nog gezegd: niét luk raak schieten.”
De katjang antwoordde niets, zat suffig neer bij zijn zandkuiltje.
„Vooruit! vóortmaken!” schreeuwde ik, toen Henk met zijn roodgewreven,
tranende oogen weer wat kijken kon.
Bram laadde den Browning, wipte een kogel in den loop.
„Opstaan,” gebood hij den katjang, daar diens getuigen met het geval
geen raad meer schenen te weten.
„Ik kán niet,” kakenklepperde Piet, die Boy met den revolver in de hand
zág.
„Klets niet,” driftigde ik. „Hallo heeren—pak eens aan.” En met zijn
allen sjorden we katjang op, die klappertande en groote droppen
zweette.
„Klaar?” vroeg Bram.
„Allang;—als het nog lánger duurt loop ik een verkoudheid op,” beweerde
Boy, die de sigaar had weggeworpen.
„Aanleggen,” klonk Brams bevel, terwijl we ons allen achter Boy hadden
geschaard, Henk ditmaal ook.
„Hé—opdónderen!” brulde opeens Bram tegen den koetsier, die op het
schot was afgekomen. Deze bleef staan, onbesloten.—„Schiet óp!” gebood
Bram, „of we schieten op joú!”—En toen maakte de paardentemmer beenen
en verdween.
„Dus aanleggen!” riep Bram weer.
„Sta stil—lafbek!” loeide Boy tegen Piet, die slap, onvast, te
schommelen stond.
„Hij is zát,” fluisterde Henk.
„Vuur!” kwam Bram.
Pang!—katjang sloeg neer, achterover.
We waren even stil.—Geen van ons bedacht dat iemand, die pardoes
doodgeschoten wordt, vóorover valt en dat alles, wat men op dit ongure
gebied op tooneel en in bewegende lichtbeelden vertoond door achterover
vallende dooden, klinkklare larie is.—Maar we hadden nu eenmaal nooit
iemand heúsch zien doodschieten en dus dachten we dat het nu écht was.
Dan snelde Henk op het lijk toe.
„Die ligt,”—kwam Boy kalm, het moordtuig in den zak stekend. Maar op
ieders gezicht stond wanhopige verslagenheid te lezen. Ik voor mij
bedacht, dat maar het beste was naar Amerika uit te wijken.
Een schaterlach van Henk brak onze bepiekeringen vreemd af. De dokter
neergehurkt bij het lijk, verkneukelde zich. Met reden, want het lijk—o
schrikwekkende aanblik!—bewóog en begon in stuipbewegingen de maag te
ledigen.
De katjang was flauw gevallen!
Klappertandend, kokhalzend, bevend,—het zeewater, dat Henk hem
overmatig over het hoofd putste, opslurpend door zijn bibberende
mondhoeken en het dan weer met walggrijnzingen uitspuwend,—kwam hij óp
te zitten.
„Ellendige lafbek!” woedde Boy.
„Zullen we maar gáán?” opperde ik, gedachtig aan Loekie’s raad: liggen
laten en hard wegloopen.
Piets getuigen lieten het rijtuig komen. De paarden zwoegden lastig
door het zand.
„Gunst jonker,—wat is er met ú gebeurd?” verontrustte de koetsier zich.
Maar de „jonker” onthield zich van inlichtingen.
„Vooruit m’nheer—uw equipage staat vóor,” ginnegapte Henk, den
vadoek-achtigen Piet opsollend.
„Dat heeft een haar gescheeld,” zei Bram wijzend op een flardende
scheur in Piets schouderwatte.
„Als de lummel stil gestaan had, was die ráak geweest,” mopperde Boy.
En dan, katjang hardhandig bij de schouders heen en weer schuddend:
„En nou ga je naar Kitty en vertelt wie die anonieme vuiligheden
geschreven heeft, versta je?—en anders zal je méer van me merken. Een
tweeden keer kom je er zóo niet af.—Ik zal m’n handen niet meer aan je
vuil maken, maar als je me nog eens in den weg zit, stuur ik een
mannetje van de dienstverrichting en laat je voor een gulden plat
slaan.”
„Ja—ja,” jammerde Piet, kokhalzend.
„Begrepen?”—schudde Boy hem nog steeds—„vanmiddag ga je onmiddellijk en
je maakt je excuses.”
„Ik ... ik...” stotterde het slachtoffer.
„Nou já of já—éen van drieën,” stelde Boy de ruimste keuze.
„Ik ... ja ... ja—ik ... ik zal het niet méer doen,” kwam ontdane Piet
stumperig.
