verschillende lieden te paard voorbijreden, die uit Bitlis
of de naburige dorpen kwamen. Daar waren oude Turken bij, zoo
schilderachtig van uiterlijk als men ze slechts zelden ziet. Vooral
trof mij het voorkomen van een ouden, mageren mollah, geheel in
het wit gekleed, wiens goed besneden trekken een arabische afkomst
deden vermoeden. Nergens anders dan in afgelegen wijken van Stamboel,
waar nog echte middeleeuwsche oostersche typen zijn bewaard gebleven,
had ik zulk een romantische figuur aanschouwd. De mutessarif zond mij
een cavas, (een gegalonneerden en gewapenden dienaar) die mij kwam
verzoeken, den nacht door te brengen in het belédié (stadhuis). Op
weg daarheen kon ik eerst in het donker niets onderscheiden dan de
groentetuinen, die zich uitstrekten rondom de stad, en daarna bracht
mijn geleider mij, onder donkere balkons door, waar slechts een enkel
lichtje schemerde, door de laaggelegen handelswijk, terwijl rechts van
ons trappen omhoog voerden naar andere huizen, die op een kegelvormigen
heuvel waren gebouwd. In de groote zaal van het stadhuis trof mij de
allervreemdste mengeling van antieke en moderne motieven. De wanden
waren blijkbaar pas bekleed met een lambrizeering van populierhout,
die nog niet geverfd was, en waarschijnlijk ook wel nooit geverfd zou
worden. Op den grond lagen tapijten, waarvan sommige kostbaar en nieuw,
andere versleten en vol gaten waren. Op de sofa tegenover mij zat een
oude man, geheel in witte sluiers gehuld, tusschen opeengestapelde
kussens; naast hem lag een jongmensch op zijn gemak achterover in
een leunstoel, met een modern grijs pak aan, waarvan hij de jas had
uitgetrokken. Ik maakte eerst mijn opwachting bij den ouden heer, die
mij zoo vriendelijk aankeek, dat al de rimpeltjes in zijn gezicht in
beweging kwamen. Hij vertelde mij, dat de burgemeester zijn neef was,
en stelde mij als zoodanig het jonge mensch in hemdsmouwen voor. Deze
schudde mij de hand en inviteerde mij, om met hem te dineeren, en
dien nacht in het stadhuis te blijven slapen. Ik begreep nu wel,
hoe de vork in den steel zat; daar ik zoo beleefd werd ontvangen,
moest ik de omstandigheid maar voor lief nemen, dat men mij van mijn
vrijheid beroofde en belette, iets te hooren of te zien.
Het middagmaal werd naar turksch gebruik opgediend, zonder stoelen of
borden, op een kleine ronde tafel van een voet hoog. Mijn gastheer
verwonderde zich zeer, dat ik niet gemakkelijk op mijn hurken kon
zitten, maar was zoo goed mij kussens te laten brengen, om met
mijn elleboog op te leunen, zoodat ik tenminste mijn beenen kon
uitstrekken. Na de koffie werd ik alleen gelaten; een hoop matrassen
nam de plaats van het tafeltje in, en ik bracht voor de tweede
maal een rustigen nacht door. Vroeg in den morgen bracht een agent
van politie mij buiten de stad, en gaf mij vergunning, de grootste
moskee binnen te gaan, die mij echter, wat de versiering betrof, niet
meeviel. Trouwens, op een paar perzische deuren en boogvensters na,
zag ik wel, dat de witte huizen van het tegen den Antok Dagh gebouwde
stadje bij nader onderzoek weinig bezienswaardigs zouden opleveren.
Nadat ik Mouch had verlaten, legde ik in twee dagreizen, steeds door de
vlakte en langs het gebergte trekkend, den afstand af tusschen Mouch
en het meer Van. De meeste der kleine plaatsjes, die over deze groote
uitgestrektheid liggen verspreid, worden beschaduwd door enkele groepen
geboomte. In een dorpje, waarvan ik den naam liefst wil verzwijgen,
om mijn zegsman geen onaangenaamheden op den hals te halen, had ik het
genoegen een lang gesprek in 't Fransch te voeren met een ouden boer,
die vroeger in Constantinopel had gewerkt. Toen ik mijn verwondering
te kennen gaf, dat ik slechts twee verwoeste dorpen in deze vlakte
had aangetroffen, zeide hij, dat de verschrikkelijkste gruwelen waren
bedreven in het gebergte Sassoen. Ook hoorde ik, dat de Armeniërs,
waaruit de bevolking dezer vlakte hoofdzakelijk bestaat, onophoudelijk
te lijden hadden van de onverdragelijke rooverijen der Kurden, zonder
dat de regeering een vinger uitstak om dit te beletten. Van de zeven
à achtduizend schapen, die de Armeniërs in zijn dorpje hadden bezeten,
bleven hun nog slechts 200 over. "Zij kunnen niet ploegen, als ze geen
ossen hebben", zeide hij, "en nu moeten zij die tegen een schandelijk
hoogen prijs huren van de Kurden, die ze hun hebben ontstolen." Zulke
dingen die hier dagelijks voorvallen, worden niet bekend, en kunnen
ook onmogelijk ruchtbaar worden, omdat de overheid, die dit alles in
de hand werkt, belet, dat dergelijke geruchten zich verspreiden. Als
de politieagenten hun plicht maar mochten doen, zouden zij dien wel
vervullen; maar zij kunnen niet.
Ik vroeg aan verschillende zaptiés, in wier wachtposten mijn geleiders
mij lieten overnachten: "Wat doet gijlieden hier eigenlijk? Gij zijt
hier op weinige uren afstands van elkander op post gezet, en gij voert
niets uit? Neemt dan toch uw geweren en schiet op die diefachtige
Kurden, als zij zich vergrijpen aan eens anders eigendom!" Maar
ik kreeg ten antwoord: "O neen, dat wil de Padishah niet hebben;
het zijn hamidiés." Onder dien naam gaat bij de Kurden alles door;
zelfs eenvoudige herders maken deel uit van die gewapende bende,
die haar wapens enkel gebruikt om Armeniërs in het nauw te brengen,
en eenvoudig weigert deel te nemen aan de jaarlijksche oefeningen,
een verplichting, waaraan nog niemand hen heeft kunnen dwingen,
te voldoen. Den eersten dag hadden wij voortdurend het gezicht op
den Nimroed Dagh, een vulkaan, waarvan de cirkelvormige krater,
die een doorsnede heeft van tien kilometer, ten Westen van het meer
Van oprijst. Uit de verte gezien, verhief zich de afgeknotte kegel,
3018 M. hoog, boven de omringende bergketens, als een puntig geslepen
diamant, in een ring gevat. Merkwaardig was ook de vervallen cumbett,
bij de bron van den Kara-Soe, aan den rand van een uitgestrekt bassin,
waar het water uit den vlakken grond opborrelt. Het monument werd thans
chaïtân (duivel) genoemd, daar het een schuilplaats voor roovers en
moordenaars is geworden. De voet van het gebouw was, jammer genoeg,
bedolven onder puinhoopen, en omringd door de leelijke grafsteenen
van een mohammedaansch kerkhof. Slechts gedeelten van het fraaie
beeldhouwwerk der buitenmuren zijn overgebleven.
Hoewel iets beter ingericht dan de treurige menschelijke
verblijfplaatsen van het vorige plateau, waren de huizen der bewoners
van deze vlakte toch armoediger dan die der Kurden tusschen Erzeroem
en Khenous. In deze groote onbeschutte ruimten schijnen de bewoners
nooit veilig te zijn geweest voor roofzieke invallen; in geheel turksch
Armenië zag ik nergens de bouwvallen, die men zoo veelvuldig aantreft
in het gebergte, waar de Armeniërs zich tegen hun vijanden hebben
kunnen verdedigen; en toch is het zeker, dat Armeniërs sedert de
vroegste oudheid in deze streken hebben gewoond, tot eerst de Turken
en later de Kurden hen kwamen verdringen. Gedurende de tien eeuwen,
die aan deze verovering voorafgingen, beletten hun voortdurende
onderlinge oorlogen de ontwikkeling der vruchtbaarste streken, die
tevens het meest geschikt waren om als oorlogsveld te dienen. Meer
dan elders begunstigde hier het terrein, door de verdeeling van
den bodem in kleine, door bergen ingesloten gebieden, de onderlinge
verdeeldheid der vorsten, die elkander den voorrang betwistten en
zich voortdurend wisten te verrijken ten koste der vlaktebewoners, die
vreesachtiger waren, daar het hun aan natuurlijke verdedigingsmiddelen
ontbrak. Wanneer men Bitlis nadert, over de kleine hoogvlakte, die
zich boven het meer Van verheft, valt de Nimroed Dagh, van naderbij
gezien, tegen; de berg is effen, en maakt door een soort groenachtig
mos, waarmede hij bedekt is, den indruk van een kunstmatig opgeworpen
reusachtigen aardheuvel. Van hier af aan begon de omgeving weer te
veranderen. Wij naderden thans een eertijds zeer machtige sterkte
der Kurden, die eerst de Perzen, en later de Turken met groote moeite
hebben veroverd. De laatsten waren er eindelijk, na anderhalve eeuw,
in geslaagd, hier een geregeld bestuur te vestigen, dat verbonden
was met de minder afgelegen gedeelten van het rijk door een systeem
van posten, waarvan nog enkele vrij goed zijn bewaard gebleven. Een
der belangrijkste van deze administratiegebouwen, op een uur afstand
van de stad gelegen, de Osrof Pacha Khân, is van buiten slechts een
vierkant blok, met plat terrasdak, maar vertoont van binnen prachtige
gewelfde bogengalerijen, met lage rondbogen, die aan middeleeuwsche
kloostergangen herinneren. Dit gebouw wordt thans als stal gebruikt,
terwijl andere reeds vervallen zijn en aan hun lot worden overgelaten,
zooals dat meer gaat in Turkije. Toch was er nog een van deze gebouwen
in de stad Bitlis zelf, dat het bekijken wel waard was, doch waarvan
ik tot mijn spijt den naam niet kon te weten komen. Er werden thans
wapens en munitie bewaard; vandaar die geheimzinnigheid, en de toegang
was natuurlijk verboden. In gezelschap van een der vele Turken uit
Constantinopel, die om politieke redenen naar de uiterste grenzen
des rijks zijn verbannen, gelukte het mij, te worden toegelaten op
de binnenplaats der kazerne, waarachter het bewuste gebouw gelegen
was. In de schaduw van het geboomte was het te donker, om een goede
photographische afbeelding te verkrijgen van den sober versierden
voorgevel met de beide halve torens op de hoeken. Dit stijlvolle
gebouw, waarvan niemand de schoonheid opmerkte, was oneindig meer
de aandacht van den beschouwer waardig dan de Tchifté minarets van
Erzeroem en Sivas.
Een ander merkwaardig monument, dat uit den tijd der arabische
overheersching schijnt te dateeren, is de kleine moskee Oeloe Djamih,
die geheel achter in een soort van trechter gelegen is, waarin de
stad verscholen ligt. Behalve het mooie portaal, dat oorspronkelijk
met de fijnste vergulde arabesken was versierd geweest, vond ik op de
binnenplaats een zuilengalerij, een eenzame minaret bij een fontein,
en een cumbett, waarin de stichter van het heiligdom rustte. De
tralies der kleine vensteropeningen waren bedekt met duizenden
kleine lapjes, door de geloovigen eraan geknoopt, als een offer,
om zegeningen te ontvangen. Die weinig kostbare offergaven ziet
men hier overal, soms met een muntstukje erin, dat de Armeniërs dan
's nachts komen weghalen. Sommige steenen en gewijde boomen worden,
bij gebrek aan tempels, door de Mohammedanen vereerd, en de Armeniërs
drijven met die bijgeloovigheid gaarne den spot. Soms begraven zij
een hond onder een boom, en maken de Turken wijs, dat daar een graf
van een heilige is. Dit vertelde mij een Armeniër uit Bitlis, en ik
geloofde hem gaarne; want het is werkelijk onder deze lieden voldoende
te beweren, dat men in den droom den Profeet, of de maan heeft gezien,
om voor een heilig man te worden gehouden.
