sloeg hij voorover, greep zich aan het tafelkleed vast en trok dit met
theegerij en koekjes over zich heen.
„Au au!” schreeuwde Bram, die de warme thee in zijn nek had gekregen.
„Au—au!” schreeuwde Toos, die krampen kreeg.
Toen kwam Janne binnen:
„Ai jesses nog an toe,” bromde ze, „u lijkt met permisse wel dol.”
Bram werd van zijn schaatsen ontdaan, stond met moeite op.
„Je moet het ook op een baán doen,” vergoeilijkte hij zijn figuur.
„Dat idee had je eérder kunnen hebben,” vond Boy.
„Je hebt me mijn mooien theepot gebroken, met je capriolen,” mópperde
ik.
„Je krijgt een nieuwe,”—beloofde Bram, nog heelemaal ontdaan. In later
jaren, in Nangking, zou hij er om denken.
Het duurde een poosje eer de orde weer hersteld was en Janne de
theevlekken uit vloer- en tafelkleed had gewasschen. Toos en Non
dronken met snikkende bewegingen en bibberende lippen koud water. Bram
had bulten op het hoofd en liet zich door Janne brandzalf in den nek
smeeren.
„Ja,”—vond Boy, „het is een ráre sport. Als je leért rollen, rol je
direct en als je kúnt rollen, rol je niet meer.—Enfin—ik heb me met
recht een rolberoerte gelachen.”—En toen Bram binnenkwam: „Je zult je
nou wel als rolpens voelen,”—welke aardigheid deze echter maar hálf
vond.
Maar dien avond werd Bram weer door de rolziekte bezeten; ditmaal had
de vertooning op het trottoir plaats: Boy en ik lagen van uit den erker
toe te kijken.
„Als je nou weer op gáng bent—dan fluit je wel even,” verzocht Boy.
Maar Bram deed ernstig. Een lantaarnpaal was het punt van vertrek; met
een duwtje kon hij juist hobbelen tot de huisdeuren van onze buren. Net
was hij er bij een aangeland, toen de meid er uit kwam. Bram stoof
tegen haar op, sloeg de armen om haar heen, om het evenwicht te
bewaren, en gaf haar dan maar, in éen moeite door, een zoen.
„Enge bliksem!”—giechelde de meid en liet de melkkan vallen.—„Gossie!”
klaagde ze dan. Maar Bram moest daarvan niets hebben en stoof met een
duwtje weg, ditmaal in een raamkozijn van onzen onderbuur gerakend. Een
spionnetje, waarin de benedenbewoner onze deur bespiedde, viel te
pletter.
„Gossie!” jammerde de meid weer, die nooit zooveel teisteringen in
zoo’n kort oogenblik had zien geschieden.
„Pas op!” waarschuwde ik Bram, die de beenen ver vooruit gestoken, op
éen elleboog in het kozijn leunde en zijn loopstokken weer in te
trekken trachtte.
„Pas op voor den ouwe van beneden,” siste ik weer.
Dat werkte op Bram, tot wien het nu pas doordrong dat hij des
onderbuurs loerspiegeltjes vernielde. En hij slaagde er in zijn beenen
bij te trekken, nam weer een afzetje en stoof ditmaal tegen den ouwen
van beneden zélf op, die brieschend in zijn deur verschenen was.
„M’nheer!” bulderde de buurman, toen Bram hem liefdevol de armen om den
hals sloeg, maar minder liefdevol hem een van die schoppen tegen de
schenen uitdeelde, waar ik van meespreken kon.
„M’nheer!—laat me lòs, m’nheer!” loeide de ouwe heer, toen Brams beenen
ter afwisseling achteruit gleden en de omhelsde onder het gewicht
boóg,—„laat me lós m’nheer!”
„Ik kán niet!” jammerde Bram en trok beurtelings eén der beenen bij,
waardoor het andere weer uitschoot.
„Laat me lós!” krijschte de spionnengluurder.
„Dadelijk,” beloofde Bram, die evengoed had kunnen verzekeren; morgen
zal het regenen. Het hield den grijsaard omhelsd, trapte vónken uit de
kleine steentjes.
„Nou ben je op gang, moet je fluiten,” beweerde Boy van uit den erker.
„Laat me lós!” schreeuwde de geplaagde weer.
