voorbeelden, gaven de armenische bouwmeesters hun denkbeelden vorm
op een wijze, die pleit voor hun oorspronkelijke en artistieke
begaafdheid. Zij zochten voor alles de verbazende dikte der muren
te verminderen, zonder daarbij aan hun draagkracht te kort te doen,
en hebben daarom die gedeelten uitgehold, waarop geen drukking
door het gewelf werd uitgeoefend. De romaansche stijl streefde
ook in deze richting; maar bereikte haar doel op een andere wijze,
door namelijk die punten, waar de meeste draagkracht werd vereischt,
door contreforten te versterken, terwijl in de wanden der armenische
gebouwen aan de buitenzijde groote nissen zijn aangebracht, die van den
grond tot aan het dak reiken. Op het eerste gezicht komt ons dit vreemd
voor; daar wij gewend zijn, elke nis met beelden gevuld te zien. Toch
is de grondgedachte volkomen logisch, en het effect, waar zij in
toepassing wordt gebracht, levendig en fraai. Men moet echter erkennen,
dat onze bouwmeesters de zaak nog eenvoudiger wisten op te lossen,
door in deze missen openingen aan te brengen en de hierdoor gevormde
vensteropeningen aan te vullen met beschilderd glas. De Armeniërs,
die het licht wilden weren, hebben op hun eigen wijze verkregen,
wat zij wenschten, besparing van materiaal met behoud van uitwendige
sierlijkheid. Verder hebben zij het eerst den puntboogvorm toegepast,
die niet alleen, zooals Viollet le Duc opmerkt, eigenaardig is door
den vorm der bogen, maar ook door het stelsel van evenwicht, waarbij
elke steen een bepaalde taak heeft te vervullen. Wie nog twijfelt, of
deze stijl van oosterschen oorsprong is, behoeft slechts de kathedraal
van Ani en de kerk van Marmachen te bezoeken. De laatste, die ongemeen
fraai van verhoudingen is, werd gebouwd in de tiende eeuw, en kan als
een sprekend voorbeeld gelden van den allervroegsten puntbogenstijl.
Nog merkwaardiger kloosters dan die van het meer Van vindt men in
Tortoem. Gewoonlijk zijn echter slechts kleine gedeelten hiervan
bewaard, zooals enkele kapellen en kruisgangen, die sterk aan de onze
herinneren. Zij vertoonen de kenmerken van den armenisch-georgischen
stijl, waarvan de kerk en kapel te Ekeg een goed voorbeeld opleveren.
Het pronkjuweel van de armenische architectuur is wel de kerk
van Aktaman, een eiland in het meer Van. Deze is in- en uitwendig
rijk versierd met prachtige arabesken, waarin, behalve plantvormen,
ook menschen en dieren als versieringsmotieven zijn gebezigd. Ook de
perzische kunst heeft op de armenische eenigen invloed uitgeoefend. De
kerk van Euchkvank te Tortoem levert daarvan het sprekend bewijs. Zij
is overigens oorspronkelijk armenisch door haar byzantijnschen
kruisvorm, de hooge nissen, die het portaal insluiten, en door de
symboliek harer versiering. Maar het geheel wordt hier bekroond
door een perzischen koepel, zooals nergens in Armenië een wordt
aangetroffen en die bevallig oprijst tusschen dicht groen tegen den
donkeren achtergrond der rotsen. Ook in enkele andere bouwwerken ziet
men duidelijk sporen van perzischen invloed. Uit de bouwvallen van
het paleis der koningen te Ani blijkt, dat dit in perzischen stijl
was versierd.
Ook de Turksche bouwwerken hebben dien invloed ondergaan. Hun stijl is
minder oorspronkelijk en zwaarder dan die der Armeniërs, en hun doel
is dan ook meer, den beschouwer door uiterlijke praal te verbluffen,
dan den natuurlijken ontwikkelingsgang te volgen van een logisch
systeem. Kunst is voor hen slechts een middel om rijkdom en macht
ten toon te spreiden.
Alleen in het Westen en het midden van het land hebben de Turken in
dit opzicht hun invloed doen gelden.
De Tchifaïe medressé te Sivas vertoont een zeer smaakvolle versiering,
in zuiver perzischen stijl. (Een medressé is een theologische
school. In den regel worden de leerlingen echter gehuisvest in
armoedige woningen of de bouwvallen van voormalige paleizen). Jammer,
dat ook hier, evenals in Perzië zelf, deze kunstwerken aan het verval
worden prijsgegeven en de prachtige wandbekleeding op vele plaatsen
geschonden of verdwenen is. Wat de Turken zelf hebben ontworpen,
maakt somtijds een grootschen indruk, maar de schijn komt niet overeen
met de werkelijkheid. Te Sivas en Erzeroem vertoonen hun gebouwen
indrukwekkende voorgevels, die dan ook in stand zijn gebleven, omdat
zij stevig gebouwd waren; doch het meer naar binnen gelegen gedeelte,
dat evenals bij de arabische gebouwen bestaat uit een binnenplein,
waaromheen een bogengalerij en cellen of zuilengangen zijn gegroepeerd,
is reeds weder vervallen, daar het niet bestemd was voor de blikken
der bewonderende menigte.
Deze voorgevels heeten tchifté minarets, (dubbele minaretten) daar
zij bestaan uit een groote poort, waarvan de beide zijpilaren door
hooge minaretten worden bekroond. De meesten hebben door den tand
des tijds geleden, of zijn door aardbevingen verwoest; maar te Sivas
zijn nog enkele ongeschonden bewaard gebleven, met hun rondloopende
galerij, waar de mufti het gebed placht uit te spreken. Zij behoorden
aan de Gög medressé. Die twee op zich zelf staande torens, die zich
overal herhalen, geven geen hoog denkbeeld van de vindingrijkheid
der turksche bouwmeesters. Zij zijn niet verbonden met het overige
gedeelte van het gebouw, en de ledige ruimte tusschen die twee
vertikale lijnen wordt niet aangevuld door eenige bekroning, die de
horizontale poortafsluiting versiert. Bovendien is de versiering
van het portaal zelf onbegrijpelijk plomp en zwaar. De armenische
werklieden, die haar moeten hebben uitgevoerd, schijnen hun motieven
ditmaal rechtstreeks aan de assyrische voorbeelden te hebben ontleend.
Te Divrigni bij Sivas althans is die barbaarsche overlading zeer
opvallend. Te Erzeroem wordt zij afgewisseld door versieringen, die
blijkbaar naar arabische voorbeelden zijn gecopieerd, evenals hier
ook het arabische stalactietengewelf wordt aangetroffen, dat men in
alle moskeeën der stad vindt. De alleroudste van deze, Oulou Djamie,
is wonderlijk laag en gedrukt en draagt op zes en dertig zware pijlers
puntbogen, die dagteekenen uit de elfde eeuw.
Wie hier komt om van echte kunstwerken te genieten, zal meer behagen
vinden in de monumenten van arabischen oorsprong, al zijn deze ook
meestal van geringen omvang. Het zijn allen grafteekens, van een
zelfden vorm. Ze heeten thans tekké (kapel waar een mohammedaansche
heilige woont) of cummbett (begraafplaats). In het midden en het
oosten worden zij het meest aangetroffen. Ze zijn cylindervormig,
rusten op een lage basis en worden bekroond door een kegelvormig
dak. Dit eenvoudig grondplan biedt ruimschoots gelegenheid voor het
aanbrengen van dikwijls zeer afwisselende en rijke versiering. Op
het kerkhof van Akhlat, op den noordelijken oever van het meer Van,
ziet men zulk een grafteeken, dat ongetwijfeld door een Armeniër voor
Arabieren werd ontworpen; want het vertoont de groote nissen, die het
kenmerk zijn van den armenischen stijl, en de zeer eenvoudige banden,
zonder arabesken, die het versieren, verdeelen de muurvakken op een
wijze, die de schoonheid van het geheel verhoogt.
De Imaret Cummbett te Erzeroem, vlak bij de Tchifté minarets, is
grootscher van bouw en zuiver arabisch van opvatting. De zijden zijn
omgeven door slanke puntbogen, die door bundels fijne zuiltjes worden
gesteund; de top van den ronden muur wordt bekroond door een fries met
dubbelen arabeskenrand, die zeer fraai bewerkt is, en in de basis zijn
kleine boogvormige poorten aangebracht met stalactietversiering. Als
geheel is het een bijzonder schoon gedenkteeken.
In de stad Erzeroem treft men wel twintig van die grafmonumenten
aan, welke, met hun door roest en vochtigheid verweerd voorkomen,
een schilderachtigen indruk maken tusschen die opeenhooping van
ellendige krotten, die ze omgeven, of op de jammerlijk verwaarloosde
mohammedaansche kerkhoven, waar de grafsteenen, 't zij ze versierd zijn
met den gebruikelijken fez of eenvoudig van de straat zijn opgeraapt,
naar alle richtingen overhellen en waarvoor de levenden hoegenaamd
geen zorg dragen.
De nieuwere turksche moskeeën zijn echter niet in arabischen
stijl ontworpen; maar ontleenen hun versiering aan perzische
en grieksche voorbeelden. Van de 16de tot de 18de eeuw hebben de
Osmanlis den byzantijnschen grondvorm met perzische motieven willen
doen samengaan. Zij gaan uit van het grondplan der Sofia-kerk, het
grieksche kruis met den grooten koepel in het midden, waaraan zij
thans door een geoxydeerd ijzeren beslag een fraaien staalblauwen
glans weten te geven, en voegen daarbij aan den voorgevel de groote
zuilenrijen van Ispahan toe, waarbij ze elk kruispunt der bogen
bekronen door een kleinen koepelvorm. Somtijds omringt een krans van
koepeltjes het geheele dak, en ook de galerijen rondom den binnenhof,
die zelf door een groot koepeldak wordt overwelfd. In tegenstelling
echter met den zuiveren halven bol, dien de koepel van Santa Sofia
vormt, zijn deze turksche koepels aan den rand eenigszins omhoog
gebogen, alsof de ontwerpers vage herinneringen hadden bewaard aan
de chineesche dakbedekking.
Behalve deze groote monumenten is er weinig, dat ons van de
eigenaardige kenmerken en de ontwikkeling der verschillende in
Armenië wonende volken een denkbeeld kan geven. De heer Maspero geeft
in zijne "Geschiedenis der volkeren van het klassieke Oosten" een
interessant beeld van de paleizen der Khalden, die vóór de Armeniërs
den Ourartou hebben bewoond. Hij vertoont ons daarin ook afbeeldingen
van voorwerpen, bij dit volk in gebruik, onder anderen een schild,
dat sporen draagt van helleenschen invloed.
Behalve het weinige, dat tot nog toe werd gevonden, maar dat
waarschijnlijk met belangrijke ontdekkingen zou worden vermeerderd,
als men den grond in de omstreken van den Ararat doorzocht, is
ons zoo goed als niets gebleven, dat licht verspreidt over den
beschavingstoestand der oudste bewoners, die veel moeten hebben
ontleend aan de Assyriërs en eveneens aan de Grieken, wier invloed
zich door het geheele schiereiland deed gevoelen. Alleen de Armeniërs
hebben eenige sporen van eene artistieke ontwikkeling achter gelaten.
Maar het is moeilijk te bepalen, uit welke periode deze dagteekenen;
of zij behooren tot een tijdperk vóór of na de verovering van Armenië
door de Seldjouciden in de elfde eeuw. Deze vraag zou slechts kunnen
worden opgelost door de ontcijfering der inschriften, die toch reeds
weinig talrijk zijn. In tegenstelling toch met de Turken, die de
sierlijke letters van hun alfabet gebruikten om er een loopend ornament
voor hun friezen en frontons van te vormen, hebben de Armeniërs hun
eenvoudiger letterteekens, die aan de grieksche herinneren, niet als
versiering laten dienen.
