Op dit oogenblik kwam Boy uit de kajuit, boog—op niets lettend—het

hoofd buiten boord en gaf het eerste lapje aan de visschen te proeven.

Dat was zijn geluk, want het zeil ging ten tweede male over en met een

hevigen smak stoof ik mee naar den anderen kant, rakelings over Boy

heenzwierend.

„Boy!” riep ik.

Hij zag op van zijn bezigheid, keek naar het onbeheerde stuur, liet

zijn verwilderde oogen dwalen over het dek.

„Boy!” schreeuwde ik weer, zwevend tusschen hemel en zee.

En hij zocht, met een verdwaasd gezicht, in den mast. Meteen begon de

boot weer hevig te stampen, draaide opnieuw om en ik zwierde ten derden

male, met een nijdigen floep van het zeil, in verbijsterende snelheid

over Boy heen, die—opnieuw katterig geworden door de tureluursche

keeringen en stampingen van de Mallemolen,—juist op tijd het hoofd

genegen had en der visschen liefdadigheid pleegde; ditmaal vermoedelijk

met de erwtjes.

Mijn armen waren lam, mijn angstig opgetrokken beenen verstijfd.

Zoo had het geval zich met rythmischen regelmaat tot in het oneindige

kunnen herhalen, gegeven de blijkbare onuitputtelijkheid van Boy’s

maag,—indien de kapitein niet door al de onwijze tolbewegingen van zijn

jacht gewekt geworden en naar buiten gekomen was.

„Bram!” schreeuwde ik.

Ook hij zocht me met een verbluft gezicht in den mast.

„Bram!” brulde ik weer, meteen met het zeil weer over hem heenvliegend,

terwijl hij, angstig wegduikend, het gevaar van een schedelbreuk

vermeed.

„Verrek,” zei Bram me ontwarend. De krankzinnigste verbazing klonk in

zijn stem. „Verrek—wat doe jij daar?”

„Laat me er uit!” jammerde ik, alsof het Bram was, die me er in

gehangen had.

Nu keek ook Boy op en liet zijn visschen in den steek, wier bedeeling,

menschelijkerwijs gesproken, nu ook wel eens eindelijk uit mocht wezen.

„Pas op Boy—wég je kop!” loeide Bram, want ik kwam voor de zooveelste

maal over. Ik was op dat oogenblik den tel van mijn vliegtochtjes

kwijt, maar bekende mezelven, dat ik er schoon genoeg van kreeg.

„Dat is met recht een mallemolen,” vond Boy, wien nooit zijn geest

verliet. „Doe je nóg een toertje of schei je er mee uit?” sarde hij uit

leedvermaak, dat niet hij alleen er slecht aan toe was.

Maar Bram had de roerpen gegrepen en, zachtjes ditmaal, kwam het zeil

over, kon ik me in den kuil laten ploffen.

„Maar pot ver hier en ginter,—hoe kwám je daar?” vroeg Bram, het stuur

krampachtig in de richting houdend, terwijl Boy weer, ná zijn

plagerijen, door inwendige beroering werd bezig gehouden.

Ik legde het geval uit van de maan die boven den boeg verschenen was,

terwijl het kompas Z.Z.W. wees.

„Ja, maar je moét ook niet alleen op het kompas varen, maar op de

lichten,—je hebt toch immers de kaart?”—wees de kapitein terecht.

„Laat naar je kijken—jouw licht was waarachtig een stoomboot!”—Bram

lette niet op deze insubordinatie.—„En hoe verklaar jij dat kompas

dan!” hield ik vol.

„Dat kan verroest wezen, daar moet je zoo nu en dan eens tegen tikken,”

verklaarde Bram.

„Had dat een beetje eerder gezegd, eendvogel!” nijdigde ik met een in

de omgeving passend scheldwoord. Bram nam het kompas, draaide het een

halven slag om. Het zwoor schijnheilig bij Z.Z.W. Toen gaf de kapitein

er een nijdigen mep tegen en langzaam, sarrend eigenwijs, draaide de

roos in den goeden stand.

„Zie je wel?” zegevierde Bram.

„Wij zijn al een eind opgeschoten hé?” informeerde hij nog.