„Trek me op!” verzocht Bram, en toen viel de onderbuur voorover omdat
Bram, loslatend, met het hoofd hem tusschen de beenen was geschoten. In
volmaakte evenredigheid lagen ze op elkaar.
Boy en ik kwamen te hulp, trokken het heertje op, sjorden den vonken
trappenden Bram naar binnen.
„Wilt u morgen de rekening van het spionnetje zenden?” verzocht Boy,
het heertje afkloppend.
„En m’n melkkan?” mengde de meid zich in het gesprek.
„Die betalen we ook,” kwam ik grootmoedig.
„’t Is schande, schánde!” beweerde de spiegeltjes-loerder,—„nooit—nooit
is me zoó iets overkomen.”
„Dat zijn dingen die gebeuren je ook geen tweémaal in je
leven,”—troostte Boy en deed de huisdeur dicht.
Binnen op de trap zat Bram.
„Er mankeert een rol aan m’n rechterschaats,” piekerde hij.
„Goddank,” zei ik opgelucht.
„Laat ’m vooreerst maar niet maken,” verzocht Boy.
„Hebben jullie m’n hoed soms gezien?” vroeg Bram.
„En je hebt ’m op je kop—ezel,” wees Boy terecht.
„Ben je gek?—dat is de mijne niet,”—verklaarde Bram,—„anders had ik er
immers niet om gevraagd.”
Meteen werd er gebeld,—driftig.
„M’n hoed!” schreeuwde het heertje achter de ruitjes der deur.
Boy deed open.
„M’n hoed!” eischte de eigenaar weer.
„Nou—maak zoo’n drukkie niet,—ik zal ’m niet houden,—hij staat mij nog
veel gekker dan u!” meende Bram en gáf den hoed. Boy had dien van Bram
inmiddels plat gedeukt bij de lantaarn gevonden.
„’t Is schánde!” verklaarde onderbuur en wreef driftig het hoofddeksel.
„Dat wéten we—zeg nu eens wat ánders,” kribbigde ik.
„U mag dien dop wel uitstoomen,” raadde Bram, „ik heb verleden van die
kat—u weet wel—een beetje schurft opgeloopen, niet zoo héel
erg.”—Waarop de getergde de deur dichtsloeg.
Boven aan de trap was Janne.
„Kunt u het haakje weer even op de deur zetten?—Ik durf er zoo niet
meer op.”
Bram, na ál die uitputtingen ging naar bed. Boven kwam Boy nog wat
praten.
„’t Is morgen Woensdag—je moet koffiedrinken bij je schoonouders.”
„God—zou het mórgen al beginnen?” kwam hij angstig.
„Vermoedelijk wel.”
„Och lieve hemel,—ik ging net zoo lief twee dagen college loopen,” vond
hij somber.
Den volgenden dag, terwijl Boy nog blijkbaar in de naweeën van het
koffiedrinken ten huize van Kitty verwijlde, kwam de blozende meid het
geld voor haar melkkan eischen.
„’t Is tachtig cente,” onthulde ze aan Bram, die haar op de trap
tegemoet kwam.
„Hier—neem dien gulden voor den schrik,” zei deze en zoende haar meteen
op beide wangen.
„Gossie,”—zei de meid grinnekend.
Maar Toos, die door de opengelaten huisdeur binnengekomen was, zei heel
wat anders:
„Nare lamme jongen!” schold ze, en ging heen, de deur achter zich dicht
bonzend.
Bram keek beteuterd.
„Gossie,”—zei de meid weer, die iets van een drama begrepen had.
„Verrek met je gossie!” kwam Bram bars.
„Ai jesses nog an toe, die arme freule Toos!” verontwaardigde Janne
zich, die Bram niet meer goed zetten kon ná het rolschaatsengeval.
„Ga haar achterop,” raadde ik.
„Toe—doe jij het,” verzocht Bram.
En zoo holde ik Toos achterna.
„Toos—ben je boos?” rijmde ik, hijgend met haar meestappend, want ze
kón rennen.
„Jullie zijn lamme jongens!” en aan haar stem kon ik merken dat ze
haast huilde.
„Toos—het was een flauwe grap,” vergoeilijkte ik.
„Ik hoúd niet van dié grappen—en schiet nu maar op!” nijdigde ze.
Ik trachtte het geval uit te leggen; ze wilde er niet naar luisteren.
