sublimaat, een doosje jodeformpoeier en een potje jodiumzalf en begon
zich zelf én het nachtkastje én de spiegelkast te ontsmetten. Dan
draaide hij de matras om (lakens bezaten we nog niet), want je wist
nooit of het kreng dáár ook niet opgezeten had. Ten laatste raapte hij
met een weemoedigen zucht de scherven van het kortstondig vaatwerk op,
dat bij den schrik hem ontvallen was.
Toen we, na ál die ervaringen, naar bed gingen, dreef er door het huis
een rare geur van katers, karbol, jodeform en kruitdamp.
Den volgenden dag kwam onze verhuisboel.
Ieder jongmensch komt meestal ná zijn schooltijd in het volmaakt
overtollige bezit van een schrijftafel, een studeerlamp en een
boekenkast. Deftige groene gordijnen dienen dan veelal om de
armoedigheid der boekerijen te bedekken.
Het was met dit huisraad, met nog wat platen en snuisterijen, met een
stel lakens, slopen en handdoeken, door de mama’s van Boy en Bram
welwillend afgestaan, dat we het bovenhuis zouden volmaken.
’s Morgens vroeg al werd er gebeld. Het was de schipper uit Leiden, die
Brams boeltje bracht: studeerlamp, schrijftafel, boekenkast, kist met
boeken en wasch. Tegen twaalf uur kwamen dezelfde spullen voor Boy en
mij.
Bram zag er erbarmelijk uit met de groote krabbel dwars over het
voorhoofd. Nijdig had hij op een doosdeksel met zwarte inktletters
geschilderd: Katten worden geweerd, en dit tusschen het ruitje en het
traliehekje van de huisdeur geplaatst.
Was het wonder dat onze woning weldra in de buurt als „’t Gekkenhuis”
bekend stond?
„Nou éen ding,”—beweerde ik na het koffiedrinken, waaraan evenwel alle
koffie ontbroken had—„laten we afspreken dat van avond alles klaar is.”
En we togen, ieder in onze eigen kamers, aan het werk. Juist was ik
bezig de planken van mijn boekenkast te bezetten en zong Boy, in de
kamer daarnaast, hartverscheurend van:
„You can always tell when a coon is in love”.
toen er gebeld werd.
„Dat zijn de lakens,” voorspelde ik.
„Doe eens even open Bram!” riep Boy.
Maar Bram bleek uithuizig en Boy ging, trok aan het touw,—en meteen was
het huis vol gesnater.
„Dag Boy!” juichte Kitty.
„Waar is Bram?” vroeg Toos.
„Wat een leuke pan,” meende Non.
Wanhopig over de stoornis rende ik naar beneden, vroeg bars:
„Hebben jullie niet gezien wat er op de deur staat?”
„We komen helpen,” verklaarde Toos.
„Leuke pan—een huis inrichten,” vond Non.
Terwijl ik net stond te bepleiten, dat het heel veel leuker zou zijn
als ze het huis klaár zagen, en terwijl Boy nuffig zijn handen waschte
en met Kitty smoesde, ging de huisdeur weer open, stond Bram opeens
midden in de groep. Hij kleurde, gaf handjes, hield de linker
krampachtig op den rug. Maar dat hielp niet.
„O—gunst!—aijakkes!” gillachte Kitty.
... Bram had weer een nachtvaatwerk gekocht; liet het maar oppervlakkig
inpakken.
De meisjes waren niet tot bedaren te brengen. Bram vond het pijnlijk en
ging stiekem met het ding naar boven, iets mompelend van:
„Den Reinen ist alles rein.”
„Hoe komt hij zoo geschramd?” onderzocht Toos medelijdend.
Boy vertelde het kattenkwaad. Kitty keek vol bewondering naar Boy, toen
ik de schietgeschiedenis verhaalde, die hij bescheidenlijk wegliet.
„En nou vooruit—marsch!” beval ik.
„We komen hélpen,”—pruilde Kitty.