„Ja,”—zei ik maar, zonder eenig benul van koers of snelheid, waar de

draaiende plaatst-rust en het heen-en-weer gevlieg mijn

orientatievermogen begrijpelijkerwijze eenigszins in de war hadden

gebracht.

We hadden evengoed voor Staveren als voor Amsterdam kunnen liggen; ik

zou er geen begrip van gehad hebben!

Bibberend van de kou trok ik mijn winterjas aan, dronk een scheut

cognac. Bram kwam op het spitsvondige denkbeeld het kompas op een losse

plank te zetten.

„Als je nu en dan op die plank trapt, zal de naald wel los blijven.”

„Wat doe je ook met zulke rotte instrumenten!” mopperde ik, zonder het

malle van het op gang getrapte kompas in te zien.

„Nou maf ze,” kwam Bram.

„Ja—maar zeg—ik begin ook naar kooi te verlangen,” kwam ik opstandig.

„Ik kom je zoometeen aflossen,” beloofde Bram en kroop weer in

bed.—Boy—wat opgelucht—en minder in de war, nu de boot weer voor den

wind liep, kroop naast hem.

Ik bleef aan het roer, vinnig trappend op de losse plank en me

verdiepend in de thans zich telkens openbarende bewegingen van de roos.

Den koers hield ik tusschen Z.Z.W. en Z.W.

Het werd drie uur, half vier, vier uur,—en ik verwonderde me over Brams

opvatting van het toch overigens duidelijke begrip van „zoometeen.”

Want aan aflossen dácht hij blijkbaar niet. Toen—tot mijn schrik—merkte

ik, dat onze lichten waren uitgegaan. Het was nu wel bar belangrijk,

zoo’n vaart met uitgedoofde lampen, maar ik voelde weinig voor zulke

kapersmanieren, waar de mist al dichter werd en van de maan ook niets

meer te bespeuren was. Tot tweemaal toe zag ik opeens lichten opdoemen,

stoof een stoomboot ons rakelings voorbij.—Het werd dwaasheid.

„Boy!” riep ik de kajuit in. Maar Boy ronkte zwaar, na zijn uitbundige

weldadigheid den visschen gebracht.

„Boy!” brulde ik. Nóg geen antwoord. Toen, omdat ik niets anders onder

mijn bereik had, trok ik een schoen uit en slingerde hem midden in

Boy’s maagstreek.

„Au—verdomme!” jankte hij.

„Kom er uit!” beval ik.

„Waai om!” verwenschte de steward.

„Kom er uit—gauw dan!” haastte ik, want juist kwamen er weer lichtjes

uit den nevel.

„Wat héb je toch?” vroeg Boy,—„zit je nu soms in de gaffel?”

„De lichten zijn uit!” jammerde ik.

„Nou—wat kan mij dat schelen?” redeneerde hij.

„Er is mist,—ik zie geen klap,—je moet blázen!”

Dat laatste werkte als een wonder. Boy stond op, nam den toeter.

„Nee kaffer—eérst de lichten op!”

Boy kroop op het dek.

„Allemachtig wat een damp.”

Dan liet hij de lampen neer, kwam er mee in de kajuit.

„Er zit geen petroleum meer in,”—verklaarde hij.

„Vul ze bij—dat kan je toch zoo goed,” moedigde ik aan.

„Maak geen smeerboel,” gromde de kapitein, die zich wakker verried,

maar in zijn slaaplust zich blijkbaar noch van den mist, noch van de

gedoofde lichten iets aantrok en aan de beloofde aflossing niet dacht.

Boy vulde de lampen, stak ze aan, ging er mee op het dek.

„Nee, de roode aan bakboord!” riep ik.

„Nou, dat doe ik toch?” meende Boy.

„Nee, andersom!”

„Ben jij betoeterd, dan loopt de olie er immers uit?” redeneerde hij

als een nuchter kalf.

„Niet onderstebóven, andersóm,—de groene moet daár!” wees ik.

Eindelijk hingen de lampen.

„Ga nou maar blazen,” kwam ik goedmoedig.

„Ik zoú je blazen.—Jasses wat een weeë stank toch, die petroleum.”

„Ga nou niet weér spugen alsjeblieft,” smeekte ik; maar Boy hing al

over boord.

„Het was die omelette,—die ... die smaakte óok zoo naar petroleum”

verklaarde hij een oogenblik later.

