Maar in de bekendheid van zijn kamer kwam hij los: het was e

HANS MARTIN

MALLE GEVALLEN

EEN KLUCHTIG VERHAAL

ZEVENDE DRUK

ROTTERDAM MCMXVIII

W. L. & J. BRUSSE’S UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ

VOORWOORD BIJ DEN EERSTEN DRUK.

Voorwoorden zijn werkelijk buitengewoon onuitstaanbaar. Toch kan ik er

niet aan ontkomen.

Dit boek is louter een verzinsel en als een grap bedoeld. Ik verklaar

dit niet om mijzelf tegen zedelijke verdenkingen te vrijwaren of om

mijn eigen, op den voorgrond geschoven beeltenis weer terug te trekken

en voor den lezer te verhuichelen.

De schrijftrant in eerste persoon werd gebruikt omdat hij mij

levendiger leek en meer voor dit onderwerp geschikt; overweging die me

ten kwade kan komen!

Dat wie zich verontschuldigt zich beschuldigt is dus niet op dit

voorwoord van toepassing, daar het niet als een verontschuldiging werd

bedoeld.

Dit voor wie de grap eens als ernst mocht opnemen.

Rome, 1913. Hans Martin.

HOOFDSTUK I

HOE WE ELKAAR LEERDEN KENNEN.

Om iedereen maar dadelijk den waan, dat dit boek eens een roman mocht

zijn, te ontnemen, begin ik met te vertellen hoe het afgeloopen is:

Loekie heb ik niet gekregen. We schreven nog een jaar lang, tot de

briefwisseling al schaarscher werd en eindelijk ophield. Toen kwam er

een heelen tijd niets en eindelijk het bericht, dat Loekie getrouwd was

met een rijwielhandelaar, die haar Zondags Loewiese noemt en de overige

dagen van de week: vrouw, sloddermadam, lachebek—en zoomeer, al naar

gelang het uitkomt.

Boy kreeg Kitty wel. De jaren slijten oude misverstanden uit en toen de

farm in Canada eenmaal goed ging, trouwde Kitty in Nederland met den

handschoen om daarna in Montreal, waar Boy haar wachtte, dit weinig

opwindende vóórhuwelijk meer hartstochtelijk te bevestigen. Hun

vereeniging werd gezegend met twee kinderen, die daar te midden van

kudden paarden, koeien, stieren, schapen en ander ongedierte, welig

schijnen op te groeien.

Bram werd, na den ontijdigen dood van zijn geheimzinnigen oom,

beheerder van de exportfirma van zijde en thee te Nangking en trouwde

onlangs met een Amerikaansche, die volgens zijn schrijven „ongelooflijk

rijk maar jong en wondermooi is”.

Ik ben ongetrouwd gebleven en verlies met de uitgave van dit boek de

laatste kans om het nog ooit te geraken.

Trouwens eigenlijk hadden Boy of Bram dit verhaal moeten schrijven,

want ik ben meestal slechts toeschouwer of lijdend voorwerp bij hun

malligheden geweest. Maar ze bezweren beide daar geen tijd voor te

hebben. Overigens moet ik bekennen, dat hun taal aan het verbasteren

raakt. Boy schrijft geregeld „wel” met een dubbele l, gebruikt

uitdrukkingen als „ik schud handen met je”, onderteekent met „yours

truly” en beweerde onlangs, dat de ontdekking van een bedrog in zijn

bedrijf, hem verschrikkelijk had „opgezet”,—waarop ik hem engelsch zout

aanraadde.

Bram begon verleden zoowaar een brief met „Beste Hangs” waarin ik een

teeken van algemeene verchineezing meende te bespeuren. Ik vroeg dan

ook om een portret, teneinde te zien, of hij al spleetoogen begon te

krijgen, maar ontving als eenig antwoord een pakje, dat ik bij de

romeinsche douane voor 12 Lire kon inlossen.

Nu had juist de postzegelsjaggeraar bij wien ik geregeld mijn

canadeesche en chineesche zegels verpats als ik in geldnood zit,

beleefd doch beslist geweigerd nog meer dezer rariteiten van me aan te

koopen. Het duurde dus lang eer ik op mijn eerlijk gezicht—dat ik

niettegenstaande alles behouden heb—de inlossom bijeen had. Ja, het

duurde zoolang, dat de douane gelegenheid had tallooze kisten op het

geheimzinnige pakje te stapelen en ik, thuisgekomen, bemerkte dat de

chineesche theepot in gruizelmenten was. Voor een vriendenprijs en een

lang gezicht nam de koopman hem over voor 7 Lire en 30 centesimi.

Toen schreef ik een onaangenamen brief aan Bram. Verleden zag ik hem

(ik bedoel den theepot) opgelapt in de uitstalkast staan met het

onderschrift: „Vero cinese”. Prijs 60 Lire.

Toen schreef ik een zéér onaangenamen brief aan Bram. Ik mag dan ook

lijden, dat hij ten eeuwigen dage zal blijven lekken; (ik bedoel alweer

den theepot).

Dit ter kenschetsing van onze huidige verhouding.

Boy was een nieuweling, had na de groote vacantie examen gedaan voor de

vierde klas H. B. S. te Leiden, na in Den Haag met een „succes fou” te

zijn gezakt.

We kwamen naast elkaar te zitten, stelden ons voor en zeiden

„aangenaam”, waarop ik hem een stompje potlood leende, wat onmiddellijk

door zijn zak in de voering van zijn vest terechtkwam. Boy besteedde

den verderen ochtend met het nuttige voorwerp er uit te peuteren.

’s Middags hadden we boekhouden bij Koos. Koos was een onaangename man,

wiens stem me steeds herinnerde aan muffe oudbakken beschuit. Boy had

dadelijk een hekel aan hem en beweerde nooit een sikkepit van

boekhouden te hebben begrepen; achteraf is het daarom heel

verklaarbaar, dat hij zijn farm-zaken goed beheert.

Koos begon:

„Zeggen we nu eens dat A zendt aan B een chèque, groot 5000 gulden.”

„Zond ie ’m mij maar,” hoopte Boy.

„Wat zei je?” vroeg Koos, die streng wilde doen met den nieuweling.

„Nee—’t is al weer over,” verklaarde Boy.

„... Groot 5000 gulden,” hervatte Koos.

„Och man stik met je 5000 gulden,”—mompelde de nieuweling.

„Ik geloof dat je alwéer iets zei,” bekende Koos.

„M’n maag rommelde, ik krijg zoo’n honger,”—en mijn buurman geeuwde.

Het gezanik over de chèque ging weer door en Boy zat met een

onverschillig gezicht naar buiten te kijken, waar de zon lokte.

„Wat doe je?” vroeg Koos, die al het land aan hem had.

„Ik?—ik kijk naar buiten.”

„En waarnáár kijk je dan?” kwam Koos, die Boy wel klein zou krijgen.

„Naar het dak,”—zei deze onverstoorbaar.

„En wat zié je dan toch op dat dak?”

„Een vlieg,” openbaarde Boy.

„En wat is er dan met die vlieg?” hield Koos aan, met ingehouden woede.

„Ik—ik kijk naar z’n holle kies, m’nheer.”

Een gevoel of al mijn gedarmte en verder innerlijk bezit in beroering

kwam deed me naar de deur rennen, waar ik even vóór Boy aankwam, bij

wiens loopen het been van Koos belangrijke diensten bewees. Boy gaf

zijn overtollige snelheid aan mij af, kwam zelf tot stilstand en sloot

netjes de deur, zeggend:

„Poppetje gezien, kastje dicht.”