Er werd gebeld: het linnengoed kwam.
„Dán gaan jullie de bedden opmaken,”—gebood ik, onverbiddelijk.
Kitty wou Boy’s leger doen; Toos dat van armen gekrabbelden Bram, die
zich in zijn kamer had afgezonderd ná het figuur; Non zou het mijne
onderhanden nemen.
„Zijn al die boeken van jou?” vroeg ze, na een poosje mijn kamer
binnenkomend.
„Ja—maar niet snuffelen hoor. Ben je al klaár met m’n bed?”
„Kom maar kijken.”
„Ik geloóf het wel. Heb je om water in de karaf en in de kan gedacht?”
„Ja”—zei ze—en toen: „Is het waár dat jij oók boeken schrijft?”
„Ben je nu mal? Wie heeft je dien onzin verteld?”
„Ik hoorde het. Dus niet?”
„Wel nee—hoe kóm je er bij?”
„Dat is jammer. Echt leuk—een schrijver te kennen.”
„Non,”—zei ik vaderlijk—„je bent een kuiken.—Kijk, daar zit de theeboel
in; pak die nu uit, wasch ze af,—dan gaan we straks in de huiskamer
theedrinken.”
„Ja,” zei ze, maar bleéf treuzelen.
„Non—wat héb je?” vroeg ik.
„Niks,” ontweek ze.
„Je hebt wél wat,” hield ik vol en kwakte nijdig een grieksch
woordenboek in de kast.
„Ik wou je wat vragen,” kwam ze schuchter.
„Hemel nog toe—jullie komen me allemaál wat vragen!” beklaagde ik me.
„Wie dan meer?”
„Kitty—verleden.”
„Kitty is met Boy, nietwaar?”
„Ja, dat hoór je,” antwoordde ik, hoewel het in Boy’s en Bram’s kamer
verdacht stil was.
„Je weet best wat ik bedoel,” gaf ze boos terug.
Ik zat er mee in: was ze op Boy of op mij verliefd?
„Weet je wat je bent?” sneed ik botweg af.—„Je bent een nieuwsgierig
Aagje.”
„Ik wou het wéten,” hield ze vol.
„Vraag het aan hún,” raadde ik,—steeds in het onzekere, „ik weet
niets.”
„Toe nou,” smeekte ze.
„Non—je bent vervelend.”
„En jij bent onhébbelijk,” nijdigde ze.
„Maak nou geen ruzie Non, maar zet thee,”—overreedde ik.
„Zég het dan!” stampvoette ze.
„Vertel jij andermans geheimen?”
„Nee.”
„Nou ik oók niet,” kwam ik halsstarrig.
„Dus ze zijn wél geëngageerd,” redeneerde ze.
„Al zanik je tot morgenochtend, ik zeg je niets,” beweerde ik,
beginselvast.
„Je bent een naarling,” zei ze, glimlachend,—„maar ik vind je tóch wel
leuk.”
„Och kom,” twijfelde ik, lont meenende te ruiken.
„Schrijf je heusch geen boeken?” kwam ze weer vertrouwlijk.
„Vertik jij het heúsch thee te gaan zetten?”
En ze ging. „Waarde heer,”—zei ik tot mezelven,—„waarde heer, dat
begint er raar voor je uit te zien.”
En ik hurkte neer op de ladder, liet de touwen van het op te hangen
schilderij glippen en piekerde: Zou ze op Boy verliefd zijn? Nee—want
dan had ze niet iets blij’s over zich gekregen toen zij zijn verloving
vermoedde. Zou ze het voor een ánder vragen? Maar voor wie? voor
propneus of bleekneus? Dat was te mal. Dus voor haarzelven. Dat was
lam, lastig... En toen verloor ik mijn evenwicht en plofte van de
ladder.
Non—bezorgd door het lawaai, dat Kitty en Boy en Toos en Bram blijkbaar
volkomen onverschillig liet, kwam kijken.