„Ben je nu leég?”

„Ik hoop het,—als tenminste de kaas en het dessert zich goedhouden.”

Dan kwam hij bedeesd; „Zeg vertel het maar niet aan Kitty, dat ik zoo

beroerd ben geweest; het is zoo kinderachtig.”

„Kom kom, daar zou ik maar niet over tobben.”

„Vertel het nu maar niet.”

„Best.—Geef me nu even m’n schoen aan,” verzocht ik.

Met een sullig gezicht reikte Boy me het schoeisel:

„Waarom heb je ’m net in m’n maag gegooid?”—verweet hij. „Had ’m naar

m’n kop gesmeten of ergens anders, maar niet juist op zoo’n gevoelige

plek.”

„Voel je je erg lam?”

„Als een zatte aap,” verklaarde Boy.

„Ga naar bed.”

„Nee, ik blijf liever an dek—het is daarbinnen zoo’n muffe stank.”

„Het zal nu wel beter worden, we stampen veel minder dan zooeven,”

troostte ik.

„Ik ga bij den mast zitten, daar schommel je het minst.”

„Als je licht vooruit ziet, waarschuw dan.”

Boy beloofde het, hurkte, in de jas gedoken, bij den mast neer.

We waren blijkbaar in druk vaarwater; telkens doemden lichten op, gleed

een lange aak, of een kotter ons voorbij. Soms toeterde ik, een

langgerekte jammerklacht, als van een hond die huilt.

„Maak toch zoo’n herrie niet!” bromde Bram vanaf het bed.

„Hou jij je bek;—kom me liever aflossen?” kwam ik boos. De muiterij op

de Mallemolen was op haar hoogtepunt.

„Ik ga toch maar naar bed,” en Boy scharrelde van het dek in den kuil,

schopte een paar papieren voor zich uit: „Wat is dat?”

„Scheepskaarten—leg ze maar binnen op de tafel,” raadde ik vol

verachting voor de nuttelooze dingen.

Het kon me niet schelen wat er van kwam, maar de scheepskaart zou ik

niet meer inkijken. Trouwens áls ik een licht zag, zat er tóch altoos

een boot aan vast.

Regelmatig trappend op de plank, kleumerig, vloekend op Bram die maar

maffen bleef, stond ik me in den mist te verdoen. Luk raak had ik nu

maar eens Z.W. ten W. aangehouden.

Eindelijk siepelde er een schemer door het dampgordijn.—Het werd

dag.—Langzaam, heel langzaam trok de mist op, zag ik ruimer om me heen.

Tenslotte—het scheen een droombeeld—doemden uit de nevels, recht voor

me uit, vormen op. Het leek een stad. Rara welke! Ik tuurde met de

spanning van een Columbus, toen deze op het punt stond Amerika aan de

Christenen over te leveren.—Het leek een gróote stad. En dan opeens

herkende ik ze:—het was Amsterdam.

Hoe ik het hem geleverd had begreep ik zelf niet; trouwens het kon me

ook niet veel schelen. Het feit was, dat we voor Amsterdam lagen. En ik

nam den toeter, in mijn zegepraal bereid tot groote middelen, boog

voorover in de kajuit en blèrde darmverwarrend.

„Godverdomme schei toch úit!” stoof Bram op, lijdend aan de

kribbighedens der ochtendziekte.

„Amsterdam!” jubelde ik.

„Je bent betoeterd.”

„Nee dat ben jij in dit geval,” gaf ik terug.

„Amsterdám?” bleef hij ongeloovig.

„Gekheid!” beweerdde ik, met bouwkundige kennis van de fundeering der

Amstelstad.

„Dan moeten we geschut worden,” verklaarde de kapitein.

„Alweer?—Ik vind dat we nu al genoeg geschud zijn,” vond Boy katterig.

„In de schutsluizen,” helderde Bram op.

„Och man, stik met je schildluizen,” verstond de steward verkeerd.