Maar Koos’ hoofd verscheen weer:

„Naar den directeur!” brulde hij.

„Ja straks, even uitlachen,” hinnekte Boy.

Maar toen de leeraar weer opstuiven ging, tolden we beiden de trap af

en stonden opeens, zonder kloppen, in de directeurskamer.

De Dirk keek vreemd naar onze roode hoofden, onze tranende oogen.

„Wat komen jullie doen?”

„We zijn er uitgedonderd,” verklaarde ik, lichtelijk in de war.

„Wàt?” kwam de Dirk.

„We zijn er uitgebliksemd,” verzachtte Boy en ging opeens heel

oneerbiedig zitten, met den zakdoek voor den mond.

„Er zit inkt aan je zakdoek,” merkte ik nog op.

„Wel, alle goden!” schreeuwde de Dirk, die een klassieke opvoeding

affecteerde.

Voor de eerste maal zag ik den Dirk nijdig, terwijl hij toch indertijd

heel kalm gebleven was, toen hij onverwacht den ganghoek omkwam en

ik—die een ánder stond op te wachten—hem pardoes een vuilen krijtlap in

het gezicht sloeg.

Het duurde een poosje eer Boy het voorval had kunnen vertellen.

„En wat heb jij daarmee te maken?” wendde de Dirk zich tot mij.

„Ik—ik moest zoo láchen,” jammerde ik.

Toen schreef de Dirk twee brieven aan onze ouders, deed boos de deur

achter ons dicht. We gingen een borrel drinken in den „Vergulden Turk”

en Boy miste den haagschen trein, waarop ik hem ten eten uitnoodigde en

na de soep terloops den brief aan mijn vader gaf.

Het gesprek vlotte toen niet erg meer.

Na tafel bracht ik Boy naar den trein.

„Lekker gegeten,—maar over het algemeen weinig conversatie,” meende

hij, het portier dichtslaande, waardoor de dop van een heer, die er net

nog even uit wilde, gekneld raakte.

„U doet beter uw hoed voortaan in het netje te leggen,” raadde Boy,

„tenzij u de voorkeur aan een deukhoed geeft, hoewel ik niet geloof dat

dit model u staan zal...”

Toen reed de trein gelukkig weg.

En Bram?... Bram was de man die uit de lucht viel. Hij komt in het

volgende hoofdstuk.

HOOFDSTUK II.

DE MAN DIE UIT DE LUCHT VIEL.

Het was einde September. Boy had den delftschen groentijd achter den

rug en besteedde elken morgen een uur tijd en tevens veel cosmatique en

andere vetten om een scheiding in zijn korte haren te trekken; het was

die bezigheid, die hem belette wat anders uit te voeren. Ik was in Den

Haag komen wonen om me voor het staatsexamen voor te bereiden; waaróm

heb ik eigenlijk nooit geweten. Kortom, we zaten aan het scheveningsche

strand, ieder in een badstoel.

„Wat zullen we noú doen?” vroeg Boy.

Nu hadden we al héél wat gedaan. Den vorigen avond dronken we in den

Kurhaus-bar vele whisky’s and soda’s en verschillende globbers en aan

het einde van den avond was ik bijzonder familiaar met de beide

Ramagnano’s geworden en toonde toen reeds mijn toekomstige sympathie

voor Italianen. Boy beweerde, dat ik de roode jasjes had willen

aantrekken, maar Boy was zelf niet helder meer; ik weet alleen, dat ik

een heelen tijd heb zitten morrelen om in lijn 10 in te stappen aan den

kant waar het hekje dicht was en dat ik—door de tram loopend—in een

verraderlijke bocht op den schoot van een dikke dame ben gevallen. Boy

beweerde alweer, dat ik toen iets gemurmeld heb van: Pardon mevrouw,

mag ik even bij u komen zitten?—maar ik herhaal het—Boy was zelf niet

lekker en stond op het achterbalcon aan een heer uit te leggen, dat het

toch zoo vreemd was dat je in Holland nooit watermeloenen zag, terwijl

er toch zoo’n boel water was. En toen de heer dat beaamde en het ook

heel vreemd vond, vroeg Boy:

„Van watermeloenen gesproken,—kent u die overeenkomst tusschen een

lantaarnpaal en een kanarievogel?”

„Nee,” zei de heer, die Boy au sérieux nam.

„Wel,” legde Boy uit (tegenwoordig zou hij well zeggen)—„heel

eenvoudig: een kanarievogel zinkt—ziet u—en een lantaarnpaal—nou, die

is óók van ijzer.”

Daarop had Boy bij mij een glas melk gedronken en was op mijn canapee

ingedut. Midden in den nacht hoorde ik hem voordragen:

„de po—de po—waar is de po gebleven?

de po—de po—waar heb je ’m nou gezet?

de po—de po—’k moet overgeven?

de po—de p—ááh—álles in m’n bed?”

en ik spróng uit m’n dekens, liep naar hem toe:

„Ben je niet lekker?”

„Lekker als kip,”—gromde hij, en raadde toen aan:—„Geef ’m nóg een

schop—hij is nog niet dood,—je ziet toch wel dat die kip geen eieren

meer kan leggen.”

Toen liet ik hem maar liggen.

We zagen er ’s morgens eenigszins onfrisch uit en besloten op den Baf

wat te gaan „schooieren”, om weer bij te komen. Maar na een uur spelens

bekende Boy, dat zijn armen zoo lam waren alsof hij den heelen nacht

koffie had gemalen, en kort daarop, bij een verwoed netspel, joeg hij

me een bal in het gezicht. Toen ik de scherven van mijn lorgnet ineen

te passen stond, en Boy droogjes opmerkte: „Ja zóo heeft het

gezeten,”—kwam er een jongmensch met een meisje en moesten we de baan

af. Datzelfde jongmensch, en jammer genoeg niet het meisje, kwam dien

middag op mijn hoofd vallen, terwijl Boy Edgar Allan Poe’s „Raven”

verdietschte.

Maar dat komt nu.

„Zeg—suffert—geef eens antwoord;—wat gaan we noú doen?”

Ik had zin in paardrijden, maar bedacht, dat er al een kleine scheur in

het kruis van mijn broek zat en zei toen:

„Laten we een eind oploopen.”

Zoo deden we en lagen daarna tegen de duinhelling, dicht bij de

batterij, en Boy was met zijn vertaling al gekomen tot de vloeiende

verzen van:

„Ik geloof waarempel datte

er is iemand aan de vensterlatte,

alleen maar datte en niks nie meer.”

En ik verbasterde Perk’s „Iris” door den bekenden variant:

„Ik ben geboren in Apeldoorn

en m’n zuster in Zierikzee”

toen er een hoop zand in m’n nek schoot, ik een verschrikkelijken bons

op m’n hoofd voelde, een groote schaduw over me heen zag schieten en ná

al die onaangename ondervindingen het jongmensch van de tennisbaan

ontwaarde, die zijn lorgnet opdolf, zijn hoed opzette om dien

vervolgens weer af te nemen en te zeggen:

„Pardon, mag ik me even voorstellen? m’n naam is Bram.” [1]

Boy sprak van een „blijde verrassing” en ik dreef de conventioneele

leugen zoover door „aangenaam” te zeggen en voegde er aan toe dat ik

óok gaarne mijn hoed zou afnemen, als het jongmensch er niet op zát.