„Heb je je pijn gedaan?” vroeg ze.
„Nee,” jokte ik, mijn elleboog wrijvend, die met de tafel aanraking had
gevonden.
„De thee is bijna klaar,” kondigde Non aan,—en wilde weer heengaan.
„Non!”—riep ik, besloten tot paardenmiddelen.
„Non kwám, aarzelend.
„Non,”—begon ik—„nu wil ik weten waarom je me zooeven uithoorde.”
Non trok punten aan haar zakdoek.
„Waarom wou jij dat weten van Boy en Kitty?” ondervroeg ik.
„Zoo maar—uit nieuwsgierigheid,”—zei ze, onbevangen.
„Ben jij soms op ... è—... op Boy?”
Ze glimlachte, keek me oprecht aan:
„Welnee,” verklaarde ze.
„Waarom begón je er dan over?” hield ik aan.—„Zoó belangrijk was het
toch niet om er ruzie over te maken?”
„Ik wou weten of jij ook een zwak voor Kitty hadt,” verklaarde ze
schuchter.
Ik meende afgunst te ontwaren, keek meelijdend. Maar Non zag me
vorschend aan, begreep mijn gedachten en begon te glimlachen.
„Ik zal het je maar vertellen,” zei ze.
„’t Wordt tijd,” meende ik, waar ik er geen touw meer aan vast knoopen
kon.
„Ik dacht ... nou dat jij op mij verliefd was.”
„En verder?” kwam ik in spanning.
„Nou—dat had ik lam gevonden,” besliste ze nuchter.
Ik schaterde het opeens uit; zij—hartelijk—lachte mee.
„Malle Non!” riep ik—„en ik die dacht dat jij... O ’t is om je een
kriek te lachen!”
„Dacht jij dat ik...?” riep ze verontwaardigd.
„Ja,”—hikte ik.
„Wat een pedante vlegel ben jij,” verbaasde ze zich, zelfbewust.
„En nu zijn en blijven we goede vrienden—hè Non?” veronderstelde ik.
„Top,”—zei ze, en toen, zuchtend: „Héhé—ik ben maar blij dat het zóo
afgeloopen is,—ik zat er zoo mee in.”
Ik hing het schilderij op; de kamer was klaar.
Beneden in de zitkamer stond de thee te pruttelen, maar geen der
anderen was te bekennen. Dies bonsde ik op Brams deur.
„Wat moet je?” vroeg hij.
„De thee is klaar,” meldde Non.
„Hè, is het al zoo laat?” vroeg Bram, wiens gedachten wat verward
schenen.
„Toos is het bed klaar?” vroeg ik.
„Nee,” zei ze kleurend.
„Ajo—marsch dan—eerder krijg je geen thee.”
„Jakkes Bram—wat ben je lui,” vond Non, „wat is het nog een rommel
hier.”
„Alleen m’n boeken nog maar,” verdedigde zich Bram.
Ook Boy werd opgeschrikt:
„Zeg—kun je niet kloppen?” Hij zat hand in hand met Kitty op de
schrijftafel, terwijl er toch stoelen te over waren.
„Kitty het bed,” vermaande ik nuchter.
„Gunst ja,” deed ze verbaasd.
Eindelijk—tegen vijf uur, was het huis klaar, hadden we ons netjes
gewasschen en zaten in de huiskamer thee te drinken, voor de eerste
maal.
Buiten regende het.
„Jammer dat de winter al begint,” vond Non,—„nu kunnen we niet meer
tennissen.”
„Komen jullie maar dagelijks oploopen—dan kun je de meid nog eens
helpen,” raadde Bram.
„Hebben jullie er al een?” vroeg Kitty.
„Nee—morgen krijgen we een zichtzending,” verkondigde Boy.
„Leuk—een meid huren,” meende Non.
„Mogen we er bij zijn als jullie kiezen?” vroeg Toos. Maar dat
weigerden we.