„Ik kom nóóit meer bij jullie!” en ze begon te huilen.
„Toe nou Toos,”—hield ik aan.
„Asjeblieft ga wég!” smeekte ze. En ik ging, boos op mezelf en op Bram.
„Dat heb je nou van je malligheden,” voer ik driftig tegen den zondaar
uit.
„Och—het is maar beter zoó,” beweerde deze, „ik had er tóch al genoeg
van.”
„En ik vind het mislijk!” stoof ik op, denkend aan de huilende Toos.
„Je bent gek. Dacht je dat ik me liet lijmen zooals Boy? Er zijn
aardige meisjes genoeg in den Haag,”—kwam de meisjesgek.
„Begin er dan niet mee, ga zoo vér niet,” deed ik weer ijselijk
deeglijk.
„Ik ben niet begonnen maar zij,”—trok Bram zich terug.
Katterig van zooveel cynisme, ging ik maar naar mijn kamer.—Eerst Kitty
niet meer, nou Toos. Het was lam.
Dien middag werd weinig aan tafel gesproken.
Boy had óok het land, maakte plannen om met Kitty er van dóor te gaan,
want nog een páar van die ontvangsten in Kitty’s familie en hij zou
zenuwziek zijn.
„Waarover hebben jullie het gehad?” vroeg Bram.
„Waaróver?—Eerst over het weer, toen met den ouwe over de Amerikaansche
steal-crisis, toen met mama over het roosteren van brood, toen—in het
algemeen—over dienstboden. Toen ik vertelde dat Janne me bij m’n boord
hielp, vonden ze dat „ráár”. Daarna over het boenen van parketvloeren
en toen vroeg de ouwe hem uit te leggen wat een integraal was, net of
ik dat warempel zélf wist.—Enfin de koffie werd opgeheven bij een
discussie over het gevaar dat geëmailleerde pannen opleveren.—O—ik hou
het nooit uit.”
„Lieten ze je toen alléen met Kitty?”—vroeg ik.
„Ja—in de huiskamer, waar de meid afdekte, terwijl ma vóor, in het
salon, borduurde. Na een uurtje moesten we met haar boodschappen gaan
doen.”
„’t Is lollig,” vond Bram, opgelucht, dat het met Toos uit was.
„Lollig?” stoof Boy op, „Weet je wát het is?—een voorbereiding om
getemd te worden, om te verschimmelen. Soms, als ik er aan denk, voel
ik me of ik al duf begin te worden,—of ik begin uit te slaan.”
„Nee—je slaat dóor,” vond ik.
Maar het begón er raar uit te zien.
HOOFDSTUK VIII.
NOG MÉER ONDEEGLIJKHEDEN.
Mijn schuld was het feitelijk niet. Zoolang Kitty, Toos en Non geregeld
kwamen, had ik me deeglijk gehouden; nu ze wég bleven, Non uit
meegevoel voor Toos en ook omdat ze het alleén niet gezellig vond,—nu
er dus in ons huis geen ander vrouwelijk wezen zich liet bekennen dan
ouwe Janne, kwam mijn lang verkropte ondeeglijkheid weer boven.
Loekie heette ze en was modiste. Op de rolschaatsenbaan in den
Dierentuin, waarop ik me met Brams rollers gewaagd had, nadat hij
toegegeven had, dat die sport hem niet meer toeleek, had ik haar rank,
jolig figuurtje opgemerkt, hadden we eens tegen elkaar geglimlacht,
sámen gereden, sámen pret gemaakt en nu was Loekie mijne „amante
preferita.”—Dat lijkt ijselijk, dat schijnt een monster van
ondeeglijkheid en dat ik er zoo rond voor uitkom, kan mij de
vervloekingen van menigen deeglijken spionnetjeskijker op den hals
halen. Maar het wás nu eenmaal zoo. Een Italiaansch liedje zegt in het
refrein:
Ma voce e bellezza
e giovinezza
non torna più;
el il tempo che passò
senza l’amore
non tornerà!
en hoewel ik in die dagen dat liedje nog niet kende, en hoewel ik me
nooit veel heb laten voorstaan op mijn stem en nog minder op mijn
uiterlijk schoon, besefte ik ook toenmaals, dat een mensch maar éen
jeugd heeft, dat men met siekeneurig geblok en bijbehoorende sombere
levensopvattingen zijn jeugd versuft, in plaats van met een jolig,
lévend lichaam er door heen te maaien.
