Ik, die kunstzinnige neigingen had, wilde gaan leven temidden van een

volk wat even ondeeglijk, even luchthartig bij den dag levend, even

lichttillend was als ik zelve: in Spanje of in Italië. Derhalve bezocht

ik tallooze krantenredacties, werd tot vervelens toe met een mooi

praatje de deur gewezen, tot eindelijk een opkomend blad dom genoeg was

het met me te willen probeeren, en me veroorloofde van uit Rome,

tweemaal per maand een causerietje te sturen, wat men mij met

welwillende vrijgevigheid met een riks per stuk zou betalen. Vijf

gulden verdienste per maand, verminderd met kosten van papier en

postzegels,—het was een fortuintje.—Van geschreven contract was geen

sprake. Men zou het immers alleen maar met me probeeren!

Dies waren er in huis: een aanstaande strooweduwe, een waterchinees,

een cowboy, of kortweg Boy, en een pennelikker.—Zonderling mengelmoes.

Het was nu zaak zoo gauw mogelijk te vertrekken. Het huurcontract van

het bovenhuis was onze eenige verhindering, toen ook deze op ongezochte

wijze wegviel, doordat we er uit gezet werden.

Bram had namelijk (kleine oorzaken—groote gevolgen) het zeepbakje bij

het fonteintje willen verhangen, daar de kram telkens uit de

verbrokkelde kalk losliet.—Dus had Bram een langen spijker genomen en

hem pardoes in de muur gejaagd. Na ál het gehamer werd het toen stil.

Boy, die Bram net noodig had om een kist met boeken te versjouwen,

riep:

„Zeg help eens even, waterchinees.”

„Ja,” antwoorde Bram, maar bleéf buiten.

„Kom dan!” spoorde de cowboy aan.

„Dadelijk,” kermde de waterchinees.

Waarop Boy buiten kwam en Bram, met den duim tegen den muur gedrukt,

bij het fonteintje vond staan.

„Kom je nog?”

„Ja—dádelijk,” mompelde Bram, duim krampachtig tegen den muur.

„Wat heb je met dien duim?”

„Niks.”

„Kom dan, idioot.”

„Zoometeen,” beloofde Bram vaag.

„Zeg ben je zat of ben je gek geworden?” informeerde Boy en trok Bram

weg.—De duim raakte los en meteen spoot er uit den muur een driftige

straal water, pal in Boy’s gezicht.

Bram had de kram in de looden waterleiding gejaagd.

„Uilskuiken! Archi-waterchinees!” schold Boy en liep naar de keuken om

zich af te drogen.

Bram, moedeloos ging maar in de huiskamer zitten. Het water spoot

intusschen tegen den muur aan de overzijde, plaste spetterend neer in

de gang.—Dat duurde zoo een poosje en dan kwam Boy op het slimme

denkbeeld om de waterleiding af te draaien.

Maar het huis van den onderbuurman dreef en groote vochtplekken van

doorgesiepeld water sloegen weldra uit op zijn muren.—Het gevolg was,

dat de huisbaas, met machtiging van den wettigen huurder in het

buitenland, ons er uit zette.

En toen besloten we dan ook maar te gaan.—De schrijftafels, de

boekenkasten, de studeerlampen verdwenen weer, de beddelakens gingen

terug.—Janne kreeg een prachtig getuigschrift, waarop ik, als

pennelikker, een uur had zitten prutsen en werd overladen met fooien al

snotterend de deur uitgetroond.

Den laatsten nacht sliep Bram in het ouderlijk huis;—men moet nooit met

twist uit elkaar gaan. Boy maakte een afscheidsbezoek bij Kitty, die in

tranen baadde en sliep daarna óok in ’s moeders woning.

Loekie en ik,— alleen in het ongezellig geworden verlaten huis,—rustte

voor het laatst op een bed, wat van lakens en kussensloopen ontdaan

was.

Toen dien morgen de coupé voorkwam en mijn koffers er op geheschen

werden, zat de onderbuurman glimlachend in zijn spionnetje te

gluren.—Loekie stak de tong tegen hem uit.

„Dag huis,” zei ze zachtjes, toen het rijtuig wegreed. „O—ik kom nooit

meer in deze straat!”

Ons afscheid aan het station was kort. Ze trachtte zich goed te houden

en ik ook.

De trein reed weg. Lang nog zag ik haar rank, slank figuurtje op het

perron en haar zakdoekje dat wuifde,—wuifde.

Maar in Parijs voelden we ons allen dolgelukkig, in een dronkenschap

van vrijheid, in een bedwelmimg van toekomstdroomen, in een luchtig

vertrouwen op ons zelven; krachtig nu we ons bewust waren te gaan

léven, tegemoet te gaan aan de avonturen, die ons wachten en die ons

niet overwinnen zouden.—De wereld was groot en mooi, er waren àndere

landen, andere volken, die we niet kenden, er waren andere levens dan

het zoete plantenbestaan van werken en een titeltje halen en een

betrekkinkje krijgen en trouwen en in de vacantie een reisje in den

Harz of naar Zwitserland.