Den volgenden ochtend, om tien uur, begón de zichtzending. Boy, Bram en
ik, met onze gunstigste gezichten, hoewel Bram er met zijn
kattekrabbels raár uitzag,—zaten om de tafel, deftig, ernstig. De
eerste was een Marie, blonde, brutale meid.
„Gunst is het bij drie stredenten?—Nee dan ga ik maar heene,”—en ze
ging.
De tweede was een Jans, oók blond, maar schuchter.
„Ik heb nooit bij heéren alleen gediend,”—bekende ze maagdelijk—„altoos
bij families met kinderen,”—en ze ging.
Er kwamen ánderen, die zich állen bij ons als in een kooi met wilde
beesten schenen te voelen en heéngingen. Het was om wanhopig te worden.
Juist hadden we er bijna eén in de val gelokt,—Jans heette ze, toen Boy
uit verstrooidheid zijn revolver uit den zak haalde en er mee te spelen
begon. Met een gil vloog Jans de deur uit, minstens meenend in een
moordenaarshol verzeild te zijn geraakt, zooals je dat in de „Wilsons”
las. Zoo waren er al een dozijn bij ons over den drempel geweest, toen
zich Janne aanmeldde. Op haar zilveren haren droeg ze een wiebelend mal
kapothoedje; over de schouders een zonderlingen mantel met zwarte
loovertjes. Maar ze had goedig-slimme grauwe oogen in haar oud
rimpelgezicht en een vriendelijke glimlach speelde om haar bloedlooze
lippen.
„Ik heb altoos in Delft bij studenten gediend,” vertelde ze, „en ze
mochten Janne graag—al zeg ik het zelf. Ik ben nog wel eens bij
families geweest, maar ik ben liever bij jong volk. Als u mijn den boel
maar bestiere laat, dan zal u eens zien hoe fijn het gaat.”
Janne maakte een gunstigen indruk.
„Tien gulden in de maand en vrije wasch,” stelde Bram voor met een
kennis van zaken die me verwonderde.
„Best,”—zei Janne—„dat gaf m’nheer Bierkes ook. Kent u die niet?—die
studeert in Delft.”
Boy bekende m’nheer Bierkes niet te kennen.
„Is het niet te zwaar voor je, Janne—zoo heél alleen voor drie heeren
te zorgen—koken, kamers doen, vaten wasschen?” vroeg Bram nog.
„Welnee—maak u zich maar geen zorgen. Janne kan meer dan ’n jónge
meid,”—verklaarde ze.
„Goed.—Kun je vandaág al in dienst komen?” vroeg Boy.
„Zouden de heeren niet eerst m’n getuigschriften willen zien?” kwam ze
eerlijk.
„Welnee,” vonden we.
„Krijg ik dan m’n goospenning?” vroeg ze.
„What does she want?” vroeg Boy.
„To get her fee,”—legde Bram uit,—en stopte haar meteen twee riksen in
de hand.
En zoo trok Janne naar zolder, betuigde zich tevreden over de beide
dienstbodenkamers, die ze ter beschikking kreeg, en viel dan meteen op
de onopgemaakte bedden aan.
Toen tegen vier uur de meisjes kwamen en Kitty schuchter aan de
indrukwekkende grijze „dame” vroeg:
„Kunt u me ook zeggen of de heeren thuis zijn?” verbaasde Janne zich
niet in het minst.
„Gaat u binnen freules,” zei ze glimlachend—„de heeren zullen wel naar
u verlangd hebben.”
Want Janne was een slimmert.
„Wat een spook,” vond Kitty, stuipjeslachend.
„Ik schrok me dood toen ik ze zag,” verklaarde Non.
„Non eén ding,” besloot Boy, „geen kwaad woord over Janne en geen malle
opmerkingen achter haar rug. Ze is wát aardig.”
Want Janne had vriendelijk hem zijn boord helpen aandoen.
„De heeren hebben wát een lieve vriendinnetjes,” vond Janne dien avond,
toen ze ons lekker eten opdiende.—„Ik voel me wel twintig jaar jonger
nou ik weer bij jong volk ben.”
„Leve Janne!” riep Boy onstuimig.
Maar na het eten, toen we haar wilden helpen met vaten wasschen, werden
we de keuken uitgesmeten.
„Dat kan ik alleén wel af,” beweerde Janne.
„Wat een bof—zoó’n meid”, kwam Bram, vol bewondering,—en ging toen in
zijn kamer, waar hij vol geweld een kram in de muur joeg.
Een oogenblik later werd er gebeld. Boy en ik, op de bovenverdieping,
luisterden. Janne riep Bram, die aan de trap bleef staan, een
ouweheerenstem klonk van onderen:
„Ik heb niks willen zeggen al die dagen, maar noú moet dat gehamer en
die herrie maar eens uit wezen.”
„U hebt het maar te zeggen,” vond Bram.
„Is dát een schandaal maken!” kwam weer de ouwe heer—„en dan waarachtig
in een nette buurt die jonge vrouwen over de vloer.”
„Bedoelt die mijn?” grappigde Janne.
„Zoudt u zich alsjeblieft niet willen bemoeien met dingen die u niets
aangaan?” verzocht Bram.
„Ik ben oók jong geweest...” begon de ouwe heer.
„Ja—dat zál wel,” veronderstelde Bram.
„... maar in onzen tijd...” vervolgde de bezoeker, die onze onderbuur
bleek.
„Ik heb niets met úw tijd te maken, het is nou ónze tijd,”—redeneerde
Bram nutteloos.
„... in ónzen tijd wérkten jongelui,” vervolgde de onderbuur zijn
preek.
„Zoudt u de deur willen dicht doen als u weggaat?” voorzag Bram.
„... en hadden ze respect voor grijze haren,” ging weer de zedeles
door.
„Och kom?” kwam Bram.
„... en hield je niet je buren tot negen uur ’s avonds wakker.”
„O, ja?”
„... en smeet je geen kattenkrengen op straat.”
„’t Was een kreng m’n heer,” gaf Bram toe.
„... en liep je niet op klaarlichten dag met een pot de chambre over
straat.”
„Koopt u ze ’s nachts?” onderzocht Bram.
„... en zette je niet van die rare opschriften, als „Katten worden
geweerd”, op een nette deur.”
„Het was niet tegen u bedoeld,” verontschuldigde zich Bram.
„... en antwoordde je beleefd als ouwere tot je spraken.”
„Als u het lang maakt ga ik er bij zitten,” voorspelde Bram.
„Genoeg m’nheer—genoég!” driftigde de onderbuur.
„Dat vindt ik ook,” verklaarde Bram. „Doet u de deur goed dicht?—het
slot springt soms niet in de knip,”—en Bram ging kalm zijn kamer in,
begon weer te hameren.
Toen klom de ouwe heer de trap op, ging de ontvangkamer in. Boy en ik
daalden af, kwamen ook de kamer binnen.
„God dat is leuk,”—zei Boy, onnoozel,—„theevisite. Gaat u zitten, met
wien heb ik de eer?”
„Gebruikt u suiker en melk?” vroeg ik.
„Zal ik u eens wat zeggen?” bulderde de ouwe heer.
„Zeg u het maar,” moedigde Boy aan.
„U bent kwajongens—kwájongens!”—en hij stapte nijdig de kamer uit.
„Zal ik u even bijlichten op de trap?” bood Boy aan, en toen:
„Zeg Janne—heb jij die deur open gelaten? Dat moet je niet doen, de
eerste de beste zou binnen kunnen loopen.”
De heer bonsde de deur dicht. Janne, met tranen in de oogen, zat op een
keukenstoel te schudden, kon er geen woord uit krijgen.
Bram,—nu het hameren gedaan was, kwam binnen.
„Heb je nou toch ooit van je leven?” vroeg hij.
„’t Is huisvredebreuk,” verklaarde ik.
„Jammer dat we geen rattenkruid in huis hadden. Laat het morgen
halen,”—voorzag Boy.
HOOFDSTUK VII.
VERLOVINGSKWESTIES EN ROLSCHAATSEN.
’s Morgens vertrokken Bram en Boy meestal naar Leiden en Delft, kwamen
tegen vijf uur in den middag terug, en vonden dan gewoonlijk Kitty,
Toos, Non en mij in de eetkamer bij den afternoon tea.
Ik had de onuitstaanbare gewoonte ’s nachts tot het ochtendkrieken te
lezen en te werken en stond ’s middags tegen drie uur op; voor mij was
het theedrinken tevens ontbijt. Het was zoo, omstreeks drie uur in den
morgen, dat ik in Ovidius’ Metamorphosen zat te ploeteren, toen
zachtjes knarsend mijn deur openging en Boy, een lange winterjas over
zijn ondergoed, kwam binnensluipen.
„Stoor ik?” vroeg hij onderdanig.
„Man, wat héb je?”—want Boy zag er ongewoon uit.
„De pest,” zei hij.
„Kun je niet slapen?” vroeg ik verder.
„Oók al niet,”—en hij viel moedeloos in een leunstoel neer.
„Wil je dat ik wat thee zet?”
„Nee laat maar.”
Ik zat er mee in; nooit had ik Boy in zoo’n stemming gezien, wist niet
hóe hem te behandelen.
„Heb je koorts?”
„Nee—de pest—heb ik je al gezegd.—Wat zit je daar te blokken?”
„Ovidius—het verhaal van Hero en Leander.”
„Liebten sehr einander.—Die eine konnte nicht hinüber,—der andere ...
schwamm drüber,”—declameerde Boy en toen: „Als jij nog eens gek wordt,
dan zal het me niets verwonderen.”
„Ik geloof dat jij er op het oogenblik méer kans op hebt,” meende ik.
„Och ja man—’t is lam.”
„Iets met Kitty?” vroeg ik.
„Nee—met haar familie.”
„O.”
„Ik moet me voorstellen.”
„Is dat alles?” kwam ik opgelucht.
„Nee. Dan zal ik met haar papa over m’n toekomst moeten praten. Ik
wordt al wee als ik er aan denk.”
„Idioot—maak je je dáarover dik?” glimlachte ik.
„Och man, je snapt toch wel dat ik geen toekomst heb.”
„Onzin, je doet volgend jaar je propjes.”
„En je straalt,” voorspelde Boy.
„Och wat,—er is geen reden waarom je stralen zoudt.”
„Zeg liever dat er geen reden is waarom ik er door rollen zou,”
somberde hij.
„Ben je nou klaár met je nonsens?” informeerde ik.
„Nee—luister nou eens even. Ik heb geen flauw benul hoe je tegen een
aanstaanden schoonpapa optreden moet.—Moet ik hem oók m’n schulden
opbiechten?”
„Heb je er veel?”
„Nog al.—Dat zal mij juist wel verhinderen af te studeeren.”
„Daar zou ik nou maar niet over beginnen,” raadde ik, „dat komt later
wel.”
„Och kerel—ik zit er zoo mee in,” zuchtte Boy, „en dan heet het dat je
voor je plezier geëngageerd bent.—Flauwe kul ook die studie. Ik zou
veel meer zin hebben den heelen dag op een paard te zitten, nooit meer
een boord te dragen. Ik zou cowboy willen zijn.”
Den volgenden dag ging Boy het pijnlijke bezoek afleggen. In zijn
gekleede jas, met handschoenen en een hoogen hoed, zag hij er uit als
een dominee.
„U lijkt nu wel een van de treurende gemeente,” meende Janne, die weer
bij het boord geholpen had, nadat Boy er in zenuwachtigheid twee
verwrongen had.—Ik bracht hem tot de deur.
„Hou je maar taai,” moedigde ik aan.