Men vergeve me deze ontboezeming.
Ze heette dus Loekie en ze kwam vaak. Dan schaterde haar jolige lach
door het huis, dan griste ze de paperassen onder onze neuzen weg, dan
zat ze op een hoek van de schrijftafel, de beenen in keurige zijden
kousen hoog opgetrokken, onbekommerd hun slankheid toonend, en rookte
sigaretten, snapte honderd uit.—Ze had zwart haar en grijze oogen en
vochtige roode lippen, die haar mooie tanden altoos onthulden.—Enfin
... ik was er mal van.
Boy, bij dit alles,—hield zich deeglijk, maar beweerde dat, sedert de
ontvangsten bij Kitty’s ouders, zijn haar schrikbarend was gaan
uitvallen. Bram had eenigen tijd het „hof” aan „Gossie” gemaakt, doch
was er niet mee opgeschoten; in den laatsten tijd was hij veelal ’s
avonds zoek, had afspraakjes, kreeg raar gekrabbelde briefjes; maar het
rechte wisten we er niet van.
Op een morgen van een kouden Januaridag lag ik nog zalig te maffen,
want het was nog vroeg, zoo omstreeks half twaalf, toen Boy
binnenstuiven kwam.
„Zeg—de ouwelui van Kitty, met den heelen romslomp, komen
koffiedrinken.”
„Ben je mal?” verbaasde ik me, want tot nu toe was nooit iets van die
ontvangst ten onzen huize gekomen en ik dacht thans het gevaar voor
altoos geweken.
„Ze kómen!” jammerde Boy.
„Geef orders aan Janne,” raadde ik.
„Maar ’t is jouw week,” gaf hij terug.
„Stik,” vervloekte ik naar m’n sokken grijpend.
Het wás mijn week; dat wilde zeggen, dat ik de huishouding met Janne te
regelen had. Toen we er ons alle drie tegelijk mee bemoeid hadden, was
het een schrikbarende verwarring geworden, diende Janne den éenen dag
drie vleeschen en vier groenten op en zaten we den anderen dag voor
bijna leege schotels elkaar verwijten te doen.
Ik ontbood Janne. Boy legde uit dat Kitty, behalve een wettigen pa en
een dito mama, er twee broers én een zuster met echtgenoot op nahield.
Als Bram kwam waren we dus tien personen.
„Ai jesses nog an toe,” mopperde Janne, „late die menschen dat dan
éerder zeggen.”—Haar hoofd liep om.
„De bedde benne nog niet eens gemaakt,” klaagde ze.
„Nou de sláapkamers komen ze niet kijken,” meende Boy.
„En in m’n keuken is het een beestenboel,” hield Janne vol.
„Niemand komt in jouw keuken,” brabbelde ik, met een tandenborstel in
den mond.
„En de kamers benne óok niet gedaan,” vervolgde de meid haar
jammerklacht.
„Godverdikkie,” vloekte ik en verslikte me haast in den tandenborstel.
„Wat heb jij?” vroeg Boy.—„Zie je ze vliegen?”
„Loekie komt vanmiddag,” verklaarde ik.
Boy keek me strak aan, zeeg toen op m’n bed neer en kraakte er een paar
manchetten.
„Dat ontbrak er nog maar aan,” meende hij.
„Tien menschen over de vloer,” jammerde Janne.
Maar ik pakte haar driftig bij den arm, nijdig in zenuwachtigen angst:
„Janne,” zei ik,—„ga nou als den drommel den boel in orde brengen, haal
sardientjes en ham, en wat sla en jam en kaas...”
„En melk,” viel Boy in de rede,—„de ouwe heer drinkt mélk aan de
koffie.”
„Goed—en melk. Enfin, je weet wel,” duidde ik vaag aan, want een
koffietafel improviseeren is geen malligheid.—Janne wilde al gaan.
„Ho,”—stopte ik haar. „Luister nou goed—je krijgt een flinke fooi, hoor
je, als je doet wat ik zeg.”
„Zeg u het maar,” kwam Janne gemagnetiseerd.