Slechts enkele bouwvallen spreken hier in het Oosten van vervlogen
grootheid. In Bitlis verheffen zich boven de met stevige steenen
huizen volgebouwde kom, die de eigenlijke stad vormt, de torens en
muren der kolossale vesting, die door verschillende achtereenvolgende
heerschers is versterkt wegens haar bijzonder gunstige ligging tusschen
steile bergwanden, op een rots aan den oever van den Bitlis-Soe, een
bijvloed van den Tiger. Deze toren was tot aan het einde der 18de eeuw
het verdedigingscentrum der Kurden, dat zij herhaalde malen verloren
en weder heroverden. Aan de eene zijde staan nog de lichthellende
muren, die aan de assyrische bouwwerken herinneren, aan de andere
verrijzen twee hooge ronde torens, niet door kanteelen gekroond,
die dagteekenen uit een veel later tijdperk. Gezien van het hooge
terras der amerikaansche missie en de gebouwen van het consulaat, in
de armenische wijk gelegen, maakten deze overoude vestingwerken een
schilderachtigen indruk. Voor Europeanen is het verblijf te Bitlis
nog onaangenamer dan te Erzeroem. In den zomer kunnen zij nergens
een uitstapje maken; geen berijdbare weg is er meer dan twintig
minuten lang. Tusschen steile bergen ingesloten, op een hoogte
van 1554 M., is de stad merkwaardig genoeg voor den doortrekkenden
reiziger, die er geniet in de koele schaduw van lommerrijke tuinen;
maar voor wie genoodzaakt zijn, er langen tijd te vertoeven, is zij
bijna een gevangenis. Zeven maanden duurt er de winter, waarin de
sneeuw soms zeven meter hoog ligt, en hoewel de koude hier gelukkig
veel minder hevig is, dan op de andere hoogvlakten, men is hier dan
toch van alle verkeer met de buitenwereld afgesloten. Zelfs de post
kan dit afgelegen oord niet altijd bereiken, en maakt dan gebruik van
kleine handsleedjes, die door boeren met groote pantoffels aan worden
voortgetrokken. Paarden zouden geen stap kunnen doen, zonder tot aan
den buik in de sneeuw te zinken. Om de wegen van die sneeuwmassa's
te bevrijden, zou veel geld en veel werkkracht noodig zijn, en vóór
alles moesten de wegen zelf beter zijn aangelegd. Ik wist niet wat
ik hoorde, toen ik vernam, dat met ossen bespannen arabas in den
zomer den weg beklommen, waarlangs ik van den Nimroed Dagh gekomen
was. Op de vlakte, waar het weinig moeite kostte, den weg te effenen,
was deze in goeden staat; maar waar hij steil begon te dalen, verliep
hij in een chaos van lavabrokken, die door geen menschenhand waren
aangeraakt, sedert zij gloeiend aan den schoot der aarde ontsprongen.
Niet alleen door de schilderachtigheid der ligging munt Bitlis uit;
maar eveneens door de bonte en afwisselende kleederdracht der bewoners,
die ons oog voortdurend houdt geboeid. Ik had reeds verschillende
Kurden, zoowel rijke als arme, ontmoet, maar hier, in hun hoofdstad,
viel mij, door hun fiere houding, nog meer op, hoe zeldzaam en
fraai hun kleeding was, en met hoeveel zwier zij die droegen. Zij
vormen hier, door hun groot aantal en hun onafhankelijk optreden,
een machtige meerderheid, voorzeker een der oorzaken, waarom de vali
in deze provincie zijn gezag zoo moeilijk kan handhaven. Iemand, die
dezen rang bekleedt, die in civiele aangelegenheden absolute macht
bezit, en niets heeft te vreezen, zoolang hij de bevelen der Porte
gehoorzaamt, moest met omzichtigheid worden gekozen uit de meest
bekwame en rechtvaardige ambtenaren. Doch deze zijn schaarsch in
Turkije. Zeker is het, dat de tegenwoordige vali, die door sommigen
voor een boosdoener wordt uitgekreten, door anderen als tactloos
en onhandig beschouwd, moest worden afgezet, als ooit de rust in
Kurdistan zal worden hersteld. Niet weinig verbaasd was ik, toen
hij mij, onder meer ongeloofelijke mededeelingen, liet berichten,
dat de Kurden hier zeer rustig waren en de Armeniërs in dit paradijs
van een vilayet zoo gelukkig als maar mogelijk was. Het is waar,
dat er een schijn van rust is gekomen, nadat de bevolking door de
bedreven gruwelen gedecimeerd is. Als men alle Christenen vermoordde,
zouden er geen zaken meer te doen zijn; zij worden dus geduld, enkel
om als slachtoffer te dienen van afpersingen, waartegen zij zich
niet kunnen verzetten, omdat hun beulen Kurden zijn, die krachtens
hun ambt de macht in handen hebben. Wat de boeren betreft, zelfs in
de buurt van de hoofdstad is hun lot ondragelijk.
Oude armenische gedenkteekenen verwachtte ik niet te vinden in een
streek, waar de oorspronkelijke bewoners reeds zoo lang voor vreemde
indringers moesten wijken. Ik bezocht dus ook niet het armenische
klooster in de nabijheid der stad. In hun oude kerk te Bitlis,
waaraan een school verbonden is, deed ik een bijzonder onaangename
ervaring op. Toen ik slechts een minuut of drie zonder schoeisel
over de tapijten had geloopen, die den vloer bedekten, krioelden
mijn beenen van vlooien. Die plaag was in Bitlis erger, dan ik het
zelfs in dit vuile land ergens had bijgewoond. Uit het feit, dat
de Armeniërs, die dan toch nog altijd 15000 op een bevolking van
35000 zielen vertegenwoordigen, slechts eene kerk van deze grootte
bezaten in de stad, laat zich gemakkelijk afleiden, dat zij altijd
gebukt hebben gegaan onder een tyrannie, die hen noopte zich schuil te
houden. Zij zijn bijna allen streng Gregoriaansch gebleven. Katholieken
zijn er, geloof ik, niet meer onder hen. Amerikaansche protestanten
doen moeite, hen te bekeeren. Dat gelukt min of meer, al naar den
drang der omstandigheden. In den tijd van de gruwelen wendden
velen zich tot de zendelingen, die hun "congregationalism" dan
eensklaps ingang zagen vinden, om weer verworpen te worden als
men het niet meer noodig had. Volgens den Heer Lynch zijn er in
de stad een honderdtal protestanten, en op het land twaalfhonderd;
en dit aantal zou waarschijnlijk vermeerderen, daar volgens hem het
protestantisme niet in strijd was met het nationaliteitsgevoel der
bekeerlingen. Zonder in dezen een oordeel te willen vellen ten gunste
van eenige godsdienstige richting, geloof ik wel eenige waarde te mogen
hechten aan de verklaring der vreemdelingen, in Armenië gevestigd,
die beweren, dat juist de protestantsche Armeniërs in politiek opzicht
blijk geven van een weerstrevenden geest, zeer tot hun eigen nadeel,
terwijl de Katholieken, die zich beter schikken in hun lot, gespaard
blijven.
Ik wilde beproeven over het meer naar Van te reizen, daar mijn tweede
paard reeds niet meer verder kon. Toen ik te Tadvan kwam, de haven
voor de enkele logge zeilschepen, die koopwaar vervoeren, wilde men
mij met mijn paard niet overbrengen voor minder dan 16 lira (368
frs). Toen besloot ik maar, drie dagreizen lang den zuidelijken oever
van het meer langs te trekken, welken omweg ik later niet betreurde,
want het landschap was buitengewoon schilderachtig. Het groote meer
is omringd door hooge bergketens; vlakbij zag ik den Nimroed Dagh, op
den linker oever den Sipân Dagh en aan de zuidzijde rees de Taurus op.
Die drie vermoeiende dagreizen waren wel de moeite waard; nog nimmer
had ik, zelfs aan de italiaansche en zwitschersche meren, zulk een
opeenvolging aanschouwd van heerlijke, afwisselende natuurtooneelen. De
grootschheid der vormen en de kleurenrijkdom van het geheel vloeien
voort uit velerlei oorzaken; naast geweldige bergketens rijzen hier
indrukwekkende geïsoleerde toppen op, de reusachtige uitgestrektheid
van het watervlak herinnert eer aan de kust van den oceaan, dan aan den
oever van een meer; de Oostersche hemel is er helderder dan de onze,
en het meer zelf ligt op een hoogte van 1718 M. Boven het donkere
metaalachtige blauw van den waterspiegel verrees de prachtvolle
silhouet van den Sipân Dagh, de eenzame vulkaan, die als een berg van
geslepen kristal zijn lichte facetten tegen den donkeren achtergrond
afteekende. De heer Lynch had dezen berg beklommen, en in de nabijheid
van den krater een ziaret ontdekt, een soort bedehuis voor pelgrims,
waar mohammedaansche vrouwen, met bloote voeten op het ijs staande,
in aanbidding knielden voor een hertengewei. De andere ziaret bevond
zich op den top van den Bingoel, zoogenaamd een gedenkteeken ter
herinnering aan Goshkar Baba, den schoenmaker van den Profeet. Terwijl
een man zorgvuldig een handvol stof uit het heiligdom in de plooien
van zijn kleed bergde, geraakte een der zaptiés, die den reiziger
vergezelden, in godsdienstige verrukking bij het zien van de planeten
Venus en Jupiter, tot welke hij een vurig gebed richtte. Eer ik
den Taurus beklom, langs kortere paden, waaraan ik de voorkeur gaf
boven den slingerenden gewonen weg, staken wij niet zonder moeite een
riviertje over, dat tusschen den Nimroed en Bitlis stroomt. Terwijl
een der zaptiés visch ging koopen van eenige visschers, die wij aan
den oever zagen, verheugde ik mij bij voorbaat op die lekkernij, want
ik wist dat hier nergens zoetwatervisch gevangen werd, dan juist in
de monding der kleine rivieren, die zich in het zoute meer uitstorten.
Ik was niet weinig teleurgesteld, toen ik na een vermoeienden
tocht langs zeer steile hellingen, op een maal van gezouten visch
werd onthaald. Al moest ik mij dus verder maar weer met yoghurt en
eieren tevreden stellen, ik bleef bij dat dieet krachtig genoeg, om
de twaalf of veertien hooge toppen te beklimmen en weer af te dalen,
die, zonder een spoor van een gebaanden weg de zuidelijke helling
van de bergketen vormden.