„O—zoo. En verschoon je eerst, dat heb je noodig. Want zóo zit je er
op,” treiterde Boy, doelend op katjangs ongewonen, wijdbeenschen gang,
die op onraad wees.
Het rijtuig zwoegde knarsend weg; we grepen onze fietsen en met Henk om
de beurt op onzen opstap, peesden we naar huis, waar, bij een warme
kachel en een cognacje, onze verkleuming vergetend, we het malle geval
beschaterden.
Aan Loekie bracht ik weer thee en de boterhammen met véel jam, waarin
ze zich verslikte toen ik haar katjangs figuur verhaalde.
Toen ze later beneden kwam, kreeg Boy twee klinkende zoenen op de
wangen, ter belooning.
„Daar wil ik elken dag wel voor duelleeren,” bekende Boy.
„Ik ook,” openbaarde Henk.
Maar Loekie ging op mijn schoot zitten:
„Dan déed ik het niet,” verklaarde ze grappig.
„Jammer,” vond Henk.
Dien avond kleedden we ons deftig aan,—Loekie ook,—en aten plechtig in
de „Twee Steden.”
We hadden veel bekijks en schenen raar te doen; maar ik herinner me
niet meer hoé.—Alleen weet ik, dat Boy eenige verwarring bij den
kellner stichtte, door een prentkaart voor vijf personen en eén
kleintje koffie te bestellen, en dat hij bij het heengaan zich
beklaagde, dat er geen bediende was om hem met zijn hoogen hoed te
helpen. Bram tolde met de wenteldeur rond en zag lang geen kans er uit
te komen.—Loekie verzocht aan den conducteur van Henks tram, om goed op
den jongeheer te letten en vooral te zorgen dat hij niet verkeerd
uitstapte en zijn pasje niet verloor.—Waarop Henk, zeer weinig terzake,
verklaarde dat hij zich èrg aaklig voelde, omdat hij nèt zoo’n gevoel
had alsof hij moest trouwen.
Verder ontbrak ook den andren den volgenden dag zonderling alle
heugenis.
Dat was misschien ook wel beter.
HOOFDSTUK XI.
HET EINDE NADERT.
Kitty had een langen lieven brief geschreven, waarin vele vervloekingen
vielen op katjangs katterig hoofd en elke nieuwe regel met een
herhaling van verontschuldiging begon. Ook schoonpapa had geschreven,
Boy verzoekend het „betreurenswaardige misverstand” te willen vergeten
en zijn bezoeken te hervatten.—Maar Boy wilde daarvan niets weten,
antwoordde, dat de verhouding toch nooit meer zou worden als ze geweest
was en voegde er bij, dat hij van zins was in het buitenland zijn geluk
te gaan speuren, waar hij hoe langer hoe meer begreep niet voor het
zoete, vlakke, emotielooze leven geschikt te zijn.
Dat begonnen we overigens alle drie wel te voelen. Boy was niet meer in
Delft te bekennen, maar bedreef veel liefde in Den Haag en bracht
telkens àndere vrouwelijke logés over den vloer.—Ook hèm was de
deeglijkheid opgebroken.
Met Bram was het heelemáal mis. Hij had uit zuivere nieuwsgierigheid de
magere Lena uit Flora opgezocht en fuifde heele nachten met haar door,
hing den volgenden dag landerig in een stoel, om ’s avonds weer te
beginnen.—En zoo wilde het ongelukkige toeval, dat hij op een avond,
meér dan aangeschoten, met magere Lena aan den arm, zijn papa van de
kleine steentjes liep.
Papa hád reeds verdenkingen op den levenswandel van zijn zoon. Reeds
eénmaal had Lena hen samen op straat vrijmoedig toegeknikt, waarop papa
ernstig had gevraagd:
„Zeg Bram, kèn jij die vrouw?”
„Neen pa—ù soms?” had zoontjelief toen gevat vermogen te antwoorden.
Maar papa, die zeker wist die vrouw niet te kennen, had argwaan
gekregen. Toen dus het tweetal—in kennelijken staat van
dronkenschap—hem van de kleine steentjes liep, had papa besloten er een
einde aan te maken.
Den volgenden dag kwam hij ten onzent, betrapte Loekie in den kimono en
stoof met een ongemakkelijk gezicht de zoogenaamde „studeerkamer” van
zijn zoon in.
„’t Is uit,” had pa gezegd.
„Best,” had Bram gevonden.
„Als je niet studeeren wilt moet je maar werken,” meende pa, een aan
Bram niet helder onderscheid tusschen studeeren en werken ontdekkend.
„Je kunt voortaan je eigen brood verdienen,” voorspelde pa.
„Mij wel—als het maar niet in Holland is,” stelde Bram zijn
voorwaarden.
