„Waarom?” vroeg ik doodbedaard, want met een vrouw in je armen kun je
het tegen den commissaris van politie in eigen persoon opnemen.
„Hou je stíl!” barstte Toos los.
„Toos—hou je gemak wat,” verzocht ik bedarend.
„En ik zal het aan Kitty zeggen,” driftigde Toos.
„En dát zal je láten,” kwam Boy ingehouden woedend.
„’t Is geméen—geméen!” krijschte Toos.
„Waaróm?” trachtte ik nutteloos te redeneeren.
„Jullie zijn geméene, geméene jongens!”—beleedigde Toos nog, en toen
holde ze de kamer uit. Boy ging haar achterop; beneden in de huiskamer
hoorde ik den twist losbarsten.
„Kom Loekie—trek je er niks van aan,” troostte ik het meisje, wat tóch
al weinig aangetrokken had.
„Wat lam, wat lám voor Boy,” lamenteerde ze.
„Och wat,” kwam ik luchtig.
„O—wat lám,” zei Loekie nog en toen begon ze te snikken. Dat maakte me
week. Die ellendige Toos ook.—Beneden klonk de twist hoog op, in mijn
armen voelde ik het lenige lichaampje schokken in hortend gehuil. Er
moest een eind aan komen. En ik zoende Loekies tranennatte oogen, zette
haar neer op het witte berenvel en holde naar de huiskamer.
„Jij hebt niks, hoor je, niks aan Kitty te zeggen,” en Boy sloeg met de
vuist op tafel,—„dat zal ik zélf doen.”
„En haar vóorliegen,” keef Toos.
Toen pakte ik Toos hardhandig bij den arm, schudde haar driftig heen en
weer, bulderde:
„En wil je dan maar meegaan, naar boven, vragen aan haar, aan dat
meisje,—of ze het niet deed om Boy te plágen, te plágen en anders
niet?—Kom ga mée!”
„Laat me los!”—schreeuwde Toos,—„jullie liegen allemaal!”
„Wel verdomme,” vloekte Boy, wit van drift.
Toen kwam Janne binnen.
„Ai jesses nog aan toe,” verbaasde ze zich.
Maar Janne was een uitkomst.
„Voor wié komt juffrouw Loekie?” vroeg ik.
„Wel voor ú natuurlijk,” verklaarde Janne.
„Is er ooit iets tusschen m’nheer Boy en haar geweest?” ondervroeg ik
verder.
„Ai jesses nee,” verontwaardigde Janne zich, „wie denkt dát nou!”
„Zíj,” wees Boy op Toos.
„Nou—en das vást niet waar,—daar doen ik een eed op,—wie dat zeit die
liegt met permissie!” getuigde Janne.
„Nou hóor je het!” zei Boy.
„Is het héusch?” vroeg Toos.
„Hè, freule Toos—dat is nou écht onaardig om zoo iets gemeens te denken
van m’nheer Boy,” verweet de dienstbode.
De getuigenis van grijze, eerwaardige Janne wás niet te betwijfelen,
zelfs niet door Toos.
„Nou dan geloof ik het,” schuchterde ze.
„’t Wordt tijd,” meende Boy.
„En wat kwam je nou eigenlijk uitspoken?” informeerde ik nader.
Toos vertelde hoe ze Kitty had gezien en vernomen, dat Bram uit was. Ze
had naar ons verlangd, vond de straatdeur open, niemand in de
huiskamer, hoorde boven stemmen „en toen—nou toen vond ik jullie met
die ... die...”
„Met mijn vriendinnetje Loekie,” vulde ik aan.
„Van jou vind ik het schandelijk,” preekte ze.
„Gaat het jou wat aan?” treiterde ik.
„Ik doe hier geen stap meer in huis!” dreigde Toos.
„Dat is je geraden,” kwam ik valsch.
Toos ging.
„En jij laat voortaan de voordeur niet meer open!” raadde Boy aan
Janne.