Hij stond op, bood me te zamen met vele verontschuldigingen mijn

platgekraakt hoofddeksel aan.

„Ik ben boven op het duin uitgegleden,”—legde hij uit—„en ’k kreeg

zóó’n vaart, dat ik me niet meer houden kon.”

„Dat heb ik gevoeld,” merkte ik op, terwijl ik ondervond, dat de

stroohoed aan alle pogingen om hem in fatsoen te herstellen een

wanhopigen en beslisten weerstand bood. Boy beweerde inmiddels, dat

zijn sigaar van den schrik was uitgegaan en maakte van de gelegenheid

gebruik er een aan Bram aan te bieden, terwijl deze bezig was zijn

zakken en schoenen van zand te ledigen. Bram nam de sigaar en ging er

bij zitten, na voorzichtigheidshalve gevraagd te hebben of hij ons niet

„ophield”. Boy en ik waren beiden bijzonder vriendelijk, want we hadden

het meisje gezien en opgemerkt, dat Bram op den Baf een club had; dat

was meer dan ooit—afgezien van de oorspronkelijke wijze van

kennismaking—een reden om aan te pakken.

Bram bleek student in de letteren te Leiden te zijn ná het haagsche

gymnasium met veel horten en stooten te hebben doorloopen. Het feit dat

hij een a-gymnasiast was verklaarde me onmiddellijk zijn onhandigheid

om net op mij te ploffen, terwijl er toch links en rechts plaats te

over was. Bovendien vertelde hij bezitter van een zeiljacht te zijn.

„Wat zullen we noú doen?” vroeg Boy weer.

„Laten we een kop thee in den Bar drinken,” stelde Bram voor, wiens

voorliefde voor thee tóen reeds bleek.

„Ja—denk je dat ik voor gek met dien hoed loop?”—wierp ik tegen.

In de galerij kocht ik een nieuwen; hij was van de laatste mode, stond

me belachelijk, zat me ongemakkelijk en kostte peperduur. Toen stapten

we den Bar binnen, die er verdacht leeg uitzag. Slechts in den

binnenzaal zat een lawaaiig groepje jongelui, waarvan er een dadelijk

op Bram afstoof.

„Goeie genade,” zei Bram—„Dirk is weer zat.”

Maar zatte Dirk had de armen al om zijn hals geslagen en na in éen adem

te hebben verteld, dat ze al in geen twee nachten naar bed waren

geweest, dat één van hen in de kast zat en dat men voor dien avond een

reusachtig diner bij Levedag in Leiden had besteld, vroeg hij,—bête

lachend:

„Zeg Bram—wil je me even aan die ridders voorstellen?”

Dat gebeurde en we moesten bij het troepje losgelaten lawaailingen

komen zitten.

Nu is er niets onaangenamer, dan met een nuchter hoofd temidden van een

verfoven gezelschap terecht te komen, en om dat ongemak te bezweren

zijn er twee middelen: óf uitknijpen, óf zoo gauw mogelijk zélf de

hoogte krijgen. We besloten tot het laatste. Een paar ferme cocktails

hadden ons gauw op het gewenschte peil gebracht. We sloegen óok op

tafels, smeten óok met brokken ijs, braken óok glazen stuk, schreeuwden

óok onhebbelijkheden tegen degenen, die zich in den Bar waagden; kortom

we werden even kwajongensachtig als de anderen.

Van het diner kwam echter niets door de ruziezucht van zatte Dirk. De

koetsier wenschte een gulden méer omdat Dirk de zweep gebroken had en

Dirk antwoordde, dat hij zich opblazen kon; toen merkte de

kaartjesknipper op, dat het eendaagsch retour niet meer geldig was en

Dirk vond dat hij voor zijn part doodsputteren kon. Daarop kwam de A.

K. O. en bood het „Leven” aan, maar Dirk meende dat er al leven genoeg

was—wat een feit mocht heeten, want onze trein reed juist weg—en toen

begon de A. K. O. sarrend te zingen: „Iö vivat, iö vivat—de studenten

benne zat”—en kreeg van Dirk een schop in zijn zitdeelen. Na al die

uitputtende discussies viel Dirk in de wachtkamer in slaap.

Boy, Bram en ik, die nog steeds de hoogte hadden, zochten elders

vermaak, voor zoover dat in een station te vinden is.—Bram—een

meisjesgek—bood viooltjes aan de juffrouw van den krantenkiosk, die in

voortdurenden onmin met den brutalen A. K. O. leeft; Boy stond rechts

en links te zoeken naar de klok en vroeg toen aan een heer waar dat

ding gebleven was. Deze wees hem, hoe hij er juist onder stond, waarop

een ingewikkeld sterrenkundig gesprek volgde over Greenwichtijd, daar

Boy niet meer snapte of die klok nu twintig minuten vóór of achter was.

Daarop stak hij een sigaar op en vroeg aan den heer of deze al die

nieuwe zweedsche lucifers had gezien, die den kop aan den anderen kant

hebben, waarop de aangesprokene zeide, dat—als Boy hem vernachelen

wilde—hij dan vroeger bij de hand moest wezen. Maar Boy is een

vredelievend mensch en vertelde hem een groot geheim, een wonderbare

uitvinding—doodeenvoudig, voor de hand liggend, maar je moest er maar

op kómen: hij wou een fabriek opzetten van theekopjes en ketels,

nachtvaatwerken en andere, met het oor aan den anderen kant voor

personen die links waren. Waarop de heer „stik” zei en Boy antwoordde:

„na u, m’nheer.”

Nog mompelde de verbolgene: „Ik ben gek dat ik met u praat,” en Boy

boog, zeggend: „Ik ben te beleefd om u tegen te spreken.”

Toen kwam de trein. Ik duwde Dirk die riep: „Ja—juffrouw.” Ik gaf hem

nog een stomp en Dirk vervolgde: „Brengt u me het scheerwater?” Een

derde opstopper bracht er: „Heeft de post iets gebracht?” uit en toen

deed Dirk zijn oogen open, keek stompzinnig rond en vroeg: „Hoe laat is

het?” Het kostte veel moeite hem tot opstaan te bewegen en in de haast

kwamen we in een eerste klas terecht, waar Dirk onmiddellijk weer

indommelde.

Boy trapte bij het binnenstormen een oud heertje ongemakkelijk op den

voet en schreeuwde meteen:

„Au—god vertroost me—wat een harde teenen heeft die m’nheer.”

„Lompe vlegel—kijk waar je loopt,” stoof de ouwe heer met

pijn-vertrokken gezicht op.

„Zet uw voeten niet onder de mijne,” woedde Boy terug en toen even de

werkelijk groote beenuiteinden beschouwend:

„Als je zulke groote voeten hebt, neem je een coupé alléen.”

Toen stak Boy een sigaar op. Maar het ouwe heertje dat op bersten

stond, snauwde:

„U kunt hier niet rooken!”

„Ikke wel—ziet u?” en hij pufte den rook in zware walmen uit. „Het is

heel gemakkelijk, of hebt u het nooit kunnen leeren?”

„Ja maar—het is geen gewoonte...”

„Och—ik heb geen bijzóndere gewoonten,—ik rook als ik er net zin in

heb.”

„Het is verbóden m’nheer,” en het ouwe heertje timmerde met zijn stok

op het plaatje „Verboden te rooken.”