Op een der hoogste toppen hadden Armeniërs oudtijds een tempeltje
gebouwd, waaraan de rotsen door hun vorm een natuurlijke
basis verleenden. In de meeste rotskloven groeide struikgewas en
dwergeiken, en de kale steengrond wisselde af met grasvelden. Telkens
vertoonde zich weer de onmetelijke blauwe waterspiegel, omlijst
door de paarsachtige, in een lichten nevel gehulde berggevaarten,
een gezicht, dat mij alle vermoeienis vergeten deed. Aan het eind
van den tweeden dag wachtte ons een verrassing. Wij waren nu naar
den oever afgedaald in een verrukkelijke, boschrijke streek, waar
tusschen tuinen en weidegronden het verblijf van den aartsbisschop
van Akhvank was gelegen. Deze priester is de opvolger van den ouden
katholikos (patriarch) die als alleenheerscher regeerde over de
kleine gemeente van Armeniërs in deze streek. Tien jaren geleden
is deze echter vervangen door den tegenwoordigen aartsbisschop, die
onder den grooten katholikos van Etchmiadzine staat. Het was een zeer
eenvoudige en voorkomende man, die mij vriendelijk binnenleidde in
zijn "paleis" van gepleisterde klei. Het huis, dat pas gebouwd was,
en waaraan nog een school zou worden toegevoegd, zag er niet onaardig
uit. Het bouwmateriaal leverde het slijk der kleine stroomen, dat, tot
vierkante blokken gevormd, in de zon gedroogd werd, en het hout van
de bosschen in den omtrek. Ik moest tot den volgenden avond wachten
op de eenige boot, die hier tot mijn beschikking was, en die thans
door den aartsbisschop was uitgezonden. Met dat vaartuig zou ik mij
begeven naar het eilandje Akhtamar, met een gezelschap Armeniërs uit
Van, die het eveneens wilden bezoeken. Als het noodig was geweest,
had ik wel acht dagen willen wachten op deze gelegenheid, want ik
stelde mij veel voor van dat juweel der armenische bouwkunst, dat op
dit kleine eiland was bewaard. Mijn verwachtingen werden geenszins
teleurgesteld. Halverwege de rots geplaatst, die door de blauwe golven
wordt bespoeld, is dit kerkje, waar omheen thans een klooster is
gebouwd, ongerept gebleven sedert de 10de eeuw, toen koning Gragik
van Vaspoerakân het heeft gesticht, zooals zijn beeltenis in een
basrelief van den westelijken muur kondgeeft, waar hij voorgesteld
wordt met de verkleinde afbeelding in de hand van het gebouw zelf,
dat hij Christus aanbiedt. Deze beide figuren zijn omringd door
tallooze bijbelsche personen, dieren en bloemvormen. De dieren zijn
naar assyrische opvatting behandeld, met tamelijk veel uitdrukking;
maar de menschelijke figuur, die in de armenische kunst zelden als
versiering wordt aangewend, is hier slechts een onbeholpen nabootsing
van de byzantijnsche kunst uit het vervaltijdperk. Verreweg het fraaist
zijn de versierde banden, waarbij zij zich niet van geometrische
lijnen, maar van plantvormen hebben bediend. De bouwmeester, die
het kunstwerk schiep, moet een man van smaak en groote technische
bekwaamheid zijn geweest. Niets in dit meesterstuk van bouwkunst is
banaal, het is eenvoudig, sierlijk, en volmaakt van verhoudingen. De
eenige fout, die eerst bij nauwkeurige beschouwing wordt opgemerkt en
niet aanstonds in het oog springt, is de verbreeding der oostelijke
apsis, die, om plaats te winnen voor een paar kleine sacristieën,
op storende wijze de lijn breekt der torenvormige contreforten, die
den koepel steunen. Binnengetreden in het schip der kerk, troffen
mij de zuivere verhoudingen der bogen, boven een vierkant grondplan
geplaatst, waarvan de hoeken worden afgesneden door de nissen, die den
ingang tot bovengenoemde vier hoektorens vormen. De pijlers vertoonen
geen beeldhouwwerk, doch sporen van vroegere beschildering.
Een paar uur verder naar het Zuiden gelegen, verrijst een der
beroemdste armenische kloosters, dat van Narek, een zuiver
voorbeeld van den eigenaardigen armenischen stijl. Overal de nu
eens cylindervormige, dan achthoekige middenbouw, die het inwendige
door smalle vensteropeningen verlicht, en bekroond wordt door een
kegelvormig dak.
Terwijl ik vervolgens mijn reis naar de beroemde stad Van voortzette,
praatte ik eens met de Armeniërs, die met mij het eilandje hadden
bezocht. Het waren tien onderwijzers aan verschillende scholen,
en drie van hen spraken Fransch. Te voet terugkeerend, zooals zij
ook gekomen waren, maakten zij in elf dagen dit uitstapje door de
bergen, die ten Zuiden van het meer de bijna onbegaanbare hoogvlakte
van den armenischen Taurus vormen. Ik gaf mijn verwondering te
kennen, dat zij het waagden, zoo alleen te reizen, ongewapend en
zonder mohammedaanschen gids. Zij antwoordden, dat het vilayet Van
tamelijk veilig was, dank zij den vali; een rechtschapen man, die
alles doet, wat in zijn vermogen is, om den vrede te bewaren, en dat
deze districten, waar voornamelijk Kurden wonen, de Armeniërs juist
bijzonder welgezind waren, eene mededeeling, die mij, na al wat ik
over de zaak vernomen had, niet weinig verbaasde.
Ten eerste vertelden zij mij, dat in deze streken vele machtige
kurdische begs woonden, die de christenen beschermden. Zij zelf waren
zeer vriendelijk ontvangen, ofschoon zij hem geheel vreemd waren,
door een dier groote heeren, een inwoner van Mouqs, een prachtige,
boschrijke streek, waar de Kurden vreedzaam den vruchtbaren grond
bebouwen en goede vrienden zijn met de enkele Armeniërs, die zich
er ophouden. Deze man, Mourtla Bey genaamd, vervulde het ambt van
mudir in het plaatsje Mouqs, in den caïmacanlyk van den zelfden naam
gelegen. Hij was reeds 49 jaar, doch ongetrouwd, daar hij vrij wilde
blijven tot hij Europa gezien had, 't geen hij stellig voornemens
was te bezoeken.
Zijn sympathie voor de Armeniërs ging zelfs zoover, dat hij hun taal
had geleerd, die de Turken zelden kennen, en die hij thans evengoed
sprak als Kurdisch en Turksch. Met zijn familie, die minder edelmoedig
gezind was, had hij geheel gebroken, en zijn vaders huis verlaten, om
zich in het naburig gehucht Aghin te vestigen. Toen zijn broeders een
armenischen melik (markies) hadden gedood en diens eigendom geroofd,
onderhield hij de familieleden van hun ongelukkig slachtoffer. Hoewel
zulke edelaardige naturen hier uitzonderingen zijn, komen zij toch
veelvuldiger voor dan men zou vermoeden. Meer naar het Westen, tusschen
Pelou en Kinderantz, plaatsen, waar ik op mijn tocht langs het meer
was voorbijgekomen, woonde een oude beg, Hussein Agha, van Garchikân,
die eveneens den grootsten lof verdiende, wegens zijn edelaardig en
rechtschapen karakter. De heer Grenard, consul te Erzeroem, die ook
een reis door zuidelijk Kurdistan had gemaakt, placht met groote
ingenomenheid te gewagen van dien eerwaardigen patriarch, die goed
was voor zijn onderhoorigen, voorkomend jegens vreemdelingen, en zeer
verstandige opmerkingen placht te maken over politieke en sociale
toestanden. Eer de Porte deze onafhankelijke Kurdische stammen met
hun hoofden had onderworpen, leefden de Armeniërs veilig en gerust,
terwijl zij thans aan de treurigste vervolgingen blootstaan; want
het hoofd van elken stam beschermde hen als zijn eigendom, evengoed
als zijn kurdische lijfeigenen. Al waren zij slechts slaven, die met
hun meesters grondgebied gekocht en verkocht werden, waarom zij "zer
houri" werden genoemd; zij werden door die meesters oneindig beter
behandeld en hadden een veel dragelijker lot dan onder de turksche
heerschappij. Mijn reisgenooten verhaalden mij nog, als een voorbeeld
van de goede verstandhouding, die tusschen deze twee volken zou kunnen
heerschen, hoe na den brand, die zestig jaren geleden de stad Mouch
in de asch had gelegd, vele der armenische inwoners de wijk namen
naar het gebergte, waar Mihr Hassan, een mohammedaansch sjeikh,
de vluchtelingen met open armen ontving. Zij brachten relieken mede
van den heiligen Gregorius, en daar de zoon van den sjeikh ziek was,
vereenigde deze zich met de vrome pelgrims in een gebed om redding
van zijn kind. Toen zijn zoon genas, liet hij uit dankbaarheid een
christelijk klooster bouwen, Sosi Sourp Krikor genaamd (St. Gregorius
van den Berg). Dit heiligdom is steeds door Kurden en Armeniërs om
strijd in eere gehouden en wordt overladen met geschenken, soms tot een
bedrag van 4000 liras (92000 francs) in het jaar. Tot in Trebizonde en
den Kaukasus worden gaven verzameld. Een gedeelte van dit geld wordt
bestemd voor inrichtingen ten algemeenen nutte; zoo heeft het klooster
twee khâns in het gebergte opgericht, waardoor het thans mogelijk is,
den Taurus ook in den winter door te trekken, en als het ongunstig
weder is, worden daar dikwijls dertig of veertig reizigers kosteloos
geherbergd door de broederlijke samenwerking van Kurden en Armeniërs.
Ten Zuiden van het meer Van droeg nog een andere oorzaak ertoe bij,
de rust in deze streek te bevorderen. In alle plaatsen waar mijn
reisgenooten zich hadden opgehouden, vertoefden fedaïs (gewapende
armenische opstandelingen), die de Kurden in bedwang hielden en de
Turken ontzag wisten in te boezemen.
De Vali van Van is met deze toestanden niet onbekend, maar hij is
wijs genoeg, dit alles oogluikend toe te laten, en reeds dankbaar,
als het in zijn district rustig is, zonder zijn tusschenkomst. In het
vilayet Erzeroem daarentegen zendt maarschalk Zecki Pacha, waar hij
een bende fedaïs ontdekt, zijn troepen uit, om ze uiteen te drijven,
en terwijl de vluchtelingen, meestal gering in aantal, zich uit de
voeten maken, lijden de onschuldige inwoners onder het ruwe optreden
der soldaten en de rooverijen van diefachtige Kurden. Zoo gaat het
overal, zelfs in de onmiddellijke nabijheid der streken, waar de
fedaïs de overmacht bezitten. Ik vermeld natuurlijk deze feiten,
zooals zij mij door mijn tijdelijke reisgenooten werden medegedeeld.
Tusschen Akhvank en Van zag ik verschillende aardige plaatsjes,
die in het groen verscholen lagen, o.a. Vostân en Artamid, dat zijn
naam te danken heeft aan den eeredienst, hier oudtijds aan de godin
Artemis gewijd. In Artamid ontmoette ik den Vali, die van mijn komst
uit Erzeroem bericht had ontvangen. De waardige grijsaard scheen
mij ten volle de achting te verdienen, die hem van alle zijden werd
toegedragen. Daar ik nog een bekende uit Erzeroem hier wilde opzoeken,
een amerikaansch geestelijke, begaf ik mij naar het buitenverblijf, dat
als rust- en herstellingsoord diende voor de amerikaansche zendelingen
in Van. Ik vond daar een vroolijk gezelschap bijeen, en het was mij
zeer aangenaam, eens weer beschaafde lieden te ontmoeten. Na een
gezellig déjeuner, waarbij melkspijzen en vruchten de hoofdschotels
waren, (van wijn was hier natuurlijk geen sprake, en cigaretten
schenen als een uitvinding des duivels te worden beschouwd) vertrokken
de gasten weder naar hun meestal ver verwijderde woonplaatsen. Ik
bewonderde de flinkheid van die aardige jonge meisjes, die terwille
van haar ideaal hier veel ontbering verdroegen. Het kwam mij voor, dat
deze amerikaansche vrouwen onder de bevolking van deze streken allicht
meer invloed konden uitoefenen dan de katholieke liefdezusters. Zij
beschikken trouwens over ruimer middelen, en het geld speelt hier
ook in bekeeringszaken ontegenzeggelijk zijn rol. Meerdere van deze
ondernemende jonge dames waren verloofd geraakt na dit zomeruitstapje,
dat zooals booze tongen te Van beweerden, geen ander doel had, dan
om de jongelui gelegenheid te schenken tot hofmakerij. Ook in Van
wordt wel eens kwaad gesproken!
Van alle voorname plaatsen in Armenië is Van het aangenaamst
gelegen. De nieuwe stad, een uur van de oude hoofdstad verwijderd, ligt
in de schaduw van lommerrijke tuinen; de oude kaal en open, tusschen
het meer en de alleenstaande rots, die den archaeologen en reizigers
in deze streken welbekend is. Ik begaf mij eerst naar de nieuwe stad,
waar ik twee dagen de gast was van den heer Robin, den franschen
consul, en twee nachten rustig sliep in het huis van zijn beleefden
armenischen drogman, daar er geen hôtel was in de stad. Nog slechts
twee jaren was dit fransche consulaat hier gevestigd, oorspronkelijk
met het doel, de nagelaten betrekkingen van de slachtoffers der
bedreven gruwelen te steunen en, zoo mogelijk, nieuwe onheilen te
voorkomen. De heer Robin had dan ook reeds een moeilijken tocht
achter zich door het gebergte te Sassoen, dat tot het vilayet Bitlis
behoort. Volgens zijne meening had het uitmoorden der Christenen
ditmaal nog stelselmatiger en vollediger plaats gehad dan in 1894-95;
doch thans was het de tweede maal, en de publieke opinie in Europa
had de zaak geringe aandacht geschonken, ondanks de verontwaardigde
uitingen van sommige engelsche parlementsleden, waarmede Frankrijk en
Italië hadden ingestemd. Inplaats van eenvoudig de fedaïs te verjagen,
die getracht hadden de Armeniërs dezer hoogvlakte tot verzet aan te
sporen; inplaats van na behoorlijk onderzoek diegenen der bewoners te
straffen, van wie bewezen was, dat zij de fedaïs hadden ondersteund,
en het land intusschen te zuiveren van de plaag der kurdische roovers,
hadden de turksche troepen, versterkt door de hamidiés, de hebzuchtige
Mohammedanen opgehitst om zich ten koste der Christenen te verrijken,
en zelf op de wreedaardigste wijze geplunderd en gemoord. De
consul had onder de ongelukkige lieden, wier leven ten minste was
gespaard gebleven, 60000 francs laten uitdeelen, door de Republiek
gezonden. Zijn bemoeiingen hadden echter weinig indruk gemaakt op de
Turken, die pas twee maanden geleden opnieuw waren begonnen; en daar
het nu de derde maal was, sloeg men er in het geheel geen acht meer op.