In mijn studeerhol was Loekie zoek, op de slaapkamer vond ik ze
gekleed, klaar om heen te gaan.
„Wat zijn dát nou voor kuren?”
„Ik ga weg,” kwam ze zenuwachtig.
„Toe nou—je bent er pas.”
„En ik kom niet meer terug—ik bezorg jullie maar last,” vervolgde ze,
en haar lippen begonnen te beven, ze stond op huilen.
„Malle, lieve Loekie—je blijft, en je blijft hier den heelen middag,
den heelen avond, den heelen nacht.”
„Nee,—nee,” weerde ze mijn omhelzing af.
„Ik bén de baas,” kwam ik, dol gelukkig om haar gevoeligheid,—„en wil
je dien hoed wel eens afzetten, en den mantel uit, en de
handschoenen—en álles, álles Loekie!”—maande ik, haar in mijn armen
vertroetelend.
En ze liet zich den hoed afzetten, den mantel uittrekken en de
handschoenen; en ook de bloese en den rok en al haar wondere fijne
kanten en zijden verborgenheden, die ik met voorzichtige vingers haar
afnam, terwijl haar oogen weer lachten en haar handen woelden in mijn
haar.
HOOFDSTUK IX.
GEHEIMZINNIGHEDEN.
Kitty vond Bram en mij voortaan „schandelijke jongens,” maar bleef van
Boy’s voorbeeldigen levenswandel overtuigd.
Tot op een zekeren dag een naamlooze brief de jonge verloofde
waarschuwde voor haren aanstaanden wettigen echtgenoot; het velletje
was onderteekend door „een trouwen en gedevoueerden vriend.”
Den Haag doet steeds wanhopige pogingen om een wereldstad te gelijken,
geen wonder dat dus ook dáar men elkaar het leven verzuurt met het
grootsteedsche middel van anonieme brieven. Daar echter noch Kitty’s
familie, noch Boy tot de „côterie” behoorden, zaten ze met het
geheimzinnige schrijven in, evenals een kantoorklerk die een
prijsgekroonden jachthond ontvangt.—Na het eerste moesten andere
schrijfsels volgen, en Kitty werd stil.
Zoo kwam eens Boy met een epistel thuis. Er werd in verteld, dat hij
dien avond een afspraakje zou hebben bij de eerste sluis van het
ververschingskanaal.
„’t Is poëtisch,” meende Bram.
„Ik ga er naar toe,” besloot Boy.
„Wie denk je dat het is?” vroeg ik.
Bram, die druk Sherlock Holmes leest (je hebt dat meer met menschen die
in de letteren studeeren), zat het ding onder een loupe te begluren:
„Je zoudt zeggen, iemand met een koppig karakter;—kijk maar eens wat
een hoop rechte verticale en horizontale lijnen.”
„Stik met je koppig karakter,” kwam Boy botweg; „’t is de katjang, dat
is zoo klaar als een klontje.”
„Dáar had ik nog niet aan gedacht,” bekende Bram.
„En als ik hém vanavond vind,” ging Boy door,—„dan zal ik hem op z’n
dikken bek slaan, dat hij geen pa en geen ma meer kan zeggen.”
„Bega geen stommiteiten,” verzocht ik. „Bram en ik zullen gaan.”
En we gingen. Het was koud en motregende.
„Er zijn twee sluizen,” merkte Bram op.
„’t Is de eerste,” verklaarde ik.
„Dat ligt er aan van welken kant je begint te tellen,” filosofeerde
Bram treffend.
„Dan gaat er een naar de zee-, de andere naar de binnensluis,” loste ik
op.
Bij een lantaarnpaal wierpen we kruis of munt. Ik liep er in en
dierhalve vloekend naar de zeesluis. Waar ik me in den regen en den
wind, alle katjangs en naamlooze brieven naar de hel verwenschend, ’n
half uur lang te vertrappelen stond.
Thuisgekomen lag Bram al voor de kachel een pijp te rooken.