„Als juffrouw Loekie komt, stuur je ze hier in mijn slaápkamer, snap
je? en geeft haar een briefje dat ik schrijven zal. Als ze lawaai mocht
maken bij het binnenkomen, dan zeg je hardop—zoó dat ze het binnen
kunnen hooren—dat er niks geen vuile wasch is vandaag.”
„De ouwe lui zullen denken dat we ons nooit verschoonen,” bepiekerde
Boy zijn reputatie.
„Klets niet,” kwam ik bars—„dus begrepen? hárdop en tegelijkertijd geef
je dan maar teekens dat ze zich stil houdt.”
Janne had begrepen,—holde weg om inkoopen te doen. Boy dekte, peinsde
over de plaatsenverdeeling.
„Ga liever koffie malen,” riep ik nog en rende óok weg, kocht taartjes,
genoeg om iemand een driedaagsche verstopping te bezorgen, en wat
bloemen.
„Taartjes,—die haalt Janne al,” verklaarde Boy koffiemalend toen ik
terug kwam,—„maar het is goed dat je om bloemen gedacht hebt.”
„Taartjes èn bloemen zijn voor Loekie,” benam ik hem alle illusie en
ging mijn slaapkamer opruimen, bracht er de bloemen èn de taartjes, nog
wat sigaretten en een halfdozijn Sherlock-Holmes-verhaaltjes, pende den
brief aan Loekie, waarin ik het geval uitlegde, haar smeekte ter wille
van Boy zich eens eén keer kalm te houden en niet te schrikken als ik
haar van buiten opsloot, opdat geen snuffelneus eens in mijn slaapkamer
mocht belanden.
Van al dat gehaast en geren zweetten we alle drie als
karrepaarden.—Maar we waren klaar toen tegen eén uur de familie zich
aanmeldde. Nadat de voorstelling was afgeloopen en mevrouw had beweerd:
„Wat een werk hebben de jongelui van ons gemaakt!”—viel er een
diepzinnige stilte in en om wat te beweren flapte ik er uit:
„Wel Kitty, dat is al een heelen tijd dat je niet meer hier...” toen
hield ik op, want Kitty kneep me valsch in den arm. Dat was het eerste
figuur.
„Is Bram er niet?” praatte ze er pal overheen.
„Daar moeten we niet op wachten,” beweerde Boy—„met zijn colleges weet
je nooit hoe laat hij komt.”
En na die reclame zetten we ons aan tafel.—Mama’s laatste zweem van
wantrouwen tegenover die meid, die Boy hielp aan zijn boord, verdween,
toen Janne eerwaardig binnenstapte.
„Dag meisje,” knikte mama vriendelijk tegen het „meisje,” dat allicht
eenige winters meér bezat.
Maar Janne had haar innemendsten glimlach, en redde mijn figuur door
tegen Kitty te zeggen:
„Nou ziet de freule het huis oók eens van binnen, en hoeft ze niet meer
voor de deur te wachten met de fiets.”—Ik had Janne om den hals kunnen
vallen en bedacht dat een riks fooi, voor ál haar moeite èn haar
listighedens tegen Loekie, wel te weinig wezen zou.
De sardines gingen al rond en Kitty’s eene broer had juist beweerd dat
hij meér van oesters hield, wat ik een ongepaste toespeling op ons
sober maal vond, terwijl ik geheel geen verband tusschen oesters en
sardines zag, toen in de stilte, die deze onhandigheid volgde, iedereen
met veel geraas de huisdeur hoorde opengaan en de stem van Bram, die
riep:
„Zoo oolijkert—kom je weer eens aan?”
„Dag Jannepans!” schalde Loekies stem in de gang.
„Je moet mórgen voor de wasch terugkomen!” bulderde Janne vlak voor de
deur van de huiskamer.
„Zeg—ben je nou heelemaál?” vroeg Bram,—„die beroerling!”
„Haha!” schaterde Boy luidruchtig, „Bram denkt, dat Janne het tegen hém
heeft!”—en Kitty lachte mee, wat eenig rumoer gaf.
Ik had kippenvel, luisterde langs de binnen-kamer-geluiden heén, naar
wat buiten gebeurde.—Daar was het even stil, toen kwam Bram, die toch
bij slot van rekening oók wel eens slim kon zijn:
„Ja kom maar liever mórgen voor de wasch!”—en de huisdeur sloeg dicht.