De eenige andere vreemdelingen, die ik te Van heb ontmoet, waren
fransche zendelingen, die tot de orde der Dominikanen behoorden,
en door wie ik met groote voorkomendheid werd ontvangen. Velen van
hen waren van de eerste gruwelen ooggetuigen geweest. Zij hadden in
1896 beleefd, dat de stad in handen was van de fedaïs, en zij wezen
mij de gaten, die deze overal in de muren der tuinen hadden gemaakt,
om op Turken, Kurden en soldaten te schieten. Deze lieden, ongeveer
drieduizend in aantal, beschouwden het menschendooden, naar het scheen,
als een spel; zij sloegen in half beschonken toestand hoofden af, uit
pure brooddronkenheid. De regeering was in haar recht, zeiden zij mij,
toen zij aan dezen toestand, hoe dan ook, een einde zocht te maken,
al waren de troepen te ver gegaan, toen zij weerlooze en ongewapende
lieden deden vallen als slachtoffers van hun wraak.
Van jaar tot jaar vreest men, dat dergelijke gebeurtenissen zich
zullen herhalen, en stellig zou dit gebeuren, als de benden fedaïs,
die zich in Rusland hebben voorbereid, zooals een troep te Kars,
met wier aanvoerder ik mij een uur heb onderhouden, erin slaagden, de
grens over te trekken, zonder onmiddellijk door de soldaten te Erzeroem
te worden teruggedreven; want het meerendeel der Armeniërs in Bitlis
en Van zijn bereid, hen te steunen, en wie hiertoe niet gezind ware,
zou zich toch, door vrees gedreven, bij de opstandelingen voegen.
Het kan der regeering niet als een onrechtmatige daad ten laste
gelegd worden, dat zij zich van deze ongewenschte elementen zoekt
te ontdoen; maar het gedrag der turksche officieren en soldaten
wekt in veel hoogere mate verbittering onder de bevolking. Al deze
lieden nemen wat zij krijgen kunnen, zonder te denken aan betalen;
zij dooden de kippen, verspillen het graan, stelen tabak, en als zij
een of andere fraaie stof, of eenige kostbaarheid zien, die hun bevalt,
nemen zij die eenvoudig weg, zonder de eigenares om verlof te vragen,
terwijl ze er bijvoegen: "Het is wel vriendelijk van u, mij dit aan
te bieden!" De aanvoerders, die deze misbruiken althans tegengaan,
en zich enkel vergenoegen met het hun toevertrouwde geld voor het
onderhoud der troepen in hun eigen zak te steken, zijn uitzonderingen;
niet alleen in Kurdistan maar in het geheele rijk naar het schijnt.
Van de burgerlijke ambtenaren had ik al veel kwaad gehoord; maar zij
schijnen zich nog onhebbelijker te gedragen dan gewoonlijk, als zij
door de gewapende macht worden bijgestaan. Op mijn tocht langs het
meer vernam ik, dat twee maanden geleden, op de grens tusschen Van
en Bitlis, in het district Karkar, de Armeniërs twee soldaten hadden
gedood, die, toen zij de belasting kwamen innen ieder een armenische
vrouw hadden gestolen en gevankelijk medegevoerd.
Den dag na mijn aankomst vergezelde de heer Robin mij op een
interessanten tocht naar den berg Varak, waarop een der beroemdste
armenische kloosters is gelegen, dat van Sourp Khatch (het heilige
Kruis). Een der kerken binnen de muren van dit klooster is in 1896
verbrand, en men heeft er 21 weerlooze lieden vermoord, omdat de
fedaïs in die buurt een politieagent gedood hadden.
Wat de bouwkunstige versiering betrof, zag ik hier niets, wat ook maar
vergeleken kon worden bij de kunstwerken, die ik later op deze reis
zou aanschouwen. Toch bezag ik met belangstelling de omlijsting van het
portaal en van de deuren tusschen het koor en het schip der kerk. Wij
deden een wandeling rondom het klooster, dat halverwege tegen den
berg is gelegen, en waarboven een hoogere top oprijst. Op den terugweg
rustten wij bij het fraaie klooster van Sourp Krikor, waar de asch van
den H. Gregorius rust, of heet te rusten; want de Heilige leefde in
de derde eeuw, en eerst in de zevende werd dit klooster gebouwd. Wij
genoten hier van de schaduw van eenig geboomte, dat, behalve bij de
nieuwe stad, in deze omstreken zoo schaarsch is. Den volgenden dag
nam mijn gastheer mij mede op een rijtoer door de oude stad, die,
evenals de nieuwe, uit gedroogde klei en hout gebouwd was; maar het
gemis van groen gaf hier aan alles een allertreurigst naargeestig
voorkomen. Op de hooge rots, die zich boven de oude stad verheft,
en waarvan de steile wand recht naar het meer afdaalt, staat van
oudsher een vesting, die tot nu toe ook door de Turken is gespaard
gebleven. In deze rots zijn inschriften aangebracht, waaruit men de
geschiedenis heeft kunnen nagaan der Khalden, die het land vóór de
Armeniërs hebben bewoond.
Ik kon de voornaamste ervan duidelijk onderscheiden van den top van een
naburige minaret, van waar men haar het eerst door een telescoop heeft
ontdekt. In een vierkante omlijsting staat daar in drie verschillende
talen, het grieksch, het perzisch en het khaldisch, hetzelfde verhaal,
dat de daden van Xerxes beschrijft. Toen met behulp der andere,
de khaldische letterteekens waren verklaard, heeft men zeer vele
andere inschriften weten te ontcijferen, waarin de Khalden hun roem
verheerlijkten, niet alleen in Van, maar ook in de omstreken der
stad. Zij getuigen van een rijk en bloeiend verleden van hun volk
aan de oevers van het groote meer, eer de Assyriërs en Perzen hun
gebied veroverden en de Armeniërs er binnendrongen tegen het einde
der zevende eeuw voor Christus.
Ik had gaarne de rotsgraven der khaldische vorsten bezocht, die in
het hoogste gedeelte der rots zijn uitgehouwen; doch dit werd mij
door de militaire autoriteiten niet toegestaan. Zoolang geen kanonnen
waren uitgevonden, moet deze sterkte onneembaar zijn geweest. Aan de
eene zijde daalde een nauwe trap, aan welker voet een toren gebouwd
was, langs de rots naar beneden; deze moet gediend hebben als middel
om water te kunnen putten, uit de bron, die aan den voet der rots
ontspringt. Op de andere zijde, die eenigszins glooiend afhelt,
ziet men thans nog een geheel net van gekanteelde muren en granieten
torens, die een bestorming onmogelijk maakten. De naam Oerartiërs,
waaronder de Khalden bekend zijn, is waarschijnlijk ontleend aan het
gebergte Ararat, dat het middenpunt van hun rijk vormde. Niet ver
van daar zag ik op een vrijstaande kleinere rots, Tsjoban Kapoessi
(heuvel der herders) genaamd, een uitvoerige inscriptie, in een lijst
gevat, die op een deur gelijkt. Toen de boeren uit den omtrek zagen,
dat Europeanen afdrukken namen van deze letterteekens, dachten zij
dat achter deze vermeende deur schatten verborgen waren, en hebben
het benedenste gedeelte ervan vernield.
Meer naar het Oosten liggen in een hoogen berg, die waarschijnlijk
vroeger met den berg Varak en de rots van Van een keten heeft
gevormd, nog vele merkwaardigheden verborgen, waarvan enkele, die het
gemakkelijkst toegankelijk waren, zijn aan het licht gebracht. Reeds
lang schijnt het bekend te zijn, dat deze berg overblijfselen uit
de oudheid bevatte; want de Turken noemden hem Alaprak Kale, (het
slot van aardewerk). Daar hadden de Dominikaner broeders de fraaiste
stukken gevonden, die prijkten in hun bescheiden verzameling; twee
bronzen drinkhorens, met diervormen versierd, en een kleine bronzen
kar op vier wielen, waarin waarschijnlijk offeranden werden aangeboden.
De bazaar van de oude stad, half turksch, half armenisch, was een der
drukste en schilderachtigste, welke ik in deze streken zag. Verder
bezochten wij twee oude moskeeën, die een nauwkeurige beschouwing
overwaard waren. De eene, waarvan de minaret ons als observatorium had
gediend, scheen mij toe uit de 15de eeuw te dateeren, en was in zuiver
perzischen stijl versierd geweest, doch thans zoo goed als geheel
vervallen. Alleen op plekken, die voor den regen beschut waren, zag men
nog de sporen van het fijne, beschilderde pleisterwerk, dat de muren
had bedekt. Het was jammer, te moeten denken dat dit kunstwerk weldra
geheel door den tand des tijds zou zijn verwoest. Een andere turksche
moskee vertoonde perzische motieven in haar fraaie, donkerblauwe
tegelversiering. Overigens maken de turksche bouwwerken altoos een
treurig figuur naast de kunstvoortbrengselen hunner meer begaafde
naburen. Wat de Armeniërs in Van, waar zij zoolang geheerscht hebben,
moeten hebben gebouwd, is klaarblijkelijk door de Turken verwoest;
slechts de graven van een kerkhof dragen hier de eigenaardig armenische
kegelvormige bedekking. Het aantal Armeniërs in de oude en nieuwe
stad Van bedraagt dertigduizend. Tot aan de oostelijke grens van het
meer vormen zij ook onder de landelijke bevolking de meerderheid. Op
het punt van onderwijs zijn zij niet achterlijk; hoewel zij nog geen
scholen bezitten, die men op één lijn zou kunnen stellen met onze
middelbare scholen, zooals het Sassanarian-college te Erzeroem, of de
centrale school van Konstantinopel. De heer Lynch, die de voornaamste
armenische school in Van had bezocht, zag er onder de kinderen veel
semitische typen, afstammelingen van de joodsche kolonisten, die
zich in Van hadden gevestigd onder de Arsacidische vorsten en door
koning Sapor naar Perzië werden overgebracht. Deze schrijver voegt
erbij, dat de Turken zich ook veel moeite geven, om goed onderwijs te
bevorderen, en zwaait grooten lof toe aan den mudir van het openbaar
onderwijs te Van, een Albanees, die zich voorstelde, hier een idadiyet
te stichten, een soort van middelbare school. De eenige echter van
deze soort, die tot nog toe bestaat, is de school te Erzeroem. Wat
de rouchdiyet-scholen betreft, hij overdrijft zijn waardeering, als
hij deze met inrichtingen van middelbaar onderwijs wil gelijkstellen;
want dit zijn werkelijk niet anders dan gewone lagere scholen, waar
in de eerste beginselen van alle vakken onderricht wordt gegeven. Wat
ik zelf, door vragen aan de leerlingen van verschillende turksche en
armenische scholen, heb opgemerkt, kwam hierop neer, dat de Armeniërs
de wetenschap om haarszelfs wil beoefenden, terwijl de Turken tevreden
waren met van buiten geleerde formules. In de eigenlijke lagere
scholen, die te Van en in de dorpen aan de kloosters zijn toegevoegd,
leert men de kinderen niet anders dan spreuken uit den Koran opzeggen;
wat hun van lezen, schrijven en rekenen wordt bijgebracht, wordt
zoo oppervlakkig onderwezen, dat zij het, als zij volwassen zijn,
gewoonlijk alles weer vergeten. En op het platteland is, treurig
genoeg, van behoorlijk onderwijs eigenlijk in het geheel geen sprake.