„En?” vroeg hij.
„Niks gezien. Jij?”
„Geen kip.”
Waarop Boy meende dat we kuikens waren.
Bram, die een speurdersgeest heeft, nam me den volgenden middag
terzijde.
„Nou gaan we katjang zoeken.”
„En den boel bederven.”
„Nee—laat mij maar begaan.”
„Nou vooruit maar,” gaf ik toe, bedenkend dat het geval moeilijk
verwarder kon worden.
Bram’s doel was de Bordelaise. Den Haag is zoo’n wereldstad, dat je in
de Bordelaise en in Centraal de geheele bitterbende vinden kunt. En
katjang zát in de Bor.
„Dag Piet,” zei Bram vriendelijk, „dat is leuk dat we je eens
ontmoeten.”
Piet vond het ook charmant en we gingen zitten, dronken een
„schilletje”.
„Zie je veel lui in den laatsten tijd?” vroeg Bram.
En de katjang sneed gretig op van al de donderjolen en de barre fuiven
die hij meegemaakt had, vertelde hoe hij verleden nacht vijfhonderd pop
op den Jockey-club had laten zitten bij een baccarat. Maar dat gaf
niets. Wat hem in den weg zat, dat was, dat die Lena, „je weet wel die
magere meid uit Flora?” hem niet los wou laten, terwijl hij toch zóo
genoeg van haar had.
„Ze is mal van je hé?” vroeg Bram.
„Stapel man,” snoefde Piet.
„Ja dat hoorde ik,” loog Bram.
„Zoo? Och ja, ze tóont het ook zoo,” kwam de katjang gevleid.
„Gelukkige kerel,” verlakte ik, Bram een duw met mijn knie gevend.
Maar Bram bleef ernstig.
„Je moet naamlijk weten Piet, dat deze hier,” en hij wees op mij, „óok
mal van haar is en graag eens aanpappen wou.”
Ik hield een staal gezicht bij deze aantichting.
„Och kom?” glimlachte katjang, „maar jij bent toch met een andere meid,
zoo’n modehip meen ik.”
Het liefst had ik katjang op zijn gezicht geslagen, wel niet zoo hard
dat hij geen pa en ma meer kon zeggen, maar toch ook niet zóo zachtjes
dat hij geen au riep. Maar ik hield me al weér goed, aangespoord door
knieduwingen van Bram, die mij met het tweede schilletje deden morsen.
„Och, dát is al voorbij,” bekende ik luchtig.
„Ja, nooit lang bij éen vrouw blijven, dat is zoo insipide,” vond
katjang. „Maar weet je, ik zeg het je om je te waarschuwen: Lena is een
dúre meid, ze kan een hoop geld aan.”
„Dat heb ik er voor óver,” blufte ik.
„Ze zou je kunnen ruïneeren,” voorspelde katjang patserig.
„Hem?” kwam Bram even patserig. „Hij heeft geld genoeg om tien Lena’s
te onderhouden.” Een bewering die te pijnlijk voor me was om te beamen.
„Goed ik zal je voorstellen, dan bewijzen we elkaar een dienst,” deed
katjang vriendelijk.
„Schrijf een aanbeveling,” raadde Bram, en ik begon lont te ruiken.
De kellner bracht de schrijfbehoeften en met een spatpen, een van die
pennen die je alleen in café’s en postkantoren aantreft, krabbelde hij
een aanbeveling voor de wonderlijk begeerde Lena. Zijn schrift beefde
een beetje doordat Bram me voortdurend aanstootte, maar het leek
desniettegenstaande volmaakt op dat der naamlooze brieven.
„Wie stoot er toch zoo?” vroeg de argelooze, ezelsdomme Piet.
„Ik;—m’n been sliep,” verklaarde Bram.
En toen gingen we vlug naar huis, waar we Boy op zijn kamer vonden,
handen in het haar.
„Scheelt er wat aan?” vroeg ik.