„Sla al het émail er nou niet af,” raadde Boy gemoedelijk.

„En ik zal in Voorschoten den chef roepen.”

„Een kennis, of familie van u?” informeerde Boy. „Onze dienstmeid is

ook getrouwd met een stationchef, in Zaltbommel meen ik; heel

sympathiek vak, alleen die roode pet—een beetje schreeuwerig.”

Bram zat het bekende wijsje te neuriën van: „Il est cocu le chef de

gare”—en ik zat te bepeinzen, dat Boy ons in allerlei onaangenaamheden

zou brengen.

„Kom Hans—kijk niet zoo donker, ben je nu niet blij, dat straks die

m’nheer met die rooie pet naar ons komt kijken.”

Toen stopte de trein in Voorschoten en het oude heertje smeet het

portier open en begon driftig den chef te wenken, maar toen deze kwam

zei Boy,—vóor dat het puffende heertje iets kon uitbrengen:

„Chef—zet dien m’nheer er uit,—hij rijst op een tweede-klas-kaartje.”

„M’nheer,” stoof het heertje op, een beroerte nabij.

„Laat die m’nheer z’n kaartje wijzen,” hield Boy vol. Het wás een

tweede-klas biljet. Het heertje werd er uitgezet en de trein reed weg.

„Wel,” zei ik, „dat heb je ’m handig geflikt. Hoe wist je dat?”

„Nou—ik zag ’m zijn kaartje in een ander vestzak steken en... nou, het

had dezelfde kleur als het onze.”

Toen ging er zoo’n donderend gelach op, dat Dirk wakker werd en soezig

vroeg: „Zijn we er al?”

„Och mafzak—we zijn al haast weerom,” zei Boy, die smakelijk te rooken

zat.

HOOFDSTUK III.

BOY VALT IN HET RAPENBURG.

We lieten de dineerenden in Levedag voor wat ze waren en gingen naar de

Harmonie. Het eten bedaarde ons aanmerkelijk, al beweerde Boy ook, dat

de biefstuk smaakte alsof je een klap in je gezicht kreeg. Toen we na

afloop buiten een kleintje koffie dronken zat alleen Dirk,

pufferig-soezend, er zijn sigarenasch in af te tippen, en viel

eindelijk in slaap. Bram maakte daarvan gebruik om ons over het „type”

in te lichten.

Nu wás Dirk een „type.” Zijn schatrijke ouwe gaf hem net zooveel geld

als hij hebben wilde, op voorwaarde, dat zoontjelief geregeld van zijn

uitgaven boek hield. Elken Zondag, als Dirk in Amsterdam het ouderlijk

huis opzocht, moest hij het grootboek overleggen. Daarin las de vader

soms rare posten: tusschen „Een bus sardientjes” en „Een paar

tennisschoenen” en andere uitgaven van huishoudelijken aard, stonden

meer intieme posten geboekt die, al naar gelang Dirks ingeving,

wonderlijk wisselden. Dán stond er „Homo sum et nihil humani a me

alienum puto—20 pop”, of, „Het ewig weibliche zat me weer verbazend

dwars”. Dán was het weer: „Door gebrek aan bagage in hotels geweigerd

en derhalve vrouwelijke gastvrijheid aangenomen”, of, „Ik ben nu

eenmaal niet van hout of ijzer”, en papa betaalde.

Dirk ook voelt zich hevig aristocraat: toen een groen zich voorstellend

zei: „M’n naam is Jansen”, antwoordde Dirk: „Dat moet bijzonder

onaangenaam zijn”.

Eens belde Dirk, in het holst van den nacht, een gepensionneerd majoor

op, die in een advertentie om een reisgenoot voor Zwitserland had

gevraagd. Toen de oude ijzervreter, huiverend en vol kwade

voorgevoelens, in de deur verscheen, vroeg Dirk: „U wenscht een

reisgenoot?” „Ja, maar wat heeft dát...” „Ik wou u alleen maar even

zeggen dat ik vást niet meega”—en Dirk was weg.

Toen we om dit laatste staaltje grinnikten werd het „type” wakker. Met

reden, want hij had met zijn sigaar zich door de broek heen in de dij

gebrand.

„Wéer een nieuwe broek op het grootboek,” merkte Bram op.

„Ja,”—zei Dirk slaperig—„maar wat het beroerde is—het is al de derde,

die er van de week aangaat. Nu heb ik niets meer over dan een

tennisbroek,—dat was die van m’n gekleede jas en... godallemachtig

ja!—dat is waar ook, morgen moet ik naar een bruiloft!”

„Je zult er frisch aankomen,” schaterde Bram.

„Heb jij er geen voor mij te leen?”

„Laten we maar eens kijken,”—en we gingen naar Bram, die boven een

bakker in het Noordeinde woonde. We dronken een cognac terwijl Dirk de

broek paste, die hem te klein bleek. En ná dit mager resultaat dronk

Dirk óok een cognac en stelde voor bij andere vrienden te gaan passen.

Het werd een ommetocht en van mijn leven heb ik niet op één avond

zóoveel trappen geklommen, zóoveel kamers bewonderd, zóovele

„aangenaam-kennis-te-maken” gepreveld, zóoveel dranken dooreen

gedronken en zóoveel broeken naar hun snit en zitwijze beoordeeld.

De gevolgen bleven dan ook niet uit. Ditmaal openbaarden ze zich het

eerst bij Bram. Hij was sullig, lacherig, vroeg telkens, als we bij een

nieuwe vriend aanbelden, met een lijzige stem:

„En naar wie gaan we nóu toe, als we hier geweest zijn?”

Middelerwijl paste Dirk, telkens de broek weer uit- en aantrekkend en

de steeds volgende ontgoocheling weer verdrinkend, tot hij ten slotte

lastig werd, beweerde, dat het eeuwige aan- en uittrekken van zijn

beenkleedingstuk hem verveelde en dat hij best zónder de straat op kon

om elders zijn geluk te beproeven.

„Ben je mal, dat laat je maar,” vond de bezitter van de kamer.

„En waaróm niet?”—vroeg Dirk.

„Voor de menschen.”

„Nou—wat kan mij dat schelen? Is het geen nette onderbroek soms?”

„Héel net,”—kalmeerde de kamerbezitter.

„Er staat zelfs een kroontje op,” zei haatlijk Boy, die wars was van

zulk onnuttig vertoon.

„Probeer deze nog eens,” raadde weer het jongmensch van de kamer.

En—de hemel zij dank,—die broek páste, zat—zooals Bram met lodderoogen

in een coupeurs-taaltje beweerde, als „geschilderd.”

Dit geschiedde op de een en twintigste kamer, en werd met veel whisky

en weinig soda gevierd.

Op straat droeg Dirk de broek vol triomf over zijn arm.

Bram lachte om alles: om zijn sigaar die was uitgegaan, om de

paardentram die voorbijreed, om het trottoir wat hem te smal bleek,

maar vooral om Dirk met de broek. Af en toe stelde hij geregeld de

vraag:

„En naar wie gaan we nóu toe?”

Zijn kamer lag op onzen weg en we besloten er óp te loopen. Maar tot

Bram drong niets meer door en toen hij, sullig lachend, op zijn eigen

stoep stond en Boy hem de sleutels uit den zak vischte, vroeg hij

alweer:

„Naar wie gaan we nóu toe?”