Men vindt ze dan ook nergens op de talrijke grafsteenen, die op
graven van heiligen zijn geplaatst. 't Zij deze oud of betrekkelijk
nieuw zijn, dat wil zeggen, uit het begin of het eind der middeneeuwen
dagteekenen, men kan ternauwernood gissen of zij afkomstig zijn uit de
zevende of uit de veertiende eeuw; want de stijl is overal dezelfde
en alleen in de uitvoering der bijzonderheden is eenig verschil op
te merken.
Overal een kruis in het midden, waar omheen ineengeslingerde banden
loopen, die rijk met plantvormen zijn versierd. Het kruis van Sint
Sergius te Ghetsgonitz levert hiervan een fraai voorbeeld. Tegen
een steenen muur geplaatst, maakt het deel uit van een groep van
vijf kapellen of graven, die tusschen rotsachtige hoogten zijn
gelegen. Deze kapellen behooren tot de belangrijkste gedenkteekenen der
armenische bouwkunst. Sommige schijnen nabootsingen in het klein van
de groote kerken; anderen zijn cirkelvormig, en doen aan de arabische
cummbetts denken, waarvoor mogelijk deze armenische grafteekenen het
oorspronkelijke model hebben geleverd.
Ook geïllustreerde manuscripten zijn behouden gebleven, waarvan
de schoonste in onze Westersche bibliotheken worden bewaard. Wat
men nog in het land zelf vindt van dien aard, vertoont alleen
versierde hoofdletters en randen van bloemvormen. De boekbanden,
van geciseleerd zilver, die tooneelen uit het evangelie voorstellen,
zijn zeer merkwaardig. In het dorp Ghan bij Erzeroem, wordt zulk
een boek bewaard, dat meer nog om den stijl, dan om de bewerking,
ten zeerste de aandacht verdient. Men zou het voor een byzantijnsch
of fransch werk uit de twaalfde eeuw houden, zoo gelijkvormig waren
toenmaals de uiterlijke teekenen, waarvan zich de christelijke wereld
bediende om haar denkbeelden uit te drukken.
Voorts zijn er nog de overblijfselen van gebouwen, opgericht door
de groote sultans, vooral Moerad; maar deze zijn thans te zeer
vervallen, om eenig denkbeeld te kunnen geven van hun oorspronkelijken
toestand. De eenige, die niet letterlijk tot puinhoopen zijn geworden,
zijn die groote khans, waarvan wij reeds eerder melding maakten,
paleizen, die door de vorsten langs de groote wegen werden opgericht,
om hun als tijdelijke verblijfplaatsen te dienen. Enkele daarvan geven
thans nog den indruk van oude romaansche kathedralen, met hun zware
pilaren en sombere gewelven. In 't bijzonder mogen hier genoemd worden:
de Soltân Moerad Khan, op den weg van Tokat, de Achim Khan, tusschen
Sivas en Malatia, en de Kemur Khan, tusschen Malatia en Kharpoet. Deze
Khans zijn langs de westelijke grens van Armenië geplaatst, op den
weg naar Mossoel. Ook de bruggen over den Euphraat dagteekenen uit
den tijd van Sultan Moerad of Amurat, dus de zestiende eeuw. Hun
zware bogen hebben dikwijls het geweld van overstroomingen weerstaan,
zooals bijv. te Kara-Arz, ten Westen van Erzeroem. Doch beide deze
khans en de bruggen zijn eer werken van burgerlijke dan van schoone
bouwkunst te noemen.
Merkwaardig voor den voorbijtrekkenden reiziger zijn ook de vele
sterkten, die Italianen en Grieken hebben gebouwd in de verschillende
bewoonde plaatsen, waarlangs hun handelsweg voerde. De omtrek dier
gekanteelde muren met hun ronde bastions herinnert onweerstaanbaar aan
het voorkomen van fransche burchten uit de middeneeuwen. Zij leveren
een schilderachtig schouwspel op. Meestal zijn zij van binnen geheel
tot puinhoopen geworden, daar zij sedert de invoering der kanonnen niet
meer onderhouden zijn. Toch verhoogen zij, zooals bijv. te Baïbourt,
zeer de schoonheid der omgeving, en te Diarbekir zijn deze vestingmuren
zoo goed als ongeschonden gebleven. Uit een archeologisch oogpunt is
het te betreuren, dat de regeering er over denkt die hooge wallen te
slechten, hoewel het waar is, dat deze thans in geen enkel opzicht
meer van nut kunnen zijn.
Uit al het bovenstaande blijkt, dat onder de verschillende
elementen der bevolking van Armenië (om niet te spreken van Grieken
en Arabieren en Perzen, die het land nooit hebben gekoloniseerd
en er slechts gedeeltelijk hun invloed doen gelden) de Armeniërs,
zoowel in handelszaken als op kunstgebied het meest begaafd zijn. Zij
gaven daarvan blijk door het groote aantal hunner bouwwerken, dat de
mohammedaansche paleizen en moskeeën verre overtreft, en het verdient
opgemerkt te worden, dat zij, gedurende twee of drie eeuwen onder
turksche heerschappij, voortgegaan zijn hun kerken te bouwen volgens
hun eigen artistieke opvatting.
Zij deden verkeerd, zich terug te trekken. Als zij, inplaats
van hun hoofdstad Ani, en vele andere steden, te verlaten, in hun
vaderland gebleven waren, zouden zij het niet slechter hebben gehad
dan hun landgenooten, die het tegendeel hebben gedaan, en die thans
grooter voorspoed genieten dan hun overwinnaars. Zij zouden dan zeer
waarschijnlijk de Porte naar hun hand hebben kunnen zetten, en alles
hebben verkregen wat zij verlangden, behalve dan hun onafhankelijkheid.
Door hun wijze van optreden hebben zij opnieuw de zwakheid van hun
karakter getoond, zooals dit reeds voor de overwinning der Turken in
hun inwendige verdeeldheden was aan het licht gekomen. Het is zeer te
bejammeren dat de Turken, toen nog in een toestand van barbaarschheid
verkeerend, een volk in hun hooge vlucht hebben gestuit, dat in de
elfde eeuw tot even groote, ja grooter ontwikkeling scheen geroepen
dan vele andere volken. Men kan gerust beweren, dat de Armeniërs
niet alleen de kracht en den rijkdom hunner geestesgaven hebben aan
den dag gelegd in vele treffende uitingen, maar dat zij minstens
even vindingrijk waren als onze kunstenaars, en veel beschaafder
dan de Turken ooit geweest zijn. Wat deze laatsten betreft, hun
minderwaardigheid springt maar al te zeer in het oog. Toch moet
bij een vergelijking met ons, Westersche volken, op twee feiten
worden gewezen. Wel is waar zijn het de Armeniërs, die het eerst den
puntbogenstijl stelselmatig hebben doorgevoerd, in de tiende eeuw,
toen ons romaansch daarvan nog slechts de voorbode was. Doch daar
tegenover staat, dat onze beeldhouwwerken, onze versieringskunst
van die dagen, blijk gaven van een opmerkingsgave, een liefde voor
de natuur en een innig doordringen in al hare uitingen, zooals de
Armeniërs en alle Oostersche volken, de Perzen uitgezonderd, nimmer
hebben gekend. En ditzelfde onderscheid zien wij ook op het gebied van
andere geestesuitingen. Terwijl onze godgeleerden, onze wijsgeeren en
schrijvers geen rust konden vinden, eer zij hadden ontdekt, wat hun
waarheid scheen, tot zij die waarheid zochten in de natuur, en niet in
een abstract ideaal, hebben de Armeniërs zich reeds vroeg neergelegd
bij een dogmatisch geloof, waarbij hun geest moest insluimeren, en
zich nimmer gedrongen gevoeld, verder voorwaarts te streven. Vandaar,
dat zij thans geen groote mannen bezitten, en in zoo menig opzicht
bij hun Westersche naburen moeten achterstaan.
Zooals wij reeds hebben opgemerkt, zijn de verschillende volken,
die in dit land zoovele eeuwen naast elkander hebben geleefd,
sterk vermengd; maar toch is nog steeds hun onderscheiden karakter
in bepaalde individuen te herkennen, en deze moet men nauwkeurig
bestudeeren, indien men zich van de zedelijke eigenschappen dezer
verschillende menschen-typen rekenschap wenscht te geven. Al mogen de
physieke eigenaardigheden langzaam aan verdwijnen, met de zedelijke
en geestelijke is dit veel minder het geval, en het is een feit,
dat deze karakteristieke eigenschappen het sprekendst bewaard zijn
gebleven bij hen, die ook naar het uiterlijk het zuiverste type van
hun volk vertegenwoordigen. Want zij, die alle uiterlijke kenteekenen
van hun bijzondere afkomst missen, en zich zoo zeer met lieden van
anderen oorsprong hebben vereenzelvigd, dat men ze slechts door hun
godsdienst en hun taal kan onderscheiden, zijn juist degenen, die het
minst gehecht zijn gebleven aan oude overleveringen en gebruiken. Met
andere woorden, wie een echte zoon van zijn volk is naar het uiterlijk,
zal dit in den regel ook blijken te zijn naar den geest, zich het
meest vijandig gezind toonen jegens andersdenkenden, en het sterkst
zich aankanten tegen allen vooruitgang, die verandering brengt.
De opvoeding speelt ontegenzeggelijk, wat haar lichamelijke en
zedelijke gevolgen betreft, in dit opzicht een gewichtige rol. Toch
ziet men reeds terstond bij de beschouwing van een groepje armenische
en turksche jonge meisjes, die bijna nog kinderen zijn, dat zij niet
tot hetzelfde ras behooren.
De eerste, met haar scherp geteekende, goed besneden gelaatstrekken,
haar rechte, gefronste wenkbrauwen en vastberaden uitdrukking,
geven door haar denkend voorhoofd en vastgesloten mond den indruk
van tot vrouwen te zullen opgroeien, die zoowel tot nadenken als
handelen zullen in staat zijn. De turksche meisjes, met haar al te
volle wangen, haar droomerige, gedachtelooze uitdrukking en haar
vroegtijdige ontwikkeling, vormen een scherpe tegenstelling met haar
forschgebouwde gezellinnen.
Dit is niet enkel toe te schrijven aan het feit, dat de turksche
kinderen vrij langen tijd bij haar moeders in den harem blijven,
terwijl de armenische dus in de eerste levensjaren meerdere vrijheid
en beweging in de frissche lucht genieten; want zij leiden verder, tot
zij den huwbaren leeftijd hebben bereikt, volkomen hetzelfde bestaan.
De moderne Turk is een wezen van zeer samengestelden oorsprong. Doordat
het meerendeel der door hem onderworpen volken zich tot den Islam
heeft bekeerd, heeft hij velen van hun dochters kunnen huwen,
terwijl hij anderen als zijn rechtmatig eigendom beschouwde, en
bovendien altoos christelijke slavinnen heeft gehouden. Zoodoende
zijn, door de vermenging met armenische, georgische, circassische,
grieksche, lazische, nestoriaansche en assyrische elementen, uit de
oude Seldsjukken en Turkomanen de tegenwoordige Turken ontstaan.
De eigenaardige kenmerken van de hedendaagsche Turken, die zich Osmanen
noemen, die geen Syriërs of Arabieren, Albaneezen of Thessaliërs,
Serviërs of Bulgaren zijn, maar wel degelijk Turken van het echte
ras, zijn door het geheele rijk dezelfde, soms buitengewoon sterk
in één individu geconcentreerd, soms ook verzwakt of gewijzigd door
vreemde invloeden. Het voorhoofd wijkt achteruit, de oogen zijn
bol en volkomen zonder uitdrukking, de neus dik, grof en gebogen,
de zinnelijke, begeerige onderlip hangt slap neer, de terugwijkende
kin drukt gebrek aan wilskracht uit, de wangen zijn meer glad en
gevuld dan bol, onder vooruitstekende breede jukbogen, en dikwijls
vertoont het gelaat een soort van dommen, terugstootenden grijns van
welbehagen. Hun lichaamsbouw is forsch, zonder daarom krachtig te
zijn; zij hebben veeleer iets slaps en weekelijks in hun houding. Deze
beschrijving is echter alleen van toepassing op de vertegenwoordigers
der regeerende klasse.
De bewoners van het platteland vormen daarmede een opvallende
tegenstelling, en als men de turksche troepen ziet defileeren,
aanschouwt men niet anders dan kloeke krachtvolle gestalten, recht
van lijf en leden, met fiere houding en magere energieke trekken,
waaraan de fonkelende oogen en gespierde kaken een bijna dreigende
uitdrukking verleenen. Hieruit valt licht het verschil af te leiden
tusschen het turksche volk en de klasse der ambtenaren.
Even rijk als het eerste is aan natuurlijken aanleg, die slechts in de
goede richting behoefde te worden geleid, om de gelukkigste uitkomsten
te leveren, even vadsig en traag is de tweede, door haar ingeroeste
gewoonte van te heerschen, zonder zich de minste moeite te getroosten
ter wille van die heerschappij, te leven ten koste der overwonnenen,
en zich te vermeien in een zalig nietsdoen, waarbij zij gedachteloos
kunnen vegeteeren, zonder de geringste neiging, om naar iets beters
en hoogers te streven. Waagt men het, zich tegen den druk van die
schijnbaar willooze overheerschers te verzetten, dan overvalt hen
vrees, die hen prikkelt tot toorn, en is eenmaal hun drift opgewekt,
dan stijgt deze tot een razernij, die slechts bekoelt, wanneer een
bloedbad is aangericht. De echte Turken zijn een kanker, die knaagt
aan de turksche heerschappij. Deze kan zich slechts staande houden
door de bezadigdheid, den ijver en de rechtschapenheid der voormalige
Christenen, die tot het Mohammedanisme bekeerd zijn. Dit geldt niet
alleen voor de burgerlijke ambtenaren, maar eveneens in het leger,
waar ieder zal moeten erkennen, dat de beste officieren, aan wie het
rijk zijn macht verschuldigd is, Albaneezen of Montenegrijnen zijn,
Circassiërs of Grieken, die dikwijls in Duitschland zijn opgevoed en
even beschaafd, aangenaam in den omgang, verlicht en vooruitstrevend
zijn als onze militairen van hoogen rang.
Onder de heerschende klasse bekleeden de imans, mollahs, muftis, dus
de priesters, een voorname plaats, evenals de cadis en hun helpers,
die recht moeten spreken in geschillen van godsdienstigen aard;
de groote massa van het volk zweert bij hen, en staat geheel onder
hun invloed. Zeer zonderling en van veel gewicht is het feit, dat de
priester werkelijk over het lot der aangeklaagden beslist, want van
hem eischt het volk, te midden van de elkander steeds tegensprekende
meeningen en gissingen een zelfstandig oordeel, 't geen hij, 't zij het
gegrond is of niet, aan de rechters opdringt, die aan de uitspraken der
meestal omgekochte getuigen toch geen waarde hechten. Dit is in zekeren
zin gelukkig, daar ook de rechters zelf volstrekt niet onomkoopbaar
zijn, (vooral in Kurdistan, waar deze waardigheid door Kurden wordt
bekleed), al staat het bij deze priesterlijke rechtspleging vast,
dat het getuigenis van een Christen nimmer kan opwegen tegen dat van
een Mohammedaan.
Het is een opmerkelijk verschijnsel, dat de bovengenoemde mollahs
volstrekt niet overeenkomen met het door ons beschreven turksche type,
en veeleer iets israëlietisch in hun voorkomen hebben. Hun magere,
sterk vooruitspringende neus, dunne lippen, en kleine doordringende
oogen, onder zware wenkbrauwen, vormen even zoovele kenmerken van
het semietische ras, en doen denken aan de oude rabbijnen.
Andere mohammedaansche priesters, die der groote moskeeën,
en vooral de Khotjas der medressés vertoonen al de gewichtige
zelfgenoegzaamheid van onfeilbare godgeleerden, en naderen weder meer
tot het echt turksche type met hun dikke lippen en wijd opgespeurde
neusvleugels. De dorpspriesters zijn daarentegen goedaardige lieden,
met een patriarchaal voorkomen en langen baard, die wel eenigszins meer
ontwikkeld en schranderder zijn dan hun dorpsgenooten, daar aan hen
de regeling van kleine voorkomende geschillen wordt overgelaten, maar
overigens hetzelfde leven leiden als de boeren, en even onwetend zijn.
Velen onder de osmanische Turken vertoonen tot zij den mannelijken
leeftijd hebben bereikt, duidelijke sporen van mongoolsche afkomst;
bij de volwassenen gaan deze echter verloren, en terwijl men de
turksche kinderen zeer goed van die der Christenen kan onderscheiden,
is dit op lateren leeftijd niet meer het geval.
Wat het voorkomen der vrouwen betreft, zijn onze gegevens gering;
want een turksche dame zou zich nooit willen laten photographeeren;
niet alleen omdat zij zich niet ongesluierd mag vertoonen; maar ook
omdat haar godsdienst het afbeelden van het menschelijk aangezicht
verbiedt. De mannen zijn in dit opzicht veel minder streng; maar
de vrouwen houden met alle kracht dergelijke voorschriften in
eere. Ondanks haar afzondering oefenen zij toch op de meening harer
echtgenooten grooten invloed uit, en haar totale onwetendheid is
oorzaak van een redelooze onverdraagzaamheid op godsdienstig gebied,
die zij als een heiligen plicht beschouwen. Over 't algemeen is
omtrent de turksche vrouw weinig bekend. Niemand weet iets af
van het inwendig leven dier wezens, die in den harem als 't ware
levend begraven zijn, en die men somtijds in de straten ontmoet,
in een zwarten sluier gewikkeld, die haar als een somber doodskleed
omhult. In tegenstelling met het sterkere geslacht, dat door den
omgang met huns gelijken wordt ontwikkeld, en op wie het leven in
den regel zijn stempel drukt, blijven deze getrouwde vrouwen altijd
kinderen en geraken nooit tot eenige zelfstandigheid. Invloeden van
buitenaf dringen dan ook niet tot haar door. Volgens de mededeelingen
van europeesche vrouwen, die van nabij een blik hebben geslagen in
het haremleven, zijn de turksche dames goedhartig van aard, maar
ongeloofelijk dom en bekrompen; zij oefenen niet den minsten invloed
uit op hare kinderen, wier ontwikkeling haar dan ook niet ter harte
gaat, terwijl zij zich om haar huishouden evenmin bekommeren.
In de armenische vilayets kunnen zij geen van allen lezen of schrijven;
zelfs niet de vrouwen der aanzienlijkste inwoners. Wanneer wij van
de vrouwen van een enkelen man spreken, moeten wij daarbij in het
oog houden, dat heden ten dage iedere man slechts ééne vrouw heeft,
't geen echter niet belet, dat hij er slavinnen op nahoudt, wat door
den Koran wordt toegestaan. Thans behoeft een wettige echtgenoote dus
niet de mededinging te verdragen van de drie andere hanoums, welke
geoorloofd waren in de oogen van den Profeet, die zelf er negen op
na hield.
Het is te hopen, dat Allah hem schadeloos stelt voor den last, dien
zij hem hebben bezorgd.
Hij was zoo genadig, zijn volgelingen slechts vier voor te schrijven;
maar deze zijn wijzer geweest, dan hij, en stellen zich met een enkele
tevreden, die dan ook niet in opstand komt tegen haar lot. Zij kent
trouwens geen andere toestanden; onze beschaving is haar volkomen
vreemd. Dikwijls ziet men uit de huizen der rijke lieden slanke
gedaanten te voorschijn treden, in den wijden, zwartzijden tcharsaf
gehuld, een mantel die haar van het hoofd tot de voeten omgeeft en om
het middel wordt bijeengehouden. Bij de lagere klassen wordt echter
een zeker embonpoint als een schoonheid beschouwd en de liefde van
den minnaar stijgt met het gewicht der aangebedene.
De trekken der turksche vrouwen zijn volgens de europeesche dames, die
haar hebben bezocht, fijn, maar onbeduidend en slap, haar tint blank,
maar al te bloedeloos, haar oogen droomerig en zonder uitdrukking
starend in de doellooze leegte van haar bestaan.
De enkele vrouwen, die wegens haar bijzondere schoonheid worden
geprezen, zijn dan ook georgische, circassische, grieksche of perzische
slavinnen.
De Armeniërs hebben nog meer dan de Turken de uiterlijke kenteekenen
van het ras verloren; niet alleen omdat ook zij zich met vreemde
elementen hebben vermengd, maar zij beijveren zich meer, om ons
Westerlingen in kleederdracht en manieren na te bootsen.
Toch hebben velen hun oorspronkelijke eigenaardigheden behouden;
behalve in die streken, waar zij met andere volken zijn samengesmolten,
zooals met de Kurden ten Zuiden van het meer Van, met de Georgiërs
in Trans-Kaukasië en Tortoem, en met de Turken in het midden van het
land. De echte Armeniër heeft een langwerpig gezicht, met vierkante
onderkaak.
Een sprekend voorbeeld geeft hiervan de afbeelding van den jongen
Armeniër uit Sivas, in lazische kleederdracht. Hoewel de jongelieden,
die in de protestantsche of katholieke armenische scholen onderricht
ontvangen, bijna allen tot den gegoeden stand behooren, en hun ouders
de europeesche kleederdracht en gebruiken hebben aangenomen, is toch
hun voorkomen zeer karakteristiek. Ik merkte dit op bij een bezoek aan
de school van Sanassarian, de eenige inrichting van dien aard in Azië,
die op de zelfde leest geschoeid is als de hoogere burgerscholen in
Europa. Alle Armeniërs hebben hetzelfde fraai gewelfde voorhoofd,
de vierkante, sterk ontwikkelde kin en den korten gebogen neus, met
fijne, bewegelijke neusvleugels. Hun helder verstand en natuurlijke
weetgierigheid staan te lezen op hun denkend voorhoofd en in hun
donkere, sprekende oogen, hun taai weerstandsvermogen in de sterk
geteekende kaak- en jukbeenderen; list en volharding spreken uit
den vastgesloten mond met de dunne lippen en een onverzettelijke
wilskracht uit de kloeke, sterk vooruitspringende kin.
Het type, dat het meest met het armenische overeenkomt, is zeer zeker
het joodsche. Wel hebben russische schrijvers, die beweren, dat de
Armeniërs een volk van hebreeuwschen oorsprong zijn, zich hierin
vergist; maar men kan niet ontkennen, dat de opvallende gelijkenis
licht aanleiding kon geven tot deze veronderstelling.