„’t Is uit!” kwam hij stil.
„Wát?” stamelde Bram.
„Pa meende, dat je geen koe bont noemde als er niet een vlekje aan
zat,—waarop ik geantwoord heb, dat je ook nooit wist hoe een koe een
haas ving, en dat ik er wel áchter zou kunnen komen wié die vodden
schreef...”
„’t Is de kátjang; we weten het nou,” riep Bram zegevierend.
„Waarachtig?—hóe weet je het?” sprong Boy op, met flikkerig-nijdige
oogen.
Bram gaf de aanbeveling voor Lena, legde het geval uit.
„Godverdomme—de ploert! Ik wórg den vent!” en Boy sloeg met de vuist op
tafel.
„Zie je—zoo is morgen de zaak weer gezond,” kalmeerde ik.
„Nee—dat is die niet,” en Boy ging slap weer zitten.
„Vooruit nou,” lachte Bram.
„Kitty...” aarzelde Boy—en toen opeens driftig:
„Ze gelooft het wel niet heelemaal, maar ze wantrouwt me. Dàt maakt me
kapot, dàt vreet me op. En daarom heb ik zèlf het ook maar uitgemaakt.”
„Je bent gek,” meende Bram bot.
„Hou je smoel—je weet niet wat je kletst,” stoof Boy op.
„’t Komt wel terecht,” suste ik.
„Dat komt het niet.”
„Zullen we er héen gaan, hun uitleggen van den brief?” trachtte Bram.
„Nee laát dat maar.”
„Laat nou geen misverstanden blijven bestaan,” kwam ik wereldwijs.
„Er is geen kwestie van misverstand. Kitty denkt dat ik lieg. Kitty
gelooft me niet, en daarmee is de zaak uit. Dus komt ’t niet meer in
orde.”
Bram en ik, die het argument voelden, hielden ons toen maar stil.
Dienzelfden avond had Boy alweer zijn alledaagschen trant herwonnen.
„Wanneer komt Loekie nu weer eens?” vroeg hij.
„Ze wou van avond komen, als je het niet vervelend vindt,” beweerde ik
met een doodgraversgezicht.
„Ben je màl?—integendeel.”
„M’nheer,” kwam Janne binnen, „juffrouw Loekie, die ondeugende meid, is
vanmiddag nog even hier geweest.”
„Ze komt straks wel,” voorspelde ik.
„Daar zèg ik het niet voor,” weerde Janne af, „ze is hier of ze
kòmt,—daar leit ’t niet aan,—maar ik wou dat u d’r is een beetje d’r
rare kunsten afleerde.”
„Wàt voor rare kunsten?” Ik vóelde mijn verantwoordelijkheid.
„Vanmiddag heit ze, uit baloorigheid, me een poets gebakken, zeker
omdat ù niet kwam,” klaagde Janne.
„Wàt dan toch,” kwam ik in spanning.
„Ze heit... Wacht ik kom zóo weerom,” en Janne verdween in de beste
kamer.
We keken elkaar aan, in wilde verbazing.
„Och meheer,” verzocht Janne van achter de deur, „kijk u toch eens even
naar de biefstuk.”
We kéken naar den biefstuk, kregen twist of hij al dan niet omgedraaid
moest worden, en toen Janne terúgkwam was hij natuurlijk aangebrand.
„Ai jesses nog an toe—ik kan het niet helpen heere.—Die verdomde judas
van een meid ook!”
„Allemachtig Janne, zou je nou eens willen vertellen?” maande Bram aan.
„Ben ik even weg uit de keuken en daar heit ze me stiekem wonderolie in
m’n thee gedaan,” helderde Janne op.
We gierden het uit.
„Jannepans—zeit ze toen—je thee wordt koud; wacht zal ik es effen
roeren? En toen roert ze en zet me de kop aan den mond en giet ’t er
zóo in.”
„Waarom heb je het gedronken?” schaterde ik.