Maar in de bekendheid van zijn kamer kwam hij los: het was een

merkwaardige ommeslag:

„Jongelui—je kunt hier doen en laten wat je wilt. Alleen—als je wat

dóen wilt, dan is het in de gang, tweede deur links en als je wat làten

wilt,—nou—dan maar wat zachies.”

En na deze verbijsterende woordspeling klom hij op de sofa, haalde van

een wapenrek een kromme turksche sabel, dook er mee in den

bakkerswinkel, waar hij als dolleman in de raamkast te steken begon.

„Dood zulle jullie, dood,—en opgevreten zulle jullie wezen!” schreeuwde

hij bloeddorstig, terwijl in lange rij zich regen cadetjes,

krentebollen, knipjes, fluitjes, roggebroden en ánder bakwerk aan het

kromme zwaard. Bovengekomen, liet hij ze neerregenen op de tafel, toen

hij het zonderlinge broodmes door zijn uitgespreide vingers trok.

Daarop dook hij weer in den winkel, waar we hem vloekend te keer

hoorden gaan. Dan was er een bonken van belang op de trap, als het

trappelen van weerbarstige paardenpooten.

„Jongelui, ik heb vier eieren!”—Gestommel en gevloek, en dan weer:

„Jongelui—vier eieren!” en wéer oorverdoovend houtgebonk. Eindelijk

verscheen hij in de kamer. De kleeren waren van boven tot onderen

besmeerd en bekleefd met eierstruif en schalen; maar met een zaligen

glimlach hield hij tusschen duim en wijsvinger éen ei, dat uit een

breede barst een langen witten draad verloor.

Dirk was inmiddels uit de kamer verdwenen en we meenden dat hij de

tweede deur links in de gang had opgezocht. Trouwens hadden we werk te

over met Bram, die met de sabel naar de boter in het vlootje stond te

prikken. De klont tolde telkens koppig rond, tot Bram het vlootje in

tweeën hakte en met den vollen klont aan de sabelpunt rond begon te

paradeeren, boterstreepen vegend langs het behang, langs de

gordijnen,—boter kwakkend op stoelen en schrijftafel, boter doende

sissen tegen de lampeglazen waarvan er éen, met een nijdigen knap, in

scherven viel. Toen het in Brams bedoeling bleek te liggen ook ons een

boterbeurtje te geven, grepen we hem hardhandig vast en sleepten hem

naar de tweede deur links in de gang, waarachter we hem opsloten.

Trouwens Bram, plichtmatig, schoof zelf van binnen het bordje „bezet”

er voor. Daar kon hij beboteren wat hij wilde.

Toen gingen we Dirk zoeken en vonden hem in de slaapkamer bezig met een

tennisracket een slof door het vertrek te meppen. Juist bij ons

binnenkomen had hij met een meesterlijken back-hand de slof in de

spiegelkast gejaagd en stond nu krom van het lachen, zijn

schaterverwrongen gezicht in den spinnenwebbig gebarsten spiegel aan te

gieren. Eindelijk hokte hij eruit:

„Champignon du monde,—champign... heb je dàt

gezien?—nee—zeg—hè—zeg—hebben jullie dààààt gezien!?”

Hij was er heelemaal door van streek, overmachtigd door een

onbedaarlijke lachstuip, die niet verminderde toen Bram de deur van

zijn gevangenis opentrapte en hem de rest van de boter onverwachts op

zijn bol kwakte. Integendeel, toen werd het hem zóo machtig, dat hij op

Brams bed neerviel en in krampverwringing hikkend, hijgend, in

gorgelgeluiden zijn telkens opknallenden lach verstikkend, zijn

botervet hoofd op de kussens rondwentelde.

Allengs kwam de algemeene opwinding wat tot bedaren, werden eieren

gekookt, die we met veel krentebrood opaten.

Dan vertelde Dirk, dat hij thuis nog een heele boel flesschen likeur

had staan, tusschen de schoenen in zijn kleerenkast, en dat die noodig

gekeurd moesten worden.

Dirk woonde op de Hoogewoerd, boven een sigarenwinkel. Toen we—na het

eten ten tweeden male wat bedaard—de gezellige kamer binnentraden,

konden we wel geen van allen vermoeden, dat deze weldra zou uitzien

alsof er een verwilderde muilezel in te keer was gegaan.

Het begon dan ook heel gewoon. Een voor een werden de flesschen Triple

Sec, Grand Marnier, Chartreuse, Sherry Brandy, Menthe, Kümmel en zoo

meer, ontkurkt en gekeurd.

Maar daarbij bleef het niet. Dirk beweerde mal van vuurwerk te zijn en

stak derhalve een paar maquart-boeketten op den schoorsteenmantel in

brand. En terwijl wij de fel laaiende, vonken spetterende dingen

trachtten te bemachtigen, vond Dirk het een ware ontspanning om in zijn

eigen lamp te klimmen. Hij was al een eind op streek toen de rozet uit

de zoldering losliet en zatte Dirk met een gerinkel van lampeglazen,

hard bonzend geplof van looden tegenwichten en stuivend gepoeier van

kalk, op de tafel neerviel tusschen de gezellige likeurflesschen. Toen

in de plotselinge duisternis de reusachtige herrie wat bedaard was en

ook Dirk wonderlijk kalm bleef temidden van den wanhopigen rommel,

waarin we hem raadden, hoorden we onheilspellend het gas uit de leiding

suizen. En daar...

„Lucifers!” brulde opeens Dirk.

„Ben je bezeten! Draai den meter af!” bulderde ik.

Boy was al weg, viel in éen smak de onmooglijk steile trap af. Bram

wierp de ramen open, kwakte de nog smeulende boeketten met vaas en al

de straat op. De suizing boven ons hoofd hield aan, de gaslucht werd

weeig, terwijl Dirk met moeite in bedwang te houden was. Na zijn

diepzinnig stilzwijgen van zooeven, begon hij nu te brullen en te

loeien als een pampa-bisson:

„Maak licht—ik wil licht!—Laat me los—laat me lós—of ’k sla je je oogen

dicht!”

We bleven lauw bij de rijmende bedreigingen, en toen eindelijk de

gasuitstrooming ophield en Boy, gierend van het lachen nu, de trap

opgestrompeld was, werd Dirk opgenomen en in zijn slaapkamer op het bed

gesmakt. Bij een zenuwachtig-dansend kaarslicht merkten we dat hij

bloedde. Het gebroken glas had hem leelijk gehavend en een groote bult

op zijn hoofd bewees, dat de gewichten van de lamp niets mée hadden

gegeven. We verbonden hem met hand- en zakdoeken, lieten hem toen maar

liggen.

Maar nauwelijks buiten op straat gekomen, vlogen er glasscherven

rinkelend naar beneden en terwijl riep Dirk, die zonder eenig benul

meer, zijn hoofd kalm door de ruit had gestoken:

„Wacht even—ik kom óok!” en het hoofd verdween.

We stonden nog al maar met de stomste verbluffing naar de gebroken ruit

te staren, toen de winkeldeur openging en Dirk, in den dos van zijn

vreemde verbanden, de stoep weer opzwaaide. Dat was ons te machtig.

Zonder op zijn verwoede tegenspraak te letten, werd Dirk de steile trap

weer opgesjord en op het bed met zijn bretels vastgebonden; dekens en

kussens begroeven verder zijn drankbezeten lichaam.

Buiten op straat werd Boy door stiekeme lachstuipjes aangetast; de smak

van de trap had blijkbaar het rare drankmengsel in zijn maag aan het

gisten gebracht.

