Mijn bloed-vriend, M. Nioumoulikou. V. Nitoucke.
Mijn huwlijk, Yeuëlleteli.
Mijn man, niraiti.
Mijn Vader tot hem sprekende, M. en V. Bába.
Van hem sprekende M. Youmâan, V. Noukóuchili.
Mijn Groot-vader, M. Itâmoulou V. nárgouti.
Mijn vaderlijke Oom. Men noemt hem Vader, Bába. En om den waren en
eigentlijken Vader te beteikenen, als men hem voor-wetens wil
onderscheiden, zo maakt men zomtijds deze by-voeging Bába tinnaka.
De moederlijke Oom, M. Yáo, V. Akátobou.
Mijn Zoon, M. Imákou, Imoulou, Yamoinri, V. Niraheu.
Mijn Jongen-zoon, Hibáli, als ’er niet meer als een is: maar als ’er
vele zijn, nibágnem.
Mijn eer-gebore broeder, M. Hanhin, V. Niboukayem.
Mijn jongstgebore, M. Ouánouë, en Ibiri; dat is eigentlijk te zeggen,
mijn helft, V. Namouleëm.
Mijn schoon-broeder, en mijn moederlijke Neef, M. Ibamouï, V. Nikeliri.
De Neef niet aan de Nigte getrouwt, Yapataganum.
Mijn kinds-kind, of Zusters of Broeders kind, Yanantigané.
Mijn Swager, Hibáli moukou, dat is te zeggen, die kleine kinderen
maakt.
Mijne vrouwe, M. Yenénery, de vrouwen zeggen, Liáni, zijne vrouwe.
Mijne moeder, tot haar sprekende, M. en V. Bîbi, dat is ook een
uitroeping of verheffing van een zaak.
Van haar sprekende, M. Ichanum, V. Noukoûchoûrou.
Mijne Schoon-moeder van het twede bedde, noukóuchourouteni.
Mijne Schoon-moeder, waar van ik de dogter hebbe getrouwt, Imenouti.
Mijne Groot-moeder, M. Innouti, V. Nagette.
De moederlijke Moeije, hiet moeder, Bîbi.
De Vaderlijke, naheupouli.
Mijne dogter, M. Niananti, V. Niraheu.
Mijne Zuster, Nitou.
d’ Eerste geboorne, Bîbi-Ouânouân.
De Jongstgeboorne, Tamoulélouâ.
Swagerinne, schoon-dogter, en Nigte, Nibaché.
Mijne Nigte, M. Youëlléri, dat is te zeggen, mijne vrouwelijke of mijne
beloofde; om dat zy aan hare Neven natuurlijk tot vrouwen behoren. De
vrouwen zeggen Youëllou.
De kinderen van twe broeders, noemen haar Zusters en Broeders: de
kinderen van twe Zusteren even zo.