„Och—ze heit zoo’n lieve manier van doen en toen ze me hielp drinken
vond ik het wel leuk.—En ik slokte ’t in éene op. Je kent aan dat kind
niks weigeren als ze wat wil.”
„Nee,” zei ik, die er van mée wist te praten.
„En toen ik het óp had,” vervolgde Janne, „zeg ik zoo:—wat een rare
smaak het die thee. En toen zij aan het lachen, op stuipen af, en toen
zeit ze me: „er zat wónderolie in”, en smeert ’m meteen.—Zoo’n
verduvelde meid.”
„Hoe is het gegáan?” vroeg Bram.
„Als gesmeerd vermoedelijk,” meende Boy.
„Dat ging het nét. Ik ben er met permissie geen kwartier van áf
geweest. De heere moeten me maar eens verekskuseeren, ik heb op het
eten...”
„Hoe zoo, heb je ook op het eten...?” huiverde Bram.
„Nee,”—kwam Janne beleedigd, „ik heb er niet op kunnen lètten. Hé—ai
jesses nog an toe—ik voel me zoo áaklig.—Wacht, ik kom zóo terug.” En
Janne holde weer weg.
Het eten was óf ongaar óf aangebrand; de bediening had groote gapingen.
„Een flauwe mop eigenlijk,” vond Bram, die een kieskeur is.
„Ik zal het haar afleeren,” beloofde ik.
Net ging de bel over.
„Och doet ú even open,” verzocht Janne van achter de deur.
Ik trok aan het touw.
„Dág,”—schalde Loekie’s stem, „waar is Jannepans?”
„Dat snap je wel,” trachtte ik ernstig te doen.
Loekie kwam binnen. Met haar grooten zwarten hoed, haar nauw om het
lenig lijf sluitend manteltje en dúrvend engen rok, zag ze er snoezig
uit.—Maar ik nam ál mijn ernst bijeen om haar een standje te maken.
„Geef je me niet eens een zoen?” vroeg ze.
„Eerst zal je excuus aan Janne vragen,” deed ik stug.
„Ze zei zélf dat ze verstopt was,” verdedigde Loekie zich pruilend.
„Je hebt óns het eten er mee bedorven,” nijdigde Bram.
„Die grappen láat je nu voortaan maar,” kwam ik nog met een laatste
greintje gemaakte boosheid. Loekie—goedig kind, dat geen ernst
verdragen kan, stond aan haar rok te plukken, oogen neergeslagen. Ze
was góddelijk zoo.
„Is het nou zóo erg?” pruilde ze zachtjes. „Ik heb wat lékkers
meegebracht voor Jannepans,”—en uit haar taschje haalde ze een zak
haagsche hopjes.
„Zoo rakker,” zei Janne, binnenkomend.
„O Jannepans, ik zal het nooit, nooit weer doen,” beloofde ze.
„Nee, éen keer is genoeg,” vond Boy.
„Toe—Jannepans,” smeekte Loekie, „hier is wat lekkers.”
„Ja dat ken ik nou tóch niet eten,” verklaarde ze bars.
„Hè, tóe nou,” hield Loekie aan. „Ben je bóos Jannepans?” en ze trok,
als een kind, de oude meid aan haar schort.
„Komkom—op joú kan niemand boos wezen,” lachte Janne weer. „’t Is al
weer over hoor.”—Ze bedoelde haar boosheid.
„En noú geef je me een zoen,” juichte Loekie, doodop van zooveel ernst
neerzijgend op mijn schoot.—Ik gaf haar een en toen nog een
heeleboel.—Janne ging heen, vermoedelijk niet naar de keuken.
Loekie trok mantel en handschoenen uit, zette den grooten hoed af en
ging goedig in de keuken vaten wasschen.
„Je blijft er af,” bedilde ze, toen Janne zich er mee bemoeien wou,
„jij bent ziek vanavond.”
„Zoo’n duvel,” glimlachte Janne, die zich nog steeds onledig hield met
zich te ledigen.