We togen een bakkerij binnen, deelden sigaren uit aan de knechts en

Bram had de grootste belangstelling voor het bakken en kneden.

„Wel verdomme,” vloekte toen opeens de meelwitte bakker.

Zachtjes een rag-time fluitend, stond Boy in een deegtrog te dansen, de

schoenen en broek ten deele verdwenen in éen groote kluit deeg, dat bij

elken danspas lange strengen trok; hij leek hoeven te hebben als van

een langharig middeleeuwsch ridderpaard.

„Wel verdomme,” herhaalde de bakker, „dat zal je betalen.”

„Is het niet meer te gebruiken?” schipperde ik.

„Gebruiken?—waar die met z’n vuile schoenen in heit gestaan?”

Ik schat hygiénische beginselen hoog en vroeg dus:

„Hoeveel is dat deeg waard?”

„Tien gúlden”.

„Tien—gulden?”

„Ja—en je kunt het me betalen.”

Er zat niets anders op en we wilden al heengaan, toen de

ridderpaardhoevige Boy logisch opmerkte:

„Als we dat deeg betalen, willen we het ook hébben.”

En eer de bakker iets tegenwerpen kon waren wij er met den trog

vandoor.

Nu wordt deeg aan de lucht zoo hard als cement en dus smeerden we er de

sleutelgaten mee vol, smeten kwakken tegen deuren en uitstalkasten om

den bewoners een aangename verrassing te bezorgen.

Boy liep zwaar op zijn deeghoeven waarin geen vorm van voet meer te

bekennen was.

Zoo sjouwden we voort, met den trog, tot op het Rapenburg Boy een inval

kreeg:

„Nou ga ik roeien.”

En hij liet den geledigden trog te water.

„Ben je nu heelemaal van de ratten gebeten?” informeerde ik.

„Hou je gedekt,” en hij klom behoedzaam in het wankelende ding. Bram,

onwijs—gaf er een schop tegen, zoodat, heftig heen en weer kantelend,

de lompe bak opeens midden in de gore gracht schoof. Boy trachtte te

pagaaien met zijn wandelstok, riep:

„Zie je wel dat het best...” en toen sloeg natuurlijk de eigenwijze

trog om. Proestend, blazend, temidden van een walgelijk geborrel van

modderbellen, kwam Boy boven.

„Is het nogal nat?” vroeg Bram.

„Niet erg,—meer pappig,”—bekende Boy.

„Als je verzuipt roep je maar „kien””—raadde ik, in de verste verte

niet beseffend hoe Boy, door de zware deegklonten aan zijn voeten, daar

werkelijk kans op had. Boy zweeg—en dat is bij hem een veeg

teeken,—ging weer onder, kwam weer boven.

„Kiekeboe!” gierde Bram telkens uit, als Boy’s hoofd, mal belicht in

den valen ochtendschemer, onderdook.

Totdat hij eindelijk onze wandelstokken grijpen kon en aan wal werd

getrokken. Hij zag er allersmerigst uit en stonk geweldig. Zonder iets

te zeggen begon hij met zijn zakmes het cement-harde deeg van zijn

broek en schoenen af te bikken. In volle aandacht voor zijn metselwerk,

door het bad en den schrik nuchter geworden, was hij ongevoelig voor

ons mal gelach en gaf geen antwoord op Bram’s raad, zich nu maar voor

afbraak te verkoopen. Alleen vroeg hij even:

„Stinken jullie zoo?”

„Neen dat ben jij.”

„O.—Nou, dan kun je me een frissche morgen wenschen,” en ik begroette

met een breeden grinnik den terugkeer van zijn geest. Deze was trouwens

onmiddellijk daarop in volle werking toen een agent Boy achter een boom

betrapte.

„Wat doe je daar?” vroeg de klabak onnoodig om inlichtingen.

„Ik?—ik doe een plesje,”—zei Dirk zéer haagsch.

„Mag ik dan uw naam maar eens weten?”

Boy gaf zijn naam en adres.

„Geboren?”

„Ja, wis en drie.”

„Wannéer bedoel ik.”

„Ja, dat is al zoo’n tijd geleden. Ik ben er wel bij geweest, maar ik

herinner me niets.”

„Nou geen gekheid, anders ga je maar mee naar het bureau.”

Maar ik mengde me in het gesprek.

„Kom agent, maakt nou geen ernst,—je ziet toch wel dat de heeren het

zoo niet meenen.”

„Heeren?—wat je maar heeren noemt,”—zei de agent, Boy van top tot teen

monsterend en daarna Bram, wiens eierstruif besmeerde kleeding er bij

de verwarring op Dirk’s kamer ook niet gunstiger op geworden was.

We moesten lang schipperen eer de agent zich met een eenvoudige

bekeuring van Boy liet afpoeieren, hoewel hij toch wel voor een week te

rooken had.

Op Brams kamer, voor de gebroken spiegelkast, ontdeed Boy zich van zijn

onwelriekende kleedij en waschte zich met razernij. De heele kamer

stond grauw van het smerige water. Toen wikkelde hij zich in een wollen

deken en ging op de sofa maffen. Ik knikkebolde in een leunstoel en

verlangde naar m’n kooi. Bram—zoo zelfzuchtig mogelijk—was in zijn

eigen bed gekropen.

De vreugd was kort. Tegen zeven uur kwam de bakker boven, vroeg of de

heeren nou toch eens met d’r eigen oogen kwamen kijken, wat een

schandalige zwijnderij ’t in zijn winkel was. Heele plassen modderwater

had ie zoo maar op de toonbank en op z’n brood gevonden.—Bram was niet

te vermurwen. De bakker klaagde nog dat z’n vrouw op de trap in de

eierstruif was uitgegleden en zich zóo helsch, zóo vuil an d’r elleboog

had bezeerd, dat ze bijna van d’r zelve was gevallen; waarop Bram

onlogisch verzekerde, dat hij het wel betalen zou.

Toen dommelden we wéer in.

Tot om tien uur Bram binnenstapte.

„Kerel wat zie jij er uit,” verwonderde ik me.

„Watte?”

„Man je ziet er uit als een beest. Wat doe je met al die smeerlapperij

op je haar?”

„Op m’n haar? Groote goden—daar heb ik me op dat kussen vol boter

gemaft.”

Na een waschpartij, die wel weer een zondvloed in den winkel beneden

kon verwekken, kwam hij terug:

„Daar vind ik waarachtig de broek van Dirk.”

„Voor z’n bruiloft,” herinnerde ik.

„Wij moeten ’m uit zijn bed halen,” meende Bram.

„Hij zal er frisch uitzien,” geeuwde Boy, en liet er meteen op volgen,

dat hij zich voelde of iemand hem met een knuppel op z’n rug getimmerd

had. Dan uitte hij den rechtvaardigen wensch om gekleed te worden. Bram

bood hem een pak aan, dat aan een jonger broertje van Boy mogelijk best

gestaan had, maar waarin hij zelf uitzag als een uitgebroken galeiboef.

De broek zat hem halfweg de kuiten: de naakte manchetlooze polsen

staken griezelig uit de korte mouwen, terwijl de spanning onder zijn

oksels hem bijna elke armbeweging belemmerde.

We ontbeten, gingen daarop naar Dirk.

„Wat mot je?” vroeg deze het verbonden gelaat uit de dekens heffend.

„Wij moeten niks,—maar jij moet naar je bruiloft.”