„Die Bram, die zich met de wasch bemoeit!” schaterde Kitty en mevrouw
vond het aárdig zooals we daar samen leefden.—Bram liep met veel geraas
over de gang, bengde met de deur van zijn slaapkamer, en daar tusschen
door hoorde ik de treden van de trap kraken, boven een deur voorzichtig
open en dicht piepen; en wist dat Loekie aangeland was. Daarop werd ik
ongepast luidruchtig en begroette Bram met een hoeraatje.
Hij werd voorgesteld, toonde zicht verrast, sprak over colleges en van
Sanskrit, waar hij eindelijk licht in ontdekte.—Het gesprek kreeg een
deeglijk karakter en niemand vermoedde dat boven ... Loekie...; als ze
zich maar stilhield.
Na tafel wilde de familie het huis eens gaan kijken.
„Ik geloof dat boven nog een raam openstaat,” bedacht ik schijnheilig
en rende de trap op, draaide mijn slaapkamer op slot.
„Drie dagen cachot,” ginnegapte Loekie van binnen met een vollen mond,
terwijl ik den sleutel in den zak stak.
„Sst!” deed ik angstig.
Toen kwam de stoet boven, toog Boy’s kamer in; mama bleef paf voor de
schrijftafel met de dictaten-uitstalling. De indruk bleéf degelijk.—Dan
kwam alles in mijn kamer, die mevrouw oók heel lief vond en waar de
naakte faun, dien ik vergeten had weg te stoppen, gelukkig geen
aanstoot gaf.—Het was een opluchting toen de heele zwerm weer naar
beneden zakte en in de inmiddels door Janne opgeruimde huiskamer
neerstreek.
Het gesprek verflauwde; Boy en ik, die vanwege Loekie in transen
verkeerden, deden suffig en verstrooid; Bram, die naar een afspraakje
moest, keek telkens op zijn horloge. Op ’t laatst hield hij het niet
meer uit, loog onbevangen:
„U zult me niet kwalijk nemen—het spijt me vreeselijk—maar ik heb
afgesproken met een studiegenoot om vanmiddag te repeteeren,”—gaf
handjes en ging.
„U zult oók wel aan uw werk moeten,” meende mevrouw, die niet vermoedde
welk aangename bezigheid me wachtte. En de zwerm vloog op. Pa dook in
de keuken, gaf Janne haar fooi.
„Oef!” zuchtte Boy, toen de deur dicht viel.
Maar ik rende naar boven, sloot de slaapkamerdeur open. Het rook er
bedwelmend van bloemen en sigarettengeur. Loekie lag in mijn
bed;—alleen haar leuke snoetje, met de wilde zwarte krullen, en haar
blanke schoudertjes, met de twee breede roode linten van haar fijne
hempje, waren zichtbaar.
„Ik ben er maar ingekropen,” verklaarde ze, toen onze eerste omhelzing
voorbij was,—„het was hier zoo koud,”—en ze dook grappig weg onder de
dekens, bleef met éen oog naar me kijken.
„Goddank dat je je koest gehouden hebt,” loofde ik.
„Stop de dekens wat in m’n rug,” verzocht ze.
Dan snapte ze honderd uit over het malle geval van Jannepans, die haar
verteld had morgen voor de wasch terug te komen, over de stikbui die ze
kreeg, toen ze het geval gesnapt had, hoe ze toen maar met de taartjes
en de sigaretten in bed gekropen was.
„Is het wárm op je kamer?” vroeg ze dan.
„Hoezoo, Loekie?”
„Dan gaan we dáar zitten, lekker bij de kachel.”
„Kleedt je je niet liever wat aan?” vroeg ik bezorgd.
„Jasses nee—ik blijf veel liever zóo,” deed ze leuk, en ik bekende dat
ik ze óok veel liever zóo zag.
Mijn kamer was weldra op broeikaswarmte. Toen stak Loekie voorzichtig
éen slank, bruinzijden kousebeen van onder de dekens uit en dan het
andere, sloeg de armen om mijn hals en liet zich op een drafje in mijn
kamer dragen, waar ze neerhurkte op het witte berenvel voor de kachel.