Daarna diende Loekie thee op.
„Zit er wéer wonderolie in?” informeerde Boy.
„Welnee. Toe, geef me een sigaret,” kwam Loekie, en ze drapeerde zich
met het tafelkleed, nam mijn filten hoed en danste niet
onverdienstelijk een spaanschen dans.
„Bonjour, bonjour,” riep ze, het tafelkleed op de sofa werpend en me
bij de hand naar mijn kamer meetrekkend.
„Ben je nog boos?” vroeg ze, de armen om mijn hals.
„Malle Loekie, ik ben nooit boos geweest,” lachte ik, al mijn
waardigheid vergetend.
„Mag ik blijven vannacht?” vleide ze.
„Natuurlijk.”
En ze rende weg naar mijn slaapkamer, kwam terug met losse haren, het
lichaam gehuld in de plooien van een wijden warmen blauwen kimono, de
voetjes in een paar persische muiltjes gestoken.
„Zoo voel ik me veel prettiger,” verklaarde ze leuk.
O, heerlijke ondeeglijkheid! Ze heeft me nooit berouwd toen ik er in
later jaren armoe door leed.
Den volgenden dag gingen Loekie, Boy en ik de stad in, want Loekie
moest een nieuwen hoed hebben, èn een heeleboel fijn-zijden kousen èn
een paar nieuwe lage lakschoentjes.
En zoo wilde het ongeluk, dat het vroolijk snappend kind ons de Passage
binnenlokte en dat Boy opeens den katjang voor de Bor ontwaarde.
„Zoo verdomde smeerlap,” zei Boy, suikerpiet bij den schouder pakkend.
„Wat moet je?” vroeg deze.
„Heb jij nog meer brieven aan Kitty te schrijven?” kwam Boy ingehouden
woedend.
„Laat me lòs,” riep de katjang, die vaal werd.
„Daar!” en pardoes gaf Boy hem een klinkende oorvijg, die onder het
glazen dak ná-echoën bleef.
„M’nheer, ben je bedonderd?” kwam de katjang beduusd.
Pats, sloeg hem een tweede oorvijg tegen de tafeltjes. De menschen
stoven op, we kregen bekijks.—En toen deed de katjang, die te laf was
om een klap terug te wagen, iets waardigs om zijn figuur te redden.
„M’nheer, m’n kaartje, m’n kaartje,” schreeuwde hij, grabbelend naar
zijn portefeuille, en het karton met breed gebaar overreikend aan Boy,
die ingehouden kalm afwachtte, besloten tot alles.
„Hier, m’n kaartje, m’nheer,” stotterde de katjang weer.
„Och ventje, toen ik zoo oud was als jij, hàd ik zulke mooie kaartjes
niet eens,” kwam Boy snijdend.
„Op de sabel m’nheer, op de sabel,” snoof zenuwachtig katjang.
„Breng ’m goed scherp mee, dat ik er me mee scheren kan,” geestigde
Boy.
De Bor-bezoekers zaten te schateren. Loekie, die eerst stil geweest
was, riep gierend:
„Ik lach me dóod!”
Waarop Boy ernstig zei:
„Sst! Loekie, pas op met dien m’nheer, hij stéekt je straks nog dood.”
„Een duel, m’nheer, een duel!” schreeuwde de katjang, die zich wanhopig
belachelijk voelde.
„Jongen, schreéuw zoo niet, we wéten het,” suste Boy, en dan: „Kassian,
soeda dan maar, drroom err nou maar niet van, já?”
Nooit is er in de Bor harder gelachen, vooral toen Boy, heengaand,
Piets hoed afmepte, zeggend:
„En je hóed af als je met groote menschen spreekt.”
„Dag kàtjang!” schalde Loekies stem nog.
„Dat lucht op,” vond Boy, zich door het gedrang wringend. „En waár gaan
we nu Loekies kousen koopen?”
Loekie verklaarde dat ze wel een winkel wist.
