III. STATEN EN HOEDANIGHEDEN.

Een man, of een mannelijke, M. Ouëkelli: in het meervoud, Ouëkliem, V.

Eyéri: in het meervoud, Eyérium.

Eene Vrouwe, of eene vrouwelijke, M. Ouëlle: in het meervoud: Ouliem,

V. Inärou: in het meervoud, Innöyum.

Een kind, niankeïli.

Een jongen, Mouléke.

Eene dogter, niankeïrou.

Een kleine jongen, Ouëkelliraeu, eigentlijk, een kleine mannelijke.

Eene kleine dogter, Ouëlli-raeu, eigentlijk, eene kleine vrouwelijke.

Een Oud man, Ouâiali.

Een Vader des Huisgezins, Tiouboutouli authe.

Een Weduwenaar en eene Weduwe, Moincha.

Een medegezel, banarê.

Een vriend, M. Ibaouânale, V. Nitignou.

Een vyand, M. Etóutou, V. Akani.

Een gemaakte vyand, Etóutou noubi. Aldus noemen zy alle hare vyanden

die gekleed gaan.

Wilden, Maron. De Karaïbanen geven dezen naam niet als aan de dieren;

en aan de wilde vrugten.

Inwoonder, bonon.

Eilander, of bewoonder van een Eiland, Oubao-bonon.

Bewoonder van het Vaste-land, baloüe-bonen.

Zee-man, balanaglé. Aldus noemen zy de Christenen, om dat zy van zo

verre over zee in haar land komen.

Generaal van een Scheeps-leger, of Admiraal, Nhaléné.

Hooft-man van een Schip, Tiouboutouli canaoüa.

Groot Hooft-man, of een Generaal, Ouboutou; in het meervoud,

Ouboutounum.

Plaats-houder, Tiouboutoumali, dat is eigentlijk te zeggen het spoor

van den Hooftman of het gene na hem te voorschijn komt.

Soldaat, of Oorlogs-man, netoukouïti.

Schild-wagt, Verspieder, Arikouti, nábara.

Mijn oorlogs-gevange, niouïtouli, niouëmakali.

De gene die den last heeft om de gasten t’ ontfangen, niouâkaiti.

Mijn huur-knegt, zodanig als de Christenen hebben, nabouyou.

Slaafschen dienaar, Tamon.

Een Jager, Ekerouti.

Vet; Tibouléli.

Mager, Touléeli.

Groot, Mouchipééli.

Dik, grof, Ouboutonti.

Klein, nianti, Raeu.

Katijvig, Pikenine, in bastaart taal.

Hoog, Inöuti.

Laag, Onabouti.

Diep, Ouleliti, Anianliti.

Breed, Taboubéreti.

Lang, Mochinagouti.

Rond, Chiririti.

Vierkant, Patagouti.

Schoon, Bouïtouti.

Leelijk, nianti ichibou.

Zagt, nioulouti.

Hard, Téleti.

Droog, Ouárrou, Ouarrouti.

Vogtig, Kouchakouäli.

De hitte en de koude zijn op den IX. tijtel uitgedrukt.

Wit, Alouti.

Swart, Ouliti.

Geluw, Houëreti.

Rood, Ponáti.

Zy konnen niet noemen als die vier verwen, en zy brengen ’er alle d’

andere toe.

Dief, Youálouti.

Bloedschendige, Kakouyoukouátiti.

Overspeelder, Oulimateti.

Hoerreerder, Huéreti.

Twist-gierige, Oulibimekoali, Koauaiti.

Verrader, nirobouteiti.

Kwaad, Oulibati, Nianóuânti.

Goed, Iroponti.

Wijs, Kanichieoti.

Behendig, Manigat.

Dwaas, Leuleuti ao, of Talouali ao, dat is eigentlijk te zeggen, Die

geen ligt heeft.

Dapper, Ballinumpti.

Schelm, Abaouáti.

Blijde, Aouërekoua liouani.

Droevig, Imoueti.

Dronken, nitimaïnti.

Rijk, Katakobaïti.

Arm, Matakobaïti.

Stêkende, Chouchouti.

Dood, neketali.

Beschryvinge van de volk-plantinge Zuriname · 第 103 / 111 题