„Ik wil je ook niet meer in Holland zien; je bent een schande voor de
familie—en je heele vriendenkliek er bij,” insinueerde papa, de
vriendinnen buiten bespreking latend. „En nu—hóeveel schulden heb je?”
sloeg pa spijkers met koppen.
„Weet ik niet,” kwam Bram, een la met rekeningen openend.
„Ongeveer,” drong papa aan.
„Een tweeduizend pop,” schatte zoontjelief.
Het was even stil.
„Tel alles op—en verkoop je boot, je fiets. En verder zal je wel van me
hooren,” voorspelde de verbolgen vader en ging.
Bram huppelde de eetkamer in, wreef zich in de handen:
„Goddank—geen examens meer, geen Holland meer, geen beeren
meer.—Lekker.”
Maar op Boy en op mij had het geval een diepere inwerking gehad. Dien
avond trokken we ons in onze kamers terug,—gingen de „balans” opmaken.
Ik kwam tot de ontdekking, dat ik het kleine erfdeel, waarvan ik mijn
staatsexamen-voorbereiding en daarop mijn rechtenstudie moest
bekostigen, voor het grootste deel er doór gelapt had.—Als ik zuinig
aanpakte, zònder Loekie, kon ik het nog anderhalf jaar stouwen; mèt
Loekie misschien nog zes maanden.—Vaarwel deftige meesterstitel!
Boy, die van een familiefonds èn een toelage van zijn moeder leefde,
kwam tot dezelfde slotsom. Als hij zijn schulden betaalde kon hij nog
een jaartje rònd komen.
We zweetten van onze ongewone boekhouderij, toen we elkaar het magere
resultaat bekenden.
„Ik ga er uit, naar het buitenland,” beweerde ik.
„Ik ook; ik ga vèr weg, naar Canada of naar Australië.” voorspelde Boy.
„En ikke?” vroeg Loekie.
Boy gevoelig, verdween.
„Beste Loekie, we kunnen niet bij elkaar blijven,” bekende ik week, het
kind op mijn schoot trekkend.
Ze begreep toen ik haar alles uitlegde.
„Na zes maanden zouden we tòch van elkaar afmoeten,—zou ik geen cent
meer hebben,” besloot ik.
Ze keek me aan:
„Ben ik er schuld aan dat het misgegaan is?” vroeg ze zachtjes.
„Welnee,” jokte ik, „welnee; alleen is het gemeen van me, dat ik je nu
weer alleen moet laten.”
„Zeg maar niet dat ik het niet ben,” kwam ze stil.—„Ik heb nooit om het
geld gedacht, en ik wist toch dat je niet rijk was.—’t Is heelemaal
mijn schuld.” En ze begon te huilen.
„Kom, kom—als het me lúkt in het buitenland, kom ik terug, trouwen we.
Als het niet lukt dan ... dan moeten we elkaar maar vergeten Loekie.”
„Arme jongen!” snikte ze, zichzelf niet tellend.
„Arme Loekie,” beklaagde ik haar.
„Heb je er spijt over,—over wat je voor mij hebt gedaan?” vroeg ze.
„Ik heb er spijt over dat ik je alléen moet laten,” kwam ik
somber.—„Jij hebt me je lach en je jeugd en jezelf gegeven,—daár zal ik
nooit spijt over hebben.”
„Ik ook niet,” glimlachte ze, de tranen afdrogend, en toen, vroolijk:
„Dat tijdje dat we nog sámen zijn, zullen we heel, heel lief voor
elkaar wezen en dan ... dan zullen we maar hopen tot weerziens.”
En dát was Loekies berusting. Deeglijke menschjes zullen dat alweer
niet begrijpen.
Brams papa had er geen gras over laten groeien. Veertien dagen later
kwam zoontjelief vertellen, dat hij bij een exporthuis van chineesche
thee en zijde in Nanking was geplaatst. Een verre, volgens hollandsche
begrippen, „mislukte” oom, geheimzinnig wezen in Brams familie, was er
directeur van.—Vijftig dollar maandelijks om mee te beginnen en vrij
wonen. Wát hij er uitvoeren moest—behalve thee en zijde voor de
firma—begreep Bram heelemaál niet, maar enfin—hij zou wel zien.
Vanaf dat oogenblik werd Bram, mede om zijn ex-kapiteinschap van de
Mallemolen, door Loekie „de waterchinees” genoemd.
Boy had besloten lukraak naar Canada te vertrekken met weinig geld en
er werk te zoeken. Als hij land en toestanden kende en een goede
onderneming voorzag, zou hij de rest van zijn fortuintje laten komen om
wat te kunnen beginnen.