Bram werd door ons drieën verrast.
„Ik heb een duel,” verkondigde Boy.
„Vernachel jij je tante,” raadde Bram.
„Heusch!” schaterde ik.
„Met den ouwe van beneden?” veronderstelde Bram.
„Nee met kàtjang!” juichte Loekie en trok toen haar nieuwe
lakschoentjes uit, grabbelde het pak kousen uit mijn jaszak, trok het
oude paar uit en een nieuw paar—paarse—aan.
„Geef die oude maar aan Jannepans,” verzocht ze, niet bedenkend wat
Janne met opengewerkte zijden kousen wel zou moeten beginnen.
„Allemachtig mooie beenen heeft Loekie,” vond Bram, wien het duel geen
snars kon scheelen.
„Kijk vóor je,” maande Loekie, die niet de minste moeite deed haar
mooie beenen, en meér nog, te verbergen.
HOOFDSTUK X.
HET DUEL.
Den daarop volgenden dag lag ik nog, onbewust van alle narigheden der
wereld, in Loekie’s armen, toen Boy klopte.
„Wat is er?” gaapte ik.
„Kom beneden.”
„Wat is er dan?” en ik ontdeed me voorzichtig van de omhelzing, dekte
het slapende kind tot aan haar grappig neusje toe en liet Boy binnen.
Hij keek even naar Loekie, fluisterde verteederd:
„Allemachtig wat is ze zóo lief.”
„Ja maar, wat is er nu?”
„De getuigen van katjang,” ginnegapte Boy, en ik nam een handdoek, die
sterk naar Loekies parfum rook, voor den mond om het niet uit te
schateren.
„Verdomd, de getuigen,—óok van die apenootvreters,” bevestigde hij.
„Wacht—ik kóm,” en ik scharrelde mijn pyama op.
„Ja, maar je moet getuigen wezen met Bram.”
„Best,” vond ik, en zoende Loekie, die slaapdronken mijn naam lispelde
en dan maar weer doormafte. Beneden werd ik aan de katjangs
voorgesteld. Ze droegen gekleede jassen die vloekten bij mijn pyama.
Bram zat er ook, zijn lachkramp-verwrongen gezicht verstopt achter een
krant.
„Ook goeien morgen,” wenschte ik, waarop Bram, onbenullig:
„Ja—heel goed,” antwoordde.
„We komen als getuigen,” verklaarde een der bezoekers.
„Och kom?”
„Ja, u begrijpt,—de beleediging van gisteren...”
„Haha!” schaterde Bram van achter zijn krant; en dan, om zich te
verontschuldigen: „Ik lees daar zoo’n malle advertentie.”
„Als u even die krant zou willen wegleggen?” verzocht katjang-twee.
„Nee—’k hoor wel, ’k hoor wel,” grinnekte Bram.
„Dan wilden we wel even met u de condities van de ontmoeting
vaststellen. Den beleedigde—want m’nheer Piet is in deze de
beleedigde...”
„Dat zit nog,” merkte Boy op, die tegen alle regels van den côde
chevaleresque aan de getuigenvereeniging deelnam.
„Láat maar zitten,” wenkte ik af, vreezend voor Bram, die met een
hoogrood congestiehoofd op springen zat.
„Den beleedigde is dus de keuze van het wapen overgelaten,” vervolgde
weer de eerste getuige.
„Hij wenscht de sabel,” vulde de andere aan.
„Dat hoorde ik gisteren,” onderbrak Boy weer, en ditmaal knalde Brams
lach achter de krant los.
„Zeker wéer een malle advertentie?” ried ik.
„Ja—die krant is oer-grappig,” beweerde Boy.
„Om je dóod te lachen,” gierde Bram.
„We spreken nu over het duel;—als u over de krant begint kunnen we wel
uitscheiden,” merkte katjang-een geraakt op.
„Zullen we dát dan maar doen?” vroeg Bram, die het niet meer uithouden
kon.