Den eersten nacht, nadat ik Van verlaten had, bracht ik door
in het gehuchtje Chahgueldi, waar ik alles behalve gastvrij werd
behandeld. Hoewel ik er gelogeerd was bij rijke Armeniërs, die bijna
het geheele plaatsje in eigendom bezaten, schenen deze lieden volstrekt
niet gezind, mij eenige beleefdheid te bewijzen. Zij wisten wie ik was;
ik had nog met hen gepraat in hun boomgaard; maar inplaats van mij uit
te noodigen, binnen te treden, wezen zij mij als slaapplaats een stal
aan, waar vier en twintig koeien stonden, terwijl buiten op het erf
schapen en geiten stonden opeengedrongen. Ik kreeg noch dekens, noch
matras en lag op den harden grond, telkens in gevaar, een trap van mijn
paard te krijgen. Overigens vond ik in dat armzalige gehuchtje toch nog
twee dingen, die ik later moest ontberen, ten eerste het weinigje groen
van een paar abrikozenboomen, waaraan de vruchten begonnen te rijpen,
en ten tweede de betrekkelijke veiligheid, die de regeering mij tot
nu toe had gewaarborgd, doch voor welke zij niet meer kon instaan,
wanneer ik tot middenin Kurdistan doordrong.
Over 't algemeen is het meer de uniform dan het geweer der
zaptiés, die roovers en moordenaars ontzag inboezemt; wanneer zij
worden aangevallen, vluchten deze dappere verdedigers, zoodra zij
bespeuren dat de vijand hen in aantal overtreft; doch waar het een
vreemdeling geldt, vreezen de roovers de wraak der regeering, die
door een vreemd consulaat tot strenge maatregelen zou kunnen worden
gedwongen. Ontmoeten de Kurden echter een vreemdeling zonder geleide,
dan dooden zij dien evengoed als een Armeniër. Ik had nog pas vernomen,
dat zij voor kort een Amerikaan en een Franschman hadden vermoord. Doch
ik bekommerde mij weinig over die praatjes, nu ik op het punt stond
door te dringen in een der minst bekende streken van Westelijk Azië.
Onder de dorpen, die wij den volgenden dag doortrokken, was Metek
het voornaamste. Ik bleef intusschen voortdurend op den uitkijk naar
een dier gemengde stammen, waarvan men mij in Van had gesproken, die
in den loop der tijden door samensmelting van Kurden en Armeniërs
zijn ontstaan, en daar ik deze Bekrânlis niet in den Zuidelijken
Taurus had ontmoet, hoopte ik ze hier in de vlakte van Abagha aan te
treffen. Nadat wij den noordoostelijken uithoek van het meer achter
ons lieten, wemelde het op de kaart van onjuistheden. Niemand had ooit
gehoord van een plaats, die hier als Kordzot vermeld stond en die,
toen wij er laat op den avond aankwamen, bleek Chivaka te heeten. Mijn
geleiders vonden het beter, niet in de armenische huizen aan den voet
van den Per Reschid Dagh een onderkomen te zoeken; maar den heuvel
te beklimmen aan de noordzijde van het plaatsje en gastvrijheid te
vragen bij de Kurden, die daar hun tenten hadden opgeslagen. Een der
zaptiés begaf zich naar de grootste der tenten van zwart geitenvel,
en vroeg den aanvoerder, die in een onverstaanbare taal bevelen gaf,
of wij dien nacht bij hen een schuilplaats konden vinden. Hij gaf
dadelijk zijn toestemming, liet onze paarden, evenals de zijne,
aan de tent vastmaken en matrassen neerleggen in de open lucht,
naast de tent. Binnen krioelde wel een veertigtal menschen, mannen,
vrouwen en kinderen, dooreen. Bij het licht van enkele fakkels kon ik
zien, hoe de tenten waren opgeslagen. Van voren open, was de vierkante
ruimte aan drie zijden begrensd door een rieten vlechtwerk, met wollen
banden saamgeknoopt, waardoor de wind vrij toegang had. De palen, die
de bedekking van geitenvellen moesten steunen, waren op onregelmatige
afstanden geplaatst, zoodat het dak, van bovenaf gezien, den indruk
maakte van een miniatuurgebergte, met hoogten en diepten. Weldra kwamen
de mannen terug van de schaapskooien, afgesloten ruimten binnen lage
muurtjes van opgestapelde steenen, waar de kudden overnachten, door
herders en groote, woeste honden bewaakt. Natuurlijk namen zij mij
nieuwsgierig op; maar er was niets vijandigs in hun houding. Wij aten,
eendrachtig op onze matrassen gezeten, eieren, yoghurt, en boulghour
(een pilaf van gekookt koren) en ik maakte mij populair door liedjes
voor hen te zingen, op voorwaarde dat zij ook iets ten beste zouden
geven. Terwijl een Armeniër een zijner liederen voordroeg, vertelde
de beg mij, dat zijn troep wel eens slaags raakte met de fedaïs; maar
dat zij vreedzame Christenen geen kwaad zouden doen. Hij liet mij een
voor een hun geweren bewonderen, en vroeg mij, de fabrieksmerken te
lezen. Nadat een paar Kurden een soort beurtzang hadden aangeheven,
stonden allen op om te dansen, en vormden een grooten kring, waarbij
zij elkaar aan de pinken vasthielden.
De dans had zulk een vreemde maat, dat ik onmogelijk kon meetrippelen,
en na een paar vergeefsche pogingen, uit den kring werd verwijderd. Ook
de vrouwen, die echter ver van gracieus in haar bewegingen waren,
namen aan het dansen deel. Tegen middernacht ging ik op mijn matras
liggen, met mijn hoofd op mijn reiszak, en de anderen volgden mijn
voorbeeld. Gelukkig was het droog weer; ik sliep rustig, en toen
ik met het aanbreken van den dag wakker werd, was de geheele troep
verdwenen. Ze hadden alleen, zeker als een aandenken, mijn blauwen
bril meegenomen, dien ik vergeten had in den zak te steken, en dien
ik eigenlijk slecht missen kon. Toen ik 's middags te Berkri aankwam,
werd ik door den caïmacan in arrest gehouden, onder voorwendsel dat
mijn teskéré (pas) niet door de politie in Van was nagezien. Het
hielp niet, of ik hem opmerkzaam maakte op het geleide, mij door
den Vali zelf verleend, ik moest wachten tot den volgenden morgen;
daar hij toen eerst antwoord kreeg op zijn telegram. Na een tocht
van vier uren door de vruchtbare, maar schaars bebouwde vallei,
waar de Daveder-Soe, en de Bendimahi-Soe tusschen steile rotswanden
stroomen, bereikten wij de hoogvlakte van Abagha, door Elisée Reclus,
en eveneens door mijn vrienden te Van de gevaarlijkste streek van
Kurdistan genoemd. De uitgestrekte vlakte, even groot als die van
Erzeroem, is veel minder bebouwd. Op de kaart stond, ditmaal juist,
in het midden het dorp Bayazid-Agha aangegeven, maar verschillende
andere dorpen, die wij zagen, vond ik niet vermeld. Het was trouwens
moeilijk vast te stellen, of de bewoners hier vaste verblijfplaatsen
hadden, of niet.
Eerst zagen wij een aantal lage huizen, die geheel verlaten schenen,
en met elkaar het plaatsje Tchader werden genoemd.
Daarop volgden groepen tenten, waarnaast een soort hutten in den
grond waren uitgegraven en met takken bedekt, blijkbaar om als
schuilplaats te dienen, wanneer de koude een verblijf in de tenten
onmogelijk maakte. En ten slotte zagen wij nog een groot aantal
tenten, waarbij geen vaste verblijfplaatsen waren gebouwd. Daar die
laatste groep tenten eveneens Tchader genoemd werd, begreep ik, dat
dit de bewoners waren van het verlaten dorp, die hier kampeerden. Een
dergelijke verdubbeling merkte ik later op bij het dorp Dirchikh. Deze
Tchaderlis behoorden tot een vorstelijken stam, want hun aanvoerder,
die heerschte over de geheele vlakte, heette Tchader-beg. Er waren
ongeveer zevenduizend, waaronder vijftienhonderd gewapende mannen. Wij
stapten af voor de tent van den beg, die goed gesloten was, van
buiten met gekleurde lappen stof versierd, en van binnen behangen
met nieuwe tapijten.
Ik werd beleefd ontvangen door hem en zijn officieren, in hun echte
kurdische dracht, met de nauwe broek en hooge laarzen, den zilveren
gordel, vol geciseleerde dolken, de wijduitstaande korte rokken,
het loshangende vest zonder kraag of knoopen, en op het hoofd een
parasolvormigen hoed, waaromheen een versiering gewonden was van
afhangende bundels zwart zijden franje. Dit waren dan nu de geduchte
Armeno-Kurden, die de ergste vijanden der Armeniërs heeten. Op
de Turken zijn zij trouwens ook niet zeer gesteld, al blijven zij
met hen goede vrienden, nu zij weten dat dit in hun eigen voordeel
is. Vreemdelingen, die door de regeering worden beschermd, zullen
zij op hun eigen grondgebied niet aanvallen; maar zij zouden er
geen bezwaar in zien hen te dooden, zoo zij hen bij een anderen
stam aantroffen. Op het volgende plateau liep de weg door wat op
een versteende zee van zwartachtige rotsblokken geleek, een somber
en eentonig landschap, en tot overmaat van ramp begon het hevig te
stormen en te regenen.
Gelukkig vonden wij een ander kurdisch kamp, Kevre Chami genaamd, waar
wij welwillend werden ontvangen. Mijn kleeren werden gedroogd boven
de opening van den tonir, terwijl ik mijn oogen moest dichtknijpen
voor den scherpen rook. Ik was ongerust over mijn paard, dat in den
stortregen buiten stond, en sliep slecht onder den rand der tent,
waarvan het water afdroop. Hoe leelijk en armoedig ook, zijn de
vrouwen hier zeer verzot op kostbaarheden; ze dragen in den rechter
neusvleugel een zilveren versiersel, op het hoofd een hoogen helm,
waarvan de sieraden op hun voorhoofd afhangen, en om den hals een
menigte zilveren en koralen kettingen. Een aardig meisje vlocht voor
mij uit stevige draden een koord, dat mij als gordel moest dienen,
en waarmee ik mij een zonderling model van waterproof om het lijf
bond. Ik had bij het afdalen van den Taurus mijn regenmantel, die aan
den zadelknop hing, verloren, en kreeg hier van mijn nieuwe vrienden
voor den driedubbelen prijs een kilim van grove grijze wol, waarin ik
gaten voor hoofd en armen knipte, en die ik om het midden vastbond. Wij
vertrokken des middags en hielden overal stil waar wij tenten zagen,
en waar ik mij in dekens kon wikkelen om mij te warmen, want ik was
door en door nat. Eindelijk kwamen we aan een plaatsje van steenen
huizen, Kezilkaya genaamd; maar wij konden er niet overnachten; alles
was vol met menschen en dieren, die voor het weder een schuilplaats
zochten. Wij reden verder door het glibberige slijk, tot wij gelukkig
in een dal een kamp ontdekten, dat de Kurden van Taparess pas hadden
verlaten; zoodat ik eindelijk eens weder een rustigen nacht doorbracht,
in een ruimte, die van den stal was gescheiden, en vlak bij den nog
warmen tonir.
Den volgenden dag aanschouwde ik, na een lastigen rit door de taaie
klei, in de verte de stad Bayazid, aan den voet van hooge bergen
gelegen, die in zware onweerswolken waren gehuld, terwijl de stad
zelf en de rots waarop zij verrees, door de zon werden beschenen.
Na zooveel doodsche en kleurlooze tooneelen, was dit een verrukkelijk
schouwspel, dat de meeste reizigers, die langs den grooten weg,
uit het Noorden komen, nimmer genieten. De sterkte, die hier door
Sultan Bajazet werd gebouwd, was zeer zeker onneembaar. Nog wordt de
kern van het tegenwoordige fort gevormd door muren, die voor twee-
of driehonderd jaren zijn gebouwd op de onverwoestelijke fundamenten
van het oude kasteel.
De heer Yvanof, de russische consul, vertelde mij veel van wat was
voorgevallen in dezen uithoek van het vilayet Erzeroem, aan de uiterste
punt waarvan de stad Bayazid is gelegen. Met voorbijgaan van meerdere
feiten, die het mij niet geoorloofd zou zijn te openbaren, wil ik
enkele aanstippen, die ik, zonder mij aan misbruik van vertrouwen
schuldig te maken, vermelden mag.
Ten westen van de stad, in de caza van Kara-Kilassa, bij Diadin,
had een kurdisch hoofd, Mohammed-beg genaamd, zijn armenische dorpen
beschermd tegen de roovers, die ten tijde der troebelen van 1905,
in grooten getale de dorpen plunderden. Gedeeltelijk kwam zijn
optreden voort uit de omstandigheid, dat de aanvallers tot een
vijandigen stam behoorden, die der Djelali, herders, gevestigd aan
de oevers van het meer Balik-Gol (het meer der visschen). Ongelukkig
had zijn edelmoedigheid voor hem nadeelige gevolgen; want de Turken
beschuldigden hem zonder redelijken grond, dat hij de fedaïstische
beweging had gesteund. Toch deed hij niet anders dan zijn onderdanen
beschermen, in zijn eigen belang zoowel als in dat der regeering, daar
hun veiligheid hem een waarborg was voor het ongestoord bezit zijner
eigendommen, en hem dus tevens in staat stelde, de verschuldigde
schatting op te brengen. Hij handelde zooals meerdere weldenkende
lieden onder de Turken zelf ook deden in die dagen. Hij belette zijn
troepen, deel te nemen aan de slachting, die andere Kurden later in de
stad aanrichtten, en toen het garnizoen van het naburige Diadîn hun
voorbeeld wilde volgen, verbood hij dit. Doch dergelijke loffelijke
uitzonderingen kunnen de wandaden niet goedmaken, die overal elders
door de turksche troepen werden bedreven.
Nadat ik de stad Bayazid had verlaten, die vrij goed was gebouwd uit
rooden kalksteen, doch een treurig en armoedig voorkomen had door
haar afgezonderde ligging, trok ik door de vlakte, onder geleide
van den cavas van den heer Yvanof. Het was een merkwaardige tocht,
ondanks de bezwaren, die wij ontmoetten bij het lastige bestijgen
van den steenachtigen Agri Dagh. Overal zagen wij, uit verschillende
gezichtspunten, de kolossale massa oprijzen van den Ararat, of beter
gezegd, den Massis-top. De bewoners noemen de keten, die den Agri-Dagh
met dezen top verbindt, Ararat, en ook in oude tijden was het niet de
afzonderlijke top, die dezen naam droeg, maar het geheele omringende
bergland, de Oerartou der Khalden.
Zoodra de russische grens was overgetrokken, bevonden wij ons weer
in de beschaafde wereld. Het gezicht van een militair wachthuis en
een douanenkantoor, die er vroolijk en netjes onderhouden uitzagen,
de uniform en de houding der beambten, die eindelijk eens niet het
voorkomen hadden van havelooze bedelaars, en behoorlijke meubels
gebruikten, gaf mij een verlicht gevoel. Toch moest ik nog een halven
dag verder reizen om een goeden weg te vinden, daar op dit punt van
de grens volstrekt geen levendig verkeer heerscht.
Te Orgof aangekomen werd ik uiterst vriendelijk ontvangen door den
ambtenaar aan het douanestation, dank zij een aanbevelend schrijven
van den heer Yvanof. Nog nooit was ik door een Turk zoo voorkomend
behandeld.
Des avonds kwam ik aan in het groote dorp Igdir, waar handel wordt
gedreven in de landbouwproducten der vlakte van de Araxes, de grootste
van het geheele oude Armenië en tevens de schoonste, als men haar
ziet liggen tegen de helling van den Ararat.
Ten Noorden wordt zij begrensd door het Alagoez-gebergte, zóó ver
verwijderd, dat men het ternauwernood kan onderscheiden, hoewel het
4085 M. hoog is. Enkele ketens, die het met het omringende bergland
verbinden, verliezen zich in de doorschijnende atmosfeer in een
blauw en purperen verschiet, de lucht is hier veel minder droog, dan
op de overige, hooger gelegen vlakten, daar hier meer besproeiing
is. De gemiddelde hoogte is niet meer dan 1000 M.; de warmte is er
dragelijk, en de uiterst vruchtbare, goed besproeide bodem vertoont
een weelderigen plantengroei.
Te Igdir, een groene oase, waar de bazaar en de woningen reeds een
europeesch voorkomen hadden, stelde ik mij schadeloos voor de op
turksch grondgebied geleden ontbering met de vruchten, den wijn, de
kaas en andere smakelijke voortbrengselen van deze streek. Al wonen
hier nog veel Armeniërs, in dezen uithoek van Rusland ziet men toch
een menigte tartaarsche typen. De Georgiërs en Tscherkessen in hun
nationaal costuum, met een prachtige witte berenmuts, maakten den
indruk van rijk uitgedoste figuranten in een operette. Russen zag ik
er weinig, de enkele russische militairen of grenswachters verlangden
zeer, naar hun land terug te keeren. Als men hier van Rusland spreekt,
begrijpt ieder, dat men daarmede het land ten Noorden van den Kaukasus
bedoelt.
Daar het zuidelijk deel van Transkaukasië veel rijker was, zoowel aan
herinneringen uit het verleden als aan bewijzen van tegenwoordigen
bloei, dan het land, dat achter mij lag, moest ik er veel heen en
weer trekken, dikwijls langs ongebaande wegen. Daardoor leerde ik
deze streken grondiger kennen, dan de turksche districten.
Waar ik ook gereisd had in Armenië, overal hoorde ik spreken van
Etchmiadzine, vroeger Vagharshapat genaamd, de godsdienstige hoofdstad,
de zetel van den katholikos en de kern van een nationaal bewustzijn,
dat de kerk zich beijvert te versterken sedert de mohammedaansche
overheersching. Van Igdir uit bereikte ik deze plaats in drie uren,
langs een goeden weg. Zonder de merkwaardige kathedraal, het doel
van zooveel bedevaarten, zou ik het plaatsje op zich zelf niet
bezienswaardig hebben gevonden; de armoedige huisjes waren opgetrokken
van gedroogde klei; ik zag er slechts enkele moderne woningen. Voor het
groote aantal bezoekers, die hier samenstroomen, was er een perzische
en tartaarsche markt, een vierkante hal met bogengalerij, waar een
bonte menigte dooreenkrioelde. Het klooster, dat voor kort herbouwd is,
en waartoe ook het Instituut behoorde, een seminarium, waar jongelieden
voor den geestelijken stand worden opgeleid, was op zich zelf niet zeer
belangrijk, maar binnen de muren ervan verrezen twee oude kerken. De
eene, die het meest van alle armenische bouwwerken wordt geroemd, was
de kathedraal, die op een vierkant plein tusschen de kloostergebouwen
staat. Mij viel alleen de bijzondere grootte op, in een land waar de
meeste bouwwerken van bescheiden afmetingen zijn. Overigens hinderde
mij het gebrek aan eenheid in de constructie. Nadat ik door een park
met oude boomen en een fraaien vijver was gewandeld, zag ik in de verte
een ander merkwaardig gebouw, de kerk van St. Gaïane, minder groot
dan de kathedraal, maar een veel zuiverder type van den primitieven
armenischen stijl. Er wordt niet de minste zorg voor gedragen; de kerk
was omringd door katoenvelden, en een vervallen gebouwtje diende den
monnik tot woonplaats, die als bewaker optrad. Het kleine voorportaal,
dat aan den ingang geplaatst is, om enkele graven te beschutten,
past goed bij den voorgevel, en is in den zelfden stijl gehouden. De
kerk zelf is in 630 gebouwd, in basiliekvorm. Het geheel munt uit
door grootschen eenvoud en zuivere verhoudingen, en verraadt een
grondige studie van goede grieksche voorbeelden; de groepeering der
dakgewelven staat in het juiste verband met de plaatsing der beuken,
die zoo gunstig mogelijk zijn verdeeld over een vierkant grondplan,
waarboven de koepel verrijst, en waaraan ter eener zijde een voorhal
en ter anderer zijde de apsis zich aansluiten.
Overal simpele omtrekken en onversierde vlakken; de krachtige, zuivere
lijnen der pijlers en bogen zijn voldoende om de ruimte te vullen op
een wijze, die het schoonheidsgevoel van den beschouwer bevredigt.
Nog grooter lof verdienen de kunstenaars, die eenige jaren vroeger,
in 618, de kerk van St. Rhipsimé bouwden in den vorm van een
rechthoek, doorsneden door het transept, als de dwarsbalk van een
kruis. Eenzaam aan den weg naar Erivan gelegen, maakt het statige
gebouw een grootschen indruk. Op het portaal na, dat in 1652 eraan werd
toegevoegd, is het oorspronkelijk karakter bij latere herstellingen
goed bewaard. In de oogen van kenners is dit een kunstwerk van
onovertroffen schoonheid. Vijf mijlen ten westen van Etchmiadzine is
men bezig met het uitgraven van merkwaardige bouwvallen, de fundamenten
eener kerk, die in de geschiedenis onder den naam Zvartnotz (de
Engelen) bekend is. Men wist dat de katholikos Nerses III haar in de
zevende eeuw liet bouwen, en dat zij door een aardbeving was verwoest.
Erivan maakt op den reiziger, die de hooggelegen stad van uit de
diepte nadert, een aangenamen indruk. De hooge rotsen, waarop de
stad is gelegen, begrenzen de bedding van den Zanga, een bijvloed
van de Araxes, die uitmondt in het groote meer van Transkaukasië,
thans Sevan, vroeger Goekchikh genaamd. Op het hoogste punt van dit
natuurlijk voetstuk staat een gebouw, waarin de perzische vorsten der
zeventiende eeuw van het heerlijk panorama plachten te genieten. De
groote zaal van deze kiosk (een turksch woord, eigenlijk kieuchk)
is versierd met een zonderlinge mozaiekbekleeding van spiegels, die
de gewelven en zelfs de pilaren bedekken. Op een vlakken band onder
de kroonlijst zijn geschiedkundige voorstellingen met blauwe verf
schetsmatig aangegeven, en de beschilderde paneelen aan den wand
stellen leden der koninklijke familie voor, waaronder ook een jong
meisje in volle wapenrusting.
De oude stad heeft zich, als de meeste plaatsjes in dit kleine Amerika
van het Oosten, onverwacht snel uitgebreid, zonder daarom nog een
hoofdplaats te zijn geworden. Rondom het middenpunt, de orthodoxe
kerk, waren breede boulevards aangelegd, met tamelijk welvoorziene
winkels. Het eigenlijke doel van mijn bezoek aan de stad waren echter
de bouwvallen der oude perzische moskee, die, hoewel niet zoo mooi
als de moskee te Van, beter bewaard was gebleven. In plaats van
haar echter geheel te herstellen, hebben de in de naburige wijk zeer
talrijke Perzen er een kopie van gebouwd, midden in hun bazaar. Zij
zijn echter daarin niet zeer goed geslaagd; want het fraaie voorbeeld,
dat zij laten vervallen, is veel soberder versierd en maakt daardoor
een oneindig schooneren indruk. Daar ik gewoon was, dergelijke aan de
openbare godsdienstoefening gewijde gebouwen afgesloten te zien door
een afzonderlijk voorportaal, dacht ik eerst, dat hier de wijd geopende
deuren toegang gaven tot een bijzonder grooten voorhof, waarachter zich
het eigenlijke heiligdom moest bevinden. Doch dit is niet het geval,
men ziet van buiten af onmiddellijk in het binnenste van de moskee,
en de koepel, welks vorm van de koninklijke tiara is afgeleid, rust
op de zuilen der ingangspoort zelf. De Armeniërs schenen hier niet
bevreesd te zijn, in nauwe aanraking te komen met de fanatieke dwepers,
die nog kort te voren hun broeders te Nakhitchevan hadden vermoord.
Toen ik eenige dagen later dieper het land introk, onder de Tartaren,
welke nog veel bloeddorstiger waren, naar men mij zeide, vond ik daar
ook alles rustig. De Tartaren wekten in hooge mate mijn belangstelling
en ik sloeg ze aandachtig gade. Hun van steen gebouwde woningen,
die er precies uitzagen als de armenische, waren in den regel zoo
armoedig en verwaarloosd, dat ik mij had kunnen verbeelden, nog in
Turkije te zijn, als de natuur hier niet liefelijker geweest was,
en de plantengroei meer afwisseling had geboden. Niet alleen hier,
maar in geheel Transkaukasië is de landelijke bevolking, onverschillig
tot welk ras zij behoorde, steeds op den zelfden trap van ontwikkeling
gebleven. Zij gaan voort te leven in hun armzalige woningen, waar zij
letterlijk wentelen in het vuil, en wijken niet af van voorvaderlijke
gewoonten en gebruiken. Alleen in de omstreken van Alexandropol,
Tiflis, Bakoe en Batoem zijn misschien eenige pogingen tot verbetering
waar te nemen. De Tartaren zijn althans nog het minst afkeerig van
nieuwe landbouwwerktuigen; zoo gebruiken zij wel onze dorschvlegels en
de russische snijmachine, die sneller werkt dan de door twee paarden
getrokken turksche slede.
Dit werktuig bestaat uit drie houten assen, waartusschen lange messen
zijn aangebracht, die bij de rondwenteling het stroo snijden. Het wordt
echter door de Armeniërs en Turken, die in het Westen zeer talrijk
zijn, nooit gebruikt. Ook spannen zij nog steeds hun buffels voor
de arabas, met hun dichte wielen zonder spaken, die door een boomtak
zijn verbonden, terwijl de Tartaren de russische arba gebruiken, met
gewone wielen en een lichte as. In de omstreken der steden echter
zijn de Armeniërs op dit gebied volstrekt niet achterlijk. Al zijn
de meest ontwikkelden onder hen het best geschikt voor handel en
bedrijf in de steden, het blijft een feit, dat 90 percent van dit
volk landbouwers zijn.
Na Sardar-Abad, een in het groen gelegen dorp, in de buurt waarvan
ik te vergeefs zocht naar twee plaatsjes, Armavir en Ervandachat,
die op mijn kaart als bouwvallen stonden vermeld, besloot ik, niet
den weg naar het Noorden te volgen, waarlangs de heer Lynch vóór
mij deze reis had afgelegd, maar een anderen weg dan hij te kiezen,
en vooral de rivieren langs te trekken, aan welker oevers dikwijls
belangrijke en goed bewaarde gedenkteekenen zijn te vinden. Ik trok dus
verder stroomopwaarts langs de Araxes en had zoodoende gelegenheid,
de omgeving nauwkeurig waar te nemen. Eerst moest ik dezen stroom
oversteken, die een belangrijke rivier zou zijn, als hij niet een
paar mijlen voor hij de Kaspische zee bereikt, zich uitstortte in de
Koera. Het water kwam mij hier tot aan den zadel, 't geen mij tot
nu toe bij het oversteken der rivieren in dit land zonder bruggen,
nog niet gebeurd was, daar wij de andere stroompjes veel dichter bij
hun oorsprong hadden doorwaad.
Ik ontmoette op mijn weg Tartaren, die bezig waren hun koren te
verkoopen in een plaatsje, Arabkir genaamd. Deze menschen kenden geen
woord russisch, en zoo was het bijna overal, behalve in de buurt
van spoorwegen. De bewoners waren even onwetend als de turksche
landbouwers; zij hadden geen van allen ooit gehoord van Frankrijk,
Parijs of Napoleon, en zij zagen voor 't allereerst in hun leven
een photographie-toestel, een blikje sardines, een reisnécessaire,
en een notitieboekje. Het verwonderde mij, ook hier zulke toestanden
aan te treffen. De rijke Armeniërs in den Kaukasus hebben zich niet
de minste moeite gegeven, om de landbouwende bevolking te beschaven
en te verlichten.
Aan den weg langs den rechter oever van de Araxes lagen volgens
mijn geografische aanteekeningen de ruïnen van Kara-Kalé. Ik vond
ze echter een uur verder dan op de kaart was aangegeven. Zij zijn
op zich zelf niet zoo interessant als het schilderachtig landschap,
te midden waarvan zich de kurdische torens, het vierkante paleis, dat
mij armenisch scheen, en de arabische cumbett verhieven. De plaats
was goed gekozen; het was een soort rotsachtig eiland, ten Noorden
begrensd door de Araxes, en aan de andere zijden omringd door diepe
kloven, waarin een zeer smal stroompje vloeide.
Nog steeds uitziende naar de bouwvallen van Ervandachat, vond ik
de overblijfselen van een vierkant gebouw, dat een karavanserail of
een klooster had kunnen zijn; de ruwe muren, dertig meter lang, met
diagonale torens op de hoeken, omgaven een open hof, waaromheen langs
elke zijde zeven cellen gegroepeerd lagen. Het gezicht van het terras,
waar in de dagen, toen deze vervallen muren nog een bedrijvige schare
tot verblijf strekten, een levendig verkeer moest hebben geheerscht,
was verrukkelijk, ten Noorden rezen de rotsen op, die zich welven over
de Arpa-Tchaï, en naar het Westen strekte zich tot in de wijde verte
het dal van de Araxes uit. Om het dorp Hadji Baïran te bereiken,
aan de overzijde van de Arpa-Tchaï, koos ik een weg, die eerst
uitstekend scheen en naar een ijzeren brug over de rivier leidde,
maar daarna langzamerhand veranderde in een steil bergpad, dat door
losse steenen bijna onbegaanbaar was, en al slingerend en kronkelend
hooger en hooger bleef stijgen, zonder dat ik een menschelijke woning
of eenig spoor van de aanwezigheid van menschen waarnam.
Niet wetende dat ik Hadji-Baïran ter halver hoogte van den berg achter
mij had laten liggen, bereikte ik met groote moeite den vlakken top
en moest daar op die duizelingwekkende hoogte den nacht doorbrengen
in de open lucht, met zulk een knagenden honger, dat ik blijde was
te kunnen rusten bij een hoop korenschoven, waaraan mijn paard zich
te goed deed, en waarvan ik de droge korrels knabbelde, hoewel ik er
niets bij te drinken had.
Langs deze hoogvlakte, die grootendeels bedekt was met reeds half
gemaaide korenvelden, en die een weinig afhelde naar het Noorden,
bereikte ik kort na zonsopgang het dorp Pakran. Ik was blijde dat ik
dezen moeilijken tocht had ondernomen; want dit armenische dorp was
om zijn zonderlinge ligging merkwaardig genoeg. Tegen de helling
van de granietrotsen, aan wier voet de Arpa-Tchaï stroomt in een
bedding zóó smal, dat er zelfs geen plaats is voor een weg langs
zijn oevers, lagen de oude bouwvallige huisjes in groepen verstrooid,
als natuurlijke uitgroeisels van de rots.
Drie merkwaardige bouwvallen vond ik in den omtrek van het plaatsje;
wel een bewijs, dat het belangrijk moest zijn geweest in een tijd, toen
men hier in voortdurenden oorlog leefde. Op het hoogste gedeelte van
de rotsen staan nog de muren van een vesting, met torens en poorten
van byzantijnschen oorsprong en door de Turken voleindigd. Aan de
andere zijde lag tegen de helling een bijzonder fraai maar thans
vervallen armenisch kerkje.
Nadat ik een kleine bijrivier van de Arpa Tchaï was overgestoken,
moest ik het volgende plateau beklimmen, dat door dit stroompje
van het eerste was gescheiden. Thans was van een beganen weg geen
sprake, en het omhoogklimmen tusschen de verspreide rotsblokken naar
den vlakken top was zeer bezwaarlijk. De vlakte daarboven was niet
bebouwd; maar midden in de dorre uitgestrektheid zag ik naast enkele
brokken muur de bouwvallen van een prachtige armenische kerk. Deze
plaats wordt door de Tartaren Karabagh en door de Armeniërs Merèn
genoemd. Men veronderstelt, dat hier oudtijds de stad Bagaran heeft
gelegen, die in de middeleeuwen beroemd is geweest. Sporen van huizen
en straten vindt men bij menigte rondom de kerk. Uit het feit, dat
hier zulk een gebouw is verrezen, op een zoo ontoegankelijke plek,
die nooit een doel voor pelgrimstochten kon zijn, moet men afleiden,
dat deze plaats indertijd dicht bevolkt is geweest.
Ik zag trouwens iets meer naar het Oosten ook nog enkele zuilen
verrijzen van een perzische moskee. Toen ik deze naderde, zag ik, dat
de grootste ervan nog de zijden hielpen vormen van een soort portaal,
waaronder een armenische familie, de eenige levende wezens in deze
eenzaamheid, bezig was koren te malen. Zij wezen mij als rustplaats
een kuil tusschen twee walletjes van afgebrokkeld puin. Het was wel
een treffende tegenstelling; onder deze gedenkteekenen van vervlogen
praal huisde een troep menschen zóó vuil en armoedig als ik tot nog
toe op mijn omzwervingen niet had ontmoet. Zonder andere beschutting
dan eenige dorre takken, die op de muren der moskee rustten, lagen
in dien kuil, tusschen potten en pannen, matrassen, puin, tesek en
kaas, vrouwen, kinderen, honden en kippen dooreen, en een zuigeling
schreeuwde in een wieg, die wat smerigheid betrof, zeker de kroon
spande. Op een steen aan de open ingangspoort gezeten, sloeg ik een
tijdlang die ongelukkige schepsels gade. Op het hobbelige terrein voor
de poort, tusschen de kuilen en gaten vol mest, werden acht koeien door
de vrouwen gemolken. Als ik niet gehard was door de gewoonte, zou ik
zeker nooit meer melk hebben kunnen drinken, na dit gezicht. Emmers,
handen en kleeren, alles was even afschuwelijk vuil.
De kerk was bijna ongeschonden bewaard gebleven. Het gebouw was 15
M. breed en 27 M. lang, de apsis medegerekend, die op het Oosten
was gelegen. Aan de west- en noordzijde waren de ingangsportalen,
met hun tympanons, overladen met beeldhouwwerk, naar byzantijnsche
modellen gecopieerd; de bijbelsche personen conventioneel behandeld,
de diervormen levendig en sprekend; zoo was er een paard bij, dat wel
aan een griekschen tempel had kunnen zijn ontleend. Hier en daar in de
zijwanden waren kruisen en opschriften aangebracht. De verhoudingen
waren over het algemeen zoo onberispelijk zuiver, dat een kundig
architect uit het eenvoudige grondplan zeker het geheele gebouw weder
had kunnen construeeren. Een paar uur verder in noordelijke richting,
eer de vlakte weder tot naar de rivier is afgedaald, ligt het dorp
Alam, of Alaman, waar zich hetzelfde schouwspel herhaalde, en ik een
juweel van een kerkje zag, dat treurig was verwaarloosd en vervallen en
bijna bedolven onder steenen, stroo, tesek en vuil. Daar werd ik zeer
welwillend behandeld door een ouden Kurd, die mij uitnoodigde naast hem
in 't gras te komen zitten, terwijl vlak bij ons zijn koren gedorscht
werd. Hij gaf mij van zijn yoghurt en eieren, en wilde daarna alles
bekijken, wat ik in mijn reistasch had. Ik moest doosjes en fleschjes
voor hem opendoen, en hem het gebruik van elk voorwerp uitleggen.
De russische overheersching heeft niet de minste verandering gebracht
in den barbaarschen toestand van onbeschaafdheid, waarin deze Kurden
verkeeren. Een nieuw bewijs daarvan werd mij later geleverd. Aan den
rand van de niet zeer hooge klippen, die hier de rivier begrensden, lag
een dorpje, Magasberd genaamd, geheel verlaten, evenals de plaatsjes
in de vlakte van Abagha. Ik trad binnen in die huizen, of liever
holen, want zij hadden niet eens een deur, maar vond er geen levende
ziel, en geen enkel meubel, hoewel de brandstof voor den winter, de
afschuwelijke hoopen tesek, in alle hoeken lagen opgestapeld. Eindelijk
hoorde ik een hond blaffen, en een man kwam voor den dag, die mij
vertelde, dat de bewoners in de weide kampeerden, dat ik hier geen
stuk brood, noch hooi voor mijn paard kon krijgen, en beter deed
naar de rivier af te dalen. Toen moest ik in donker mijn paard, dat
herhaalde malen viel, naar beneden trekken, langs de steile helling,
die met rotsblokken was bezaaid. Eindelijk kwam ik aan in het dal van
den Arpa-Tchaï en vond onderkomen in een molen bij een goedaardigen
ouden Rus, die behoorde tot de secte der Molokanen (melkdrinkers).
Den volgenden dag bereikte ik de merkwaardigste plaats van alle, die
ik tot nog toe had bezocht, de oude stad Ani, die in de middeleeuwen
de hoofdstad van Armenië is geweest. Zij is een der wonderen van
het oude Oosten, een indrukwekkende verzameling van paleizen, kerken
en vestingwerken, thans eenzaam en geheel verlaten, ten gevolge der
onderdrukking, die haar Christelijke bewoners van de zijde der Turken
hadden te verduren. Reeds in de 14de eeuw is zij door de bevolking
verlaten, en niet weder bewoond geworden.
Uit de verte naderende, begrijpt men niet, waarom juist deze
plek werd gekozen tot vestiging van een stad, die een belangrijk
verdedigingscentrum zou moeten worden; men ziet van het plateau,
waar men rijdt, verspreide bouwvallen van torens en koepels zich
verheffen midden in een schijnbaar eindelooze vlakte. Dichterbij
gekomen, wordt het raadsel opgelost, als men bespeurt dat de stad is
omgeven door diepe ravijnen, die haar bijna ontoegankelijk maakten,
en aan de eene zijde werd beschut door loodrechte rotswanden. In
het Zuiden stroomt een beek, die zich met de rivier vereenigt, en
drinkwater leverde. Slechts in het Westen bleef een verbinding
met het omliggende land mogelijk, en daar zijn de sterkste
verdedigingswerken aangebracht. Een half uur van de stad verheft
zich, op een alleenstaande rots, een kasteel met zware torens, dat
het allereerst in 't oog valt en zeer schilderachtig is gelegen.
Door een gelukkig toeval trof ik hier een geleerden professor aan
de universiteit van St. Petersburg aan, wien was opgedragen de
bouwvallen te bestudeeren, een Georgiër, den heer Mar, die met
de grootste welwillendheid mij alle mogelijke inlichtingen gaf,
en wien het genoegen deed, een belangstellend toehoorder aan te
treffen, daar hij meestal te doen had met nieuwsgierige lieden, die
hem ergerden, of met Armeniërs, die meer vaderlandslievend gezind,
dan ontwikkeld waren. Ik vernam hier meer in een paar uren, dan ik
door het lezen van lange beschrijvingen had kunnen gewaar worden,
daar de opgravingen nog steeds meer nieuws aan het licht brengen. De
heer Lynch, die vijf jaren geleden zeer nauwkeurig heeft weergegeven,
wat hij hier aanschouwde, zou wel doen zijn aanteekeningen thans
grondig te herzien. De nieuwste ontdekking is een cirkelvormige
kerk, gewijd aan den H. Gregorius, die koning Gagik in de elfde
eeuw had laten bouwen naar het voorbeeld van Zvartnotz, de prachtige
ruïne bij Etchmiadzine. Daar men echter, wegens den grooten omvang
(een doorsnede van 38 M.), den bovenbouw zeer zwaar had ontworpen,
zijn eerst sommige zuilen versterkt moeten worden, en is later toch
de koepel ingestort. Nog andere kapellen zag ik hier, eveneens aan
den H. Gregorius gewijd. Een van deze, tegen de helling van een berg
gelegen, wordt Nakhshom, of Nakhlouk (de Bevallige) genoemd en bezit
een zeer fraai perzisch ingangsportaal, terwijl zij van binnen is
bekleed met schilderwerk, het eenige voorbeeld dezer wandversiering,
dat in Armenië wordt aangetroffen, daar de beschilderingen van de kerk
te Akhtamar verdwenen zijn. Een twintigtal tafereelen geeft hier, in
primitieven stijl, voorstellingen uit het Oude en Nieuwe Testament,
waarin echter niet de minste oorspronkelijkheid van opvatting is
te bespeuren; het zijn slaafsche nabootsingen van de traditioneele
byzantijnsche voorbeelden.
De kathedraal echter is een volmaakt kunstwerk, een der beste
voortbrengselen van de twaalfde eeuw, toen men ook in Armenië begon
te naderen tot den puntbogenstijl. In dit gebouw zien wij reeds de
voornaamste grondbeginselen van dien stijl in praktijk gebracht.
Nog moet ik melding maken van twee kleine kapellen, die mij door hun
bijzonderen vorm als merkwaardig hebben getroffen. De eene, binnen
in de stad op een heuvel gelegen, op welks top zich het koninklijk
paleis verhief, is goed bewaard gebleven en een der eerste voorbeelden
van Gothiek in deze streken. De kunstenaar die haar ontwierp, was
schijnbaar geïnspireerd door de cirkelvormige gebouwen, waarvan
ik hierboven melding maakte, doch hij heeft de gebreken, die deze
aankleefden, weten te vermijden. Een mijl verder naar het Noordwesten
trof ik het andere pronkjuweel van deze merkwaardige verzameling aan,
een half vervallen gothisch kapelletje, dat zeker, als het op franschen
bodem had gestaan, met de grootste zorg zou zijn gerestaureerd. Men
weet niet, aan welken heilige het was gewijd, de Turken noemen
het Tsjoban Kilissé, (de kapel der herders). Het is in den zelfden
trant ontworpen als de bovengenoemde heiligdommen, maar vertoont
eigenaardige afwijkingen in den koepelvorm der dakbedekking. Het is
bijna niet mogelijk, een juist beeld van deze kunstwerken te geven door
beschrijving alleen. Gelukkig zal binnenkort een geïllustreerd werk
verschijnen over de monumenten van Ani en de herstellingen, die daaraan
zijn geschied door den bekwamen armenischen architect Toros Toromaniân.
De heer Mar ontdekte bij het bestudeeren van de vestingwerken, dat de
stad gedeeltelijk herbouwd is. In de oude stad is donkerroode steen
gebruikt voor de torens, paleizen en kerken, die naar het Zuiden
liggen, en de geschiedschrijvers vermelden, hoe van de zuidzijde
nog in het jaar 960 de stad werd verdedigd. Omstreeks 1020 zijn de
westelijke versterkingen van lichteren rooden steen gebouwd. Op het
oogenblik trekken de vier groote torens, die zich boven dezen chaos
van bouwvallen verheffen, het meest de aandacht. Daar zij over de
geheele lengte gespleten zijn, ziet men ook de binnenzijde, die den
indruk maakt van het koor eener kerk. Waarschijnlijk waren er kapellen
in geplaatst, om de strijders gelegenheid te schenken, hier door het
gebed nieuwe kracht te verwerven. De toegang, van af het open veld,
is aan de overzijde van het ravijn door dubbele, soms driedubbele
muren en torens versperd. De ingangspoort draagt een opschrift waarbij
de shahs van Perzië Ani vrij van belastingen verklaren. Een dergelijk
centrum ter bevestiging van hun macht was hun veel waard; zij zochten
de stad door gunstbewijzen aan zich te verbinden.
De beschrijving van hun verovering dezer stad, waaruit zij later
weder werden verdreven, zal deel uitmaken van het groote werk, de
geschiedenis van Ani, waaraan de heer Mar reeds twaalf jaar bezig was.
Een verrassende uiting van de rijke fantasie der perzische kunstenaars
uit de middeleeuwen mocht ik vinden in een portiek, die zij hebben
gebouwd bij de kapel der Apostelen, midden in de stad gelegen,
ongetwijfeld met het doel, daarvan een moskee te maken.
Nog veel andere merkwaardigheden vielen hier te bezichtigen,
en ik betreurde het, dat ik geen tijd had, hier nog veel langer
te vertoeven. Men maakte mij ook opmerkzaam op de holen in den
grijzen tufsteen, die het plateau schraagt, aan de overzijde der
granietrotsen. Het zijn zeker geen graven geweest, doch menschelijke
verblijfplaatsen; sommigen zijn thans nog bewoond. Ik bezocht er
o.a. een kerk, in den rooden kalksteen uitgehouwen; zonder eenig
verbindingsmiddel waren de bogen en pijlers uitgespaard in de
ruwe rots, en in het binnenste drong geen ander licht, dan door de
ingangsopening viel.
Ook in de omstreken der stad treft men overal sporen aan van haar
vervlogen pracht. Ik wilde niet verzuimen het klooster Khocha
Vank te bezoeken, dat op een uur afstands aan den Arpa Tchaï is
gelegen. Een goedaardige oude monnik leidde mij er rond, en was zeer
verheugd over mijn oprechte bewondering van de versiering der drie
zalen, die den kloosterhof omgaven. Zij zijn gebouwd door den vorst
Hohannes Shah-In-Shah Bagratouni, en leveren opnieuw een sprekend
bewijs van den fijnen smaak en de vaardigheid der Armeniërs in het
navolgen van goede voorbeelden, waarop zij toch hun eigenaardigen
stempel wisten te drukken. Hier hadden zij veel ontleend aan de
vruchtbare fantasie der perzische kunstenaars. Een dezer zalen
is overdekt door een kruisbogengewelf, dat niet door zuilen wordt
gesteund, doch onmiddellijk uit den onderbouw oprijst. De volgende
wordt door zware pilaren in drie galerijen verdeeld, en heeft een
caissonzoldering, waarvan de vakken, elk op verschillende wijze,
zijn versierd met beeldhouwwerk en door arabesken omgeven. In deze
zaal had de patriarch getroond tijdens een concilie, waarvan mijn
gids het juiste jaartal niet wist aan te geven. De zaal, die aan de
kerk voorafging, was eveneens in drieën verdeeld, en vertoonde een
oneindige verscheidenheid in de behandeling der caissons, terwijl
het hoofdmotief in ieder een kruis vormde.
Wanneer men bedenkt, welk een ongeloofelijke menigte kloosters in
Armenië hebben bestaan, kan men wel nagaan, dat het kloosterleven
er minstens evenzeer heeft gebloeid als in westersche landen. Thans
treft men in de voormalige kloostergebouwen meestal slechts een
enkelen monnik aan, die de taak van bewaker vervult, en de meeste
zijn herbergen voor reizigers geworden.
Het werd tijd voor mij, om eens een ander vervoermiddel te kiezen,
want mijn derde paard zag er reeds uit, alsof het arme dier het niet
lang meer zou volhouden.
Te Kars kon ik gelukkig plaats nemen in den gemakkelijken waggon
van een russischen spoortrein, die mij goedkoop, al was het dan niet
bijzonder snel, verder vervoerde.
Ik bleef een dag in Alexandropol, een stad, die bijna uitsluitend
door Armeniërs wordt bewoond en in de laatste twintig jaren zeer
is vooruitgegaan. Vroeger was het een onaanzienlijk plaatsje, Gümri
genaamd. De Tartaren en Armeniërs aan de Araxes en den Arpa-Tchaï, die
reeds een kwart eeuw russische onderdanen waren geweest, begrepen mij
nooit als ik van Alexandropol sprak; zij wisten niet beter dan dat de
stad Gümri heette. Er waren een groot aantal nieuwe kerken verrezen;
maar van de oude stad was zeer weinig meer overgebleven.
Vijf mijlen van daar ligt een der meesterwerken van armenische
kunst, de kerk van Marmachen. Deze is zoo laag gelegen, in een diepe
inzinking van het rotsachtig plateau, dat ik mijn rijtuig halfweg moest
achterlaten in het groote dorp, welks bewoners nog in deze uitstekend
bewaarde kerk hun godsdienstoefeningen houden. Het prachtige gebouw
vormde een zonderlinge tegenstelling met het armoedige plaatsje, waar
vijf of zesduizend Armeniërs wonen. Aan den anderen kant scheen de
kerk ook grooter dan zij in werkelijkheid was, door de eigenaardige
geïsoleerde ligging, zonder eenig punt dat als vergelijking zou
kunnen dienen. Het gebouw is feitelijk slechts 18 M. lang; doch bij
zulk een volmaakte schoonheid van verhoudingen kan van een groot of
klein eigenlijk geen sprake zijn.
Een ding is zeker, de gedenkteekenen, die de vervlogen grootheid van
het oude Armenië weder voor ons oproepen, beantwoorden volkomen aan
de voorstelling, door de geschiedenis van het merkwaardige land in
onzen geest gewekt.