Bram nam het roer over. Ik ging languit op het dek in de lauwe

ochtendzon liggen, kauwde een krentenbroodje, wreef mijn kuit, die lam

was van het kompastrappen, en mijn lendenen, blauw gestompt door het

stuur. Er ontstond een hevige redetwist tusschen den kapitein en mij

over den koers, die lukraak gehouden was. Bram beweerde, dat ik buiten

langs Marken had gevaren, ik hield vol—zonder een zweem van bewijs te

kunnen aanvoeren—dat we binnendoor waren gekomen. Het zal wel altoos

een duister geheim blijven.

We werden geschut. Boy merkte er niets van in zijn ingewanden en ronkte

als een zaagmolen. Ik ging naast hem liggen, kon me levendig

voorstellen hoe het Y en het Noordzeekanaal er uitzagen, en sliep dus

weldra ook in.

Het was tien uur toen Boy me wakker maakte.

„Hé—papaverbol,—sta je nou eens op?—Je maft waarachtig als een oud

wijf!”

In het kalme water had hij opeens een praats van belang gekregen en

zong weer druk het sinds lang onderbroken lied van den verliefden

neger.

Op het petroleumstel, welks stank hem niet wee meer maakte, kookte de

steward eieren en theewater. Het werd een gezellig ontbijt en ik

verkneukelde me in het gezicht van Bram, die zich aan het stuur stond

te vervelen, waar het kanaal niets opwindends of avontuurlijks bood.

Alleen de Hembrug, die vriendelijk dicht ging toen we aankwamen,

bezorgde moeilijkheden.

„Laten we het probeeren,” vond de kapitein en liet mij het stuur over

om zoogenaamd de zeilen te kunnen reven als er iets haperde, maar in

waarheid om zich voorop te bevinden als de mast neerkwam.

Ik stond aan het roer, klaar om in het water te springen. Het groote

oogenblik kwam.

„We halen het niet,” wanhoopte Boy, veilig op den boeg.

Er schuurde iets;—een griezelig gekras en gekraak, toen knapte de

wimpelspits af en plofte op het dek. De Mallemolen kon onder de brug

door.

Het overige van den dag was vervelend. De zon weerkaatste hinderlijk op

het water, deed onze gezichten kalkoenrood verbranden. We aten veel,

dronken meer en maften het meest. Bram, aan het stuur, kon zijn

genoegen op.

„Gossie, wat heb je daár nou an?” had de Enkhuizer bengel zich

verbaasd. In den nacht, alleen in den mist, had ik er over gepiekerd,

nu sprak ik het uit:

„Toch geen bár opwindende sport.”

„Ik amuseer me best,” beweerde Bram.

„Ik heb een reuzenschik gehad,” verklaarde Boy.

„Kwestie van appreciatie,” meende ik, stom verwonderd over zoóveel

huichelarij, en ging maar niet verder op het geval in.

In Haarlem echter hadden we er allemaal dusdanig genoeg van, dat we

besloten de Mallemolen er maar bij een werf achter te laten.

„Hè,”—zei Kitty den volgenden morgen, „waarom hebben jullie het jacht

maar niet tot Den Haag gebracht, dan hadden we óok eens mee kunnen

gaan.”

Boy wenkte en gaf teekens, maar katjang, dien morgen bijzonder

uitgeslapen, vroeg:

„Dus jullie jacht ligt nu niet meer hier?”

„Nee,” gaf Bram maar toe.

„En waar wonen jullie nu?” kwam de katjang weer, die er nú dan toch wel

achter zou komen.

„In een woonwagen,” verklaarde Boy.

„In een woónwagen?” verbaasde zich Piet, terwijl Kitty lachstuipjes

kreeg.

„Ja,”—legde Boy uit, „een mooie woonwagen, groen, met roode wielen. We

trekken ’m om de beurt, want paarden of ezels, dat geeft zoo’n last.”

„Is het niet moeilijk om je in zoo’n ding te arrangeeren?” ging katjang

er op in.

„Welnee; een slaapt er telkens en twee trekken; en we eten uit blikjes,

en Zondags eten we rijsttafel met katjeng goreng en sambal.”—sloeg Boy

er zijn redeloozen onzin uit.

„Lekkerr jà—sámbal?” kwam de katjang.

„Haast even lekker als snert met verkensoreilles,” vond Boy.

Toen snapte katjang, een beetje laat, dat hij in het ootje genomen

werd.

„Jullie verlakken me.”

„Dat is niet onwaarschijnlijk,” kwam Boy kalm, terwijl Kitty, in eén

gierbui, hem hartelijk in den arm kneep, smeekend:

„Boy—o Boy!—ik lach me doód!”

Piet zág dat, begreep mooglijk hun verhouding, en zei berustend:

„Enfin—ik trek me er weinig van an.”

„Och man, voor mijn part trek je niks an,”—besliste Boy.

HOOFDSTUK VI.

WE HUREN EEN BOVENHUIS.

Het was opeens besloten. Boy’s broer kwam over met een jaar indisch

verlof en wilde bij zijn moeder inwonen, waardoor Boy het huis uit

moest. Bram had genoeg gekregen van Leiden, vond het in Den Haag

plezieriger. Ten slotte had mijn hospita me een lange redevoering

gehouden, waarvan de slotsom was, dat ze niet altoos die jonge dames

over den vloer wou hebben, omdat heel de buurt er schande van sprak.

Ze wist wel dat onze omgang heel fatsoenlijk was, en de jongedames

waren óók heel nette meisjes, maar enfin—menschen kletsen zoo gauw

nietwaar?—Ik had haar bedankt voor hare goede meening over de leden van

den Mafkolder en—me groot houdend—verzekerd, dat ik tóch al het plan

had om weg te gaan, omdat haar poes telkens ongerechtigheden in m’n

kamer deed en de meid altoos van mijn jam snoepte.—De hospita was

langdradig op mijn vinnigheden ingegaan, bezwerend dat haar poes zoo

zindelijk was als een mensch en dat de meid zoo eerlijk was als goud.

Gevolg was dat ik de kamer opzegde.

Met zijn drieën hadden we uitgemaakt, dat het veel spaarzamer zou wezen

gezaamlijk een bovenhuis te huren en een meid te nemen, terwijl we dan

tevens van alle hospita-gezanik bevrijd zouden zijn.

En zoo stelden we een advertentie.

De tekst had eenige moeilijkheid gekost. Bram wilde: „Drie losloopende

jongelui wenschen gemeubileerd bovenhuis van alle gemakken

voorzien.”—Waarop Boy meende dat het voldoende mocht heeten als er één

gemak was en dus voorstelde: „Drie studenten zoeken bovenhuis met

stevige maar smaakvolle meubels voorzien.”—Maar ten slotte besloten we

te plaatsen: „Gemeubileerd bovenhuis in Duinoord gezocht.”

Toen ik aan het bureau van het blad de ingekomen brieven kwam afhalen,

kreeg ik er zeven en twintig en een briefkaart.

Dien avond, bij mijn voorlezing, werd Boy bij den twaalfden brief

wanhopig. Toen ik weer begon met den stereotiepen aanhef van: In

antwoord op uw advertentie...—riep hij uit:

„In godsnaam schei uit!—Het is om gek te worden. Geef me een kop thee,

ik heb van al die lectuur een smaak in m’n mond gekregen als een oud

wijf.”

„Moeten we nu ál die huizen afloopen?” opperde Bram.

„Het zijn bóvenhuizen man. Wil je dan toch waarempel een

trappenberoerte of een bovenhuisduizeling oploopen?” wanhoopte ik.

„Het is juist van dat óploopen dat je iets oploopen zou,” meende Boy.

„Ik heb een idee!” kwam Bram.

„’t Lijkt onwaarschijnlijk, maar kom óp met je idee,” zei Boy.

„We zoeken ieder negen van de bovenhuizen op: we schikken het zoó, dat

ze zooveel mooglijk in één buurt liggen. Zoo kunnen we alvast schiften.

De paar, die ieder het beste lijken, kunnen we dan samen bezoeken.”

„Er is nog een briefkaart,” merkte ik op.

„Die neem ik dan wel,” verklaarde Bram goedig.

„Maar als we dan later met z’n drieën komen aandazen, is het mis. Je

snapt dat ze aan geen drie jongelui hun meubeltjes overlaten,” piekerde

ik.

„Een huisvrouw is voor jongelui even bang als voor motten of

houtwurmen,” wijsgeerde Boy.

„Dan huurt degene die het eerst gekomen is, de twee anderen gelden als

vrienden, die in de keuze helpen,” stelde Bram voor.

„Top,”—zei Boy.

De huizen waren allen, zonder uitzondering, van indische gezinnen en

van een losbandigen, slordigen wansmaak. Wanhopig zaten we dien avond

elkaar aan te kijken.

Maar den volgenden dag, op het dagbladbureau, waar ik nog maar eens

heengegaan was, lag nog éen brief. Onze redding.—En we huurden het

werkelijk gezellige bovenhuis, wat door de familie, die voor een jaar

naar het buitenland vertrok, pardoes werd achtergelaten.

Veertien dagen later trokken we er in en begonnen met er den boel

ergerlijk overhoop te halen. Zóo hadden we besloten;—Bram de voorkamer

met den erker en het kamertje er naast tot slaapvertrek. De achterkamer

met serre diende tot eetkamer en ontvangsalon. Wat dit laatste

doeleinde betrof, besloten we eenstemmig alle berenleiders aan de

vóordeur te laten wachten. Op de bovenverdieping was voorkamer met

balkon en zijkamertje voor mij, de achter-eadem voor Boy. Dierhalve

begon al dadelijk een verwarrend beddegesleep. De gangetjes lagen vol

matrassen en dekens en kussens.

Bram droeg onhandig een beddekastje de trap op; het deurtje ging open

en het nachtvaatwerk viel tot scherven op het hoofd van Boy, die juist

een weerspannig vloerkleed den hoek omwerkte.

„Stomme komkommer!” vloekte Boy, zich het hoofd wrijvend.

Maar Bram zat er mee in dat hij andermans bullen brak:

„Als het maar geen familiestuk geweest is,” vreesde hij, de scherven

bijeen rapend,—„je hebt menschen, die hechten aan alles.”

En hij sjouwde verder met het beddenkastje. Ik volgde met een

waschtafel. Terwijl ik het ding op zijn plaats zette, deed Bram een

spiegelkast open.

„Au—verrek—ai—ai!—Hans!” brulde hij, waar hem uit de kast een

verwilderde uitgehongerde kat in het gezicht gesprongen was. Dan rende

hij de gang op, bette zijn gekrabbeld gelaat onder het fonteintje.—Ik

sloot veilig de deur.

„Wat schreeuw je toch als een mager varken?” vroeg Boy, zwoegend onder

het vloerkleed.

„Een kat, man,—een kat!” legde de gewonde uit.

Boy vatte natuurlijk niets.

„Een kater bedoel je,” veronderstelde hij.

„Dat heb je zoo gauw niet kunnen zien,” verdedigde Bram zijn gebrek aan

opmerkingsvermogen.

„Drink wat spuitwater,”—raadde Boy—„dan zal die wel overgaan.”

Maar toen hij het geval eindelijk begreep, trok hij vastberaden een

revolver uit zijn achterzak, waar spuitwater hem niet meer afdoende

toescheen,—deed de deur op een kier open, gluurde om een hoek, teneinde

het ondier te ontdekken.

„Zeg—zijn jullie allebei bezopen?—Ik zie niks.”

„Pas op!” waarschuwde Bram, „de hemel weet waar die ondergekropen is.”

Boy sloop de kamer in, keek overal:—de kat was zoek.

„Ik geloof dat jullie me vernachelen,” meende hij nuchter, den revolver

weer in den zak stekend.

„’t Wás een kat,” hield Bram vol.

„’t Wás een kat,” beaamde ik.

„We hebben toch geen hallucinaties?” kwam Bram nog, de schram bettend,

die zeker niet aan een zinsbegoocheling te wijten was.

„Dan is het beest ’m gesmeerd,” besloot ik.

En we togen weer aan het werk, hoewel Boy de voorzorg nam elke kast te

openen met den revolver in de hand.

„’t Mocht eens een liefhebberij van onzen voorganger geweest

zijn,”—veronderstelde hij.

Tegen den avond waren we vrijwel klaar.

„Ga jij nu even een nieuwe po koopen,” maande Boy aan.

„Ik dank je stichtelijk,” weerde Bram af.

„Jij hebt ’m gebroken,” beschuldigde ik.

„En neem een scherf mee als staal,” raadde Boy.

„Jullie bent betoeterd. Een po koopen?—Nee, dat vertrap ik sterk.”

„Vooruit—wat kan het je bommen? Er is een winkel vlak om den hoek; je

laat ’m inpakken,” overreedde ik.

En zoo geschiedde het dat Bram een nachtvaatwerk kocht, op het staaltje

gelijkend, en hem zegevierend op de tafel der eetkamer uitpakte.

„Ben je nou van de ratten?” vroeg Boy.—„Vooruit—schiet óp met dat

ding!”

„Hij is toch schóón?” vond Bram.

„Hij hoort hier niet,” meende Boy; en dat was ontegenzeggelijk juist.

Bram ging naar boven om het ding, wat mooglijk een familiestuk moest

vervangen,—te zetten waar het wèl hoorde. Boy en ik, uitpuffend in een

paar luie stoelen, bleven achter. Opeens klonk er boven een geluid van

scherven, een gestamp van voeten, een driftige slag van een deur en de

jammering van Bram:

„Au—allemachtig—au!” en hij stoof binnen, met een nieuwe schram,

ditmaal over zijn hand.

„Wat heb je noú weer aan de hand?” vroeg Boy verbluft.

„Een krabbel, dat zie je,” antwoordde Bram gevat.

„Is het die kat weer?” vroeg ik.

„Ja—springt me dat loeder uit het nachtkastje.”

„Gedecideerd—hij moet joú hebben,” meende Boy.

„Ik moet hém hebben. Allemachtig als ik dat kreng in m’n handen krijg,

draai ’k hem de nek om,” dreigde Bram.

„Hoe zúllen we hem krijgen?” opperde ik het vraagstuk.

„Ik verdom het—ik ga die kamer niet meer in. Ik slaap wel hier op de

canapee,”—verklaarde Bram.

„Ben je zéker dat ie nòg op je kamer zit?” vroeg ik.

„Waarachtig,—ik heb hem direct gesmeerd, de deur dichtgegooid.”

„Ja wat dán?”

We hielden krijgsraad. Een uitgehongerde kat is een gevaarlijk beest,

véel gevaarlijker dan een haai of een ratelslang. Bram stelde voor om

vanaf het achterbalcon, door een kier van het raam, rattenkruid naar

binnen te gooien; maar we hadden dat niet als jam of boter voor het

ontbijt in huis. Overigens merkte Boy op dat rattenkruid voor ratten is

en niet voor katten. Hij stelde dan ook voor de kamer uit te zwavelen,

door een brandend stuk door de even open deur te schuiven. Maar dat was

brandgevaar. Juist was ik met het nuchter plan voor den dag gekomen om

het beest eenvoudig met wat eten te bedaren, toen Boy langzaam, in

beduusde verbazing door de open deur in de duistere gang starend, zei:

„Wel verdraaid!—Zeg—blijf even stil zitten!” en den revolver te

voorschijn haalde, met voorzichtige bedaardheid, en het ding opeens

afknalde.—De slag daverde door de kamer. Dan werd het stil:

„Geraakt!” zegevierde Boy—„zoo dood als een pier.”

We vertrouwden het nog niet, wachten af wat er van komen zou. Maar het

bléef stil in huis, en we gingen kijken. Het was een groote grauwe

kater, met dikken kop, waarin—midden tusschen de oogen—een roode wond

van Boy’s meesterschot getuigde. Een gemeene straatkat, vies, vol

groote schurftplekken, ingeslopen vermoedelijk bij het vertrek van

onzen voorganger. Bram’s vrees, dat we wéer een familiestuk van dezen

hadden vernietigd, bleek dan ook ongegrond.

„Ik zág z’n oogen loeren in ’t donker,” zei Boy.

„Allemachtig wat een smerig beest,—ik kieper een liter karbol in m’n

kast eer ik er m’n kleeren in ophang,”—voorspelde Bram.

„Als je ten minste nú al geen schurft hebt,” opperde ik.

Bram werd wit om zijn neus. Greep toen zijn hoed van de tafel.

„Wat ga je doen?”

„Naar de apotheek!” riep Bram, de trap afrennend.

„Neem die kat meé—smijt ’m op straat!” riep ik nog.

„Doe jij het!” en de huisdeur sloeg dicht.

Boy nam een tang van het fornuis, kneep het lijk in zijn nekvel en

droeg het een eind de straat op.

Malle Gevallen · 第 3 / 8 段