Zooals ze daar zat met haar grappig snuitje, haar slanke bloote armen,
de lijnen van haar lenig lichaam te raden onder het kanten hemd, de
roodzijden linten over de schoudertjes, de breede purperen kousebanden
hoog op de soepele dijen, de zenuwachtige beenen gekruisd,—zóo leek ze
een wonder plaatje; zóo was mijn kamer opeens als een paleis, als een
sprookjeswoning, voelde ik me rijk en gelukkig en vol dolle, dartele
lichtheid.—Degelijke menschjes zullen dat niet bevatten; siekeneurige
bleekneuzen en duitensparende principekluivers zullen het schandelijk
vinden; zenuwzieke, aan „weltschmerz” lijdende joggies, die hun jeugd
in maagdelijkheid verleppen en zwaar dazen over kunst en letteren, die
over de „essence der schoonheid” leuteren en suikerbrood-idealen
kristalliseeren, zullen het als plat en laag bij den grond
veroordeelen.
Ik niet.
„Lees je nog wat vóor?” vroeg Loekie.
Ik ging zitten in een leunstoel. Aan mijn voeten op het witte berenvel,
leunend tegen mijn been, een arm om mijn knieën geslagen en het
lokkenkopje er op neergevleid, luisterde ze aandachtig naar de
ijselijkheden van den Jachthond der Baskervilles.—Dat vond ze prachtig.
Juist als Sherlock Holmes en Watson den boef bij een kaarsje op de
vlakte ontdekken en Loekie van spanning me in de kuit kneep, kwam Boy
binnen.
„Dag,”—groette Loekie en stak haar handje uit, niet de minste schaamte
toonend over haar lichte allerliefste kleedij,—„dag ouwe, staat je neus
nog altijd offside?”
„Ellendige plaag,” vond Boy, die nu eenmaal geen opmerkingen kon
verdragen over de lichtelijk onhaaksche inplanting van zijn
ruikinrichting.
„Lees nou doór,” verzocht Loekie.—Maar toen ze wist wie de boef bij het
kaarsje op de vlakte wás en dus díe spanning alweer overleefd was,
sprong ze op met een kattig-vlug gebaar en trok Boy aan zijn neus, waar
deze—nog heelemaal overstuur door het koffie-bezoek—in de sofa te
suffen zat.
„Au—schei uit!” schreeuwde hij.
„Suffert!” schold Loekie—„wacht ik zál je krijgen,” en ze ging pardoes
op zijn schoot zitten.
Welke gevoelens Boy bezielden, toen hij zoo dichtbij den geur van haar
jonge lichaam door den offside neus ontwaarde, weet ik niet; zeker is
het dat hij zich oerdeeglijk hield en commandeerde:
„Koescht—ga terug naar je baas—vooruit!”
Maar Loekie wou Boy treiteren (het is beslist merkwaardig hoe men in
waardeering verschillen kan) en nam zijn hoofd in de handen, verwarde
speelsch de keurige scheiding.
Boy verweerde zich, Loekie schaterde, ik stond glimlachend het geval
aan te zien... En toen stond opeens Toos midden in de kamer.
Toos is een van die menschen, die altoos op het ongeschiktste oogenblik
van zich laten merken; van dát soort, dat juist zal aankomen als je een
standje met een kwitantie op de stoep hebt; dat juist een deur zal
opentrekken als de daarachter-zittende vergeten heeft het haakje er op
te doen.—Kwam ze ook niet net toen Bram de gossie-meid omhelsde?
Dus Toos stond in de kamer, terwijl Loekie, zich schamend over haar
kleeding tegenover een meisje, kleurend naar de schrijftafel terugtrok
en met zenuwachtige bewegingen de afgezakte roodzijden schouderbanden
weer terecht bracht.—Boy was opgesprongen, stond er betoeterd bij, zei
toen hakkelend:
„Dag Toos,”—waarop Toos geen antwoord gaf, wat op zijn minst genomen
onhartelijk mocht heeten.—Loekie, van den eersten schrik bekomen, zocht
haar toevlucht bij mij, verborg haar blozend hoofdje aan mijn borst,
terwijl ik beschermend de armen om haar schoudertjes legde. Toos mocht
ze eens áanvliegen.
Maar het geval was zóo stapelmal, had ongewild zóo iets van een „op
heeterdaad betrapt”-tooneeltje, dat ik opeens in een schaterlach
loskwam.
Dat deed alle gespannen springveeren in Toos haar wezen losspringen: