„Nee,” zei ik bot.
„Hè,—wat sneu,” vond ze.
„Waarom,—houdt zij soms van mij?” vroeg ik eigenwijs.
„Nee, dát niet.”
„O,” bekoelde ik, „waarom vindt je het dan sneu?”
„Och, zoo maar, om maar eens te zien wat er van kwam.”
„Nee—in godsnaam Kitty, geén ongelukkige liefdes in den Mafkolder.”
„Dat vind ik ook,” zei ze hartelijk.
Toen moest ik haar vertellen hoe ik Boy had leeren kennen, wat voor
kattekwaad we hadden uitgehaald, hoe we samen gefoven hadden in Leiden
en Delft. Ze vond alles ijselijk grappig en herhaalde telkens: „O, het
is een type!”
Bij het tweede kopje thee begon ze te vragen of Boy haast komen zou, of
hij altoos zoo laat was. Bij het derde werd zij zenuwachtig, zei
hopeloos:
„Laten we nu de koekjes maar heelemáál opeten—hij komt toch niet meer.”
Juist klonken er stappen op de gang; ze sprong op, een blijden blos op
de wangen.
„O—’t is Bram maar,” zei ze onhandig toen deze binnenkwam.
Maar Bram, vreeselijk gehaast, had niets gehoord.
„Zeg, ik heb bericht, dat de Mallemolen in Enkhuizen klaar ligt en wou
’m gaan halen. Ga je mee met Boy?—’t zal een leuk tochtje wezen over de
Zuiderzee.”
Ik had m’n bezwaren, wantrouwde Brams zeemanschap.
„Toe,” hield Bram aan, „ik kan de boot alléén niet aan,—en de lui
waarmee ik vroeger zeilde zijn allebei zoek.”
„Nu, vooruit dan maar,” gaf ik toe, bedenkend dat ik stellig m’n
laatsten wil zou neerschrijven eér ik naar Enkhuizen reisde.
„Dus zeg het aan Boy wil je?—Morgenmiddag kom ik jullie tegen twee uur
hier halen.”
„Goed. Blijf je een kop thee drinken?”
„Nee—ik heb haast.”
„Zeg nu maar dat Toos bij de Wittebrug staat te wachten,” plaagde
Kitty.
„Bonjour, Bonjour!” wuifde Bram, in de war, dat we het nu wisten,—en
stoof de kamer uit.
„Waar blijft Boy nu toch?” stampvoette Kitty, het neusje tegen de ramen
gedrukt.
„Wees toch rustig—hij kómt,” verklaarde ik.
„Hij komt toch oók wel eens niet,” opperde ze.
„Hij zou om vijf uur komen,” bekende ik.
„Nare flauwe plaag!”—stoof ze op, gemaakt boos doende, „waarom heb je
dat niet eerder gezegd?”
„Omdat ik je zoo grappig vond,” lachte ik.
„Wacht—ik zal je krijgen!” keef ze—en rende me na om de tafel, pakte de
kussens van de sofa en smeet ze waar ze me raken kon. En midden in dat
lawaai kwam Boy binnen.
„Dag Boy!” juichte ze, naar hem toerennend, met de verstoeide haren en
den rooden blos, nog liever, natuurlijk.—„Wat ben je lang wéggebleven
Boy!”—zei ze, hartelijk blij nu hij er was.
„Ik heb me in de goot verslapen,” verklaarde Boy, die nu eenmaal nooit
laten kon zichzelf verdacht te maken. Maar hij hield Kitty’s hand in de
zijne, en ik wist er niets beters op dan in ’s hemelsnaam met m’n
knieën op den grond te gaan liggen om zoogenaamd de ingetrapte
theekransjes uit het kleed te verwijderen.
„Zeg Boy,”—zei ik kruimelsrapend achter de tafel gehurkt—„morgen om
twee uur moet je hier wezen;—we gaan met Bram in Enkhuizen de
Mallemolen afhalen.”
„O—ja?” vroeg Boy.
„Vergeet het in godsnaam niet,” hield ik aan.
„Nee dat weet ik,” was het malle antwoord.
„We gaan ’s nachts,” ging ik door.
„Ik zal er aan denken,” kwam Boy tot wien blijkbaar pas mijn vorige
aanmaning doorziepelde.
„We mogen wel flinke jassen meenemen,”—redeneerde ik.
„Ja—op de fiets,” meende Boy weer, met een gedachtenopeenvolging waarin
ik geen weg meer wist.
Toen stond ik behoedzaam op. Boy en Kitty lieten elkanders handen los.
„Dus om twee uur morgen hier,”—hield ik hardnekkig vol.
„’s Nachts,” zei Boy, die toonen wou, dat hij alles goed begrepen had.
„Nee, morgenmiddag uilskuiken.”
„En je zegt dat we ’s nachts een fietstocht gaan maken!” verdedigde Boy
zich.
„Jij ziet ze vliegen,”—besloot ik bars.—„Kom morgenmiddag twee uur
hier, met een óverjas. Begrepen?”
„Ja,”—zei Boy.
„En nu schieten jullie beiden op, want ik moet werken,” loog ik.
„Dat méen je niet,” veronderstelde Boy.
„Waarachtig wel.—Kitty heeft me tòch al zoo lang opgehouden.”
Kitty keek me verwijtend aan, toen opeens begreep ze, zei glimlachend:
„Nou—arme jonge—blok maar niet te hard.”
„Je zoudt er ziek van worden,” vond Boy en er lag een oprechte zorg in
zijn stem.
Toen gingen ze heen, gelukkig met hun beidjes.
Ik ging languit op den divan liggen rooken, dácht niet aan werken.
In den avond, tegen acht uur, kwam Boy oploopen.
„Thee?”
„Graag.—Hier, ik heb lekkere sigaren gekocht—steek eens op.”
„Feestje?” vroeg ik, zoo maar eens.
„Nee—schik in m’n leven,” bekende Boy.
„Zullen we straks naar den Bar gaan?” opperde ik.
„Waarom? Het is hier veel gezelliger.”
„Prettig gefietst met Kitty?”
„Ja—heel prettig;—door de Boschjes. We kwamen den katjang nog tegen en
die wou waarachtig méerijden.”
„Hoe ben je ’m kwijt geraakt?” vroeg ik, het geval grappig vindend.
„Kitty is afgestapt—zoogenaamd omdat haar veter losging—en terwijl hij
heel gelant dien veter weer aantrok, heb ik met een zakmes zijn
achterband lek geprikt.”
„Die is sterk,” schaterde ik.
„Je had dat bezopen gezicht van katjang moeten zien toen hij het na een
poosje merkte.—Toen inviteerde hij ons even te wachten—zoo’n rund!—tot
hij hem gemaakt had. Maar Kitty beweerde haast te hebben, en toen zijn
we maar doorgereden.”
„Het is toch wél bar,” plaagde ik.
„Wát bar?—zoo’n lamme jongen met z’n gele tronie—zoo’n aàp,—dat hoort
toch niet bij ons thuis?”
Het was wanhopig:—Boy babbelde gezellig over koetjes en kalfjes, toonde
al het belang voor den zeiltocht, waaraan het hem dien middag volslagen
ontbroken had,—maar loslaten deed hij niets.—Dat vond ik vervelend,
niet uit onbevredigde nieuwsgierigheid,—maar omdat ik het graag
tusschen Boy en Kitty beklonken had gezien.
Boy praatte honderd uit,—tot het gesprek luwde, en we beiden,
weggedoken in de luie stoelen, nauwelijks elkaar ziende in het doezige
licht der schemerlamp, zwijgen bleven.
Het was een heele poos, tot Boy opeens, met iets prettig warms in zijn
stem zei:
„Ik wou je wat vertellen. Het zou flauw van me zijn als ik het niet aan
m’n besten vriend zei.”
„Als je het vertellen kúnt,”—zei ik, met blij voorgevoel.
„Jawel, aan jou wel.—Je kunt me feliciteeren man,—ik heb vanmiddag met
Kitty gesproken en—nou—we houden allebei van elkaar.”
Ik veinsde groote verbazing, maar wenschte hem ongeveinsd geluk.
„Je had niks aan me gemerkt hè?” veronderstelde Boy zegevierend. „Ik
had niks laten blijken, maar het was toch al wel vanaf den eersten
dag.”
„Neen, je hebt het goed verborgen,” jokte ik.
„En Kitty óok hè—daar heb je óok niets aan kunnen zien,” vervolgde Boy.
„Nee,” beaamde ik, blij dat hij—in het schemerlicht—mijn tot grimassen
verwrongen glimlach niet kon onderscheiden.
„’t Zal je gebeuren—daar ben ik me waarachtig verloofd,” bedacht Boy,
in malle verbazing over het feit.
Ik barstte los in een schaterlach.
„Ja, ’t ís gek,” constateerde Boy, die geen flauw begrip van mijn
lachaanval had.
„En nou ga je hárd werken voor je toekomst,” preekte ik.
„Ja—hoewel dat een beroerde en heel onvereenigbare bijkomende
omstandigheid is,” piekerde hij.
„Leve de Mafkolder!” besloot ik.
HOOFDSTUK V.
DE ZEILTOCHT.
Tegen vijf uur waren we in Enkhuizen beland.
Raar liepen we op den stikwarmen dag, met de overjassen over den arm,
de sportpetten op, langs de pietluttige straatjes.—Heel de bevolking
gaapte ons aan.
We kwamen aan de haven.
„Waar is nou je jacht?” vroeg Boy.
„Daar,”—wees Bram op de boot, die door zijn groene kiel en witten romp
slechts de kleur met een jacht gemeen had, maar overigens door zijn
vormen halsstarrig aan een gewonen kotter herinneren bleef, wat hij dan
ook geweest was vóor dat Bram er een kajuit in bouwen liet en hem van
„De Drie Gebroeders” in de „De Mallemolen” omdoopte.
De havenmeester kwam aan, groette Bram, zeide „genavend heeren” tegen
ons en begon toen een technisch gesprek over de aangebrachte
herstellingen, waarvan vrijwel elk woord een raadsel voor me bleef.
„Wou je vannácht gaan?” vroeg de havenmeester.
„Ja,” zei Bram.
„Het zal mistig wezen,” kwam de voorspelling.
„Zeg, gaan jullie even wat brood en ham en spuitwater en
zoo—halen,”—verzocht Bram afleidend.
We begonnen met in een „café-restaurant” een glas bier te verschalken,
en Boy schreef wel vier prentkaarten aan Kitty, alsof hij op een
buitenlandsche reis was en in geen maanden terug zou keeren. Daarna
bedacht hij wat Kitty’s oudelui daar wel van zeggen zouden en was ik
zoo goed en zoo kwaad niet of ik moest óok een prentkaart schrijven aan
Kitty en toen een aan Non. Waarop—om het evenwicht te bewaren, Boy óok
een aan Non schreef en we vervolgens—om geen afgunsten te verwekken,—er
ook nog ieder een aan bleekneus en propneus penden. Een Hollander, die
in een vacantiereis in den Harz terecht komt, kan zich niet beter van
zijn prentkaartenplicht kwijten dan wij toenmaals.
Dan belaadden we ons dusdanig met bier-, kogel- en
spuitwater-flesschen, dat me een gerstendrankhoudende ontglipte en te
spetter sloeg, wat aan een Enkhuizer juffrouw het rouwbeklag van „Het
is zonde” ontlokte.
We vonden Bram ijverig bezig met het zeildoek van het dek weg te nemen,
waardoor de boot met zijn gezellig witte planken en zijn bruinverniste
kajuit, met raampjes in koperen biezen, werkelijk voordeelig in onze
achting rees.
Boy opende de kajuit, deinsde echter meteen terug.
„Wat heb je?—loop toch door!” spoorde ik aan, daar ik voelde dat weer
een flesch op vallen stond.
„Ga jij er in,” verzocht hij.
En zoo trachtte ik, maar zulk een benauwde adem-ontnemende broeistank
schoof op me toe, dat ik ook van verdere binnendringing afzag.
„Laat maar luchten,” raadde Bram, en we moesten hem helpen met uit het
voorruim de eindeloos groote zeilen op te sjorren. Terwijl ik er de
ijzeren ringen van op een stalen kabel reeg, klom Bram in den mast om
een verward touw weer op de katrol te leggen. Boy deed niets, behalve
ons voortdurend in den weg loopen en telkens, tusschen de trekken aan
zijn sigaar, neurieënd van:
„You can always tell when a coon is in love”
waarbij ik tot mezelven de opmerking maakte, dat je daar nu niet
beslist een neger voor behoefde te wezen.
Van den wal hadden we veel bekijks; heel de Enkhuizer jeugd stond te
staren naar „de heeren van de Mallemolen.”
„Wat doene ze met die boot?” vroeg een bengel.
„Niks,—zoó maar,—vare,” verklaarde er een wijs.
„Gossie, wat hei je daár nou an?” verwonderde zich de bengel, en ik heb
die vraag, gedurende den tocht, vaak bij mezelf herhaald, zonder er een
bevredigend antwoord op te kunnen vinden.
Boy,—onverstoorbaar, liep over het dek te dazen en den coon-song te
herzingen.
„Allemachtig kerel,—je lijkt wel een fonograaf, en een beroerde oók;”—
vond Bram.—„Doe nu eens even iets verstandigs. Hier—vul die lampen maar
eens.”
„Als je nóg eens wat hebt,”—voorzag Boy een poosje later, toen hij een
wanhopigen smeerboel op het dek had gemaakt en Bram hem een zwabber
aangaf—„als je nóg eens wat hebt... Alle goden, een aandeelhouder van
de Nederlandsche Petroleummaatschappij kan er niet zoo naar stinken als
ik het doe.”
Boy’s begrip van zaken was toen nog bijzonder oorspronkelijk.
„Zeg, ruimen jullie de kajuit wat op,” verzocht Bram.
De stankverschrikking was eenigszins bedaard, en we konden ons
rekenschap geven van hare oorzaken. Het eerste wat mijn oog trof was
een rijtje van drie paar schoenen, die zich onder een dons van groene
schimmel verscholen. Boy pakte—aan een pink ze ruim van zich
afhoudend—een broek, die in verregaanden staat van ontbinding
verkeerde, en vervolgens een jas, die dusdanig was verteerd,
dat—volgens Boy—er over een paar weken wel niet veel meer dan de
knoopen van waren overgebleven.
Het was een zwijnderij van belang: verroeste messen, gebroken glazen en
borden, verwarring van pappig pakkende dekens op de twee britsen,
zeekaarten verscheurd en verfomfaaid verspreid over de hevig-vuile
vloer,—en tusschen al die veelkleurige, kwalijk riekende voorwerpen
lag, eigenwijs, het bandje vettig met petroleum doortrokken:—„Fidessa”
van Couperus, wat we hier allerminst verwachtten.
Boy vond nog een groot aarden vaatwerk vol bruine boonen, die allen
griezelig-wit krioelende wortels hadden geschoten.
„Zeg Bram, daar is misschien nog wel wat van te maken,” vond Boy, hem
de boonenverzameling onder de neus stoppend. Maar Bram met een
verwrongen walggrijns haastig terugwijkend, beval:
„Over boord met die smeerlapperij; alles wat niet meer gebruikt kan
worden over boord.”
„Als je nu eens zei wat nog wél gebruikt kon worden,”—meende ik—„dan
waren we gauwer met opruimen klaar.”
„Hoe komt het hier zoo’n rommel?” vroeg Boy.
„Och—van den vorigen tocht. Toen hebben we zware zee gehad; de kajuit
drééf gewoon. Je snapt, zeewater, dat is de pest voor alles.”
„Was de zee toen zoó erg?” waagde ik.
„Bár. De twee lui, die mee waren, lagen voor mirakel, waren te lam dat
ze nog bij de pomp konden blijven.”
Ik dacht aan de mist-voorspelling van den havenmeester: het zag er nu
niet beslist aanmoedigend uit, en ik vroeg me af in hoeverre Boy en ik
vannacht oók kans hadden om voor mirakel te liggen; een mirakel van uit
zich zelf gekeerdheid vermoedelijk.
De kajuit kwam in orde, nadat het kalme water van de Enkhuizer haven
verscheidene kleedingstukken, schoenen, leege flesschen, verroeste
pannen en half vergane onkuischheden uit „Le Rire,” „Simplicissimus,”
„Fantasio” en andere, niet voor jonge meisjes geschikte plaatwerken,
had verzwolgen.—Het roekeloos verdrinken van kleeding en schoeisel ging
den toeschouwers van den wal aan het hart en meer dan eens klonk een
meewarig „Het is zonde”—wat in Enkhuizen tot de staande uitdrukkingen
schijnt te behooren.
Het zag er binnen nu werkelijk netjes uit. De bedden waren tot
rustbanken opgemaakt, de schoonste dekens bóvenop, want het oog wil ook
wat. Een met rasterwerk omkringelde lamp hing aan de zoldering; op een
tafel waren onze eetwaren uitgestald, op de rekken daarboven het
eetgerij. In een hoek stond een tonnetje, wat door de waljeugd tegen
een centenuitdeeling met zoet water was gevuld. Ook hadden we een potje
boter bemachtigd. Links van den ingang, op een breede plank, lagen de
„instrumenten” en was de „kaartenafdeeling”.
De instrumenten bestonden uit een schietlood, een thermometer, over
welks doel Bram zich veilig maar niet uitliet, een wekker, bijwijze van
scheepsklok voor het oorlam, dat Bram ons op ongeregelde tijden
veelvuldig beloofde uit te deelen,—een toeter waaruit Boy, zich
oefenend, darmverdraaiende jammerklachten joeg,—en ten slotte een
kompas, dat ik dadelijk den weg van de schoenen, de onzedelijke platen
en de beschimmelde kleeren had laten volgen, indien ik vermoed had
welke stiekeme parten het schijnheilige ding me spelen zou. Voorts
stond er een dievenlantaarn, die het kompas zou belichten en waarbij
men de kaarten kon raadplegen.
In mijn onnoozelheid keek ik deze hydrographische spullen niet verder
in, in den waan verkeerend, dat een scheepskaart wel niet meer
moeilijkheden zou baren dan een landkaart.
Na al die bezigheden sloot Bram de kajuit en gingen we aan wal, waar
opeens een raar gekleede kerel me aansprak:
„Je suis russe”, verklaarde hij.
„Je suis hollandais,” antwoordde ik logisch.
„Je suis peintre,” vervolgde de rare kerel, die een pilopak droeg en
een grooten sombrero op zijn bol gedeukt.
„Kijk—die halleve gare mot óok mee,” veronderstelde een kwajongen.
Ik kon moeilijk den „halleve gare” antwoorden, dat ik géen schilder was
en bewaarde dus een afwachtend stilzwijgen.
„Serait-il possible de vous accompagner?” vroeg de kwastenwellusteling
weer.
„Le capitaine—c’est lui,” verwees ik naar Bram, die me verwenschte en
hardop zei:
„’k Wil den vent niet meehebben.”
„Laat hem de tafels in de kajuit opverven, die hebben een beurtje
noodig”, kwam Boy bemiddelend.
„Je regrette, il n’y a pas de place”, zei Bram met een gezicht van een
kapitein wiens monsterrol volteekend is. De Rus mompelde een „pardon”
en bleef op den wal achter.
„Zoo—nu hebben we dus óok al een walrus gezien”, merkte Boy zouteloos
op.
In het „café-restaurant” aten we leerachtige kalfslapjes en kiezelharde
doperwtjes; de omelette, die volgde, smaakte naar petroleum, wat den
kapitein zich deed herinneren dat hij er koopen moest, omdat Boy
minstens een liter vermorst had. Daarop werd Bram door de
prentkaartendolheid bezeten, waaronder vooral Toos lijden moest. Als de
meisjesleden van den Mafkolder nu nog niet wisten hoe Enkhuizen er
uitzag, was het niet onze schuld.
Beladen met een flesch cognac en een dito petroleum, met krentenbrooden
en lampenglazen—de bijeenvoeging wás zonderling!—kwamen we aan boord
terug. Het was half acht en het begon te schemeren.
Nu werd het méenens.
„Kun je sturen?” vroeg Bram.
„Dat zal wel gaan,” meende ik blufferig.
„Smijt de touwen los,” beval de kapitein aan Boy—„en help me het zeil
hijschen.”
Dit bolde flauwtjes op.
„Er is geen wind,” wanhoopte Boy.
„Hou je bek!” kwam Bram ongemakkelijk. „Bakboord!” was het tegen mij.
„Je bedoelt rechts?” waagde ik, zonder eenig benul van scheepstermen.
„Nee links—boerenheiplag—ja zóo!” schold Bram me uit.
„Als je mij maar zegt waar ’k heen moet,” verzocht ik schuchter.
„De háven uit.”
„Jawel—dat snap ik, maar waár?”
„Tusschen dat groene en dat roode licht door!” helderde Bram op.
Bukkend, keek ik onder het opbollende zeil door: kwam tot de
ontdekking, dat de geheele haven van roode en groene lichten
wémelde.—Ik stuurde luk-raak op twee af, en Bram kreeg haast een
beroerte.
„Nee—uilskuiken, kaffer!—daar—daár!” wees hij wild gebarend met het
hoofd, waar hij met volle macht den fok aan het optrekken was.
Ik bespeurde de twee lichten en hoewel ik heelemaal niet begreep hoe
Bram wist, dat het juist deze beide waren en niet een paar van de
overige dozijnen, stuurde ik er dapper op af.
Ditmaal lukte het. Ik had den meevaller dat noch bakboord noch
stuurboord tegen de pieren aanbonkten, en langzaam gleed de Mallemolen
de Zuiderzee in.
Boy had een mallootigen schik in het lampen-opheischen, een roode en
een groene, halfweg het want.
„Mag ik nu eens toeteren?” vroeg hij dan.
„Dat laát je!” gebood de kapitein, die mij tot eersten stuurman en Boy,
wiens volmaakte gebrek aan zeevaartkunde voldoende gebleken was, tot
steward had benoemd.
„Krijgen we dan een oorlam?” zanikte Boy weer, die een kinderachtig
plezier in het tochtje kreeg.
„Houd nu toch éven je gemak,” verzocht Bram, die in de scheepskaarten
scharrelde, waarvan hij er tenslotte een, in het schijnsel van de
dievenlantaarn, ontvouwde.
„Kijk—zoó moeten we varen,” legde hij uit.
„Ik snap er geen snars van,” bekende ik eerlijk.
„Och—hier heb je Enkhuizen, en hier heb je Marken,”—terwijl hij blauwe
plekken aanwees.
Nu was ik gewend dat op een kaart water blauw was. Als men blauw ziet
is dat water. Dat is vast. Maar hier was het juist anders om: blauw was
land en wit was water. Wat een weersprakigen geest moet de man hebben
gehad die deze kleuraanduiding verzon!
„Zie je—dan moeten we op dát licht eerst aanhouden,”—legde Bram verder
uit, op een gemoedelijken, zéer ondisciplinairen toon tegen zijn
minderen.
Ik gluurde weer onder het zeil door, bespeurde véle lichten, die allen
op elkander geleken; temidden daarvan glom de sigaar van Boy, die op
den boeg languit neerlag.
„Ja—kijk nu maar niet, dat licht zien we later wel;”—moedigde Bram aan
en vervolgde zijn aanwijzingen met: „En op zee wijk je links uit en
haal je rechts in.”
Al die tegenspraken werden me wat machtig; eerst blauw land en wit
water,—nu dit weer.
„En als er mist komt blaás je op den toeter.”
„Dan wek je mij maar,” mengde de steward zich vanaf den boeg in het
gesprek.
„Ja, maar moet ik hier nu al maar aan het roer blijven staan?”—vroeg
ik, onder den druk van mijn verantwoordelijkheid.
„Ik kom je aflossen,”—beloofde Bram, en dan—om me te paaien: „Je stuurt
heel goed, ik kan het veilig aan je overlaten.”
„Zeg—is die conferentie nu afgeloopen en krijgen we dat oorlam?” kwam
de steward.
Zittend in den kuil, achter de gezellig verlichte kajuit, rookten we,
dronken den lang verbeiden cognac.
Achter ons, met vele geheimzinnige lichtjes, lag Enkhuizen. De lijnen
van de daken en van den wijzen stompen toren, staken scherp af tegen
den nog éven glorenden avondhemel. Op de zee overal ook de
sprookjesachtige lichtjes. Dan kwam de maan op, groote rossige schijf
in zwavelgele dampen.
„Het zal wel mistig wezen vannacht,” peinsde Bram. Maar het deerde me
niet meer: ik voelde me zóo thuis aan boord, dat het leek of ik nooit
anders gedaan had. Ik wist nu dat blauw land was en wit water; ik wist
wat stuurboord en bakboord beteekenden; ik wist links te passeeren, te
toeteren met mist. Kortom—er was niets te vreezen, ik was vertrouwd met
varen. Wat drommel, zijn wij Hollanders geen gebóren zeevolk?
We rookten—Boy neuriede weer van:
„You can always tell when a coon is in love”
en lokte geen tegenspraak meer uit.
„Nou,”—zei de kapitein opeens—„ik ga naar kooi. Hou nu maar Z.Z.W. daar
op dat licht aan en hou je kluisgaten open.”
Ik verwonderde me hoe een mensch altoos zijn spreekwijze naar zijn
omgeving schikt, loerend naar het aangewezen licht, waar ik me voornam
recht op aán te sturen.
Bram knoopte zijn vest los, legde den boord af, wees me waar de
zuidwester en de oliejas hingen, zei nog „Z.Z.W. hè?”—en mafte dan
meteen in.
Er kwam een stevige bries opzetten en op een korte deining begon de
Mallemolen hevig stampend te keer te gaan, mij bij elke neerbonzing een
heftigen opstopper van de roerpen in mijn lendenen bezorgend.
Boy, die al niet meer zong van hoe je altoos vertellen kon wanneer een
neger verliefd was, ging oók naar kooi. Ik had nog geen flauw
vermoeden, dat hij aan zeeziekte leed. Toen hij naar Canada was
overgestoken, kreeg ik een reclamebriefkaart der maatschappij met een
daglijst van den overtocht; bij „Saturday 15th:—Strong head gale.
Dangerous sea. Squalls.”—had hij aangeteekend: „Dien dag zag ik mijne
diners tweemaal.” Toen echter vermoedde ik niet ook nog eens de
lederachtige lapjes en de kiezelerwtjes weer te zullen zien.
Daar stond ik heel alleen. Het werd koud, maar ik kon het roer niet
loslaten om mijn overjas aan te trekken. Strak stond ik te turen op het
licht in de verte en schrok hevig toen een groote tweemaster met volle
zeilen, als een vliegende hollander, rakelings achter me dwars door ons
zog stoof. Ik was nog heelemaal van stuur (hoewel ik er aan stond) door
die spookverschijning en nam me juist voor nu in het vervolg toch ook
eens rechts en links van me te kijken, toen het licht, waarop ik pal
aanhield, opeens schrikbarend helder werd en ik er onder de donkere
vormen van een stoomboot ontdekte. Haastig week ik links uit voor het
ongedierte. Het zeil flapperde even onbeslist heen en weer, en vanaf de
stoomboot schreeuwde men mij iets toe waarin ik een onaangename
bedoeling vermoedde. Maar het zeil hernam zijn stand en het ontging me,
dat bij het uitwijken het compas goedmoedig op Z.Z.W. was blijven
staan. Thans had ik ruimschoots de keuze tusschen vele lichten waarop
ik ter afwisseling eens aanhouden kon, maar ik vertrouwde het geval
niet bijster meer en bleef strak het compas beturen.
De wind was nu wat gaan liggen en om de maan, die links achter me stond
(men vergeve mij deze zonderlinge lengte- en breedte-bepaling),
sluierde zich een dichte damp.
Het werd vinnig, vochtig koud. Ik zette de cognacflesch aan den mond en
nam een slok; niet eens zoo’n heel erg grooten.
Dan bleef ik maar weer turen, legde de roerpen in mijn rechterzijde,
toen ik mijn linker blauw gebonsd vermoedde, en vloekte op de korte
Zuiderzee-deining.
Hoe lang het duurde weét ik niet, maar een feit van belang was, dat ik
opeens de gesluierde maan recht voor den boeg ontwaarde.—Het kompas
stond nog almaar op Z.Z.W. Zou de maan vannacht zoo’n haast gehad
hebben? Doch eer ik me rekenschap kon geven van het alleszins
onverklaarbare natuurverschijnsel, kwam met veel flapperlawaai het
groote zeil over.
Net had ik het begrip me niet van de wijs te laten brengen door den
hevigen mep, dien de schoot mij tegen de ribben toebracht en me er
stevig aan vast te klampen,—en toen hing ik met zeil en al buiten
boord. Onder me klotste gezellig het water, waar ik liefst uit bleef.
De boot, die onbeheerd dwars voor den wind te liggen kwam, begon hevig
te keer te gaan.