De Armeniërs zijn uit Thessalië gekomen, tusschen de veertiende en
de elfde eeuw vóór onze jaartelling, en vestigden zich eerst in de
zevende eeuw in het eigenlijke Armenië. Zij maakten deel uit van de
zelfde groote volkenstrooming, die de Pelasgen naar het oord hunner
bestemming dreef. Daarbij vermengden zij zich met de verschillende
volken, die hen vergezelden, bestreden of overwonnen, de Phrygiërs,
de Hittiten, de Scythen, die uit Rusland kwamen, de Khalden van den
Ararat, en namen ook veel over van de Parthen, de Perzen, de Arabieren
en de Turken, die hen achtereenvolgens overheerschten. Maar men weet
ook, dat zij in de omstreken van het meer Van vele syrische en joodsche
nederzettingen hebben bevorderd, en dat zij zich met deze vreemdelingen
in den loop der tijden hebben vermengd, lijdt geen twijfel.
Het is niet waarschijnlijk, dat zij aan de Joden hun handelsgeest
hebben te danken; de laatste namen dien veeleer over van de Pheniciërs
en ontwikkelden zich bovendien in deze richting, door het stelsel
van uitsluiting, door andere volken ten hunnen opzichte gevolgd. Maar
evenals de Joden, brengen de Armeniërs in de plaatsen, waar zij zich
vestigen, bedrijvigheid en bloei. De twee steden van het Oosten, die
het meest vooruitgaan, zijn het joodsche Salonika en het armenische
Tiflis. Bovendien zijn het meerendeel der Armeniërs landbouwers, en
in de steden treft men onder hen meer handwerkslui dan kooplieden aan,
wat bij de Israëlieten geenszins het geval was.
De armenische vrouwen hebben niets in haar voorkomen, dat aan het
semietische ras herinnert. Zij vertoonen meestal het tegelijkertijd
grofbeenige en gevulde type, dat den bewoner van het Zuiden
kenmerkt, of de sombere en koele schoonheid der georgische en
circassische vrouwen. Zij zijn forsch gebouwd, langzaam en bedaard
in haar bewegingen, en haar spraak is zangerig en slepend, terwijl
daarentegen de mannen snel en afgebroken spreken en geen welluidend
orgaan bezitten. Het leven der armenische vrouwen verschilt niet
veel van dat der turksche. Hoewel zij haar mannelijke familieleden
en bekenden vrij mogen ontmoeten, (voor vreemdelingen nemen zij
overhaast de vlucht), blijven ook zij binnen de vier muren van haar
huis opgesloten. Zij houden zich meer met het huishouden bezig, maar
bekommeren zich in 't minst niet om hare ontwikkeling, noch om die
harer kinderen. Zij spinnen en naaien veel, maar denken er nooit aan,
hare woningen te versieren, en boeken kennen zij niet.
Als het volk uit zijn vrouwen nieuwe kracht zal putten, moeten de
armenische meisjes in de gelegenheid worden gesteld, beter onderwijs
te genieten, dan haar thans wordt verstrekt. Dan ook zouden haar
trekken, niet zoo regelmatig als die harer georgische zusters, maar
dikwijls levendig en bekoorlijk, ons meer boeien door beminnelijke
voorkomendheid.
Thans wordt men bij nadere kennismaking afgestooten door hare eer trage
en lustelooze, dan kwijnende houding, en door haar onverschillige
gedachteloosheid. Zij weten na de eerste plichtplegingen geen woord
meer te zeggen en in dit opzicht volgen zij slechts het voorbeeld der
mannen, die onder elkaar zeer spraakzaam zijn, en als kinderen belang
stellen in de geringste kleinigheden; maar niets dan ja of neen weten
te antwoorden, wanneer een vreemdeling een nieuw onderwerp op het
tapijt brengt.
Het geheele volk, met zijn talrijke lichamelijke en geestelijke gaven,
zijn taaien en vasthoudenden aard, zou, bij geregelde ontwikkeling
door een zorgvuldig geleide opvoeding, tot groote dingen in staat
zijn. Uit zich zelf is het niet bij machte, zijn sluimerende gaven te
ontwikkelen en zijn natuurlijke gebreken te bestrijden, maar indien van
buitenaf krachtige hulp werd verleend, zou deze zeker met blijdschap
worden begroet. De Armeniërs toch zijn uitstekende nabootsers;
maar het ontbreekt hun aan scheppingsvermogen. Toch overweegt
bij hen het geheugen geenszins hun verstandelijke eigenschappen,
en zij zijn evengoed voor wetenschappelijke vorming geschikt als
wij Westerlingen. Het hangt er slechts van af, welk zaad in dezen
vruchtbaren bodem wordt uitgestrooid. Van het hoogste belang zou
het zijn, indien het peil der algemeene zedelijkheid kon verhoogd
worden. Men onderdrukt over het geheel te weinig bij de jonge kinderen
neiging tot huichelarij, leugen en oneerlijkheid, die bij den man
voeren tot list, bedrog, diefstal en verraad. De vele zwarte schapen
zijn hier het ongeluk van de kudde. Als de besten onder dit volk zich
wisten te vereenigen, en staande te houden, zouden zij niet behoeven
gebukt te gaan onder een juk, waartegen zij zich vruchteloos verzetten.
Toch moeten wij erkennen, dat de klachten over de turksche
overheersching overdreven zijn. In Turkije genieten de Armeniërs,
wat hun kerken, scholen, zeden, taal en gebruiken aangaat, volkomen
vrijheid. Alleen op boeken en nieuwsbladen wordt een strenge en
drukkende censuur toegepast, maar in dit opzicht hebben de Armeniërs
zich niet erger te beklagen dan alle andere inwoners van het turksche
rijk.
De Turken zelf kunnen onmogelijk op de hoogte blijven van wat er
in de wereld voorvalt, daar hun bladen niet anders mogen behelzen
dan loftuitingen op hun vorst, en met geen woord mogen reppen van
politieke toestanden in binnen- of buitenland.
De Armeniërs weten althans langs omwegen gewaar te worden, wat zich
op het groote wereldtooneel afspeelt.
Maar behalve die stelselmatig bevorderde onwetendheid ondervinden zij
geen dwang, en mogen leven zooals hun goeddunkt. Hun kerkgenootschappen
worden officieel erkend en hun eeredienst als heilig en onaantastbaar
beschouwd. De Armeniërs zijn even afhankelijk van hun priesters
(vartabets, zoo heeten de ongehuwde in tegenstelling met de gehuwde
plattelandsgeestelijken, die gewone boeren zijn) als de Mohammedanen
van hun mollahs. Deze voorgangers moeten bij de regeering voor
hun gemeenteleden opkomen en staan met kracht de belangen van hun
beschermelingen voor. Per slot van rekening is de "armenische quaestie"
meer een gevolg van de houding der Kurden, dan van die der Turken.
Onder de lagere klassen zijn Turken en Armeniërs te weinig
verschillend, zoowel wat hun geestelijke als lichamelijke eigenschappen
betreft, om niet in vrede naast elkander te kunnen leven. In den bazar
en in de gevangenis, in de stad en op het land, verbroederen zich de
twee rassen onmiddellijk, waar hun uiterlijke levensomstandigheden de
zelfde zijn. Altijd zoolang men geen slapende honden wakker maakt,
en den schijnbaar goedaardigen Turk niet prikkelt door pogingen tot
een verzet, dat heftigen tegenstand zoude uitlokken.
De Kurden zijn zonderlinge lieden, met een als 't ware tweeledig
karakter. Men zou kunnen beweren, dat bij hen twee afgescheiden typen
worden aangetroffen, het eene woest, het andere sluw. Het uiterlijk
komt dan overeen met bovengenoemde karaktereigenschappen. Enkelen
vertoonen het armenische type, verwilderd en ruwer geworden door
volslagen gebrek aan beschaving; anderen hebben een afschuwelijk
laag en listig voorkomen, met hun kleine sluwe oogjes, hun langen
slappen, krommen neus, die aan de slurf van een olifant doet denken,
en hun katachtige bewegingen. Toch leven ook zij onder elkander op
betrekkelijk goeden voet, zoolang hun patriarchaal herdersleven niet
wordt verstoord.
Zij zijn verdeeld in stammen, die geregeerd worden door _begs_, op
hun wijze onafhankelijke vorsten, welke steeds hun gebied zoeken uit
te breiden of tegen de invallen van hun naburen trachten te beschermen.
De bewoners der streken, die hun in eigendom toebehooren, zijn niet
veel meer dan lijfeigenen, zij brengen hun meester de vruchten op
van hun arbeid, al naarmate de eischen, die hij stelt, meer of minder
hoog zijn, en hangen dus af van zijn willekeur.
Meermalen hebben de sultans tevergeefs beproefd, deze dikwijls
weerspannige begs tot gehoorzaamheid te dwingen, en het gedeelte der
opbrengst te innen, dat hun naar recht en billijkheid toekwam. Abdul
Hamid is hierin gedeeltelijk geslaagd door het oprichten van een
troepenafdeeling, bekend onder den naam van hamidie.
De kurdische begs, waaruit deze militie is samengesteld, kunnen
hierdoor tot hooge eer en waardigheid geraken en zijn dan ook,
nadat hun deze gunst is verleend, veel gematigder geworden in hun
optreden. Doch daar zij intusschen niet gedwongen zijn geworden,
hun eischen te laten varen tegenover hun onderhoorigen, moeten deze
thans tot hun groote ontevredenheid een dubbele belasting opbrengen,
zoowel aan hun vorsten, als aan de Turken zelf. Daarbij komt nog, dat
de begs, die als officier dienen, of in de hoofdstad bij de lijfwacht
van den vorst zijn geplaatst, hun onderdanen en hun grondgebied niet
meer persoonlijk kunnen beschermen en verdedigen. Vandaar dat, bij
gebrek aan lokale autoriteiten, en terwijl van een geregeld bestuur
feitelijk geen sprake is, in Kurdistan een toestand van anarchie
heerscht en de Armeniërs hiervan het slachtoffer zijn. Niet dat
de Kurden hen juist met opzet onderdrukken of benadeelen; maar zij
vallen hen het eerst aan, omdat zij weten, dat de regeering hun bij
dat machtsvertoon haar steun zal verleenen, en eerst wanneer zij hen,
om zoo te zeggen, tot op het hemd toe hebben uitgeplunderd, zijn de
Turken zelf aan de beurt, die zich natuurlijk daarover beklagen. Het
is zeer moeilijk, aan deze misbruiken paal en perk te stellen.
Als de begs een vijandigen stam vervolgen, waagt niemand het, hen
hiervan terug te houden, daar zij als verdedigers van den Sultan al
te veel macht bezitten; men tracht ze dus door omkooping te paaien of
ze zoo mogelijk uit den weg te houden. En als de nomadische bevolking
op eigen hand ongeregeldheden begint, kan men haar dit niet beletten
zonder haar te ontwapenen, terwijl deze ontwapening weder niet zou
strooken met de politiek, gevolgd bij het oprichten der hamidie.
Het schijnt dus welhaast onmogelijk, het vraagstuk op te lossen,
tenzij Europa zich niet tevreden stelt met den Sultan beloften af te
dwingen, welke hem tot niets verplichten, doch krachtig medewerkt,
om zijn oppergezag in Kurdistan te herstellen. Dit zou de eenige
oplossing zijn, en de Armeniërs zouden zich zeker rustig gedragen,
indien zij hier dezelfde mate van veiligheid genoten als in het Westen
van hun vaderland, waar van geen armenische quaestie sprake is.
In elk geval zullen zij slechts nieuwe vervolgingen hebben te wachten,
wanneer zij in opstand komen. De verstandigsten onder hen begrijpen
dit zeer goed, en behalve in het vilayet Bitlis, hebben zij dan ook
besloten, zich te schikken in hun lot en het door een vredelievende
houding dragelijk te doen zijn. Een andere oplossing zou kunnen worden
gevonden, door de Kurden te noodzaken, vaste woonplaatsen te kiezen.
Alleen Rusland is daarin geslaagd bij diegenen onder hen, die verspreid
in Trans-Kaukasië wonen. Misschien zou het aan Rusland gelukken, het
geheele volk op die wijze tot rust te brengen, indien het over hen
heerschappij verkreeg, zooals het reeds meerdere stammen hun zwervende
leefwijze heeft doen vaarwel zeggen. Doch het is thans voor Rusland
de tijd niet, om een nieuwen oorlog met Turkije te beginnen.
Ook geven de Armeniërs de voorkeur aan de turksche heerschappij, omdat
hun daarbij althans godsdienstvrijheid is gewaarborgd. De toekomst
zal het leeren... Wie zou Rusland toestaan, zijn macht in het Westen
van Azië nog meer uit te breiden? Misschien zal men nog eerder geneigd
zijn, den Sultan tot de ontwapening der Kurden te dwingen.
Het is waarlijk wel noodig, dat in dezen handelend wordt opgetreden,
want behalve het ergerlijke der bedreven feiten, schuilt in deze
toestanden een bron van voortdurend gevaar.
Nog eenige andere inwoners van het land mogen hier terloops genoemd
worden, die zich echter slechts door hun godsdienst van de overigen
onderscheiden.
De Kezilbachen, voormalige Christenen, zijn Kurden, die met geweld
tot den Islam zijn bekeerd, en schijnbaar der turksche regeering
zeer onderdanig zijn, doch in stilte de Armeniërs goed zijn gezind,
daar zij hen als geloofsgenooten beschouwen. Toch beginnen ook zij
hen in Dersim reeds lastig te vallen; het voorbeeld hunner kurdische
broeders werkt aanstekelijk.
De Yezidis, die men zegt dat den duivel aanbidden, maar die volgelingen
zijn van den grooten perzischen profeet Yezid, zijn door geheel
aziatisch-Turkije verspreid en verschillen in geen enkel opzicht
van de hen omringende bewoners. Zij zijn vriendelijk en voorkomend
jegens vreemdelingen, die zich echter moeten wachten, het woord chaïtan
(duivel) in hun tegenwoordigheid uit te spreken, daar dit met den dood
zou worden gestraft, en zelfs woorden, waarin de letters ch voorkomen,
dienen te vermijden.
Wij hebben dus gezien, hoe in turksch Armenië, dat het grootste deel
van het eigenlijke Armenië beslaat, drie volken naast elkaar verblijf
houden, Turken, Kurden en Armeniërs. Zij leven in vrede, zoolang
niets den bestaanden toestand komt verstoren. Waar de Armeniërs
Turken en Kurden ontzien, worden zij als broeders beschouwd en
behandeld; maar komen zij in opstand, dan wekken zij den toorn der
overheerschers op. Waar de Turken de Kurden met rust laten, zullen
deze de Armeniërs in hun land niets in den weg leggen; maar zoodra de
turksche regeering ingrijpende veranderingen in de heerschende zeden
en gebruiken der Kurden wil brengen, vallen de getergde Kurden eerst
de Armeniërs, en daarna de Turken zelf aan. Strijd tegen de eenmaal
bestaande orde der dingen gaat steeds gepaard met bloedvergieten
en eindigt alleen met overwinning, indien de aanvallende partij de
sterkste is. De Armeniërs zagen alleen het eerste in; zij wisten
dat hun strijd bloed zou kosten en waren daarop voorbereid. Doch
thans weten zij, dat de tweede voorwaarde in hun geval niet werd
vervuld, en dat Europa onmogelijk een volk zal kunnen steunen, zôô
verspreid als het hunne, zooals het de volken der Balkanstaten hulp
heeft kunnen verleenen, welke veel meer aaneengesloten, talrijker en
krachtiger waren. Zij schijnen zich dus te hebben voorgenomen, zich
met hun overheerschers te verzoenen, door rustig voort te gaan, mèt
en nevens hen te arbeiden. In de dorpen met een gemengde bevolking, de
winkels, straten en bazars, overal, waar gelijke levensomstandigheden,
gemeenschappelijke bezigheid en onmiddellijk belang hen noodzaken,
dagelijks met elkander in aanraking te komen, ziet men ze als gelijken
op vriendschappelijken voet met elkander verkeeren; men zou ze voor
gezworen vrienden houden, die van geen onderscheid weten en voor wie
afkomst en godsdienst niet het minste verschil maken.
Doch zoodra de band van het gemeenschappelijk belang is verbroken,
maken godsdienstige dweepzucht en woeste haat zich meester van vele tot
nog toe schijnbaar vreedzaam gezinde Mohammedanen. Zij worden bevreesd,
en lafheid drijft hen tot het plegen van geweld, niet minder dan de
hebzucht, welke het gezicht van den begeerden buit bij hen opwekt.
Twee voorname factoren zijn het, die hun werking doen gevoelen op de
zeden dier volken, bij wie geen hoogere beschaving haar verzachtenden
invloed heeft doen gelden; ten eerste het milieu, de onmiddellijke
omgeving, die door voorwaarden van stoffelijken aard een bepaald soort
van arbeid bevordert, en ten tweede de godsdienst, de zedelijke factor,
welke, zooals bekend is, een voornaam element vormt in de samenstelling
van elk gemeenschapsleven.
In Armenië hebben de drie rassen, waarvan hier sprake is, in meerdere
of mindere mate, maar toch allen op duidelijk waarneembare wijze,
den invloed ondergaan van een maatschappelijke ontwikkeling en
een intellectueele beschaving, welke hen een schrede voorwaarts
deden doen op den weg naar dien toestand van meerdere volmaking,
waarin een volk verkeert, dat zich heeft ontworsteld aan de ketenen,
waarin de barbaarschheid het hield geklonken; doch zij bevinden zich
niettemin, waar het de laagste volksklassen geldt, nog op een trap
van ontwikkeling, die zeer weinig verschilt van den oorspronkelijken
staat der primitieve menschenrassen.
De hoogere, heerschende klasse heeft zich langzaam uit dien staat weten
op te heffen; de Armeniërs in hoogere mate dan de Turken, en deze weder
oneindig meer dan de Kurden. Maar het blijft ontegenzeggelijk waar,
dat de werklieden en vooral de boeren bij deze drie verschillende
volken in bepaalde streken zoo volkomen op elkander gelijken, dat
men ze in geen enkel opzicht van elkander onderscheiden kan, en dat
zij allen evenzeer door hun denkbeelden, hun geloof, hun levenswijze,
hun manier van arbeiden, hun zeden en gebruiken blijk geven van een
onwankelbare, ingewortelde gehechtheid aan overgeleverde instellingen,
die van oudsher als eerbiedwaardig zijn gehuldigd. Zij geven zich
hiervan geen rekenschap, terwijl de regeerende klasse de feiten,
door den onbevooroordeelden toeschouwer opgemerkt, niet wil erkennen.
Alle bergbewoners, die in een gelijksoortig klimaat leven, komen
in hoofdtrekken overeen. Wat hun eigenaardig karakter en leefwijze
betreft, bestaat slechts een verschil in graad tusschen de bewoners
van Auvergne en de Armeniërs, tusschen den Kurd en den Savoyaard.
Ik geef gaarne toe, dat in Frankrijk, zooals in elk ander beschaafd
land, deze lieden arbeidzamer, beter onderricht en gemakkelijker
in den omgang zijn; doch het eigenlijke wezen, de kern van hun aard
blijft dezelfde, en men zou in de landelijke bevolking der armenische
hoogvlakten zeer zeker dezelfde eigenschappen tot ontwikkeling kunnen
brengen. Want de bewoners onzer bergstreken moeten hun volkomen
gelijk zijn geweest in de middeleeuwen, onder een feudaal stelsel van
regeering, zooals thans nog bij de Kurden in zwang is, evenals bij
de Armeniërs, vóór de turksche overheersching. Door het geheele land
toch vindt men de bouwvallen verspreid der tallooze kleine versterkte
vestingen, die aantoonen, dat men zich hier in een streek bevindt,
welker bewoners in naijverige stammen zijn verdeeld.
Wanneer men daarbij in aanmerking neemt, hoelang de Turken en de
Armeniërs een herdersleven hebben geleid, zooals thans nog de Kurden
doen, en de gevolgen van dit nomadisch bestaan overweegt, zal men de
oorzaak beseffen van het door en door patriarchaal karakter, dat deze
drie volken noodzakelijk eigen is. De overheerschende trek van dit
patriarchaal karaker is de sterke ontwikkeling van het familieleven
als gemeenschap. Alle leden van ééne familie blijven vereenigd,
zoolang hun aantal geen splitsing noodzakelijk maakt.
Heeft deze plaats, dan vormen de verbonden families een stam.
Daar de stamvader van een geslacht altoos en overal door zijn
nakomelingen als een god vereerd wordt, vloeit hieruit een
godsdienstige eerbied voort jegens eerstgeborenen, ouders en
voorouders; en tevens een sterk vijandige gezindheid jegens andere
geslachten, welke bij de geringste aanleiding tot uitbarsting
komt. Deze toestanden dragen grootelijks bij tot de verzwakking van
het individueel karakter, daar van een enkele persoon, die alle macht
in handen heeft, ook alle kracht moet uitgaan, en tevens valt licht
te begrijpen, hoe hieruit weder de onwankelbare gehechtheid en het
onomstootelijk vertrouwen ontstaat in al wat eenmaal gewoonte en
overlevering is geworden, terwijl deze opvattingen zich van uit den
engeren kring van het gezin uitbreiden in het openbare leven en ook
de regeering daarvan doordrongen is. Feitelijk ligt deze trek ten
grondslag aan het geestelijk, zedelijk en maatschappelijk bestaan
der drie rassen, welke het onderwerp dezer studie uitmaken.
Zoo de Turken en de Armeniërs daarvan thans minder blijk geven dan
de Kurden, dan is dit toe te schrijven aan het feit, dat de eersten
bij hun komst in het land reeds het oorspronkelijk herdersleven voor
dat van een krijgvoerend volk hadden verwisseld, en de Armeniërs
gaandeweg een hoogeren trap van beschaving hebben bereikt, terwijl
de Kurden van den beginne af aan onveranderd zijn gebleven.
Eerst dan zal men zich een juist denkbeeld omtrent deze drie volken
kunnen vormen, wanneer men ze heeft beschouwd uit een drievoudig
oogpunt, niet slechts de omgeving in aanmerking nemend, waarin zij
verkeeren, en de daaruit voortspruitende levenswijze; doch eveneens
hun oorspronkelijken godsdienst, waarvan de sporen onder Christendom
en Mohammedanisme zijn blijven voortbestaan, om ten slotte niet te
vergeten, hoe sterk de invloed is geweest, door het patriarchaal
bewustzijn op den volksaard uitgeoefend.
