Ziedaar de feiten,--en ongetwijfeld is het toe te schrijven aan
onbekendheid met deze noodzakelijke gegevens, wanneer eenige edelmoedig
gezinde hervormers plannen hebben willen verwezenlijken, die voor de
Armeniërs de noodlottigste gevolgen na zich sleepten.
Niet minder belemmerend voor de vorming van een juist en onpartijdig
oordeel is de onzekerheid, waarin men tot nog toe verkeert, omtrent
de toestanden in Anatolië, Kurdistan, de streken rondom den Ararat,
en de verschillende stammen, die daar, 't zij in vrede, 't zij op
voet van oorlog, verblijf houden. In den strijd om de oppermacht in
Klein-Azië, zal dàt volk de meeste kans hebben op de overwinning,
dat het best de karaktertrekken der verschillende stammen heeft weten
te doorgronden, hun behoeften kent, en dus zal weten te bevredigen,
en vooral door het verschaffen van goed onderwijs het peil van hun
zedelijke en stoffelijke welvaart zal weten te verhoogen.
Voor alles dienen wij ons nauwkeurig rekenschap te geven omtrent
de gesteldheid van het land, waar deze volken verblijf houden; het
klimaat, de ligging der bergen en den loop der rivieren, en den staat
der wegen en verkeersmiddelen.
Het eigenlijke Armenië wordt gevormd door een zeer hoog gelegen
plateau. De hoofdstad, Erzeroem (60000 inwoners) ligt tegen den berg
gebouwd, tusschen een hoogte van 1920 en 2000 Meter. De Ararat is nog
300 M. hooger dan de Mont Blanc. Aan den voet der hooge bergtoppen
strekken zich groote vlakten uit, die door bergen zijn ingesloten,
en waartusschen slechts onderlinge verbinding bestaat door de passen
in deze bergketens, die dikwijls 3000 M. hoog zijn. De grootste
dezer vlakten, die van Mouch, strekt zich uit over een lengte van 40
kilometer. Daar de bodem gedeeltelijk bestaat uit vulkanische asch en
aanslibbingen, zijn zij zeer vruchtbaar, en zouden een veel talrijker
bevolking levensonderhoud kunnen verschaffen. De bewoners, Armeniërs,
die in Turkije vermengd zijn met Turken en Kurden, in Rusland
met Georgiërs en Tscherkessen, en in het Zuiden met verschillende
mohammedaansche stammen, Turkomanen en Tartaren, zijn zeer bedreven in
besproeiing en veldarbeid, en weten uitstekend partij te treken van
de smalle stroompjes, die van de hoogten vloeien. Door deze vlakten
stroomen groote rivieren, benevens een aantal kleinere zijtakken,
die van nog meer belang zijn. Armenië is even rijk aan rivieren als
Frankrijk. In het Oosten zien wij de Araxe, die zich met den Koeros
vereenigt, kort voor deze zich uitstort in de Kaspische zee. De Araxe,
die langs de Noordzijde van het gebergte Ararat stroomt, vormt de grens
tusschen Armenië en Perzië. Het stroomgebied dezer rivier is uiterst
vruchtbaar en rijk bebouwd; het klimaat is er gematigd in de bergen,
en in de dalen warm.
In het midden besproeit een tak van den Eufraat, (de Kara Soe of Zwart
water in het Turksch) de heerlijke vlakte van Erzeroem, eer zij zich
naar het Zuiden wendt, om zich met den anderen tak, de Moerad Soe,
te vereenigen en daarna den eigenlijken Eufraat te vormen, die met
zijn bijrivier, de Sultan Hoe, door de vruchtbare vlakte van Malatia
kronkelt, eer hij Zuidwaarts stroomt naar Mesopotamië.
De Moerad Soe doorloopt de geheele Westelijke helft van Kurdistan
van het koude Noorden, tot het verschroeiende Kharpoet in het
Zuiden. Eveneens treffen wij in het Zuiden de twee stroomen aan,
die door hun samenvloeiing den Tiger vormen, terwijl een bijvloed van
deze rivier, de Bitlis Soe, door de stad van dien naam en de vlakte
van Sert stroomt.
Het Noorden des lands is niet minder rijk aan stroomen.
Drie rivieren kronkelen daar door vruchtbare vlakten, eer zij zich
uitstorten in de Zwarte Zee. De Tschorokh besproeit het dal van
Baïboert, neemt vervolgens den Tortoem Soe op en wendt zich dan naar
russisch Trans-kaukasië, om zich in de Zwarte Zee uit te storten. In
het Westen heeft de rijke landstreek Tokat haar vruchtbaarheid te
danken aan de Yechil-Irmak, die evenwijdig loopt met den grooten
Kezil-Irmak, waaraan de belangrijke stad Sivas ligt.
De bergketens, die deze vlakten omringen, en de dikwijls zeer hooge
bergwanden, die ze scheiden, vangen een voldoende hoeveelheid regen en
sneeuw op, om in het voorjaar zich te bedekken met gras, dat voedsel
levert voor de kudden, en in de valleien, waarheen de stroomen vloeien,
die van hun toppen naar beneden dalen, grazige weiden te vormen, die,
als de winter niet te lang aanhoudt, tweemaal per jaar een rijken
hooioogst opleveren. Toch is een groot gedeelte van den bodem in
Armenië onvruchtbaar. Al groeit nog koren op een hoogte van 2500 M.,
de plaatsen, die geschikt zijn om bebouwd te worden, zijn schaarsch
in aantal; het gras groeit alleen dáár, waar de rotsen langzaam zijn
vergruisd en in vruchtbare aarde overgegaan, doch zeer vele plaatsen
in deze bergketens zijn vulkanisch, en vertoonen niet anders dan
lava en granietvormingen. Daar de bosschen overal zijn verdwenen,
en men weken lang kan reizen zonder een boom te zien, heeft het
land een treurig en verlaten voorkomen. Niets is zoo droefgeestig,
als het gezicht van die kale hoogten, in eindelooze opeenvolging,
die doen denken aan de ruggen en de logge ledematen van reusachtige,
versteende, voorwereldlijke dieren. Wanneer de weg langs den voet dier
gebergten leidt, zooals bij Kop Dagh, op den weg naar Trebizonde,
ziet men niet anders dan steenachtige hellingen, zoo ver het oog
reikt, waarboven nog enkele besneeuwde toppen zich verheffen. Alleen
de middenloop der Kara Soe en die van den Tschorokh kenmerken zich
door meerdere schilderachtigheid.
De vulkanen zijn hier bijzonder talrijk, zooals trouwens overal in
Klein-Azië. De Ararat was ook een vulkaan, waarvan de krater voor de
helft is ingestort.
In het Zuiden liggen in een rij de Tendörek, die nog werkt, de Sipan
en de Nimroed, die zich verheffen boven het meer Van. De vorming
van hun kraters is zeer merkwaardig. Reusachtig groot, vormen zij een
volkomen cirkelvormige kom, zoo regelmatig, dat zij door menschenhanden
schijnt uitgehold, en waarin men op den bodem een heldere waterplas
ziet, in den vorm van een halve maan, naast een grasvlakte, waarop
de prachtigste bloemen groeien, die nergens anders in de omstreken
worden aangetroffen.
Het is niet te verwonderen, dat deze ligging der armenische
hoogvlakten, die zoo streng zijn omcirkeld en afgesloten, heeft
medegewerkt tot de vorming van vele stilstaande wateren, die geen
afvoer vinden. Een aantal kleine meren strekt zich uit tusschen de
Zwarte en Kaspische en Middellandsche Zee. Het belangrijkste is dat
van Tortoem, dat bij zijn uitstorting in de rivier van dien naam
een waterval vormt, dien Elisée Reclus den schoonsten van Klein-Azië
noemt. Kleine binnenzeeën vormen het meer Goktscha in Rusland, dat van
Van in Turkije, en van Oermiah in Perzië. Het laatste grenst enkel
aan de Westzijde aan het grondgebied van het oude Armenië. Het meer
Goktscha is ook eerst in den laatsten tijd armenisch geworden. Het
meer Van is dat echter altijd geweest. Het is een zoutwaterplas,
en visch wordt er slechts gevonden in de buurt van de mondingen der
rivieren, die zich erin uitstorten, en waarvan het water, door een
zonderling verschijnsel, bovendrijft, aan de oppervlakte van het
brakke water van het meer. Men heeft opgemerkt, dat de hoogte van
den waterspiegel aan verandering onderhevig is, en rijst of daalt,
zonder dat men de oorzaak hiervan kan verklaren.
Het wordt weinig bevaren; want de meeste reizigers zijn er niet op
gesteld, zich te wagen in de lompe zeilbooten, en trekken liever te
paard het meer om. Als de wind gunstig is, kan men het meer in een dag
oversteken; maar dikwijls gaat een week voorbij, zonder dat er een
koeltje aan de lucht is, terwijl somtijds heftige stormen opsteken,
waartegen de booten niet bestand zijn.
't Is het best, den noordelijken weg naar Van te kiezen.
Daar ziet men voor het eerst na het liefelijk gelegen vilayet
Trebizonde weer een plekje groen. De geheele streek, en de bergen
in den omtrek, zijn kaal en woest; maar de tuinen, die de oude stad
Van omringen, en waarheen zich elken dag de bewoners begeven om hun
groenten en vruchten te kweeken, zijn verrukkelijk gelegen, in de
schaduw hunner vruchtboomen, en Turken en Armeniërs arbeiden daar
samen in broederlijke eendracht. Hier bevindt men zich dan ook in een
gematigde luchtstreek, die naar het Zuiden bijna tropisch warm wordt,
doch in het Westen en Noorden grenst deze streek aan de hoogvlakte,
waar een continentaal klimaat heerscht.
Land- en tuinbouw zouden hier nog veel grootere resultaten
leveren, als zij, die ze beoefenen, meer vooruitstrevend waren
gezind. Waarschijnlijk is deze streek vroeger bedekt geweest
met bosschen; maar rondom het meer Van zijn deze thans geheel
verdwenen. In Kurdistan ziet men echter nog prachtige alleenstaande
noteboomen. Keghi, op de hellingen van den Dersim gelegen, is de
boschrijkste plek van Armenië; maar in de meer naar het Zuiden
gelegen zeer vruchtbare streken van Malatia, Kharpoet, en Diarbekir
zijn slechts enkele tuinen, waarin moerbeziën en wingert groeien. In
het Westen treft men in het vilayet Sivas, vooral naar de zijde van
Tokat, uitgestrekte bosschen aan. In de dalen van den Tschorokh en
den Tortoem zijn de bosschen te hoog gelegen, om geveld te kunnen
worden, daar de ossen die steile hoogten niet kunnen beklimmen. Ook de
hellingen van Azort en Narimân ten Oosten van Tortoem, op de russische
grens, blijven dichtbegroeid, omdat men niet over de noodige middelen
beschikt, om het hout te kappen. Op de hoogvlakte zelf zijn alleen
in de omstreken van Erzindjan nog bosschen te vinden. Hier heeft men
dan ook niet zooveel brandhout noodig, daar deze streek door klimaat
en vruchtbaarheid nog als tot de gematigde luchtstreek behoorende kan
beschouwd worden. Maar overal, waar het klimaat het verbruik van groote
hoeveelheden brandstoffen noodzakelijk maakt, is geen hout meer te
vinden. Het moet van veraf gelegen plaatsen worden aangevoerd, en is
daardoor zeer kostbaar. Tot de dunste eikenstammetjes worden met wortel
en al uitgegraven, en zoodoende breidt deze verwoesting zich over een
steeds toenemende oppervlakte uit. Deze onnadenkende handelwijze, die
zulke nadeelige gevolgen na zich sleept, en niet eens gerechtvaardigd
is, daar overal kolen worden gevonden, vloeit voort uit de zeer hevige
koude, die op de hooger gelegen plaatsen heerscht gedurende meer dan
zes maanden in het jaar. De bewoners loopen daar voortdurend gevaar,
van koude om te komen. In 1903 daalde de thermometer te Erzeroem tot
39° onder nul en 's winters heeft men daar dikwijls weken en maanden
achtereen een temperatuur van 15°-25° onder nul. Zelfs in de gematigde
luchtstreek doet zich de onmiddellijke nabijheid van dat continentaal
klimaat gevoelen, al naar de hoogte, waarop de verschillende plaatsen
zijn gelegen. Zoo ligt bijvoorbeeld te Bitlis de sneeuw op de bergen,
in de stad, en de vallei dikwijls vijf meter hoog; maar de koude is
er toch veel minder hevig en de winter minder lang, dan in het midden
van het land. De streek tusschen Baïazid en Sivas zou men een tweede
Siberië kunnen noemen. Het reizen te paard is er uiterst moeilijk,
en als men er door een sneeuwstorm wordt overvallen, gaat men een
wissen dood tegemoet. Toch is hier een weg gebaand, waarlangs de
gemakkelijk glijdende sleden geregeld het verkeer onderhouden,
terwijl tusschen Mouch en Bitlis de sneeuw zoo hoog ligt, dat hier
slechts kleine sleden, door één man getrokken, in gebruik zijn;
paarden zouden daar wegzinken. Dat klimaat is een ramp van Armenië,
en het zou slechts kunnen worden bestreden met alle hulpmiddelen,
die der beschaving ten dienste staan.