„Kan me niet verrotten.”

„Hier is je broek.”

„Heb geen broek noodig, ’k kan zóo wel gaan.”

„Gá dan ook.”

„Nee—’k ga niet.”

„Maar ze wachten je.”

„Laat ze wachten tot ze stijf zijn.”

„Nou—kóm nou.”

Maar Dirk was met een ander vraagstuk bezig. Met verbaasd-voorzichtige

bewegingen betastte hij het hand- en zakdoeken verband, toen kwam hij

langzaam:

„Verrek—wat heb ik nóu aan de hand?”

„Je heb je gesneden, vannacht—toen je in de lamp bent geklommen en je

kop door de ruit hebt gestoken,” helderde Bram op.

„In de lámp geklommen, kop door de ruit gestoken?—Zeg—als je mij

verneurieën wilt...”

„’t Is een feit,” hield Bram halsstarrig vol.

„Och man—je bent zat,” verklaarde Dirk verontwaardigd.

„Ga dan kijken op je kamer.”

„Zóo laat je me er niet invliegen,” meende Dirk katterig-wijs. En toen

we het uitschaterden werd hij nijdig, werd het hem te bar dat daar drie

jongelui hem in den slaap den kop verbonden en hem stonden te

vernachelen. „En nou dónderen jullie op!”

En hij maakte een heftige beweging om op te staan, maar smakte meteen

weer neer, terug gehouden door de bretels.

„Wat is dát—goddorie—wat is dat?” vroeg hij heelemaal van de wijs.

Boy maakte de bretels los.

„Jullie zijn flauwe bliksems,”—verweet Dirk nog—„een troep zatte,

flauwe jongens.”

„Nou sta nou op.”

„Verrek voor mijn part.”

„Je bruiloft.”

„Niks bruiloft.”

„Ze wachten je.”

„Ze kunnen wachten tot ze er den horlepiep van dansen.”—En nijdig

draaide hij ons den rug toe.

We gaven het op.

Boy en ik reden in de paardentram naar het station. Boy zag er uit als

een verwilderde gek en had daarover begrijpelijkerwijze het land. Ik

ontdekte, dat de scheur in het kruis van m’n broek, die me den vorigen

dag van paardrijden deed afzien, ongewone afmetingen had aangenomen, en

voelde me ook maar half in m’n nopjes.

Toen ik dan ook eindelijk—in de rustige gezelligheid van mijn kamer in

Den Haag—met veel spuitwater me wat op streek zat te helpen, was ik met

de beste voornemens voor de toekomst bezield.

Och ja—die goede voornemens!

Maar als het waar is, dat gezaamlijk verdriet tot vriendschap leidt,

dan is het óok gewis, dat gezaamlijke vreugde of desnoods een

gezaamlijke kater, tot goede kameraadschap brengt...

En deze nacht had Bram ons tot een goeden makker gemaakt. Ons

zonderling gedoe in Leiden was een inleiding tot onze

gemeenschappelijke ervaringen in Den Haag.

HOOFDSTUK IV.

DE TENNISCLUB.

Boy en ik waren lid geworden van Brams tennisclub, die den zonderlingen

naam van „Mafkolder” droeg, zijnde de ongezochte afkorting van de

alleszins aanmoedigende zinspreuk: „Met altoos flirten komt ons leven

doorgaans ergens recht.”

Menigeen is het er krom mee gegaan, maar wij drieën voelden ons

geroepen om vanaf de eerste intrede in de club ons aan het devies te

houden. Overigens sloot de naam zelve in, dat niet altijd een

flirtation eisch was; menige middag werd luierend in lange stoelen of

in de duinen of elders vermaft. Aan tennisspelen werd echter weinig

gedaan.

De Mafkolder bezat—als ik me zoo uitdrukken mag—menig aardig meisje. Er

was Toos, blonde uitverkorene van Bram; er was Kitty, die een zwak voor

Boy had en het grappig merken liet; er was Non, die voor eenige

toenadering mijnerzijds vatbaar bleek. Dan waren er nog twee Lilie’s,

die Boy, ter onderscheiding, tot Lilie-bleekneus en Lilie-propneus had

gedoopt, welke benamingen weldra, tot ergernis der beide Lilie’s,

kortweg bleekneus en propneus „archisec” werden.

De heerenleden waren meestal zoek, behalve een vervelende halfbloed,

die Piet heette.

Boy sprak echter nooit anders dan van den katjang en had beslist een

hekel aan hem, ten eerste omdát het een katjang was, en ten tweede

omdat het jongmensch steeds poenig blufte op de duiten, die pa in de

suiker had verdiend, en ten derde—naar ik vermoedde,—maar wat Boy nooit

bekende—omdat de katjang het hof maakte aan lieve Kitty.

Boy had gezworen den katjang het leven zuur te maken; deze daarentegen,

die in Boy een mededinger zag, trachtte hem diplomatiek voor zich te

winnen; pogingen die aldoor faalden en menigen raken zet van Boy

uitlokten. Kitty had dan steeds de grootste pret.

Zoo lagen we eens languit in de stoelen voor de tent en Boy maakte

aanstalten om een sigaar op te steken.

„Neem er een van mij,” raadde de katjang, het „zijn heel goede havana’s

van een kwartje.”

„Nee dank je, ik bèn al beroerd,” ketste Boy slagvaardig, en Kitty

kreeg zoo’n gezellige lachbui, dat de bluffer geen raad wist. Dàt

vergaf hij Boy nooit, vooral toen Kitty nog àl maar gierend zei:

„Wat een type ben jij toch, Boy!”

Waarop het type beweerde, dat hij eenig in zijn soort was, maar er

bescheidenlijk aan toevoegde, dat het soort bar beroerd bleek.

Na elk zoo’n geleden échec trachtte Piet zijn verloren aanzien te

herwinnen door hevig gedistingeerd te doen,—zijn indisch-hollandsch

mengend met onbegrepen fransche woorden. Het was bij zulk een

gelegenheid dat hij eens beweerde, „snert met verkensoreilles” zoo

bijzonder delicaat te vinden en dat, terwijl Boy droogjes „delicieus”

verbeterde, Kitty in één gierbui haar fiets greep en wegreed. Boy pakte

toen oók zijn kar.

„Wat heeft ze—is ze souffrante?” vroeg Piet.

„Ja—mal de tête,” stelde Bram op de hoogte.

„Nee—mal van hém!” riep Boy, wegrijdend, Kitty achterna.

„Kassian,” zei de katjang, uit zijn rol vallend.

Vele waren de five ’o clock tea’s op mijn kamer, waar bleekneus en

propneus ook genadiglijk werden toegelaten: maar de katjang bleef

geweerd. Deze deed wanhopige slimmigheden om onze woonplaatsen te

ontdekken, maar kreeg steeds onveranderlijk ten antwoord, dat we op het

zeiljacht van Bram huisden.

„Waar ligt dat jacht dan?” had Piet eens gevraagd.

„In de Bierkade, bij de Wagenburg,” had Boy geantwoord. „Als je het

zien wilt moet je gauw komen, want morgen liggen we weer ergens

anders.”

Den volgenden dag verklaarde suikerpiet:

„Zeg—ik heb overal gezocht en niks gezien.”

„Zeker niet goed gekeken,” veronderstelde Bram.

„Hoe heet je jacht?” vroeg Piet, die er langzaam maar zeker wel achter

zou komen.