Het herdersbedrijf der bergbewoners, en de ooftbouw, waaraan zich
de bevolking wijdt der streken, die een gematigd klimaat genieten,
komen, wat hun invloed op den volksaard betreft, in zooverre overeen,
dat zij aan de vindingrijkheid of de zorg van hen, die ze beoefenen,
geringe eischen stellen.--Wanneer wij willen wijzen op de meest
kenmerkende zeden en gewoonten, die uitingen zijn van het eigenlijke
armenische volkskarakter dan moet ons wel het allereerst in 't oog
vallen, dat zij zich nog slechts zeer weinig hebben verwijderd van
den natuurstaat. Schapenteelt en ooftbouw zijn voldoende voor hun
onderhoud, zonder dat zij zich van eenig kunstmatig hulpmiddel behoeven
te bedienen. En ook aan den landbouw wordt weinig zorg besteed, daar
de vruchtbare bodem genoeg oplevert voor een bevolking, die het als
een beschikking der voorzienigheid beschouwt, dat zij niet in aantal
toeneemt. (De kindersterfte bedraagt ongeveer 50 percent.)
Over 't algemeen is de geringe voortgang der moderne beschaving
in het Oosten te wijten aan den eigenaardigen trek, dat men zich
voor elke verrichting slechts van door de natuur zelf aangewezen
hulpmiddelen bedient.--Armeniërs, Turken en Kurden zullen zich in alle
omstandigheden, waar krachtsinspanning wordt vereischt, vergenoegen
met hun handen, hun schouders, hun voeten, of dierlijken bijstand, en
met opzet het gebruik vermijden van eenig werk- of voertuig, dat met
besparing van moeite, sneller leiden zou tot het gewenschte doel. Alles
wordt met de hand aangevat; aarde, bouwmaterialen, koeienmest en
eetwaren; zij weten van geen troffels of schoppen, van geen papier of
doek. Aan het gebruik van mes en vork kunnen zij maar niet gewennen;
men ziet deftige armenische dames, correcte turksche ambtenaren,
rijke en machtige kurdische begs hun eten met de vingers in den mond
stoppen, en zich daarbij zoo geducht met vet besmeren, dat zij na den
maaltijd als kleine kinderen met zeep moeten worden gewasschen. Ze
zitten allen veel liever op den vloer dan op een stoel en hurken
buiten in het veld op den grond, liever dan zich neer te zetten op
een steen of aardheuvel. De talrijke hammals (lastdragers) vervangen
karren en kruiwagens, want de arabas zijn voor korte afstanden niet
geschikt. En dat de mijnen niet worden geëxploiteerd, komt minder
voort uit gebrek aan geld, of arbeidskrachten, dan uit een aangeboren
tegenzin, om machines te gebruiken. Het zou immers ongerijmd zijn,
van dergelijke lieden te eischen, dat zij vrijwillig onze beschaafde
gebruiken zouden overnemen? Dan moesten zij eerst geleerd hebben,
met mes en vork te eten, in een behoorlijk bed te slapen, zich af te
drogen met een handdoek, fatsoenlijk hun tanden te borstelen, en het
vleesch van den slager in een papier te wikkelen. Zulke schijnbare
kleinigheden zijn wel degelijk van gewicht. Wij leeren daardoor onze
kinderen zindelijkheid, gewennen hen aan het gebruik van werktuigen in
elken vorm, en bereiden hen voor op een honderdvoudige vermeerdering
der krachten van lichaam en geest, door de aanwending der meest
samengestelde machines.
Tot dusver heb ik getracht in mijn beschrijving zooveel mogelijk de
zeer uiteenloopende bestanddeelen samen te vatten, welke het geheel
vormen dat thans onder den naam Armenië doorgaat, geenszins een
gemakkelijke taak, waar het gold een weder opbouwen van wat door
den tijd zoowel als door de Turken was verwoest. Ik stel mij voor,
mijn verhaal te besluiten met de beschrijving van een reis, welke
ik vervolgens ondernam, door die streken, waar het armenische volk
althans een zweem van een eigen volkskarakter heeft bewaard. Feitelijk
is uit een administratief oogpunt van een land Armenië geen sprake
meer. Doch de Turken kunnen niet ontkennen, dat er een historisch
Armenië bestaat, vol herinneringen aan een grootsch verleden.
Toen ik mijn ontdekkingstocht ondernam, langs lijnen die als 't ware
een driehoek vormden, aan welks hoekpunten de plaatsen Erzeroem, Van
en Erivan waren gelegen, had ik een vermoeiende reis, te paard, van
37 dagen voor den boeg; doch ik wist, dat ik op deze wijze de beste
gelegenheid zou hebben, mij een duidelijk beeld te vormen van den
toestand, waarin dit oude en belangwekkende volk verkeert. Toen ik
den 19den Juli 1905 Erzeroem verliet en langzaam de steile helling
beklom, die naar het Palandoeken-gebergte voerde, wierp ik nog
een laatsten blik op de stad, eer hooge bergen haar aan mijn oog
onttrokken. Van uit de hoogte gezien, sprongen de beide voornaamste
monumenten mij onmiddellijk in het oog. Een kenner zou voorzeker
de voorkeur hebben geschonken aan het fraaie voortbrengsel van
arabische kunst boven het logge bouwwerk der Seldsjukken. De tchifté
minarets van de medressé toch staken als hooge, kale schoorsteenen
in de lucht, terwijl daarnaast het bevallige kegelvormige koepeldak
van de Imarett Cumbett met zijn sierlijke eenvoudige lijnen het oog
weldadig aandeed. Vandaar dwaalde mijn blik nog eenmaal over de lage,
beslijkte, dichtopeengedrongen huizenmassa, en ik vond Erzeroem in
elk opzicht het type van een Oostersche stad.
Zoodra ik den Palandoeken begon te beklimmen, was nergens meer een
boom, ja zelfs geen plant of bloem, te ontdekken. Zelfs het gras was
schaarsch en vertoonde zich eindelijk niet anders meer dan aan den
oever der rivieren. Woest, grootsch en verlaten lag het landschap in
de brandende zomerzon. De lange reeksen bergtoppen, met hun oneindige
verscheidenheid van vormen, waren wonderen van kleur en licht in de
van hitte trillende atmosfeer. Zelfs de verst verwijderde bergketens
vervloeiden niet, als anders, in een blauwachtig waas, maar lagen
als het ware gebaad in een parelkleurigen gloed, waarin hun vormen
duidelijk bleven te onderscheiden.
Geen palet zou die onvergelijkelijke tinten kunnen weergeven van
het teerste rose en grijs en lila en groen, die, als perzikendons
zoo zacht, over de kale, harde rotsen schenen uitgebreid. Gedurende
mijn geheele reis verlustigde ik mij in die tooverachtige spelingen
van het licht. Hierin is dan ook het kenmerkend onderscheid gelegen
tusschen de continentale hoogvlakte en de bergen in de nabijheid der
kust; deze bieden ons het heerlijk en afwisselend schouwspel van hun
bosschen en bouwlanden, hun alpenweiden en sneeuwtoppen; gene doen het
oog van den beschouwer zich vermeien in die zachte kleurenmengeling,
die als een doorschijnende sluier ligt gespreid over vormen, waarvan
zij de strakke soberheid der grootsche en strenge lijnen verzacht. Dit
verschil is het gevolg van de grootere hoogte, waardoor de lucht
hier ijler is. De vlakten zijn hier tusschen 1300 en 2000 M. boven
de oppervlakte der zee gelegen; de bergen zelf gemiddeld 3000 M. hoog.
Palandoeken beteekent in het Turksch "gevallen zadel". Eer de militaire
weg werd aangelegd, waren de hellingen dan ook zoo steil, dat de
vrachten, waarmede de lastdieren waren beladen, hun dikwijls van den
rug gleden. En nadat men het fort heeft bereikt, dat zich op den top
van den pas verheft (op een hoogte van 2965 M.) houdt de weg op; van
hier af volgt men natuurlijke paden, die nooit de minste verbetering
hebben ondergaan; sporen van karavanen en voetgangers, dikwijls door
stroomende rivieren afgebroken, soms bedolven onder slijk en modder,
of bezaaid met steenen en rotsblokken. Honderdmaal kwam ik aan de
een of andere plek, waar ik niet begreep, hoe de paarden ooit verder
zouden komen; toch wisten zij zich er altijd wel door te slaan,
als het op klimmen aankwam; maar het was geducht moeilijk ze naar
beneden te krijgen; men moest ze dan bij den teugel voorttrekken,
en zelf maar springen en glijden op goed geluk. Nu had ik desnoods
tot aan Van langs den gewonen weg kunnen reizen, dien de perzische
kameeldrijvers volgen, ten Noorden van het meer, een traject, dat
door andere reizigers in een victoria was afgelegd. Zij hadden mij
echter verteld, dat zij verschrikkelijk waren door elkaar geschud
op dien tocht, en bovendien zou ik, door dien weg te volgen, veel
belangrijke tafereelen hebben gemist.
De talrijke bergketens van den Palandoeken zijn zoo kaal en
onvruchtbaar, dat er zelfs geen gehuchtje te vinden is. Nu en dan
ontmoetten mijn zaptié en ik een troep Kurden, die er niet zeer
geruststellend uitzagen; ik bleef dan ook trouw in de buurt van mijn
geleider, daar de turksche regeering mij voorzichtigheidshalve het
gebruik van mijn revolver had ontzegd. Zij zouden wel niet licht een
politieagent aanvallen, zoo dicht in de buurt van een stad; maar men
kon toch nooit weten! Zij gingen ons zwijgend voorbij, of lieten ons
stil langs hen heentrekken, als zij zelf hun paarden lieten grazen
en rustten op een begroeid plekje.
Wij waren nu reeds midden in Kurdistan. Na zes uren stapvoets rijden,
langs kronkelpaden, die den eigenlijken afstand verdriedubbelden,
bereikten wij het eerste dorp, Madrak, en anderhalf uur later het
plaatsje Tachketz. Ik bracht daar een ellendigen nacht door; doodmoe,
maar niet in staat om te slapen en verschrikkelijk geplaagd door
netelroos. Eerst na eenige dagreizen kwam ik wat op mijn verhaal,
zoodat ik weldra vijftig mijlen per dag kon afleggen inplaats van
veertig, zooals in het begin, en eindelijk zelfs geen bezwaar had
tegen een tocht van 80 kilometer. In het geheele gebergte zag ik geen
sporen van vulkanische uitbarstingen; zelfs de vormen der bergtoppen
toonen aan, dat deze hier nimmer hebben plaats gehad. Wel zouden de
twee toppen, die het dichtst bij Erzeroem zijn gelegen, aanleiding
kunnen geven tot de veronderstelling, dat zij eenmaal kraters zijn
geweest; doch dit kan evengoed het gevolg zijn van afbrokkeling,
waarbij de toevallige ligging der neergestorte rotsblokken den
bergtop het voorkomen geeft van een kratermond. Ongetwijfeld zijn
al die oneffenheden het gevolg van een plotselinge inzinking, door
krimpen van de aardkorst.
Van de scheikundige samenstelling dezer berggesteenten is
weinig bekend. Op het eerste gezicht springen kalksteen en
eenvoudige kristalvormingen het meest in het oog, afgewisseld door
sedimentgesteenten, waarin opeengehoopte kiezelsteenen wijzen op het
bestaan van zeeën te dezer plaatse in het secondaire tijdperk, eer
de bodem zich tengevolge eener uitbarsting verhief. Een nauwkeurig
geologisch onderzoek zou aan het licht moeten brengen, of deze
woestenij rijk is aan waardevolle delfstoffen. Tot nog toe is dit
niet ondernomen, maar men heeft gegronde reden om aan te nemen, dat
geheel klein-Azië grooter schatten bevat, dan de bewoners in de verte
vermoeden. Zij zien enkel, wat aan de oppervlakte valt waar te nemen,
en de regeering denkt aan geen wetenschappelijk onderzoek. Waar
vreemdelingen dit beproeven, worden zij op alle mogelijke wijzen
bemoeilijkt. De Turken wenschen vóór alles, dat hun rijk onbekend
zal blijven, en willen het volk liefst van alle kennis verstoken zien.