Gedurende de grootste helft van het jaar zijn de boeren zonder
werk en genieten hun _kief_ (zalige rust, afgewisseld door ruzie
en vechtpartijen) in het hoekje van den haard, verzameld rondom den
_tonir_ (een in den grond gemetseld en oven) onder een wijde schouw,
waarin tesek wordt gebrand, als men geen hout heeft. Tesek zijn koeken
van gedroogde koemest. Het verzamelen hiervan maakt de voornaamste
bezigheid van stad- en landbewoners uit, zoodat er slechts een geringe
hoeveelheid overblijft, om het land te bemesten. Op die lange koude
volgt, nadat gelukkig door het smelten der sneeuw de bodem week is
geworden, bijna zonder voorjaar, de korte gloeiende zomer. De herfst is
er echter zacht en droog, en duurt dikwijls tot het laatst van October.
Het leven op de hoogvlakten van Armenië is dus ver van aangenaam,
hoewel de lucht er gezond is, en zóó helder, dat men bij onbewolkten
hemel duidelijk een vijftiental dorpen onderscheidt, die op tien of
vijftien kilometer afstand liggen. Een ander verschijnsel, dat het
leven hier bemoeilijkt, zijn de herhaalde aardbevingen. In 1901 hebben
verschrikkelijke schokken plaats gehad, waarbij de ellendig gebouwde
huizen van de turksche wijk te Erzeroem instortten en omstreeks twintig
menschen werden gedood. Alle huizen in de stad hebben daarbij meer of
minder geleden en velen moesten worden herbouwd. De stad Malazguert
ten Noorden van het meer Van is totaal verwoest, en zeer hecht gebouwde
armenische kerken, die reeds meer dan tien eeuwen hadden getrotseerd,
zijn tot puinhoopen geworden. Ieder oogenblik kan zulk een geduchte
ramp zich herhalen.
Geregeld ieder jaar hebben zulke aardschokken plaats, soms zonder ander
gevolg, dan dat een weinig pleister van de muren valt, doch soms ook
zijn zij de voorboden van vreeselijke verwoestingen. Toch schijnen de
fatalistisch gezinde bewoners er volstrekt geen bezwaar in te zien, als
zij genoodzaakt zijn, eenige maanden in tenten te leven, bij een felle
koude, en een sneeuwlaag, die beurtelings smelt, en tot ijs bevriest.
Zij vinden dat bestaan veel meer naar hun zin, dan het verblijf in een
gemakkelijk ingericht woonhuis, en in den zomer slaan de stedelingen
overal in het open veld hun tenten op, om de genoegens te smaken van
het voorvaderlijk nomadenleven.
Men kan zich thans een voorstelling vormen van de moeilijkheden,
waarmede het verkeer gepaard gaat. In zulk een warrelklomp van
bergen zijn natuurlijke wegen zeldzaam, ondanks het groote aantal
bergstroomen, want deze banen zich dikwijls een weg tusschen nauwe
rotswanden, of verloopen op de hoogvlakte in wijde poelen en moerassen.
De begaanbare paden volgen bijna nimmer hun loop. Deze paden zijn
meestal niet anders dan de in het warme jaargetijde droge beddingen van
vroegere rivieren, die in lang vervlogen tijdperken den steenachtigen
bodem der passen hebben geëffend, Hierlangs kan men te paard zonder
al te groote bezwaren, zijn reis voortzetten. Er zijn hier geheele
streken, zooals het Oosten en Zuiden van Kurdistan, waar nog nimmer
een voertuig op wielen is aanschouwd.
Men moet de bergwanden, die de dalen scheiden, overklimmen, en dat
is een ware Hercules-arbeid. Om zich naar Khenoes, Bitlis en Sert te
begeven, moet men den Palandöken bestijgen, die zich boven Erzeroem
verheft.
De naam beteekent in het turksch: vallend zadel. Het pad is hier dan
ook werkelijk zoo steil, dat de koopwaren dikwijls van den rug der
lastdieren glijden, en dat de ruiter valt, zoodra hij den hals van
zijn paard loslaat.
Om het land te voorzien van de wegen, waaraan het behoefte heeft,
zouden grootsche werken moeten worden ondernomen. Maar om dergelijke
zaken bekommert men zich daar al heel weinig. De vali van Erzeroem is
de eenige, die de middelen, welke hem ten dienste staan, aanwendt tot
dit doel. Hij heeft van uit de hoofdplaats twee wegen laten aanleggen,
een naar Erzindjan, en een andere naar Kars, in Rusland. Dit heeft nog
niet eens veel te beteekenen. Men kan slechts in een wagen rijden op
den slechten weg van Sivas naar Samsoen, aan de Zwarte Zee, en op den
iets beteren grooten weg van Trebizonde naar Erzeroem. Deze laatste
werd in 1864 en 65 door fransche ingenieurs aangelegd; maar wordt
zoo slecht onderhouden, dat hij op verschillende plaatsen instort, en
men moet, als de houten bruggen verrot en gebroken zijn, den stroom
te voet doorwaden, terwijl het rijtuig, met horten en stooten, half
over de rotsachtige bedding wordt geschoven en getild.
Toch is deze verkeersweg van groot belang voor de welvaart van
Noordelijk Armenië. Dat de weg thans minder druk begaan wordt
dan voorheen, is toe te schrijven aan het feit, dat de perzische
karavanen het voordeeliger vinden, naar Transkaukasië te trekken,
waar de spoorweg de waren goedkooper vervoert, over Tiflis en Bakoe.
Maar dit is een kunstmatige afwijking; de weg over Erzeroem en
Trebizonde is korter en gemakkelijker. Hij zal dan ook opnieuw de
groote verkeersweg worden, als naast de russische spoorweglijnen
ook hier een zal worden aangelegd; d.w.z. wanneer Rusland over dit
gebied de heerschappij zal hebben verkregen. Het heeft zich dan ook de
concessie voor deze lijn reeds verzekerd, om de turksche regeering te
verhinderen, haar te laten aanleggen, teneinde voor het troepenvervoer
over de grenzen te dienen; maar toch zal die spoorweg niet worden
gebouwd, eer geheel Armenië aan Rusland onderworpen is. De Armeniërs
beweren, dat Rusland op alle mogelijke wijzen de verzwakking der
turksche grensprovincies in de hand werkt, en met dit doel ook de
gruwelen lijdelijk heeft aangezien.
Zich voortzettend naar het Oosten, maar na Erzeroem geen straatweg
meer, gaat de weg verder naar Malazguert, Baïazid en het meer Van;
daarna over Khoï naar Perzië; komt uit te Tebriz en loopt vervolgens
in verschillende richtingen naar de perzische hoofdplaatsen. Hij
vormde de helft van den grooten handelsweg der oudheid, die langs
geheel Klein-Azië liep. Maar van dit westelijk deel is zeer weinig
overgebleven. Slechts op enkele plaatsen ziet men er nog de sporen
van. Evenzoo is het gegaan met den tak, die van Tokat naar Mossoel liep
over Sivas (Sebaste), Malatia (Melitta), Kharpoet en Diarbekir, hoewel
de groote Sultans van den ouden tijd, vooral Moerad, in de 16e eeuw,
hier verscheiden prachtige khans (pleisterplaatsen) lieten bouwen,
waarvan sommige, schoon thans vervallen en ongebruikt, nog bestaan.
Hoe zou een land tot welvaart kunnen geraken, waar alles op den rug
van lastdieren moet worden vervoerd? Alleen de bovengenoemde wegen
zijn door voertuigen berijdbaar, die zeer zelden gebruikt worden;
omdat zij duur zijn, en niemand in snelheid eenig voordeel ziet.
Die snelheid is dan ook bovendien niet noemenswaard.
Een span paarden moet den geheelen afstand afleggen; zes dagen hebben
zij noodig voor de 340 kilometer van den straatweg, en acht of tien,
als het dooiweder is.
Des winters valt aan reizen niet te denken tusschen November en
April. Men heeft wel plannen gemaakt, om pleisterplaatsen op te
richten, waar andere paarden zouden zijn te krijgen, om zoodoende den
weg in twee of drie dagen te laten afleggen, waardoor een gedeelte
der perzische handelswaren weder langs dezen weg zou worden vervoerd;
maar daar uit Europa geen hulp was te verwachten, bleven de inwoners
werkeloos.
Men bedient zich, hoewel dit vervoermiddel nog tweemaal zooveel tijd
vereischt, van _arabas_, kleine logge, krakende karretjes, op dichte
wielen, die door ossen wordt getrokken.
Het is een zonderling gezicht, die kleine lompe voertuigjes,
vooral wanneer daarin een zestal armenische vrouwen zijn gezeten,
in europeesche kleederdracht. De weg wordt druk begaan door de vele
lastdieren, ezels, muilezels, paarden en vooral kameelen. Het is voor
den vreemdeling altoos een merkwaardig schouwspel, deze wanstaltige,
maar sterkgebouwde dieren in lange rijen te zien voorbij trekken,
beladen met bergen van pakkisten, en met hun bengelende klokjes aan
den hals. Zij worden goed verzorgd; zelfs op de rustplaatsen, waar
zij gedrenkt worden, nadat hun last in een der khans is nedergelegd,
worden hun de dekkleeden niet afgenomen. De aanvoerder van den
kameelen-optocht prijkt met een prachtig soort tuig van bontgekleurde
wol, versierd met witte schelpen en kleine spiegeltjes. Trotsch houdt
hij zijn kop met de roode en blauwe vederbossen omhoog geheven, treedt
voorzichtig langs het smalle spoor, dat door menschen schijnt gebaand,
en weet met zekeren stap alle oneffenheden van den bodem te vermijden.