„De Mallemolen,” verklaarde de bezitter, en de katjang vond dat niets

gedistingeerd.

„Morgenmiddag liggen we aan de Pier in Scheveningen,” bracht Bram

verder op de hoogte.

„’k Kom eens kijken,” beloofde Piet.

En zoo liep hij het spookschip achterna, wat heel kalm in Enkhuizen

lag, waar Bram, na een stormachtigen tocht rond de friesche eilanden,

het had laten opkalefateren.

De Mafkolder had op ons drieën een heilzame uitwerking gehad. Het „ewig

weibliche,” wat Dirk in zijn grootboek zoo vaak gebruikte, had onze

zeden eenigszins verzacht.

Boy trapte colleges in Delft en kwam dan stipt naar Den Haag terug; het

verlangen om Kitty te zien deed hem zijn corpsplichten vergeten. Elken

avond geregeld, en ook vaak ’s middags tegen vijf uur, kwam hij bij me

oploopen, wetend dat, als het geen tennisweer was, er kans bestond

eenige der meisjes bij mij te ontmoeten. Vaak bracht Boy ook—en het

sloeg me met stomme verbazing—heusche boeken mee, waarin hij stil zat

te staren zonder er een woord van op te nemen. Hij was zoo jammerlijk

verliefd! Toch had hij den goeden smaak mij niet met zijn

minnepeinzerijen lastig te vallen, en bleef hij in den omgang hetzelfde

vroolijke, brutaalgeestige type.

Met Bram was het óok al mis. Hij was haast nooit meer in Leiden te

bekennen, maar leefde zoet bij zijn ouders in den Haag, die aan

iedereen die het hooren wilde, bekenden dat Bram wel niet veel wérkte,

maar toch tenminste óok niet meedeed aan al „dat liederlijke

dronkemansgedoe in Leiden.”

De gastvrije plichten deden me veel thuis blijven,—je wist nooit wie er

komen kon;—en in afwachting van mooglijk bezoek was ik, uit verveling

... gaan werken.

Zoo was ik juist bezig al de hinderlagen, die het gerundium en het

gerundivum iemand leggen kunnen, ná te vorschen en trachtte ik tevens

mij het begrip van den ablativus absolutus eigen te maken, toen er

geklopt werd en Kitty binnenkwam.

„Stoor ik?” vroeg ze leuk.

„Je weet wel beter.”

„Zet je thee? Ik heb lekkere theekransjes meegebracht.”

„Zeg Kitty wat is dát? Als jij zoo vriendelijk bent vertrouw ik je

niet. Je hebt me zeker noodig?”

„Verbéel je!” en meteen liet ze er onhandig op volgen:

„Komt hij vanmiddag?”

„Daar héb je het al,” zei ik berustend in het begrip, dat ze heusch

niet voor mij kwam.

„Och flauwe jongen! Maar zég nu, komt hij?”

„Welke hij dan toch?” treiterde ik.

„Boy natuurlijk.”

„O—en nog wel natúurlijk! Trouwens als een meisje van „hij” zonder meer

spreekt, dan is het al zoo klaar als een klontje.”

„Nare sar!” riep ze kleurend: „ik ga weer wég hoor!”

„Als je de koekjes maar hier laat. En als Boy je dan niet meer vindt?”

„Dus hij kómt?”

„Zou je dat zoo graag willen, Kitty?”

„Weet je wat je bent? een enge zeur...”

„Zoo die zit,” zuchtte ik.

„Nou, hier heb je een koekje,” deed ze goedig.

Ze wás een leuk, gezond kind, juist iets voor Boy vond ik, en daarom

wilde ik nog maar eens uithooren.

„Waarom breng je Non nooit mee?”

„Wou jij dat zoo graag?” plaagde ze op haar beurt.

„Och, dan heb ik tenminste gezelschap.”

„Ben ik dan geen gezelschap?”

„Nee, want je komt hier niet voor mij. Wat sterker is,—ik geloof zelfs

dat je die koekjes niet voor mij meebrengt.”

„Heusch wel,” deed ze erg oprecht.

„Bij wijze van verzachtend middel, om me zoet te houden.”

„Hè wat bén je flauw!”

„En als het dàt niet is,” ging ik onverbiddelijk door, „dan is

het—zooals ik al zei—omdat je iets van me noodig hebt.”

„Je hebt gelijk,” zei ze, grappig kleurend, „ik hèb iets van je

noodig.”

„Vraag dan maar.”

„Je moet...” begon ze aarzelend; dan opeens heel beslist: „Zul je het

aan niemand, aan niemand vertellen?”

Ik beloofde het, zwerend op het hoofd van m’n hospita, die er wel eens

in had kunnen loopen.

„Je moet me antwoorden op een paar vragen.”

„Over Boy,” zei ik boud.

Ze zweeg,—zat er mee in.

„En jij houdt wel van hem, nietwaar?” vroeg ik verder.

„Ik moet jou niet antwoorden, maar jij mij,” gaf ze gevat terug, en ik

bedacht dat ze in slagvaardigheid het wel tegen Boy opnemen kon.

„Nou kom Kitty, ik ben in een malle bui, maar nu belóof ik je, dat ik

je zal laten praten.”

Ze keek me schuchter aan.

„Jij bent een goede vriend van Boy hè?”

„Ja—een heél goede.”

„Vertel me dan eens—eerlijk hoor—is hij—wat zal ik zeggen?—doet hij wel

eens rare dingen?”

„Wat bedoel je?”

„Och,”—zei ze, trappelend met de voetjes—„maak het me nu toch niet zoo

moeilijk.”

„Je bedoelt of hij boemelt?” hielp ik.

„Ja en...”

„Kijk eens Kitty—we hebben allemaal wel eens te diep in het glaasje

gekeken en malle dingen uitgehaald,” deed ik vergoeielijkend.

„Wát voor malle dingen?” kwam ze zakelijk.

„Och, de boel stuk geslagen, menschen voor den gek gehouden. Maar

stiekeme drinkers of zoo—dat zijn we niet.”

„Ja maar, ik bedoel ándere dingen,” aarzelde ze.

„Gescharrel met vrouwen,” kwam ik bot, de dingen bij hun naam noemend.

„Ja,”—lispte ze.

„Beste Kitty, hoe kom je zoo argwanend?” glimlachte ik.

„Ik dacht dat hij ... enfin, dat vrouwen wel een zwak voor hem moesten

hebben,” bekende ze met een zweem van ongegronde afgunst.

„Kijk eens Kitty—als een jongmensch alleen is, en er geen meisje is wat

van hem houdt, dan komt hij er allicht gauw toe. Je laat het een poos,

omdat je vol illusies bent; verlies je zoo’n illusie dan ... gaat het

meestal mis. Zorg jij nu maar dat Boy zijn illusie behouden kan.”

Er straalde iets prachtigs in haar kinderoogen.

„Geloof je dat hij...!” waagde ze.

„Hij heeft me nooit iets verteld,—Boy loopt nooit met zijn gevoelens te

koop,—maar ik meen toch wel je te kunnen verzekeren, dat hij heél veel

van je houdt.”

„O dolletjes,” riep ze, in haar handen klappend.

„En geef me nu eindelijk een kop thee,”—kwam ik nuchter,—„ik ben schor

van die prachtige redevoering, die ik tegen je gehouden heb.”

Kitty gáf me de kop thee, maar wilde toch het háre er van hebben.

Malle Gevallen · 第 1 / 8 段