„Och man,—ik verzeker je, ik stapel de eene stommiteit op de andere; ik
maak een standaardwerk van flaters.”
Toen liet ik hem maar alleen binnengaan, bleef buiten wachten; een half
uur. Boy kwam niet. Het begon te regenen en ik ging naar huis.
Na een poosje kwam hij terug.
„Hoe is het gegaan?” kwam ik in spanning.
„Beroerd.”
„Hoe zoo?”
„Wacht even.—Janne!”
Janne kwam.
„Hier, hang die domineesjas maar ergens op, en neem dat boord mee en
die lakschoenen en ... nee—de broek zal ik toch maar aanhouden.”
„Steek eens op,” leidde ik af.
„Graag.—Schoonpapa heeft me niets aangeboden.”
„Hoe is het nou gegaan?” vroeg ik weer.
„Zooals ik voorspeld heb. Bij het binnenkomen ben ik begonnen met een
vaasje van een tafel te vegen met de panden van m’n jas. In m’n
onhandigheid heb ik toen gezegd: „Dat ligt.”—„Laat maar liggen,” zei
schoonpapa toen; zeker om me op m’n gemak te zetten. „Het is me heel
aangenaam kennis met u te maken,” heb ik toen beweerd, en dat sloeg er
natuurlijk op als een tang op een varken. Ik geloof ten minste dat
schoonpapa me raar aankeek. Enfin, we zijn over m’n toekomst gaan
praten; over m’n financies, waaromtrent hij mij evengoed had kunnen
inlichten als ik hém. Het resultaat van alles is, dat ik als geheime
verloofde van Kitty ben aangenomen. Het schandaal wordt publiek als ik
door m’n eerste examen ben.”
„Van harte man,” wenschte ik; maar Boy keek verdrietig:
„Och kerel, je weet niet wat je zégt. Ik ben voorgesteld aan mama en
aan twee broers én een getrouwde zuster met bijbehoorende echtgenoot.
Ik heb in de familiekring theé moeten drinken. M’n bakkes stond stijf
en strak van het glimlachen dat ik deed. De heele familie keek me aan
als een wild beest.—Binnenkort is het de beurt aan m’n moeder; arme
vrouw dat ik haar dát moet aandoen. En nu moet ik Zondags komen eten en
’s Woensdags komen koffiedrinken en tweemaal in de week,—de keuze der
dagen wordt aan mij overgelaten,—tweemaal in de week, zeg ik, moet ik
’s avonds theedrinken, zal Kitty muziek maken, ik een partijtje leggen
met den ouwen heer. En Kitty mag natuurlijk niet meer komen. Dat stáat
niet.
„Enfin,—het héele burgerlijke, lamme gedoe, wat alle liefde tot een
verschrikking maakt, is losgebroken. Allemachtig wat bén ik eigenlijk
begonnen?”
„’t Is altoos zoo,” troostte ik.
„Dat wéet ik, en veel jongelui vinden dat jé ideaal, je snoepige,
poeteloetige inleiding voor een later huwelijk. Maar ik ben er niet
burgerlijk genoeg voor, ik heb té veel idealen, of misschien te
weinig,—enfin—ik kan het niet stouwen,—het werkt op me als
wonderolie,—daar word ik óok altoos zoo mislijk van.”
„Nou komen ze zeker ook wel eens hier,” veronderstelde ik.
„Ja—dat kun je eerstdaags verwachten. Ik begin vandáag al ál m’n
dictaten en boeken ópen op mijn studeertafel te kwakken. Doe jij dat
óok maar. En—o ja—neem dat beeld van dien naakten faun weg, mama kon er
eens aanstoot aan nemen. We zijn nou deeglijk,—snap je?”
En Boy nam het hoofd tusschen de handen, als een beursspeculant, die
over den kop is gegaan.