Zij zijn de eenige dieren, die midden in den winter deze tochten
blijven volhouden. Dan komen zij, met hun ruige, wit berijpte vacht,
als spoken in de verte opdagen, en ijskegels hangen als een franje
aan hun langen hals, daar hun adem bevriest in de ijskoude lucht. Geen
wonder, dat met zulke onvoldoende hulpmiddelen de zaken niet bijster
vlot gaan. Feitelijk is Armenië een dood land. Maar het zou kunnen
leven, en in de inwoners schuilt genoeg kracht om het te doen
_herleven_, wanneer daartoe slechts van buitenaf de stoot werd gegeven.
Christenen zoowel als Mohammedanen zijn hier traag en onverschillig,
maar vasthoudend, geduldig en taai, als hun kameelen en hun
arabas. Noch godsdienst, noch rassenverschil maakt tusschen hen veel
onderscheid. Ze hebben allen dezelfde gebreken en dezelfde goede
hoedanigheden; alleen in de steden wint de Armeniër het van den Turk,
echter niet door zedelijk overwicht, zooals later zal blijken. Buiten,
op het land, levend in dezelfde omstandigheden, en denzelfden arbeid
verrichtend, gaan zij broederlijk met elkander om. Men kan dit het
best beoordeelen, wanneer men, zooals ik, deze regels heeft geschreven,
ten aanschouwe van verbaasde Armeniërs, Turken en Kurden, inwoners van
één dorp, die eendrachtig mijn photographieën kwamen bewonderen, en een
vriendschappelijk praatje maken. Zij dragen allen dezelfde kleeding,
spreken hetzelfde turksche dialect, wijden zich met denzelfden
bedaarden ijver aan het inhalen van den oogst, en zien met dezelfde
onverschillige gelatenheid den winter tegemoet. Den vreemdeling
beschouwen allen met een mengeling van welwillende nieuwsgierigheid
en wantrouwen. Zij zouden het wel gaarne evenver hebben gebracht als
hij; maar 't moet hun geen moeite kosten. Ze zijn bang, dat wij hun
land komen bederven met onze nieuwerwetsche uitvindingen; zij willen
veel liever blijven voortleven in den ouden zorgeloozen sleur. Als
men hun voorstelt, verbeteringen aan te brengen in hun wijze van
het land te bebouwen, zeggen zij: "God--of Allah--heeft de aarde zoo
geschapen. Wij kunnen daaraan niets veranderen".
Tenzij zij van bevriende zijde nu en dan eens een kleine aansporing
ontvangen, zullen zij, zoolang de wereld bestaat, blijven voortgaan,
met langzamen tred hun kameelen te vergezellen, het land te bebouwen
met hun zware ploegen van assyrisch model, hun voorvaderlijk
nomadenleven getrouw te blijven, en den vreemdeling geen andere
schuilplaats aan te bieden, dan een stal, waar menschen en dieren zijn
opeengedrongen, en geen ander voedsel, dan yogourt (gestremde melk) en
eieren. In de steden kunnen zij onze kleederdracht en manieren naäpen;
maar hun traagheid en hebzucht blijven onveranderd. Toch zijn ook
zij voor ontwikkeling vatbaar, en zouden door gedurige aansporing een
ijverig, rechtschapen en verstandig volk kunnen worden, ook zonder dat
zij zich daarom behoefden te onttrekken aan de turksche heerschappij.
In een streek, waar het klimaat zoo afwisselend is, als in Armenië,
kan men verwachten, de meest uiteenloopende voortbrengselen van den
bodem aan te treffen. Op dit punt vertoont het land overeenkomst
met Frankrijk; maar er is toch nog grooter onderscheid tusschen de
dadels van Diarbekir, de tabak van Mouch en de kusten der Zwarte
Zee, en de beetwortels van Erzeroem, dan tusschen de producten van
Provence en onze Noordelijke provinciën. Armenië, Georgië, en het
Noorden van Perzië zijn het oorspronkelijk vaderland van de meeste
onzer vruchtboomen. Peren en appelen; perziken en abrikozen, kersen
en pruimen, druiven en kornoeljes vindt men hier in rijken overvloed,
waar de zon maar schijnt. Behalve het Zuiden leveren ook vele plaatsen
in het gebergte de heerlijkste vruchten op, en deze zouden zelfs op
de zeer hoog gelegen vlakten wel kunnen worden gekweekt; maar hiertoe
zou een mate van zorg vereischt worden, die de bewoners niet geneigd
zijn, aan eenigen arbeid te besteden. Zij stellen zich tevreden, met te
verzamelen, wat de natuur hun wel wil schenken. Als zij in de gunstig
gelegen districten zich de moeite wilden getroosten, de soorten te
verbeteren, zouden zij alle mogelijke variëteiten kunnen verkrijgen;
maar het ontbreekt hun ten eenenmale aan initiatief. Behalve de
genoemde vruchten vindt men hier ook veel meloenen, watermeloenen,
kweeën, en zelfs chinaasappelen. Verder worden maïs en rijst verbouwd,
en de moerbeiboom gekweekt, waarvan de bladeren tot voedsel dienen voor
zijdewormen, en de vruchten versch worden gegeten, of ook wel geconfijt
om er een lekkernij van te bereiden uit moerbeiengelei en notenpitten,
terwijl zij ook gebruikt worden voor de bereiding van raki, een
sterke likeur. Uit hun druiven weten zij echter geen goeden wijn te
bereiden. Die van Kharpoet is zuur en slecht, wat weder niet het geval
behoefde te zijn, indien men bij de bereiding op europeesche wijze
te werk ging. Aan groenten is groot gebrek. Drie kwart van Armenië
moet het daar zonder zien te stellen. Zelfs in de groote steden eet
men noch aardappelen, noch wortelen, en onze overige groenten, zooals
bloemkool, schorseneren, prei, asperges, zijn er geheel onbekend.
De bewoners zouden ze trouwens misschien ook niet weten te
waardeeren. Op straat ziet men dikwijls net gekleede heeren, met
keurige boorden en dassen, uit alle macht kauwen op rauwe kool,
rauwe rapen en wortelen en allerlei wilde planten. Toch zouden in de
meeste streken al onze groenten kunnen verbouwd worden; 't geen reeds
is gebleken uit de met goeden uitslag bekroonde pogingen van enkele
stedelingen, die echter geen navolging vonden. Men zou oneindig
meer voordeel kunnen trekken uit de vele voortbrengselen, die het
land oplevert, indien hier in deze hoogvlakten fabrieken werden
gebouwd, en de vruchtenteelt in het groot werd ondernomen. Armenië
zou onder ander beheer een rijke kolonie kunnen worden. Maar zooals
thans de zaken staan, laten de Armeniërs liever hun koren op het veld
verrotten, zooals somtijds gebeurt, door den al te grooten overvloed,
dan de handen uit de mouw te steken.
Zonder spoorwegen is geen uitvoer van graan mogelijk; op elken
Hectoliter haver, die van Erzeroem naar Trebizonde wordt vervoerd,
zouden vier gulden vervoerkosten komen. Alleen het Araxe-dal heeft
een verbinding met Transkaukasië. Het Oosten en Zuiden kunnen met
hun producten nergens een heenkomen vinden.
Het land wordt bebouwd op een wijze, die reeds in het oude Assyrië moet
in zwang geweest zijn, en met uiterst primitieve werktuigen. Groote
provincies verbouwen niet anders dan tarwe, gerst, gras en klaver. Om
de drie jaren laat men het land braak liggen. Kunstmatige bemesting
is onbekend; de gedroogde koemest dient als brandstof, en geen enkel
eigenaar zal ooit een werk over landbouwkunde opslaan, om gewaar te
worden, hoe hij den bodem zou kunnen verbeteren, of welk voortbrengsel
voor een bepaalden grond het best geschikt is. Gedeeltelijk uit
geldgebrek; maar meer nog uit gemis aan ondernemingsgeest denkt
niemand eraan, voor den veldarbeid machines aan te schaffen, of zelfs
een ploeg op wielen te gebruiken.
Men bedient zich voor het ploegen van een boomstam, die door ossen
wordt voortgetrokken, en aan welks uiteind een kromme haak, met een
scherpe ijzeren punt, is bevestigd. Alleen in het Westen, in de buurt
der spoorweglijnen, die loopen tot Angora en Konia, begint men iets te
beseffen van het voordeel, dat verbeterde werktuigen aanbrengen. Daar
treft men boerderijen aan, die eenigszins op europeesche leest zijn
geschoeid, en in het Westen van Tokat worden zelfs varkens gefokt,
die voor de Mohammedanen zorgvuldig worden verborgen gehouden. Overal
elders zijn deze dieren onbekend.
Bij den oogst gaat men ook op zonderlinge wijze te werk. Zeisen zijn
alleen in de omstreken der grootere steden in gebruik; in den regel
bedient men zich van sikkels, die niet scherp genoeg zijn, en waarmede
men de wortels der halmen uittrekt. Al het graan wordt vervolgens
op een grooten leemen dorschvloer in de open lucht uitgespreid, en
hierover trekken ossen een ruwe plank voort, die aan de onderzijde
van een honderdtal puntige steenen is voorzien. Deze wijze van
dorschen, waaraan de boeren zeer gehecht zijn, omdat zij geen groote
inspanning van hen vordert, is natuurlijk zeer tijdroovend en duurt
weken achtereen. En wat door deze behandeling verkregen wordt,
is een mengsel van fijngewreven stroo, zonder een enkelen gaven
halm; steenen en aarde, die aan de wortels zijn blijven hangen,
en gepelde, gekneusde graankorrels. Dit alles wordt op een hoop
geworpen, en met houten schoppen in de lucht gegooid, opdat de wind
het kaf van het koren zal scheiden. Als het graan ten slotte wordt
in den handel gebracht, is het vermengd met stellig een tiende deel
vreemde bestanddeelen, die mede in het brood worden gebakken, daar
men alweder niet de noodige hulpmiddelen bezit om het meel te zuiveren.
Een ding is zeker: de mest van de ossen wordt er niet in aangetroffen;
want de voerman van ieder span zamelt zorgvuldig met eigen hand
die kostbare zelfstandigheid op; geen mensch komt op het denkbeeld,
voor dat doel eenig ander werktuig te gebruiken.
De enkele watermolens, waar zuiver meel wordt gemalen, zijn groote
zeldzaamheden. Alleen de vreemdelingen eten hier trouwens gerstebrood;
de inwoners geven de voorkeur aan _somin_, een slecht gebakken, grof,
grijs brood; _lavach_, dat geel en plat is, of een andere soort,
armenische lavach, dunne koeken, die in den tonir gebakken worden,
en vrij smakelijk zijn.
Bij de meer gegoede gezinnen wordt het graan bewaard in groote
kisten, waarin van onderen een luikje is. Van dat graan bereiden
zij hun geliefkoosd gerecht, de _beulghour_, die echter niet in den
smaak van vreemdelingen valt. Evenals bij de _pilaf_ (de perzische
pilau) worden de graankorrels vermengd met in water gekookte rijst
en gesmolten boter. Deze lekkernij wordt zonder kauwen doorgeslikt,
alsof het soep was, hoewel het volkomen droog is. _Pilaf_ eten alleen
de rijke lieden; de armen slechts bij feestelijke gelegenheden. Aan
elken welvoorzienen disch vormt deze schotel het nagerecht, en men
zou den gastheer beleedigen, indien men niet een lepelvol uit de
schaal schepte; want dit gerecht is het zinnebeeld van het door God
geschonken dagelijksch brood, dat ieder gelijkelijk en zonder aanzien
des persoons wordt toebedeeld.