De wereld lag open, de wereld waarin we met onzen jongen moed en ons

gezond lichaam wel een plaatsje zouden krijgen, levend, héerlijk

levend, zònder de engheid van vooroordeelen en fatsoen, zonder de

pietluttige sleur van kleinen kleingeestigen zin, zonder bepiekeringen

van geld en toekomst. Want de toekomst zou zijn zooals ze kwam; ze zou

den eenen dag misschien ons rijk doen zijn, den andren dag arm. We

zouden misschien wel eens honger moeten lijden, mooglijk wel eens geen

bed vinden om op te slapen ’s nachts,—maar we zouden wèl onzen lach

behouden en onze hoop, we zouden zien en leeren het leven zooals het

was, buiten de broeikas waarin we tot nu toe waren getogen.

We zouden mànnen zijn waar àndren kindren bleven; domme, verwende,

ontevreden kinderen met nukjes en traantjes, omdat ze nimmer

ondervonden hadden hóe het leven hard kon zijn, omdat ze nimmer

begrepen hadden hoe een lach en een vroolijk woord zijn der menschen

hoogste goed.

We spraken het niet uit, terwijl we voortsnelden langs de wemelende

boulevards, waar in het lampenlicht rijtuigen en auto’s en menschen

dooreenkrioelden en hoog boven de huizen de avondhemel nog in wondere

tinten stond.

Als een koorts greep het ons toen aan:—de lust om te leven!

Het was de laatste avond van ons verblijf te Parijs.

Bij Wepler op de Place Clichy hadden we gegeten en er koppige Bordeaux

gedronken, die Boy eenigszins doezelig had gemaakt.

Het was dan ook volkomen verklaarbaar, dat we dien avond, zeér lacherig

uitgelaten, in den promenoir van de „Folies-Bergère” terecht raakten en

er achtereenvolgens door al de kuitentoonende mondaines werden

aangeklampt.

We poeierden ze af op velerlei wijze; Boy dacht aan Kitty, mij stond de

lieve beeltenis van Loekie onafwijsbaar voor de oogen. Echter had de

herinnering aan magere Lena geen zielversterkenden invloed op Bram.

„Dis, joli blond, tu m’offres bien quelque chose!”

Dat was warempel tegen mij!

Ze was waarlijk aardig, had een guitig gezicht en de tot de knie

gespleten rok liet een welgevormd been ontwaren.

„Pas le marron,” deed ik stug.

„Eh—vas donc, je serai gentille,” vleide ze.

„Non ma petite, ça ne colle pas ce soir,” hield ik vol.

„Et tes amis—c’est aussi purée que toi?” ondervroeg ze verder.

„Est-ce que je sais, moi?” ontweek ik weer.

Maar ze boog al naar Boy over:

„En voilà un coco!” schaterde ze schel, waar Boy half ingedut was.

„Je vous en prie, laissez-moi tranquille,” weerde hij boos haar

liefkoozing af.

„Quel mufle,” schold ze.

Maar Bram keek naar haar onthulde kuit.—Hij keek er zoó strak, zoó in

betoovring naar, dat het opvallen moest.

„Elle te plait—ma jambe?” vroeg ze, en ging naast hem zitten.

De garçon schoot toe, er werd besteld.

„Stomme bliksem,” mopperde Boy.

Bram werd zichtbaar ingepalmd. We raadden hem af, we bezworen hem te

denken aan zijn transsibérien, die den volgenden ochtend vertrok en dat

nu geen trein was dien men eens missen kon.

„Qu’est-ce qu’ils baffouillent?” vroeg de sirene.

„Rien—rien,” ontweek Bram vaag, die voor onze overtuigende betogen iets

te voelen begon, en alvast de vertering betaalde om weer van haar af te

komen.

En we dachten al dat hij het niet zou doen, toen zéer te onpas, zooals

ze dat overigens in elke parijsche revue plegen te doen, een twintigtal

dancing-girls het tooneel opwipten, zingend:

„Everybody is doing it, doing it, doing it!”

waaraan Bram een onverwachte uitlegging gaf en het óok deed.

De taxi-auto, waarin hij en de schoone gestegen waren, was weldra in de

rij der anderen uit het oog verloren.

„Stomme bliksem,” oordeelde Boy weer,—terwijl we langzaam naar

Montmartre opklommen, waar we natuurlijk in het „Bal Tabarin”

verzeilden.

Elke vreemdeling gaat nu eenmaal in Parijs bij voorkeur naar die

gelegenheden, waar nooit een parijzenaar komt.

Maar den volgenden morgen werd het een gekke geschiedenis toen Bram

wègbleef.

Boy was wanhopig:

„Zullen we zijn koffer maar alvast sluiten?” vroeg hij, terwijl we te

ontbijten zaten in het hòtel.

„Maar man, hij had immers een smoking aan,” wierp ik tegen.

En we wachten,—en Bram bleef zoek.

Tot we de koffers tóch sloten en, een briefje voor hem achterlatend, er

mee naar het station reden.

De trein stond klaar.

„Moeten we zijn koffers nu áangeven, ja of nee?” stelde Boy het

vraagstuk.