„Wát?” vroeg getuige-twee.
„Uitscheiden,” stamelde Bram.
„Nee—dóorgaan,” vond ik.
„Ja ’t is veel te grappig,” meende Boy lichtvaardig.
„Dus de sabel,” hernam Piets eerste getuige.
„Nee—géen sabel,” kwam Bram.
„Nee, dat is te gevaarlijk, daar krijg je ongelukken mee,” gaf ik toe.
„Je steekt er iemand een oog mee uit éer je het weet,” voorspelde Bram,
die blijkbaar niet wist dat je met een sabel niet sták.
„Of je hakt iemand een gat in den kop,” vervolgde ik.
„Of je snijdt je er mee in den rug,” vulde Bram aan.
„Nee—géén sabel,” hield ik gemoedelijk vol.
„Dat vonden wij ook,” beweerden de katjangs.
„Schíeten,” stelde ik voor, denkend aan Boys kattendooderij.
„Dat is weer gevaarlijker voor de getúigen,” angstigde Bram.
„Die kunnen zich verdekt opstellen,” opperde ik.
„Ja, maar dan niet op een weiland,—als je een koe raakt kun je ’m
betalen,” voorzag Bram.
„We dachten—aan het strand,” kwam Piets eerste getuige.
„’s Morgens vroeg, aan de overzij van het ververschingskanaal,” kwam de
tweede.
„Op de pistool,” bevestigde Bram.
„Waar krijgen we die vandaan?” vroeg ik, en dat vraagstuk gaf even een
stilte.
„Die kóóp je,” meende een der getuigen.
„Ben je mal?” kwam Boy ongepast, „nog een hoop geld uitgeven voor zoo’n
malleboel?”
„Revolver,” stelde Bram voor, „kaliber vrij.”
„Best,” vonden de katjangs.
„Op twintig pas,” mengde Boy zich weer in het gesprek.
„Dat is gevaarlijk,” vonden de bezoekers.
„Anders is er geen aardigheid aan,” beweerde Bram, die het niet te dóen
hoefde, met de veeleischendheid van een toeschouwer.
„Tegelijk schieten?” vroeg ik.
„De beleedigde eerst, dachten we,” stelden de katjangs hun voorwaarde.
„Dat zijn geen gelijke kansen,” verontwaardigde zich Bram.
„Hij schiet tóch mis,” voorzag Boy.
„Dus Piet eerst, dán Boy,” herstelde ik.
„Ja maar—hoor eens—éen ding:” kwam Bram, „mikken en niet in ’t wildeweg
schieten, want dan krijg je beslist ongelukken.”
„Ik zàl mikken!” beloofde Boy onheilspellend.
„En wanneér dus?” vroeg Bram.
„Morgenvroeg, bij zonsopgang,” bepaalde getuige-twee.
„Dat is?”
„Half zeven.”
„Godverderrie—ik kom nooit uit m’n bed,” wanhoopte Boy.
We stelden in duplo de voorwaarden vast, onderteekenden alle vier.
„Welken dokter nemen we?” vroeg Boy.
„Och dat is niet noodig,” meende ik.
„Dat zou ik zoo hard niet zeggen,” matigde hij.
„Best—ik scharrel een clubgenoot, een medisch candidaat, in Leiden op,”
beloofde Bram.
We namen afscheid. Getuige-één troonde me terzijde:
„Is uw vriend een goed schutter?”
„En òf!” en ik vertelde de katervelling.
Piets getuige werd stil.
„Een vèrdragende revolver?” vroeg hij nog.
„Middelkaliber Browning, op honderd meter nog zuiver,” joeg ik hem met
leedvermaak den doodsschrik op het lijf.
„We hadden gedacht dat uw vriend de beleediging zou intrekken,”
verklapte de ander.
„Welnee ’t is veel te leuk; ’t is weer eens een verzetje,” vond ik.
En toen gingen ze heen, vergetend te groeten.