Rijk is in Armenië wie veel ossen en buffels bezit. De buffels,
groote zwarte dieren, zijn bijzonder sterk, en al hebben zij veel
voedsel noodig, zij zijn dan ook met alles tevreden. Men ziet ze
behagelijk rondwentelen in de modder, en hun honger stillen met
planten, die andere dieren nooit zouden aanraken. Ongelukkig legt
de regeering beslag op het vee, als de bevolking in gebreke blijft,
behalve het twaalfde van den oogst, ook nog de overige belastingen op
te brengen. Ook de Kurden stelen veel van de kudden, waardoor zoowel
Christenen als Mohammedanen zware verliezen lijden.
Vleesch wordt weinig gegeten. 't Is zelfs in de groote steden zeer
moeilijk, een stuk ossenvleesch te krijgen. De dieren arbeiden tot
zij erbij neervallen, en de doode lichamen laat men liggen; zoodat
de honden ze half verslinden, en de overblijfselen de lucht in de
omgeving verpesten. Van de huiden gaat zoodoende veel verloren,
en de horens en beenderen worden niet gebruikt.
Leder wordt vervaardigd van de huiden der runderen, die geslacht worden
voor de bereiding van _bastourma_, in de zon gedroogd ossenvleesch,
dat met komijn wordt gekruid. Het is verbazend taai, en heeft een zeer
sterken smaak, maar wordt overal in het Oosten als een groote lekkernij
beschouwd. De afval wordt in vet gekookt en vormt een afschuwelijk
mengsel, de _kavourma_, die ook door de Armeniërs zeer wordt op prijs
gesteld. Om wild geven zij niet, daar zij het niet smakelijk weten
klaar te maken. Wel worden veel vogels gestolen; maar dan is het toch
vooral om de eieren der wilde ganzen en eenden te doen. De kippen zijn
treurig mager en taai; ze worden niet bij elkaar gehouden in een hok;
maar zoeken hun voedsel op straat, en men houdt ze enkel terwille
van de eieren, die in Sivas veel worden uitgevoerd en overal in zulke
groote hoeveelheden worden gegeten, dat een welgestelde familie van
vijf personen er wel vier- of vijfduizend in een jaar noodig heeft.
Boter wordt alleen in de keuken gebruikt, tenzij men de voorkeur
geeft aan het vet, dat de verbazend dikke staarten der schapen
opleveren. Maar tusschen onze boter en deze is een groot verschil. De
beste kwaliteit--echter niet naar _onzen_ smaak--wordt gemaakt van de
overblijfsels der melk, die voor yogourt gebruikt is, en de fijnste
yogourt wordt uit schapenmelk bereid. Er wordt maar één soort van
kaas gemaakt, die er zeer eigenaardig uitziet, en gelijkt op bundels
vlas. Kaas, boter en melk, alles is even onzindelijk.
De schapenteelt vormt den voornaamsten tak van bedrijf. Kurdistan
is een der streken in de wereld, waar de meeste schapen worden
aangetroffen; het meerendeel der Kurden zijn herders, die in het zachte
jaargetijde een nomadenleven leiden. Als de sneeuw begint te smelten,
trekken zij met hun kudden naar die plaatsen in het gebergte, die het
eerst aan de zonnewarmte zijn blootgesteld, en door de vijandelijkheden
tusschen hen en de armenische herders is de gespannen verhouding
ontstaan, die zulke treurige gevolgen na zich sleepte.
Het vilayet Erzeroem, dat half kurdisch is, bezit ongeveer 1950000
schapen, 650000 geiten, 265000 ossen en koeien. Deze stad is het
middenpunt van den uitvoerhandel; het vee wordt van daar naar
Konstantinopel, Smyrna of Mossoel gedreven, of wel verkocht aan
opkoopers uit Syrië en de eilanden. Khenous, Mouch, Bitlis, Sert en
Keghi zijn ook belangrijke markplaatsen. De hoogste prijs van het
vleesch is drie piasters (0.60 frs.) de oka (1285 gr.).
Behalve met de vervaardiging van geweven stoffen, die echter
gedeeltelijk reeds door europeesche worden vervangen, houden de
bewoners zich weinig bezig met industrie. Toch toonen zij in dat
opzicht eenige begaafdheid, en terwijl zij op het land even traag en
achterlijk zijn als de Turken, hebben zij in de steden bijvoorbeeld
onze wijze van schoenen en kleederen te maken overgenomen en doen
dit uitstekend.
De wevers van zijden, linnen en wollen stoffen zijn ook allen
Armeniërs. De Turken weven slechts een soort van grof, sterk laken,
_chaïac_, dat door het volk en de soldaten wordt gedragen, en te
Erzindjan is men thans begonnen, daarvoor machines te gebruiken. Ook
de Armeniërs doen nu moeite, om deze aan te schaffen, natuurlijk
zonder stoom, want zoowel stoom als electriciteit wordt geweerd
door een regeering, die voor alles bevreesd is. Hoewel zij zich
dus van eenvoudige hulpmiddelen moeten bedienen, kunnen toch hun
zijden en wollen weefsels met de europeesche wedijveren. Hun zijden
sluiers voor vrouwen, de _tcharsafs_, die in het Zuiden en Westen
worden vervaardigd, zijn fijn, fraai van kleur en minder duur
dan de italiaansche. Andere sluiers van doorschijnende witte wol,
die de meeste vrouwen het geheele jaar door dragen, zijn niet zoo
kostbaar. Te Sivas dragen de vrouwen wit katoenen sluiers, die als
een lijkkleed de geheele gestalte omhullen, maar dit katoen komt meest
uit Duitschland of Amerika. De _manoussa_ is een dunne roode stof, met
witte en zwarte strepen, die voor allerlei doeleinden wordt gebruikt,
en van de _pechtemal_ worden badcostumes gemaakt. Deze stof vindt
daardoor veel aftrek, want het grootste genoegen van den Oosterling
is, een geheelen dag in den _hammam_ door te brengen.
De vrouwen vragen daar haar vriendinnen bij zich; er wordt gebabbeld
en thee gedronken, en dikwijls dagen achtereen feestgevierd.
De Armeniërs zijn ook goede wagenmakers en metaalbewerkers; te
Erzindjan wordt sierlijk koperen vaatwerk vervaardigd; verder bekwame
schrijnwerkers, zooals te Sivas; rookverdrijvers en smeden, bijv. te
Erzeroem, waar vroeger ook de goudsmeedkunst bloeide, die echter
thans alleen te Van wordt uitgeoefend, waar zeer fraaie bloemen in
zilver worden geciseleerd. Ook worden sigarenpijpjes gesneden in git,
marmer en amber.
In geen enkele plaats echter houden de Armeniërs zich bezig met
tapijtweverij, een tak van nijverheid, die toch in het Oosten zoo
veelvuldig en met zooveel vaardigheid wordt beoefend. Eigenaardig
is het, dat alleen de minder beschaafde bewoners, de Kurden, hierin
bedreven zijn. Hun _kilims_ zijn geweven stoffen, geen vlechtwerk,
waardoor kort geschoren draden zijn geweven, zooals bij de perzische
tapijten. Als zij deze trachten na te bootsen, kunnen zij ze niet zoo
glad en effen afwerken, maar zij slagen er dan toch in, zachte en warme
vachten te vervaardigen, aangenaam voor het oog, en voor het gevoel. Al
wat zij ontwerpen is zeer eenvoudig van lijn en teekening, en ook de
kleuren zijn bij voorkeur donker en stil, terwijl zij niet verschieten.
Wat den groveren handenarbeid betreft, hierin moeten de Armeniërs
bij de Turken achterstaan. Zooals in Rusland de Tartaren hun vooruit
zijn in pottenbakkerskunst, zijn de Turken betere metselaars en
lederbewerkers. Het leder in deze streken is stevig, dik en buigzaam,
en daardoor zeer geschikt voor het vervaardigen van paardentuig en
zadels. Deze vertoonen in het Oosten dikwijls het kozakkenmodel;
d.w.z. zij zijn van voren voorzien van twee verhevenheden, waardoor
de ruiter als 't ware staat in de stijgbeugels, somtijds ook zijn het
eenvoudig dekkleeden, uit meerdere dierenvachten vervaardigd, die in
een rijk geborduurd zijden omhulsel zijn genaaid. Het schoeisel is nog
al eenvoudig van vorm. De volksklasse draagt de _tcharoukhs,_ stukken
grof leer, die van boven met koorden als zakken om den enkel worden
gebonden; duurder zijn de _yemenis_, die van zolen zijn voorzien,
een soort sloffen, met omgebogen teenen. De karavaanvoerders dragen
_laptchins_, hooge laarzen, die op de kuit worden geregen en voorzien
zijn van met ijzer beslagen hielen.
Evenmin doen de Armeniërs aan viltbereiding, terwijl deze stof toch
bij herdersvolken zulk een gewichtige rol speelt. Het gaat hier,
zooals in geheel Azië, hoe dichter men bij het gebergte komt, des
te steviger en duurzamer wordt het vilt. De kurdische herders maken
er wijde omhulsels van; zij steken hun hoofd door een opening, en
als zij op den grond hurken, zitten zij als 't ware in een tent,
van alle zijden beschut.
Bij de bewerking wordt de fijne wol op een rieten vlechtwerk
uitgespreid en gerold, waarna vier jongens ze een uur lang met de
voeten treden, en daarna wordt dezelfde bewerking nog eens herhaald
in een zaal van den hammam, vol heeten waterdamp.
De Karapapatch, een mongoolsche stam in Transkaukasië, hebben aan
de Tscherkessen geleerd, een beter soort vilt te bereiden, waarvan
groote, zwarte, langharige mantels worden vervaardigd, de _yapoundja_,
die paard en ruiter beiden voor de koude beschutten, en op de geheele
armenische hoogvlakte worden gedragen.
Ook de laarzen der bewoners zijn hier van vilt; of liever hun
beenbekleeding; want het zijn eigenlijk een soort van kousen zonder
zolen, die onder de hooge laarzen worden gedragen, welke men in
huis uittrekt. Zelfs de rijke lieden en officieren, die gewone leeren
laarzen dragen, hebben daaroverheen een tweede voetbedekking, van leder
of russisch caoutchouc, dat ook in Armenië thans veel wordt gebruikt.
De Armeniërs zijn zeer geneigd tot het overnemen van onze Westersche
begrippen van schoonheid en sierlijkheid. De patronen van ons
borduurwerk en onze kanten worden met veel vaardigheid door hen
nagebootst. Hun inheemsch borduurwerk is een navolging van het
russische; zeer eigenaardig en smaakvol. Ook hierin zouden zij het
ver kunnen brengen.
In den handel bekleeden zij de voornaamste plaats.