In de streken aan den bovenloop van de Araxes, waar ik nu was
aangekomen, en verderop, tot Mouch, zijn de Kurden tamelijk vreedzame
landbouwers, met vaste woonplaatsen. Hun woningen waren iets minder
primitief dan die der Armeniërs en Turken, welke ik had gezien in
de omstreken van den Frat-Soe, en den Tsjorokh. Mijn zaptié koos dan
ook trouwens voor ons logies de beste uit. Hier waren menschen en vee
wel in dezelfde ruimte opgesloten, maar het vertrek was dan toch in
tweeën gescheiden door een soort van steenen balustrade, die de palen
ondersteunde, welke het dak schraagden. Zoodoende genoten wij, in de
mannenafdeeling, (de vrouwen bleven in een eigen vertrek afgezonderd)
van de met ons binnentredende schapen en koeien alleen den geur.
De grondvorm van deze woningen is altoos vierhoekig. Het dak is
tamelijk hoog en wordt gevormd door zich trapsgewijs vernauwende
houten balken, waarin een klein dakvenster nog eenig licht doorlaat,
wanneer des winters de deur gesloten blijft. In den muur tegenover
de deur was een soort haard uitgebouwd, hier zonder den bekenden
tonir of tendour, een in den grond gegraven oven, welke haard als
vrouwenvertrek dienst deed. Van de deur naar den haard liep een pad,
dat lager was dan de begane grond, en ter weerszijden daarvan lagen
op aarden verhoogingen de matten en dekens, die 's nachts als bedden
dienen. Het vee bevindt zich in den aangrenzenden stal, die lager ligt
dan het woonvertrek. Het is daar nog al benauwd, daar aan die zijde
het dak tot aan den grond schuin afloopt. De muren van het vertrek
zelf zijn slechts een of twee meter hoog.
Behalve het vervaardigen van vilt, dat alleen in de grootere dorpen
plaats heeft, oefenen deze lieden _geen_ enkel handwerk uit. Zij
schenen gastvrij van aard. Maar het bleek weldra, dat men hun
edelmoedigheid niet op de proef mocht stellen, en dat zij niet
alleen de geboden vergoeding gaarne aannamen, maar zelfs van hun
kant overdreven hooge eischen stelden. Nergens kon ik voeder voor
mijn paarden krijgen; zij hadden al de gerst naar de markt van het
naburig dorp gezonden. En haver was hier niet bekend.
Het was merkwaardig, zoo onbeschaafd als deze menschen waren,
wier woonplaats toch niet ver van een groote stad gelegen was. Zij
schenen mij als een soort wonderdier te beschouwen. De meeste dezer
lieden hadden nog nooit de doodgewone dingen gezien, die ik in
mijn reistasch had, zooals een pennemes, een lepel, en een kam en
borstel; de blikjes met geconserveerde levensmiddelen, die ik in hun
tegenwoordigheid openmaakte, waren hun totaal onbekend. Geen van deze
dorpsbewoners, die lezen of schrijven kan; zoo geleerd zijn alleen de
mohammedaansche mollahs of armenische vartabets. De Kurden hebben in
het geheel geen godsdienstige voorgangers, en zijn slechts in naam
volgelingen van den profeet; nergens zag ik bij hen een moskee,
en evenmin heb ik hen ooit, zooals de Turken, in het openbaar hun
gebeden zien uitspreken. Wel heerschen onder hen nog oude heidensche
gebruiken, zooals aanbidding van de maan, en vereering van bepaalde
boomen en bronnen; naast christelijke geloofsvormen, zooals het
teeken des kruises, een bewijs, dat zij den invloed hebben ondergaan
van armenische of nestoriaansche zendelingen, eer zij zich tot den
Islam bekeerden. Hun vrouwen, die niet geheel gesluierd zijn, leggen
voor de Turken angst en afkeer aan den dag; maar zij hebben er niet
op tegen, zich aan christenen te vertoonen. Ik mocht ze tenminste
ongestoord bij haar huiselijke bezigheden gadeslaan, en haar mannen
hadden daartegen geen bezwaar. Als de meeste boerenvrouwen zijn zij
leelijk, en nog grover geworden door zwaar werk en een overvloedigen
kinderzegen. Haar kleeding bestond uit een zeer wijde, lange broek,
een soort rok, die aan de kanten open was, een loshangend jakje en
een grooten tulband met een korten sluier, die den hals bedekt. Uit
wat ik van haar ondergoed zag, maakte ik op, dat dit nooit werd
gewasschen. De kinderen droegen havelooze lompen of liepen half
naakt; het was een akelig gezicht, die magere lichaampjes in het
stof en vuil te zien wroeten. De mannen zijn ook al niet zindelijker
dan hun wederhelften; ik zag dat van nabij, toen een oude moukhtar
(hoofd) die mij een stuk vilt had geleend om als deken te gebruiken,
vlak naast mij zijn eenig kleedingstuk uittrok, een lange blauwe pij,
met een afschuwelijk vuile linnen voering. Nooit zag ik ergens linnen
te drogen hangen; zeep is hier trouwens ook onbekend.
Intusschen zette ik mijn tocht voort, bereikte in twee korte dagreizen
achtereenvolgens de gehuchtjes Tsjeurma en Akhveron, en kwam den
vierden dag aan in de stad Khenis of Khenous, de hoofdplaats van een
sandjak of district. Ik bevond mij nu niet meer in het gebied van de
Araxes; maar in dat van de Moerad-Soe, of Oostelijke Euphraat. In
beide streken zijn de laaggelegen dalen zeer vruchtbaar. De keten,
die ze scheidt, de Karakaya, een uitlooper van den Bingoel-Dagh,
kon veel dichter bevolkt zijn dan het geval is, vooral, indien er
bosschen werden geplant, die vocht zouden aantrekken en daardoor meer
weidegrond leveren. Deze keten vertoonde geen eigenaardig karakter;
het was een aaneenschakeling van middelmatig hooge bergen, waarboven
in de verte de Bingoel zelf uitstak, die midden in den zomer nog
met talrijke plekken sneeuw was gekroond. De zware bergmassa, 3382
Meter hoog, trekt de wolken aan, en dient als reservoir voor de vele
stroomen, die zich langs de hellingen neerstorten. De naam Bingoel
Dagh beteekent: duizend meren; doch het zijn slechts moerassen,
waaruit de bronnen dezer rivieren ontspringen.
Ik was er in het geheel niet op verdacht, in de groote vlakte van
Khenous de stad van dien naam te ontdekken, eer ik reeds vlak bij
de plaats was gekomen. De stad ligt in een rotsachtige plooi van den
bodem, waardoor een der vertakkingen van den Bingoel-Soe stroomt, een
bijvloed van den Oostelijken Euphraat. 't Was een bescheiden plaatsje,
dat achter de rotsen scheen weggekropen om zich te beschermen,
nu een oude vervallen vesting het niet voldoende meer beschutten
kon. Hoe vervallen echter ook--als zijnde een vesting, mocht de
ruïne niet gephotografeerd worden, en een agent van politie kwam mij
dit met den noodigen dreigenden nadruk verbieden. Dat hielp echter
niet veel. Ik ontsnapte aan zijn argusblik, door mij te verschuilen
achter de schoorsteenen van het terras, waar ik in gezelschap van
mijn herbergier, die tevens kapper was, zou slapen, en van daar kon
ik, hoewel wat haastig, toch verscheiden opnamen doen. 't Was een
prachtig gezicht, aan alle zijden die hooge rotsen, waartusschen
in grillige bochten de rivier kronkelde. Een bevolking, die partij
wist te trekken van natuurschoon, had de oevers in een waar lustoord
kunnen herscheppen. De uitgang van deze diepe rotskloof was moeilijk
te beklimmen, zelfs voor onze sterke bergpaarden. Het stadje zelf
maakte op mij den indruk van Erzeroem in het klein; dezelfde soort
van huizen en menschen. De bazar was klein; maar vrij zindelijk,
en geheel in handen van Armeniërs. Een grappigen indruk maakte op
mij de mutessarif (chef van het district) dien ik, toen ik hem mijn
paspoort kwam vertoonen, in een wijde, geelzijden kamerjapon aan 't
kaartspelen vond, onder een prieel in een boomgaard, en dien ik een
uurtje later op straat ontmoette, uitgedost als een deftig Parijzenaar.
Toen ik eenmaal gewend was aan den eigenaardigen gang van onze paarden,
legde ik, op den dag dat wij uit Khenous vertrokken, met gemak elf
uren af. Wij hielden onderweg tweemaal stil; eens in de bergengte voor
Koutchkikh, en later nog eens te Gumgum, waar mijn teskeré (reispas)
werd nagezien door den caïmacan van de caza (kanton). Het was een oude
zwaarlijvige Turk, die in een leunstoel zat onder een paar wilgeboomen,
het eerste groen dat ik na Khenous onder de oogen kreeg, omringd door
zijn schrijvers, die op de hurken zaten. Ik mocht met hem theedrinken
en kreeg een nieuwen zaptié mede op weg. Telkens viel het mij op,
onder den langen tocht, hoe verlaten en eenzaam de vlakte van Khenous
en het dal van den Moerad-Soe, die door het gebergte Khamoer-Dagh
zijn gescheiden, er uitzagen, terwijl bij de rijkelijke besproeiing
het land vruchtbaar genoeg zou zijn om tienmaal zooveel bewoners
voedsel te leveren. Maar hiervoor waren twee dingen noodig, dacht ik:
verkeerswegen en veiligheid. Dit laatste te verzekeren scheen mij zoo
moeilijk niet. Ik kwam drie zaptiés tegen, die vijf geboeide gevangenen
medevoerden; en ik hoorde, dat dit geen dieven of moordenaars waren,
maar mohammedaansche rekruten, die niet waren opgekomen. Zulke lieden
achtervolgt de politie; maar misdadigers laat zij met vrede. Als de
een of andere ridderlijke vali eens zelf het land ging doortrekken,
om incognito het recht te handhaven, inplaats van rustig op zijn
bureau te zitten, dan zou het hier geheel anders uitzien.
Om halfacht des avonds kwam ik aan te Charbahour-Tepe, een kolonie
van Tscherkessen, die zich uit den Kaukasus door Klein-Azië hebben
verspreid, toen de Russen hun land hadden veroverd. Zij beweren
onder de turksche heerschappij vrijer te zijn in het uitoefenen van
hun godsdienst, daar zij belijders zijn van den Islam. Ik vernam
echter, dat een andere beweegreden hen dreef; zij kunnen hier
namelijk gemakkelijker hun vrouwen, dochters en zusters verkoopen
aan de pacha's, die ze in hun harem wenschen op te nemen. Die vorm
van slavernij werpt zulke groote voordeelen af, dat tscherkessische
vrouwen en meisjes dikwijls door haar mannelijke verwanten worden ten
geschenke gegeven. Een Armeniër uit Van vertelde mij daar voorbeelden
van. In de omstreken van Sivas, zeide hij, voeden de Tscherkessen
hun dochters zorgvuldig op, en in het algemeen staat daar het
peil der zedelijkheid zeer hoog, althans bij de lieden, die reeds
langen tijd in de streek gewoond hebben. En toch drijven zelfs deze
geregeld handel in blanke slavinnen. De jonge meisjes uit die streken,
die beroemd om haar schoonheid zijn, wenschen niets liever, dan de
gunst van een of anderen turkschen grooten heer te verwerven. Zoo
zond bijv. de mutessarif van Amasia, een kleine stad in de buurt van
Sivas, Békir Pacha genaamd, die daar in 1898 zijn ambt bekleedde,
elk jaar twee mooie dochters van zijn vrienden aan den sultan of een
anderen grooten heer, zonder andere vergoeding te eischen, dan dat
zijne gunstelingen hem door haar invloed zouden steunen.