„We hebben nog twintig minuten,” verklaarde ik.

Ons overtrappelend van ongeduld, telden we de seconden, tot opeens,—een

kwartier voor tijd—Bram, in zijn smoking, echter zonder hoed en zonder

das, het perron opstoof.

Toen eindelijk alles in orde was en ik angstig vroeg of hij het

slachtoffer van een entôlage was geworden, kwam hij kalm:

„Nee—’k heb me verslapen.”

„En je hoed?” onderzocht Boy.

„Vergeten.”

„Heb je je biljet?” angstigde ik.

„Ja.—Jongens, wat héb ik lekker geslapen.”

„Maar m’n hemel, hoe verklee je je nu?” schaterde Boy.

„Weet ik het?—Kan me ook niet schelen. Jongens, ’t was een aardig

meiske—allemachtig aardig.”

Hij was nog heelemaal onder den indruk.

„Zoek een goed plaatsje—je moet er veertien dagen opzitten,” raadde ik.

„Dan kan het warm wezen als je in Peking aankomt,” meende Boy.

„Je zoudt er zelfs een heele broek op kunnen verslijten,” bepeinsde

Bram, uit den koffer een reispet scharrelend, die hevig vloekte bij den

smoking.

Zijn eenige medereiziger zat hem dan ook aan te staren als een

brilslang.

Toen werd er gefloten.

„Dag kerel—het beste.”—„Het ga je goed,”—en we drukten hem stevig de

hand.

„Schrijf eens uit Peking of je een blikken achterste hebt gehad!”

schreeuwde Boy nog, toen Bram al een eind ver was.

En dat was de laatste onzin, dien de waterchinees van Boy te hooren

kreeg.

We aten samen, spraken weinig.—Tegen drie uur bracht ik Boy naar het

station, waar hij naar Calais zou vertrekken.

„Als we ooit eens rijk worden, geven we elkaar in Parijs rendez-vous,”

zei Boy.

„Pas maar op dat jij geen rendez-vous speelt tusschen Calais en Dover,”

waarschuwde ik.

Toen vertrok de trein.

„Dag cowboy!” schudde ik hem stevig de hand.

„Dag beste kerel, we zullen elkaar niet vergeten,” zei hij ernstig.

„Nooit Boy,” beloofde ik.

„En nou—vooruit!”

„Ja—vooruit man!” en ik liet de hand los, in mijn meerennen met den

trein vallend over een zak, die op het perron lag.

„Laatste tableau!” riep Boy nog lachend, terwijl, met éen hand de

bezeerde knie wrijvend, ik met de andere te wuiven zat op den zak.

„En voilà des manières,” mopperde de eigenaar van mijn hinderpaal.

Ik hinkte weg, lachend ondanks mijzelf.

Om half tien vertrok de trein naar Milaan uit de Gare de Lyon.

Langzaam kropen de uren om en ik piekerde:

Zou ik teruggaan naar Loekie; in Holland een betrekking zoeken?—Het was

lám zoo alleen. Maar neen, dat was kinderachtig en láf, en zóo kwam je

er nooit. Je moest er uit, de wereld in, wilde je leven, wilde je iets

worden! Niet vastgroeien in een landje, in een kliekje! Er uit en

áanpakken!

En voor het laatst reed ik door de lichtende straten van Parijs, waar

het wemelende bewegen gonsde en dreunde tusschen de huizen.

De trein ging weg.—In de loopgang bleef ik kijken tot de laatste

lichten van Parijs verdwenen waren.

Mal, zooals we in drie verschillende richtingen Frankrijk uitsnelden,

ieder zijn eigen toekomst tegemoet.

De toekomst.—Hoe zou ze zijn?

Kom, niet piekeren.

En opeens dacht ik er aan hoe ik daar op den zak, kniewrijvend, had

zitten wuiven.

„Laatste tableau,” had Boy gezegd. Ja—het laatste van een heele reeks.

En ik glimlachte stil voor me uit; een overbuur keek me verwonderd aan.

„Zou Bram zich al verkleed hebben?—Zou hij al warm geloopen zijn?”

overwoog ik nog.

En toen—terwijl de trein met een 120 kilometers vaart over de stalen

staven snelde, en de wagen lichtelijk op en neer deinde—dutte ik maar

in; want in Parijs was weinig geslapen.

En nu zal niemand me kwalijk nemen, dat mijn verzinvermogen een grens

heeft, en dat ik dus aan deze malligheid een eind maak.

Hoe alles afliep vertelde ik al in het begin van dit boek.

Wat mezelf betreft: het gaat al iets beter. Ik heb een riem papier

kunnen bekostigen en een potje inkt, om dit te schrijven; te zamen wel

voor twintig Lire!

De uitgever zal de overzending van het lijvige handschrift vergoeden.

Zonder die belofte was ik er stellig niet aan begonnen.

AANTEEKENING

[1] Eens en vooral: ik noem géen namen. Het is al erg genoeg, dat ik

met dit boek m’n eigen wankelbare reputatie te grabbelen gooi.

Malle Gevallen · 第 8 / 8 段