Niet dat de Turken hierin achterlijk zijn; te Trebizonde, Erzeroem
en Sivas worden zelfs zeer rijke kooplieden aangetroffen. Maar zij
beperken zich tot de eenvoudigste voortbrengselen, leder, wol, graan
en vee, terwijl zij invoeren ijzer en suiker (van Marseille naar
Erzeroem en van Triest naar Sivas) en russische petroleum (van Bakoe
en Tiflis naar Erzeroem). De liter petroleum kost hier van 25 tot 35
centimes; de suiker is soms nog goedkooper dan in Frankrijk. Metalen
zijn verbazend duur; ijzer kost 48 francs de 100 kilo, en koper 200
franks. De handel in weelde-artikelen (of wat hier althans voor weelde
doorgaat) is geheel in handen der Armeniërs. Zij krijgen fijn gelooid
leder uit Frankrijk; katoen, laken en andere stoffen uit Duitschland,
Engeland, Frankrijk, Rusland, Italië en Amerika, huishoudelijke
artikelen uit Duitschland en Oostenrijk, levensmiddelen in blikken
uit Frankrijk, Italië en Engeland; bijouterieën uit Konstantinopel;
uurwerken uit Duitschland, Frankrijk en Amerika; mode-artikelen
uit Frankrijk en Konstantinopel; wijnen en likeuren uit Frankrijk,
Oostenrijk en Griekenland; kaarsen uit Holland en Frankrijk; lucifers
uit Noorwegen, Oostenrijk en Italië; zeep uit Marseilles en Aleppo;
werktuigen uit Frankrijk en Duitschland. Al die dingen kan men overal
in de steden krijgen. Maar de Armeniërs vragen ongehoorde prijzen
voor de waren, die ze verkoopen; een winst van dertig percent is in
hun oog een kleinigheid; de meesten stellen zich niet tevreden met
minder dan tachtig of honderd percent. Daar zij geen mededinging
hebben te duchten, komen zij onderling overeen, de prijzen zoo hoog
te houden, en zij zouden een vreemdeling, die zijn waren goedkooper
aan den man wilde brengen, zonder eenig gewetensbezwaar uit den weg
ruimen, en zich daarbij om de middelen, die zij hiertoe aanwendden,
hoegenaamd niet bekreunen. Geen Europeaan heeft dit waagstuk dan ook
durven bestaan. Alleen de Grieken zijn in dit opzicht hun mededingers,
daar deze op dezelfde wijze te werk gaan. Een frauduleus bankroet
wordt beschouwd als een bij uitstek handige wijze, om zich uit den
nood te redden, en ieder beijvert zich, om van dit middel gebruik
te maken. In Transkaukasië hoort men Armeniërs zich er openlijk
op beroemen, dat zij vijfmaal, tienmaal, twintigmaal zijn failliet
gegaan. Ook in Turkije zullen zij daarin niet het minste bezwaar zien;
doch daar de handel hier op minder groote schaal wordt gedreven, komen
dergelijke buitenkansjes hier niet zoo veelvuldig voor. Het is dan
ook al zeer gemakkelijk, dat in beide rijken de buit gaarne gedeeld
wordt door politie en overheidspersonen. In een woord, op eerlijkheid
in handelszaken behoeft men hier niet te rekenen; want deze hangt
geheel van de omstandigheden af. Ziet een koopman voor het oogenblik
zijn voordeel in eerlijkheid, moet hij zijn reputatie vestigen, of
vertrouwen inboezemen, dan zal hij u behoorlijk behandelen. Maar hij
zal u bedriegen, zoodra hij er kans toe ziet.
Het is onmogelijk den rijkdom aan mineralen te schatten, die de bodem
van Armenië verborgen houdt. Maar ook al ontdekt men ze nu en dan,
niemand weet, wat ermede aan te vangen, of er op de beste wijze partij
van te trekken.
Kolen worden gevonden in de omstreken van Van in het Oosten, te Sivas
en Malatia in 't Westen, te Kharpoet in het Zuiden, en in het midden te
Baïbourt en Erzeroem. Men gebruikt nog slechts de allerbovenste laag,
die aan de oppervlakte van den bodem zichtbaar is, doch ook hier zou
een nader onderzoek zeker verrassende resultaten opleveren. IJzererts
wordt eigenlijk overal gevonden; het meest bij Mouch en Sassoen in
Kurdistan en te Keghi en Terdjan in het midden.
Men zou de zwavelmijnen kunnen ontginnen van den Ararat, en den Agri
Dagh, langs de turksche, russische en perzische grens. Petroleum
wordt gevonden te Pulk, zilver met lood vermengd te Erzeroem,
zilver te Gremuschkane, koper bij Baïbourt. In dezen vulkanischen
bodem ontspringen overal warme bronnen, waarvan de eigenschappen
nog niet bekend zijn. Zout en tabak worden in groote hoeveelheden
uitgevoerd, doch de onveiligheid van het verkeer brengt den handel
groote schade toe. De struikrooverij is de kanker van het Oosten,
en al heeft de regeering bewezen, dat zij deze kan onderdrukken,
althans op de groote wegen bij Trebizonde en Erzeroem, zij vindt
het toch het gemakkelijkst, de kwaal te laten voortwoekeren, en er
desnoods haar voordeel mede te doen. Als de Kurden worden vervolgd
wegens al te schandelijke overtredingen, deelen zij den geroofden
buit met hoogere en lagere ambtenaren, worden in vrijheid gesteld, of
krijgen een aanstelling, en beginnen opnieuw met de grootste kalmte,
ongelukkige reizigers te plunderen. Het eenige middel, om aan hun
roofzieke handen te ontsnappen, is, zich te laten vergezellen door een
zaptié (politieagent), dien de regeering niet aan den eerste den beste
ter bescherming medegeeft, en dien de karavanen niet kunnen betalen.
Een der eerste voorwaarden, waarop handel en nijverheid zich in
Armenië zouden kunnen ontwikkelen, is deze, dat voor de openbare
veiligheid voldoende werd gezorgd. En hoewel vreemdelingen, die in
dit land van politieke bijbedoelingen worden verdacht, zonder bedenken
worden uit den weg geruimd, men is hun gunstig genoeg gezind, wanneer
zij de bewoners in staat stellen, voordeelige zaken te doen. Wanneer
uit het buitenland bijvoorbeeld zoowel kapitaal als arbeidskrachten
werden aangevoerd, dan zou men hier in het Oosten onuitputtelijke
bronnen van welvaart kunnen openen; vooral omdat het volstrekt niet
onmogelijk zou zijn, de lagere volksklasse in Armenië tot bekwame
werklieden te vormen, door geregeld, grondig en practisch onderwijs.
De Kurden zouden hiertoe niet geschikt zijn; doch de Turken, en vooral
de Armeniërs, zijn begaafd genoeg, om zich onder goede leiding in elk
opzicht te ontwikkelen. Zooals de zaken thans staan, is het leven voor
de arbeiders in de steden althans dragelijk; aan werk ontbreekt het hun
ook in den winter niet, en zij zijn met zeer weinig tevreden. Water en
brood met een stuk kaas is al hun voedsel; zij gaan in lompen gekleed,
slapen bij het vee in den stal, om het warm te hebben, en beklagen
zich volstrekt niet over hun lot. Doch op het land is het treurig
gesteld. In Kurdistan lijdt de bevolking aanhoudend onder de koude.
Overal trouwens hebben de boeren 's winters een allertreurigst en
eentonig leven, waarin zij met moeite eenige afwisseling zoeken te
brengen. Beurtelings komen zij samen ten huize van vrienden, buren
of bloedverwanten, om in den stal, het eenige bewoonbare vertrek
der woning, druk te redeneeren, of te rooken, thee te drinken en
te slapen. Hoeveel gelukkiger zouden zij niet kunnen zijn, indien
zij hadden geleerd, zich bezig te houden met houtsnijden, draaien
en het vervaardigen van al die kleine voorwerpen, waarvoor slechts
behendigheid en geduld vereischt worden, zooals bij ons de bergbewoners
doen. Thans blijven zij traag, vuil en verwaarloosd, en de helft van
hun kinderen sterft vroeg, uit gebrek aan de noodige zorg. Zij vinden
in dit opzicht noch steun, noch voorlichting bij hun katholieke of
protestantsche voorgangers; de hoofden der weinige scholen weigeren
eenvoudig, tot een opvoeding in meer praktischen zin mede te werken, en
zouden ook niet weten, hoe daarmede aan te vangen. Het is zonderling,
dat niemand schijnt te beseffen, hoe juist hierin de oplossing der
armenische quaestie schuilt, en hoe de oprichting van goede volks-
en ambachtsscholen de zegenrijkste gevolgen zou kunnen hebben. Want
gemeenschappelijke geestesarbeid is het, die het meest ertoe bijdraagt,
de geschillen tusschen de volkeren te vereffenen.
Dit alles zijn echter nog slechts vrome wenschen; onze taak is thans,
Armenië te doen kennen, zooals het werkelijk is. Een ding is zeker,
dat de turksche regeering de Armeniërs de volle vrijheid laat,
om zich elke poging tot verbetering van hun toestand ten nutte te
maken, al werd zij misschien oorspronkelijk niet gedreven door zulke
edelmoedige beweegredenen.
Alle Christenen toch in het rijk zijn ontheven van den militairen
dienstplicht. Alleen den Mohammedanen is het vergund, de wapenen
te voeren ter verdediging van Allah's heilige zaak. Zeven jaren
achtereen zijn de Turken verplicht te dienen, en terwijl in dien
tijd de Christenen de beste jaren van hun leven in vreedzamen arbeid
doorbrengen, keeren de ongelukkige Turken, als hun dorpsgenooten reeds
lang gevestigd zijn, uit den dienst terug, ongeschikt tot geregeld
werk, en zonder middel van bestaan. De Armeniërs beklagen zich zeer
over deze uitsluiting. Zij zouden maar al te gaarne met de wapens
weten om te gaan, om zich te kunnen verzetten tegen de Turken, die dit
trouwens zeer goed weten. Maar zij vergeten, dat dit voorschrift van
den Koran hun gelegenheid verschaft, om hun handelsgeest onbelemmerd
te ontwikkelen, en hen in staat stelt, zonder al te groote bezwaren
te voorzien in het onderhoud van hun gezin.
Wat het voorkomen der armenische steden betreft, deze zijn, van
naderbij beschouwd, al zeer teleurstellend. Gewoonlijk verwacht men,
nog half onder den indruk van Oostersche reisbeschrijvingen door
lieden, die grootendeels uit hun verbeelding hebben geput of na
een bezoek aan de een of andere bekoorlijk gelegen kustplaats, hier
wonderen van schilderachtige kleurenpracht te zullen ontdekken. Maar
zulke schoone droomen vervliegen bij de eerste aanraking met de
werkelijkheid.
Uit de verte gezien, maken echter ook de oudste steden een
bekoorlijken indruk. Zij liggen in de wijde vlakte, in al den grilligen
vormenrijkdom van haar koepels en minaretten, haar oude vestingmuren,
en het verspreide groen harer tuinen, schemerend door het waas van den
lichten nevel, die hen omhult, aan den voet der indrukwekkende bergen,
die nog grootscher schijnen door de wijde uitgebreidheid der vlakten
aan hun voet. Doch zoodra men de straten der stad heeft betreden,
ziet men niets dan bouwvallige huizen, gespleten muren, een doolhof
van stegen, een opeenhooping van ellendige krotten, die het uitzicht
belemmeren, en de grond is bedekt met slijk, of een dikke stoflaag,
die bij de minste windvlaag in wolken opdwarrelt, en menschen en dingen
met een grijs poeier bedekt. De steden van het Oosten zijn zeker wel
de vuilste en somberste plaatsen van de geheele wereld. Werkelijk
verrassend echter en onvergelijkelijk schoon is hier de werking van
het licht.
In geheel Armenië doen dezelfde eigenaardige karaktertrekken zich
gelden, al bespeurt men in het Westen en Transkaukasië nog westersche
invloeden, zooals het schuin oploopen der daken en het grooter aantal
vensters. Maar in het midden en het Zuiden zijn de platte daken niet
anders dan terrassen van aarde, waar het water doorsijpelt, en in de
muren ziet men bijna geen enkele vensteropening, zoodat binnenshuis al
zeer weinig licht doordringt. Alleen de huizen der rijke lieden hebben
een grooter aantal vensters, die natuurlijk dubbel moeten zijn, om de
koude te weren, en waarin slechts een klein luikje is aangebracht,
dat men opent, als het binnen te benauwd wordt. De kozijnen zijn
slecht getimmerd, van wit hout, dat men niet eens behoorlijk droog
heeft laten worden. De meeste armere huizen hebben geen glasruiten
in de vensters; maar geölied papier.