Toos en Non kwamen afleiding brengen, wisten het nieuwtje al. Een
gehéime verloving is altoos het vlugst bekend. Maar Kitty ontbrak en
Boy trok zich terug, om op zijn schrijftafel al vast de
dictaten-uitstalling in te richten.
Non vond het geval natuurlijk léuk: Toos was stil, bedacht
vermoedelijk, dat Bram nu weldra óok wel eens zijn opwachting bij de
oudelui kon maken.—Maar Bram dácht daar niet aan, geheel vervuld door
een paar rolschaatsen, die hij gekocht had en waarmee hij zegevierend
thuis was gekomen.
„Zal ik het eens probeeren?” opperde hij.
„Waar?” vroeg Toos.
„Hier—in de gang of in de kamer,” stelde Bram voor.
„Dat láat je nu maar,” bedilde ik. Maar Bram beweerde, dat hij het best
kon en trok de dingen aan. Een geweldige bons op de gang kondigde aan,
dat hij er mee had trachten op te staan.
„Au verdomme!” kwam Bram ongepast en toen: „Zeg help me eens even.”
Bram zat voor de deur van zijn kamer, wreef zijn achterhoofd, dat tegen
de deur was aangekwakt.
„Doet het pijn?” vroeg Toos.
„Als ik maar op gáng ben,” antwoordde Bram onlogisch.
Ik tilde hem op en kreeg meteen met de metalen rollen een valschen
schop tegen mijn schenen; dan begon hij wild achteruit tegen de deur te
slaan.
Boy kwam kijken, hielp me het tuimelende gevaarte overeind te zetten.
Zich vasthoudend aan de trapleuning, stapte Bram met holle
dondergeluiden over het gangetje. Wij keken toe, op een gepasten
afstand, want ik had ondervonden, dat rolschaatsenrijden voor den
helper minstens zoo pijnlijk is als voor den roller zelve. De
trapopening deed de leuning eindigen. Bram stopte even, vond het geval
gevaarlijk. Aan den deurknop van de eetkamer kón hij zich niet
vasthouden, want, om de deurpost loerend, was daar Toos, die hem
onverholen uitlachte. Dit bracht Bram tot het uiterste.—Hij sloeg twee
maal driftig achteruit, dook met het bovenlichaam naar voren, schoot
den afgrond der trap voorbij en klampte zich al vallend aan den
deurknop van de zekere plaats vast, rukte in zijn slag die
geheimzinnige deur open:
„Ai jesses nog an toe!” gilde arme Janne, die er op zat.
„Doe het háakje er dan ook op,” verweet Bram, als een buldog voor de
deur neergezegen.
„Die zát er op!” jammerde Janne van binnen.—„U hebt alles aan
gruzelementen getrokken! Ai jesses nog an toe!”
We waren lám van het lachen, konden geen vinger uitsteken naar Bram,
die maar riep:
„Help me nou toch!” en op trachtte te krabbelen en telkens weer
neerplofte, maar den moed niet meer bezat nóg eens den noodlottigen
deurknop tot steunsel te grijpen.
Eindelijk konden Boy en ik hem ophijschen; Bram schopte als bezeten
rechts en links.
„Doe je nóg een baantje?” vroeg Boy.
„Als ik maar op gáng ben,” nijdigde Bram.
„Nou—daar ontbreekt het je anders niet aan,”—meende Boy, en in een
nieuwe lachstuip lieten we Bram los, die de aansluiting met de leuning
miste en met kletterend metaalgeraas en gebonk van ledematen de trap
afsloeg.
„Nou ben je op gang,” hinnikte Boy.
„Begin straks van de bovenste verdieping,” raadde ik.
Bram, op zijn knieën, sjorde zich de trap op, kwam klossend met
automaat-bewegingen de ontvangkamer binnen, waar Toos zenuwachtig lag
te huilen van opwinding en Non geen geluid meer van zich gaf; Boy zat
op den grond en ik stond hoestend me in een koekje te verslikken.
Toen Bram binnen kwam waren we allen te lamlendig om ons er tegen te
verzetten.