De Tscherkessen zijn overigens zeer bepaald beschaafder dan hunne
naburen. In hun nationale dracht, de nauwsluitende jas, op de
borst waarvan patroonkokertjes als een waaiervormige versiering
zijn aangebracht, en met den smallen met zilver beslagen riem om
het middel gesnoerd, zien zij er knap uit, en maken een gunstigen
indruk. Terwijl bij de Kurden alleen de rijke lieden een eigenaardige
kleeding dragen, doch de onbemiddelde niet van arme Armeniërs of
christenen zijn te onderscheiden, gaan bij de Tscherkessen rijken
en armen op de zelfde wijze gekleed, en zelfs bij de armsten is
die kleeding goed onderhouden. Ook de woningen te Charbahour-Tepe
vormden door hun zindelijkheid een opmerkelijke tegenstelling
met de afschuwelijk vuile verblijfplaatsen van Turken, Kurden
en Armeniërs. Hier voelde ik mij werkelijk op mijn gemak in het
woonvertrek van mijn gastheer, waar de mooiste kleeren van het gezin,
van zijde en met fraai borduursel, aan den wand hingen. De haard,
waarin een houtvuur brandde, was behoorlijk gebouwd en prijkte met
een roode pleisterversiering. Ik zag hier noch den tendour, de in
den grond uitgegraven oven, noch de akelige tesek, koeken van mest,
die op de geheele armenische hoogvlakte zulk een groote rol spelen,
en overal bij de deuren en op de terrasdaken liggen opgestapeld. De
vrouwen verrichtten kalm haar huiswerk, zonder de minste verlegenheid
te toonen, en ook de mannen behandelden mij voorkomend. Ik sliep hier
uitstekend, gelukkig eens niet gekweld door stalgeuren, op een wel
is waar harde matras, voor mij gespreid op de verhooging, die langs
de muren van het vertrek liep, evenals bij de Kurden.
Toen ik aan de Armeniërs in die streken vroeg, waarom zij deze
gezondere en aangenamere leefwijze niet volgden, beweerden zij, dat
zij er geen geld voor hadden. Maar het is natuurlijk wilskracht, die
hun ontbreekt. Houdt men hun dit voor, dan zeggen zij, dat de Kurden
hen toch zouden berooven, als zij meerdere welvaart genoten. Dit
mag misschien waar zijn in de omstreken van Khenous, waar Kurden en
Armeniërs in nauwe aanraking komen, maar het geldt niet voor die
streken, waar beide rassen gescheiden leven. Toen de Tscherkessen
pas in het land waren gekomen, maakten zij zich uit gebrek wel eens
aan rooverijen schuldig; doch zoodra de Sultan hun eenig grondgebied
had afgestaan, zijn zij dadelijk gaan arbeiden, en een vreedzaam,
welvarend volk geworden. Wanneer Armeniërs op reis gaan, zullen zij
altijd trachten, zich bij Tscherkessen aan te sluiten; daar zij weten,
dat zij dan niet worden aangevallen; en ofschoon alle Tscherkessen
gewapend zijn, zoo goed als de Kurden, maken zij nooit misbruik van
hun macht.
Al gaven zij blijkbaar de voorkeur aan turksche boven russische
overheersching, ik geloof niet, dat deze lieden uit den Kaukasus vurige
belijders van den Islam zijn. Ook te Sivas vond ik hen in godsdienstig
opzicht vrij onverschillig. Het zijn praktische lieden, die vóór alles
hun voordeel in 't oog houden. Als zij niet rijk genoeg zijn, om den
vader hunner beminde de gebruikelijke schatting van 40 of 50 liras,
(800-1000 francs) te betalen, dan schaken zij het meisje hunner keuze,
zonder geweld, en op ridderlijke wijze, zooals dat bij herdersvolken
gebruik is. Zij zijn monogaam en zullen een christenmeisje niet
dwingen, mohammedaansche te worden. Daarin verschillen zij van de
polygame Kurden, die, het voorbeeld der Turken volgend, eischen,
dat de christenvrouwen, die zij bij voorkeur ontvoeren, tot den
Islam overgaan.
Toen ik den volgenden dag, na vijf uren reizens, het plaatsje Sakavi
bereikt had, merkte ik op, dat hier zoowel de omgeving als de bewoners
verschilden van wat ik te voren had gezien. Het landschap zag er
hier vriendelijker uit, en een boschje van populieren en wilgen,
in de buurt van menschelijke woningen, anders zulk een ongewoon
verschijnsel niet, kwam mij werkelijk als een bekoorlijk plekje voor,
wel waard om gephotographeerd te worden. De hutten der bewoners echter
waren vooral merkwaardig door hun zonderlingen vorm en hun armoedig
voorkomen. Nergens had ik nog zulke treurige verblijfplaatsen voor
menschelijke wezens aanschouwd; weinig beter dan holen van dieren. Van
buiten waren zij bijna niet te onderscheiden van de rotsen, die
ze omringden, tenzij door de ronde verhevenheden der daken, die
onregelmatige koepels vormden. Zij hadden geen anderen ingang dan
een kleine opening, de eenige, waardoor een enkele zonnestraal kon
binnendringen, waardoor de rook ontsnapte van het vuur, dat midden
in het vertrek brandde, en waardoor, zoo goed en zoo kwaad als dat
ging, eenige frissche lucht moest binnendringen in de atmosfeer, die
door de uitwasemingen van menschen en dieren was verpest. Hier werd
niet de geringste moeite aangewend om het vee afgezonderd te houden;
in een hoek van den stal stond het eenige meubelstuk, een bed van ruwe
boomtakken, waarop de stroomatras lag. Het beste bewijs van het treurig
verval, waartoe hier Kurden en Armeniërs geraakt zijn, is het gebrek
aan orde en eenheid in hun bouwconstructies. Een paar lage muren, uit
losse steenen en aarde opgestapeld, al naar mate de rotsen hier en
daar steun bieden, dragen een dak van ruwe takken, met klei gedekt,
en gestut door balken en palen, die zelfs niet van hun schors zijn
ontdaan, en bij welker plaatsing niet eens is rekening gehouden met
horizontale of vertikale richtingen. Ik was nog wel gehuisvest in
het dragelijkste van deze holen, dat door de zaptiés geregeld als
politiepost werd gebruikt. Zwermen vliegen deelden er mijn ontbijt
van yoghurt (zeer zure gestremde melk), het voornaamste volksvoedsel
in Azië; want de pilaf is alleen voor rijke lieden bereikbaar, en
werd mij op dezen tocht nergens aangeboden. Deze politieposten zijn
op ongeregelde afstanden langs den weg geplaatst. Meerdere van de
zaptiés zijn Armeniërs, een bewijs, dat de regeering ook christenen wel
vertrouwen schenkt, als zij het blijken te verdienen. Ik dacht, dat de
tegenwoordigheid der gewapende macht de veiligheid in de omstreken wel
zou verzekeren, maar later bespeurde ik, dat dit niet het geval was.
Des middags staken wij het plateau over, dat langzaam naar de vlakte
van Mouch afdaalt. Na twee uren zagen wij in de verte den Antok-Dagh,
aan welks voet de stad Mouch is gelegen, die wij echter van hier
niet konden zien. Na den Ararat en den Sipan-Dagh is de Antok, een
gedeelte van den Taurus, een der indrukwekkendste bergtoppen van dit
land, nog grootscher dan de Palandoeken. Toen wij dichterbij kwamen,
was ik zeer verrast, tegen de hellingen wijngaarden en vruchtboomen
te zien groeien. Deze boomen leverden dan ook geen rijken oogst, en
de wijn was zuur. Veel schaduw was er niet; vandaar dan ook, dat de
berg in de verte een even kalen indruk maakte als alle andere in deze
streek. Den top van dit gebergte vormt de hoogvlakte van Sassoen. Ik
was eerst voornemens geweest, daarover te trekken, doch ik vernam later
te Van, dat dit om verschillende redenen zeer bezwaarlijk zou zijn
geweest. Ik had trouwens de keus tusschen dezen weg, en de vlakte,
die zich over een lengte van tachtig kilometer aan den voet van den
berg uitstrekt. Deze scheen mij in elk opzicht meer belangwekkend. Zij
is de grootste en vruchtbaarste van geheel Armenië. Haar hoogte, hoewel
geringer dan die der meeste andere hoogvlakten, bedraagt toch nog 1280
M., en al is de koude er niet zoo hevig als te Erzeroem, de winter
duurt er bijna even lang; met meer sneeuw en minder ijzigen wind. Zij
is rijkelijk besproeid; hoewel door den Noordwestelijken hoek slechts
een groote rivier stroomt, de Oostelijke Euphraat, of Moerad-Soe, wordt
zij in de geheele lengte doorsneden door de bedding van een bijrivier,
die echter thans bijna droog was. Dit was de Kara-Soe (zwart water) een
naam, die bijna overal voorkomt, waar Turken wonen. Wij daalden langs
een steile helling af naar den Euphraat, dien wij moesten oversteken
eer wij de vlakte konden betreden. Het was een aangename verrassing, te
midden van den schaarschen plantengroei, tusschen hooge rotsgevaarten,
een waar kunstwerk aan te treffen, dat in dit onherbergzaam oord
verdwaald scheen. Dit was de brug over den Euphraat, een merkwaardig
overblijfsel uit de dagen, toen de Byzantijnen in deze streken de
opperheerschappij voerden. Een treffende tegenstelling hiermede vormde
de brug over de Kara-Soe, die wij later passeerden, een gebrekkige,
half vergane constructie, waarop men bij elken stap moest vreezen,
door een der talrijke gaten te vallen. Zulke toestanden deden onze
ingenomenheid met de Turken niet stijgen. Maar ik was dan nu toch in
Mouch aangekomen en hoopte er eens goed uit te rusten. Het kwam mij
voor, dat ik toch wel eenig comfort mocht verwachten in een vroeger
bloeiende plaats, die nog de tweede stad van het vilayet Bitlis heet,
en waarschijnlijk hoofdplaats van een district zou worden.
Daar ik tegen den avond te Mouch aankwam, moest ik een uur wachten
op de binnenplaats van den seraï, tot de mutessarif mijn papieren
had nagezien. Ik had dus den tijd mijn omgeving eens op te nemen,
en ik bespeurde dadelijk, dat ik hier onder echte Turken was
aangeland. Bedienden en soldaten, die het binnen te warm vonden, zaten,
op een tapijt gehurkt, in den hoek van de binnenplaats, en dronken er
thee, nadat zij in het publiek hun gebeden verricht hadden. Merkwaardig
oneerbiedig gingen deze lieden daarbij te werk. Niemand dacht er
aan te zwijgen terwijl zijn buurman bad; zij praatten al rookende en
drinkende rustig door, terwijl hun kameraad onder het prevelen van
zijn gebeden zevenmaal het voorhoofd tegen de aarde drukte. Geen van
hen verzuimde, eer hij begon, een stoel te plaatsen, in de richting,
waar Mekka lag; deze moest den mirhab voorstellen, de nis, waar in
de moskeeën de Koran ligt, en die overeenkomt met ons altaar.