Om de muren te versterken, met het oog op de veelvuldige aardbevingen,
voorziet men ze van _khatils_, kleine balkjes, die tusschen het
metselwerk zijn aangebracht, en door dwarslatten verbonden.
De muren zijn zeer dik, maar daar de voegen, inplaats van met kalk, met
klei zijn bestreken, laten zij toch de koude lucht door. In de steden
hebben de huizen gewoonlijk een vooruitspringende bovenverdieping,
die door de zolderbalken van de benedenverdieping wordt gesteund. Op
het vooruitspringend gedeelte wordt dan ook een balkon gebouwd,
en dit geeft de gevels wel een levendig aanzien. Wat het uitwendig
voorkomen der muurvlakken betreft, hierin is weinig verschil.
Het schouwspel, dat de dorpen opleveren, is nog veel treuriger. Zelfs
in de welvarendste streken zijn zij een soort van verwarde
opeenstapeling van aardheuvels, van dezelfde kleur als de grond,
zonder kerktoren of minaret, zonder eenige uitstekende verhevenheid,
en meestal zonder een spoor van groen.
Inplaats van het heldere rood der dakpannen, dat in onze dorpen
tusschen het groene loover schemert, ziet men hier, bovenop de platte
daken, slechts hoopen hooi of tesek. Al kan men deze laatste ook
bezwaarlijk schilderachtig noemen, zij zijn uiterst nuttig, want zij
houden de warmte binnen, en sluiten den regen af.
Hier ziet men in 't geheel geen vensters meer, tenzij in de woningen
van enkele rijke aghas (eigenaars; het woord is echter zoo algemeen
geworden, dat het nu mijnheer beteekent, en er ook arme lieden mee
worden aangeduid). Het is een vreemd en treurig gezicht, die holen,
die bijna geen menschelijke verblijfplaatsen meer zijn, zonder andere
opening, dan een deur met een soort luikje er boven. Vensters zijn dan
ook een moderne uitvinding, die weinig bijval vindt, want zij laten
de koude doordringen. Het algemeen gehuldigde gebruik brengt mede,
dat men bij den bouw eener woning uitgaat van een enkel vertrek,
waaraan later, zoo noodig, meerdere worden toegevoegd.
Deze ruimte wordt overdekt door een soort koepel, welke gevormd wordt,
door balken plat over elkaar te leggen, in dier voege, dat telkens
de hoeken worden gekruist, waardoor een zeshoekige of vijfhoekige
piramide ontstaat; de top is natuurlijk afgeknot, en het midden
daarvan blijft open.
Om den regen op te vangen, wordt vlak onder die opening een soort van
groote steenen trechter aangebracht, boven een vergaderbak. Dit gebruik
is zoo algemeen, dat zelfs in de huizen in de stad, waar de opening
van een glazen dakraam is voorzien, toch de gootsteen met afloop onder
dat raam is aangebracht. Het uitwendig voorkomen der boerenhuizen,
die rondom het meer Van zijn gelegen, vertoont alle eigenaardige
kenmerken van dien primitieven woningbouw. Soms zou men bijna wanen,
verblijfplaatsen te zien van holbewoners, die met moeite hun holen
voor instorting bewaren, door ze hier en daar met takken te stutten.
In de grootste steden zijn de armste wijken soms niet anders dan een
aaneenschakeling van onderaardsche kelderholen, en dikwijls wandelt men
over de terrasdaken van zulke huizen, zonder te bespeuren, dat men den
beganen grond verlaten heeft. Op die platte daken wordt dan trouwens
ook al het huiswerk verricht, zooals bij ons op de binnenplaatsen der
huizen. In den herfst zijn ze met gras begroeid en dan weiden er de
schapen. Te Kharpoet en Diarbekir slaapt men er ook in de open lucht,
als het binnenshuis niet is uit te houden van de hitte.
Behalve zij, die onze europeesche gewoonten navolgen, en de rijkere
Mohammedanen, maakt niemand gebruik van houten meubels. Soms ziet
men wel eens Weener stoelen of meubels van gesneden esschenhout uit
Sivas; maar deze dienen enkel voor sieraad; voor het gebruik acht men
ze volkomen ongeschikt, daar men er niet op kan neerhurken, en er
evenmin languit op liggen. Men komt niet eens op het denkbeeld, ze
een vreemdeling aan te bieden, ieder gaat maar op de hurken zitten,
't zij plat op den grond, zooals in Kurdistan, of, zooals in de
westelijke streken, op den met kussens belegden divan, die tegen den
met tapijten behangen muur staat. Zelfs de meest vereuropeeschte
Armeniërs, die geregeld van tafels en stoelen gebruik maken, gaan
toch met gekruiste beenen op hun stoel zitten, zonder zich erom te
bekommeren, of zij het fluweel van de zitting bederven. In de huizen
der rijke lieden, die op zijn europeesch zijn gemeubileerd, ziet men
gewoonlijk, behalve de stoelen, een tafel, een piano, gekleurde platen
en snuisterijen, maar de eenvoudige lieden, die gehecht zijn aan het
oude, bezitten geen ander meubilair, dan een klein rond tafeltje,
zoowat 30 cM. hoog, waaromheen de gasten, op hun elleboog geleund,
aanliggen en zich bedienen uit den gemeenschappelijken schotel,
die grooter is dan het tafelblad.
Het blijkt duidelijk, dat deze gewoonten dagteekenen uit den tijd,
toen alle bewoners dezer streken nog in tenten leefden. Eertijds
toch hebben zij allen, evenals nu nog de Kurden, een herdersleven
geleid. Een van steenen opgetrokken huis is dan niet anders, dan een
tijdelijke verblijfplaats bij slecht weder, en mag geen andere dan
gemakkelijk verplaatsbare voorwerpen van gebruik bevatten. Vandaar die
massa tapijten en kussens, waarop men slaapt, eet, rookt, schrijft,
als men schrijven kan, (alle turksche ambtenaren schrijven op hun
handpalm, al staat er ook een bureau voor hen) en die in een omzien
kunnen worden opgerold, wanneer men voor eenige weken of maanden zijn
tenten wil opslaan. Ook voor welgestelde lieden is dit kampeeren nog
steeds een groot genoegen.
In de tent heeft men geen stoelen of tafels noodig; men ligt er op zijn
gemak van de buitenlucht te genieten. De armenische bedienden kunnen
de gewoonte niet afleggen, de dekens der bedden los boven op de matras
uit te spreiden, wat in een tent natuurlijk noodzakelijk is, daar zij
onder de matras ingestopt, licht vochtig zouden worden. Uit allerlei
bijzonderheden blijkt duidelijk, dat Turken en Armeniërs eertijds
hetzelfde leven als de Kurden hebben geleid. Xenophon beschrijft
in de _Anabasis_ armenische dorpen, die geheel overeenkomen met de
tegenwoordige.
Hij spreekt in zijn beschrijving van de woningen, uit een vertrek
bestaande, half in den grond uitgegraven, waar menschen en dieren
broederlijk samenleven, de eersten op een soort verhooging van den
grond, terwijl zij hun bier en wijn bewaren in een opening in den
vloer of den muur. Dit is alles tot op den huidigen dag zoo gebleven,
behalve dat er geen bier en zelden wijn meer wordt gedronken, en
de verhevenheid boven den grond niet altijd noodig wordt geacht;
als de vloer van den stal hellend is, vergenoegt men zich, met het
hoogste gedeelte te effenen, en daar houden dan soms dertig of veertig
menschen, mannen, vrouwen en kinderen, verblijf. De reuk van het vee
is als 't ware een levensbehoefte geworden. Vele lieden, die in de stad
een afzonderlijke slaapkamer bezitten, slapen bij voorkeur den geheelen
winter bij hun paard en koe in den stal, in een verpeste atmosfeer,
want er is geen sprake van luchtverversching. Deze gewoonte volgen
niet alleen de armenische bedienden, maar o.a. zelfs een turksche
millionair, Maliemez genaamd.
Daar de mohammedaansche vrouwen slechts door haar man of haar naaste
bloedverwanten mogen worden aanschouwd, en in het ééne woonvertrek
allicht onverwacht buren of bezoekers kunnen binnentreden, moeten zij
voortdurend den sluier dragen, waarmede zij bij de nadering van een
vreemdeling als instinctmatig haar neus en mond bedekken. Zóó moeten
zij ook water putten en allerlei huiswerk verrichten, waarbij de
lang afhangende slippen, die zij, zoo goed dat gaat, trachten weg te
stoppen, haar zeer hinderlijk zijn. Ook de armenische vrouwen hebben
de gewoonte, het gelaat te bedekken; de kurdische echter niet.
Sedert de Italianen in de middeneeuwen tot in Perzië doordrongen,
en op het voorbeeld der Byzantijnen overal sterkten bouwden langs de
groote wegen, om hun karavanen te beschermen, hebben de Armeniërs
veel overgenomen van de roumis, in die plaatsen waar zij met hen
in aanraking zijn gekomen. Dikwijls hebben zij bijvoorbeeld in hun
houten zoldering, in deuren en kasten bloemvormen gesneden, die blijk
geven van veel begaafdheid en een oorspronkelijken goeden smaak. Het
voornaamste hebben zij echter vergeten, nl., dat men een deur moet
kunnen binnentreden zonder het hoofd te stooten. Overal, zelfs in de
kerken, zijn de deuren veel te laag, waarschijnlijk ten gevolge van
de koude en de heerschende onveiligheid.
Al is het land vaal en kleurloos, al laten voorzorgen voor gemak en
gezondheid zeer veel te wenschen over, en al gevoelt men hier zóó
weinig behoefte, om zich het leven een weinig te veraangenamen, dat
bij geen enkele woning een bloementuin wordt aangetroffen (de tuinen
te Van, Kharpoet en Malatia liggen buiten de stad), toch leveren de
turksche bazar en de schilderachtige typen, die men in de straten
der steden ontmoet, een bont en eigenaardig schouwspel op.
Van bovenaf gezien, zijn de steden hier niet anders dan verwarde
huizenmassa's, die den vorm vertoonen van regelmatige kubussen naar
den kant van Assyrië, iets meer afwisseling vertoonen in het midden,
en nog wat moderner zijn aangelegd naar het Westen, maar toch altijd
somber en eentonig blijven, tenzij een of andere oude sterkte er
troont op een rots, of de vele minaretten, (in Erzeroem zijn er 200),
het tooneel een weinig verlevendigen.
Al is een wandeling door de stoffige straten vermoeiend en vervelend,
door de eentonigheid der huizen, onze aandacht wordt toch geboeid door
die winkels, waar geen europeesche waren worden verkocht. Uitstallingen
van fruit, bakkerijen, winkels waar inheemsche stoffen zijn
tentoongesteld, werkplaatsen van armenische handwerkslieden,
schrijnwerkers en wagenmakers, winkeltjes van tabak, bastourma,
spijkers en zeep, ze zijn allen gelijk, wat de inrichting betreft,
alleen in de uitgestalde waren is verschil. Het uiterst kleine
"magazijn" is niet anders dan een soort kraampje, van voren open,
zelfs bij de felste koude. Een uur voor zonsondergang wordt de
bovenhelft van het luik gesloten, dat als het opgezet is, de waren
voor zon en regen beschut, terwijl de onderhelft in neergeslagen
toestand de toonbank vormt, waarover men heenstappen moet, als men
binnen wil komen. Maar dat doet niemand behalve de koopman zelf,
die den geheelen dag op de hurken zit, 's winters in dekens gehuld
en zijn handen warmend boven een test met vuur, terwijl hij traag
zijn armen naar rechts of links uitstrekt, om weg te nemen wat de
kooper verlangt. Dat kost hem niet veel moeite, want alles is binnen
zijn bereik. Zijn vrienden en voorname bezoekers, aghas, effendis,
beys, mogen op die toonbank plaats nemen, om een kop koffie of, meer
naar den kant van Rusland, een glas thee te drinken en een praatje
over koetjes en kalfjes te houden. De gesloten magazijnen, vooral
de barbierswinkels, zijn eigenlijk cafés, waar men geregeld zijn
borreltje gebruikt en den tijd met gesprekken zoekt te dooden. Geen
wonder, bij gebrek aan schouwburgen, concerten, wandelplaatsen, en
als gevolg van de totale onwetendheid waarin het geheele volk verkeert.
Eindelijk komt men in den bazar, een aaneenschakeling van kleine
winkels, zonder woonhuizen, waar het sterk naar leder ruikt en men
bijna niet anders ziet dan verwarde hoopen schoeisel en zadels Hier
en daar liggen balen wol en stapels jassen en broeken, en af en toe
hoort men het geratel van een naaimachine. Verderop maken wolkammers
en wapensmeden een oorverdoovend leven, door met stokken de wol te
slaan, en op hun aanbeelden te hameren. De Armeniërs te Erzeroem
en Erzindjan maken goede geweren, maar het gebruik ervan is hun ten
strengste verboden. In den eigenlijken armenischen bazar ziet men niet
anders dan goudsmeden, die hun kunst zeer goed verstaan. Weer een
ander gedeelte vormt een nabootsing, in 't klein, van den beroemden
bazar te Konstantinopel. Hier worden oostersche stoffen en sieraden
verkocht. Op de zijden gordijnen en tapijten liggen geborduurde
muiltjes met vergulde hakken, spiegels met fijn geciseleerde zilveren
lijsten uit Kurdistan, perzische bronzen vazen met roode en zwarte
bloemen, en al die kleine snuisterijen, die wij ook in de groote
winkels onzer hoofdsteden zien uitgestald. Deze bazars vormen elk op
zich zelf kleine wijken, en de ruimte tusschen de rijen winkels is
met planken of een steenen gewelf overdekt. Des zomers is het daar
dus koel, en des winters tamelijk beschut.
De tentoongestelde waren lokken den reiziger niet bijzonder
tot koopen uit. Echte oudheden zijn verbazend duur, en munten en
dergelijke merkwaardigheden zijn hier natuurlijk altijd valsch. Oude
manuscripten vindt men slechts in de verzamelingen van kenners,
die ze niet willen afstaan, en de belangrijkste bevinden zich reeds
in onze bibliotheken. Wat hier aan oudheden onder den grond ligt
verborgen, mag niet aan het licht worden gebracht, zonder toestemming
der regeering, die hiertoe hoogst zelden vergunning verleent. Alleen
het gebergte van Van is nauwkeurig onderzocht. De heer Sayce heeft de
daar gevonden inschriften ontcijferd; de heeren Belek en Lehmann hebben
de gedenkschriften gered. Daarin wordt de geschiedenis beschreven der
Khalds, die den Ourartou bewoonden vóór de Armeniërs, en wier koningen
in de grotten van dit gebergte werden begraven. De bewoners van Azië
zouden nooit hebben vernomen, wat hier in die bergen verborgen lag, zoo
Engelschen en Duitschers het hun niet hadden medegedeeld. Geschiedenis,
kunst en wetenschap, alles is hun volkomen onverschillig. Even vaal
en kleurloos als hun uitwendige omgeving, is ook de geest dezer volken.
Het Oosten vol licht en kleur, dat de dichters ons schilderen, is
dat der vorsten en hun hofhoudingen, die leven in weelde en pracht,
maar het volk is altoos even stiefmoederlijk bedeeld geweest als thans.
In het drukke gewoel der straten kan de vreemdeling veel opmerken,
en uit het voorkomen en de trekken der bewoners hun aard en karakter
trachten af te leiden.
Die volksaard is verschillend, juist zooals bij ons te lande, en hangt
samen met het klimaat en de gesteldheid der streek, waar de bewoners
geboren zijn. Het zoogenaamde rassenverschil treedt al zeer weinig op
den voorgrond. Aan de perzische grens zijn de Armeniërs en de Kurden
zóó vermengd, dat noch de reiziger, noch consuls of hier gevestigde
zendelingen, noch zelfs de echte Armeniër uit een andere provincie
hen van elkander kunnen onderscheiden, te meer, daar zelfs hun taal
een mengeling van armenisch en kurdisch is geworden. En hetzelfde is
tusschen Armeniërs en Turken het geval.
In het Noorden heeft nog meer samensmelting plaats gehad, daar hier
het grootste deel der bevolking tot den Islam is bekeerd. Grieken en
Laziërs, Turken en Armeniërs, Georgiërs en armenische-Georgiërs (uit
de dalen van Kiskim, Olti en Tortoem) zijn allen, doch ten onrechte,
onder den naam van Georgiërs bekend.
De bewoners van zonnige en vruchtbare streken zien er veel levendiger
en vroolijker uit dan zij, die in de koude hoogvlakten verblijf
houden. De groep kinderen, welke op onze afbeelding te voorschijn
komen uit hun hutten, die wel op grafkelders gelijken, geven den
indruk van de meest onbezorgde vroolijkheid, en zij kunnen dan ook in
de omstreken van het meer Van naar hartelust genieten van vrije lucht
en zonneschijn. Ook in het Zuiden, te Kharpoet en Malatia, hebben
de menschen een opgewekt voorkomen, en zijn vroolijk en vriendelijk
van aard, daar het gelukkige klimaat medewerkt om hun een onbezorgd
bestaan te verschaffen.
De kleederdracht is bij deze zeer gemengde bevolking overal ongeveer
dezelfde, maar dan toch onderscheiden in twee hoofdgroepen, het
europeesch costuum, altijd vergezeld van den rooden fez, dat gedragen
wordt door alle ambtenaren, enkele rijke Turken, alle welgestelde
Armeniërs en ook de armsten onder hen, zoodra zij handel drijven in
europeesche koopwaren; en verder de nationale dracht, waaraan in de
dorpen dikwijls een jas van europeeschen snit, en in de steden een
gewoon paar laarzen wordt toegevoegd.
Die kleederdracht stamt af van de oude Assyriërs, en is door
de Armeniërs op de Turken overgebracht. Men kan de verschillende
overgangen nog volgen. Hoe zuidelijker men komt, des te wijder zijn
de pijpen van het kleedingstuk, dat oorspronkelijk een rok is geweest,
waarvan de opening in 't midden werd dichtgenaaid, om twee gaten voor
de voeten vrij te laten. Langzamerhand vond men het gemakkelijker, die
wijde omhulling te vernauwen, en zoo ontstond de _chalvar_, die het
meest wordt gedragen, tot eindelijk de Georgiërs hun beenbekleeding
tot een snit hebben teruggebracht, die overeenkomst vertoont met de
onze. Aan den wijden gordel blijven echter allen getrouw. Het wijde,
lange overkleed blijft altoos het onderscheidingsteeken der priesters
en godsdienstleeraars, zoowel bij Christenen als Mohammedanen. Het
vertegenwoordigt in 't algemeen ouderwetsche denkbeelden, en
gehechtheid aan traditie, en vandaar dat deftige Turken dan ook over
hun gewone kleeding gaarne zulk een wijd gewaad dragen, des winters
met bont omzet. Bij die gewone dracht spelen twee kleedingstukken
een voorname rol, welke alleen in kleine détails afwijkingen vertoonen.
Vooreerst een geweldig lange en breede gordel, de _silalek_
of _kouchatt_. Rijke lieden dragen deze ceintuur van guesi
(gestreepte zijde); de _seids_ (afstammelingen van den Profeet, die
ongeloofelijk talrijk zijn) van groen laken, en de armere volksklasse
van bonte wollen stof, of rood en geel gestreept katoen. Men zou nog
liever zonder hemd loopen, dan zich ontdoen van dit kleedingstuk,
dat dik opgerold is, en daardoor niet veel warmte geeft, maar dan
ook uitsluitend als zak dienst doet. Alle kleine voorwerpen voor
dagelijksch gebruik worden hierin bewaard, het korte mes of de lange
dolk, die _khama_ heet, de tabaksdoos, een geweldige groote sleutel,
die zeer slecht sluit, de beurs voor de kourouchs (piasters) de
bronzen _pards_ en de medidjés (ongeveer 4.05 frcs); maar nooit een
zakdoek. Hoewel Xerxes reeds het gebruik van dit nuttig voorwerp heeft
voorgeschreven, is het nog niet algemeen ingevoerd; deftige heeren
in nette overjassen snuiten nog steeds, wanneer zij zich onopgemerkt
wanen, hun neus met hun vingers, en het volk weet niet beter of het
behoort zoo. Om in dien gordel alles te kunnen bewaren, waarvoor hij
dienen moet, wordt hij van binnen voorzien van stevige leeren zakken,
en zoo ziet men dikwijls iemand, die den indruk geeft van een reizenden
marskramer, terwijl hij eenvoudig den inhoud van zijn zak, pistolen,
spiegeltjes, doozen en aan kettinkjes bengelende voorwerpen, om zijn
middel draagt.
Het tweede voorname kleedingstuk is de tulband, alleen vervangen
door de roode fez bij hen, die de europeesche kleederdracht hebben
aangenomen.
De Kurden noemen hem met een perzisch woord turbôn.
Bij de Turken heet hij, naar de stof, waaruit hij is vervaardigd,
_gobinn_, _iasma_ of _sarek_. Het is eenvoudig een lap stof, die om
den fez gerold wordt; bij de Georgiërs van laken, op een fantastische
wijze, met groote slippen, geknoopt.
De Kurden dragen dikwijls niet anders dan een hoog hoofddeksel van wit
vilt, (afkomstig van de medische tiara) soms koepelvormig, soms puntig
als een clownshoed en cullah genaamd. Ook de overige kleederdracht
der Kurden is zeer merkwaardig en staat in nauw verband met hun
herdersleven. Hun broeken zijn vervaardigd van een dikke, zware,
gestreepte wollen stof, in den trant van hun kilims, en zóó wijd,
dat zij er uitzien als rokken.
Hun kort buis van geitenhaar bedekt alleen rug en schouders, en
schijnt enkel te dienen om de levendige kleuren van het vest en de
versierselen van den gordel beter te doen uitkomen.
Alleen de Circassiërs, met hun langen overjas, die op de borst prijkt
met een dubbele rij waaiervormig geplaatste patroonkokertjes en om het
midden wordt saamgehouden door een smallen zilveren gordel, waaraan
de lange degen hangt, zijn uitgedost op een wijze, die volstrekt niet
aan de aziatische kleederdracht herinnert. Zij komen trouwens uit
den Kaukasus; al wonen zij in groote getale in het vilayet Sivas,
ze behooren in het eigenlijke Armenië niet thuis.
Het schouwspel, dat de straten opleveren, waar deze bonte menigte zich
verdringt, is zeer merkwaardig, en in menig opzicht leerrijk. Twee
eigenaardigheden springen ons aanstonds in het oog; ten eerste de
trage onverschilligheid der bewoners, en ten tweede de algemeen
heerschende wanorde. Ook in dit opzicht bestaat tusschen Armeniërs,
Turken en Kurden geen opvallend verschil. De eersten zijn misschien
iets levendiger van aard, maar vertoonen toch in 't minst niet die
bewegelijke activiteit, waardoor de bewoners onzer steden zich
onderscheiden, en waardoor in onze straten zulk een opgewekte
bedrijvigheid heerscht.
De Turken wandelen deftig en zwaarwichtig rond, steeds doordrongen
van het besef hunner meerderheid, doch zij zouden er niet aan
denken, de Christenen iets in den weg te leggen. De _hammals_
(vrachtdragers) de metselaars en grondwerkers, over 't geheel allen,
die een handwerk uitoefenen, waarbij lichaamskracht wordt vereischt,
zijn Turken. Tusschen die twee voornaamste elementen der bevolking
bewegen zich de Kurden, die tegelijkertijd hoovaardig en dom,
woest en listig zijn, met hun breede schouders en hun zonderlinge
hoofddeksels. Zij doen niet veel anders, dan schapen verkoopen,
en Turken en Armeniërs bestelen, waar ze maar kunnen.
Niet zonder reden heeft de regeering hun wapenen in handen gegeven,
en uit hen de keurbende der hamidiés gevormd.
Als men haast heeft, is het hier bijna ondoenlijk, zich door de
drukste straten voort te bewegen. Te voet gaande, moet men maar dapper
zijn ellebogen gebruiken; want anders wordt men elk oogenblik zonder
verontschuldigingen op zij geduwd. Rijdt men op een vélocipède, dan
moet men dikwijls afstappen; want de menschen gaan niet uit den weg,
en zien dat "duivelsvoertuig" (chaïtân arabassu) met allesbehalve
welwillende blikken aan.
Te paard of in een rijtuig gezeten, is het zaak, zeer voorzichtig te
zijn, om ongelukken te vermijden; want de meeste menschen loopen met
neergeslagen oogen en luisteren niet naar het waarschuwend geroep:
"Habarda! daïmassin!" Ze krijgen dan ook dikwijls een ribbestoot,
eer zij uit den weg gaan.
In de steden van het Noorden en het Westen, waar het verkeer vrij
druk is, brengen de opeenhoopingen der arabas de koetsiers der andere
voertuigen tot wanhoop; want die karretjes rijden akelig langzaam, en
op de bewegingen der ossen kan men volstrekt geen staat maken. Alles
rijdt maar kalm over de zoogenaamde trottoirs; ossen, paarden, arabas,
victoria's, muilezels en beladen kameelen gedragen zich, alsof er geen
afzonderlijke rijweg bestaat. Dat verhoogde pad voor de voetgangers is
ook nog maar sedert kort in de hoofdstraten aangebracht, en feitelijk
niet hoog genoeg, om van de straat te zijn afgescheiden.
Niemand weet, dat zooiets als een regel om naar rechts uit te
wijken bestaat. In Turkije staan alle verordeningen op papier;
maar geen mensch, die er ooit van gehoord heeft, en er wordt niet
gezorgd voor personeel, dat eenmaal vastgestelde regels zou moeten
handhaven. De vali van Erzeroem wordt zeer geprezen, omdat hij een
soort van gemeentelijken reinigingsdienst heeft ingesteld; zoodat
in de voornaamste wijken althans het vuil wordt weggehaald, en de
bewoners worden beboet, als zij vuilnis werpen op plaatsen, waar
het niet behoort. Maar met dat al loopt iedere voorbijganger gevaar,
allerlei besmetting op te doen, krijgt emmers vuil water over het lijf,
die vrouwen en kinderen op goed geluk leegsmijten, en weet zich niet te
bergen voor den ondragelijken stank, die hem overal tegemoet komt. De
zelfde vali heeft ook in de lagere stadsgedeelten met gunstig gevolg
riolen laten aanleggen.
Doch dergelijke verbeteringen hadden niet alleen reeds veel eerder
moeten zijn aangebracht; maar zouden ook ijveriger en krachtiger
moeten worden doorgezet, zoo zij ooit de vele besmettelijke ziekten
zouden doen verdwijnen, waardoor het Oosten wordt geteisterd. En het
staat te bezien, of de opvolgers van Nazim Bey zijn goed voorbeeld
zullen volgen.
De reden, waarom het turksche rijk niet als een beschaafde staat
kan worden beschouwd, is gelegen in het overal heerschende gebrek
aan orde en aan volharding. Al wat men begint, wordt na eenigen
tijd weer aan zijn lot overgelaten. Er zijn niet genoeg flinke en
doortastende lieden, die weten voort te zetten, wat anderen hebben
begonnen. Wie het geld, dat voor openbare doeleinden is bestemd,
werkelijk aan dat doel doet beantwoorden, wordt weldra weder vervangen
door een ambtenaar, die het in zijn eigen zak of in de schatkist van
den sultan doet verdwijnen. Men is daarbij niet in staat, een goed
geordend plan te ontwerpen en het met gemeenschappelijke krachten te
verwezenlijken. Altoos wordt er gestreden om het gezag, en het is een
voortdurend geharrewar tusschen de enkele lieden, die eerlijk zijn, en
de groote massa, die het niet is. Verkeerd begrip, domheid en ernstige
misdrijven, het gevolg van onwetendheid, fanatisme en hebzucht,
zijn aan de orde van den dag. Rechtvaardigheid is daarbij ver te
zoeken; want het recht is gedeeltelijk gegrond op den Code Napoléon,
en gedeeltelijk op de mohammedaansche wet, zoodat niemand ooit weet,
tot welke rechtbank hij zich in een bijzonder geval heeft te wenden.
Reeds bij een oppervlakkige beschouwing van het openbaar verkeer dringt
zich de overtuiging aan ons op, dat die algemeene ongeregeldheid,
onverschilligheid en ordeloosheid de hoofdfouten zijn van elken
Oosterling. Onze vooruitgang berust op geregelde verdeeling van
den arbeid. Hier doet ieder, wat toevallig voor de hand ligt, en
in den regel alles half, zoodat zelden iets op tijd en nooit iets
goed verricht wordt. Zij, die eenigszins onze europeesche zeden en
gebruiken hebben overgenomen, begrijpen natuurlijk het best het nadeel,
dat dit gebrek aan overleg hun berokkent en beijveren zich dan ook,
om althans bepaalde zaken voor bepaalde doeleinden te gebruiken,
en bepaalde personen hun vast werk te laten verrichten. Ook hierin
geven de Armeniërs het voorbeeld.
De Mohammedanen echter, de lagere volksklasse, en meer nog de Kurden,
Kezilbachen (voormalige Christenen, die weder tot het heidendom zijn
teruggekeerd), Yezids (die naar men beweert, den duivel aanbidden)
en andere zonderlinge secten, leven in een toestand van volkomen
bandeloosheid, en alsof zij zich ver van de beschaafde wereld bevonden.
Zij zitten dwars over het trottoir, met de voeten in de goot, en
denken er niet aan, voor u uit den weg te gaan; werpen overal vuilnis,
schromen niet, voor ieders oog bij de fontein hun toilet te maken,
klimmen over de vervallen muren boven op de daken der huizen en
begraven hun dooden aan den rand der kerkhoven, waar de honden ze
weldra verscheuren. De kerkhoven worden trouwens door Armeniërs en
Turken bijna als een soort uitspanningsplaatsen beschouwd, zij zitten
daar op de graven te eten en te drinken, dansen er zelfs en vermaken
zich, zonder dat daaraan in het minst aanstoot wordt genomen.
De steden van het Oosten zouden bijna niet de moeite loonen van den
verren tocht, die men moet ondernemen, om ze te zien, zoo men er
althans niet enkele merkwaardige gebouwen aantrof. Jammer genoeg,
zijn reeds vele oude monumenten verdwenen, en het weinige, dat nog is
overgebleven, wordt met geheele of gedeeltelijke vernieling bedreigd,
want niemand denkt eraan, dergelijke herinneringen aan het verleden
in eere te houden.
Het is zonderling, dat zoo weinig bekend is omtrent de verschillende
bouwstijlen, die op de armenische hoogvlakte worden aangetroffen. Het
zou de moeite waard zijn, de voorbeelden daarvan te bestudeeren, en
in beeld te brengen, eer zij voorgoed zullen zijn verdwenen. En het is
zeer belangrijk voor de kennis der geschiedenis, om de invloeden na te
gaan, die het eigenaardig karakter dezer verschillende kunstuitingen
hebben bepaald.
De oudste dier invloeden zijn van assyrischen oorsprong. Zij doen
zich vooral gevoelen in de vestingwerken van Kurdistan. Wanneer men de
zware, vierkante massa's metselwerk van het fort te Bitlis aanschouwt,
die schuin oploopende zijvlakken, die met koepels gekroonde bastions,
dan begrijpt men dat de beys, die in de achttiende eeuw deze vesting
hebben herbouwd, aan overleveringen zijn getrouw gebleven, die van
uit de alleroudste tijden tot hen waren gekomen, en waarvan ook de
huizen te Sert de duidelijke sporen dragen. Trouwens overal in deze
streken treft men bouwvormen aan, waarvan de oorsprong dikwijls in het
duister ligt, maar die op verrassende wijze den zelfden indruk wekken,
dien de overblijfselen der assyrische en chaldeeuwsche bouwkunst bij
ons te weeg brengen; men zou bijna geneigd zijn, ze te vergelijken
met de basreliefs die in onze musea worden bewaard.
Daarop volgde de byzantijnsche kunst, die niet alleen de voorbode was
der syrische, welke de heer Melchior de Voguë ons heeft leeren kennen,
maar ook die der armenische, welke een nadere beschouwing overwaard
is. Een belangwekkend armenisch boek, geschreven door een priester,
den eerwaarden pater Alichan, behandelt de voornaamste bouwwerken van
het land en geeft bijvoorbeeld een beschrijving van de kathedraal van
Ani, de oude hoofdstad van het koninkrijk, die thans geheel verlaten
is, dicht bij Etchmiadzine, in russisch Trans-kaukasië.
Deze kathedraal moet een grootsche schepping zijn geweest, waarin de
Armeniërs den byzantijnschen stijl op hun eigenaardige wijze hebben
toegepast. Zij hebben zich van hun meesters en voorgangers verwijderd,
om hen in zekeren zin te overtreffen.
Een van hun alleroudste bouwwerken, dat herhaaldelijk is vernieuwd,
en waaraan nog tot in de vorige eeuw steeds meerdere gedeelten zijn
toegevoegd, is de kathedraal van Etchmiadzine, waar hun katholikos
zetelt. Hier is het eigenaardig karakter van den stijl tot het uiterste
doorgevoerd; overal verheffen zich de byzantijnsche koepels, die echter
spitser toeloopen dan bij andere byzantijnsche gebouwen. De hoofdkoepel
is zeer schoon en voldoet aan zijn natuurlijke bestemming, die van door
groote vensteropeningen het inwendige van den bouw te verlichten. De
anderen echter, die, even als het voorportaal, uit de achttiende eeuw
dagteekenen, zijn overbodig, en zonder eenig verband met het groote
geheel daaraan toegevoegd. Men treedt de kerk binnen door een klein
portaal, dat met prachtige "arabesken" is versierd, die echter met
arabische ornamenten niets gemeen hebben. Zij vertoonen zeer eenvoudige
geometrische lijnen, doorweven met fantastische plantvormen. Hierin
munten de Armeniërs vooral uit. De kerk van Etchmiadzine wordt slechts
verlicht door den middenkoepel en een paar kleine zij vensters. Ook dit
is een eigenaardigheid van den hier heerschenden stijl, die het licht
schijnt te schuwen en aan een geheimzinnig halfduister de voorkeur
geeft. Hetzelfde ziet men in de kerken der talrijke kloosters, in de
omstreken van het meer Van, die nog donkerder zijn; daar hier zelfs
in de koepels bijna geen vensteropeningen zijn aangebracht.
Zij liggen gewoonlijk te midden van zeer liefelijke of grootsche
natuurtooneelen, maar hun kerken maken alleen van buitenaf gezien
een aangenamen indruk.