Mijn lighaam, Nókobou.
Het vette, Tokellé.
Mijn huit, Nora. Dit beteikent in het algemeen alles wat tot
overdekking diend.
Mijne beenderen, Nabo. Dit beteikent ook een tendo of eene Peese.
De Karaïbanen onderscheiden d’ aderen met de zenuwen niet; en zy
drukken haar uit door het woord van Nillagra, het welke beteikent mijne
zenuwen of mijne aderen: gelijk Lillagra zijne zenuwen of zijne aderen.
Zy noemen nog aldus de wortelen van de bomen.
Mijn bloed. M. Nitta. V. Nimoinalou.
Mijn hair, mijne hairen, Nitibouri.
Mijn hooft, Nicheucke.
Mijne oogen, Nákou.
Mijn oog-appel, Nakou-euke. Dat is eigentlijk te zeggen, De kerne van
mijn oog.
Mijn oogschedel Nakou-ora. Dat is te zeggen, het vel van mijn oog.
Mijne winkbraauwen, Nákoujou, eigentlijk het hair van het oog.
Mijn voorhooft, Nérebé.
Mijn aangezigt, Nichtbou.
Mijne neuze, Nichiri.
Mijne mond, Nióuma.
Mijne lippe, Nioumárou.
Mijn tant, Nári.
Mijn baaktant, Nackeuke.
Mijn tantvlees, Nâri-aregrik, eigentlijk, het gene tegen mijne tanden
aanstaat.
Mijn oor, narikaë.
Mijne hooftslapen, nouboyoubou.
Mijne kaken, natigné.
Mijne tonge, ninigné.
Mijne kinne, nâriona.
Mijne mammen, nouri.
Mijn borst, nârokou.
Mijn schouder, nèché.
Mijn arm, narreuna, het beteikent ook een Vlerk.
Mijn elleboog, neugeumeuke.
Mijne handen, nóucabo.
Mijne vingeren, nôucabo-raün, gelijk of gy zeidet, de jonge of de
kinderen van mijne hand.
Mijn duim, nóucabo-iteignum, eigentlijk dat tegen de vingeren gestelt
is.
De pols, Lóucabo ánichi, dat is eigentlijk te zeggen de ziele van de
hand.
Mijn nagel, nóubara.
Mijne mage, nánichirokou.
Mijn herte, M. niouánni V. nânichi. Dit woord beteikent ook, mijne
ziele.
Mijne longe, Noara.
Mijne lever, Naubana.
Mijne ingewanden, Noulakaë, dit beteikent ook den buik.
Mijne nieren, nanagane.
Mijne zijde, nauba.
De milte, couëmata.
De blaze, Ichikoulou-akaë.
Mijne navel, nárioma.
De natuurlijke delen van den Man, M. Yaloukouli. V. Nehuera.
De natuurlijke delen van de Vrouwe, Touloukou.
Mijn agterste, nârioma-rokou.
Mijne billen, niatta.
Mijne dyên, nebouïk.
Mijne knyë, nagagirik.
Mijne knyë-schijve, nichaouá-chaouà.
Mijn been, nourna.
Mijn scheenbeen, nourna aboulougou.
Mijn gewrigt, napataragoune, dat is te zeggen, een by-gevoegt ding. Het
gene zy ook toe-eigenen aan een stuk of lap dat men op een kleed zet.
Mijne enkelklaauwe, noumour-gouti.
Mijn voet, nougouti.
Mijn hiel, nougouti-raïm. Dat is eigentlijk te zeggen, de jongen van de
voet.
De plante van mijnen voet, nougouti-rokou, eigentlijk, het binnenste
van de voet.
Gelijk zy byna de namen der dingen, boven al die van de gedeelten des
lighaams nimmer enkel en op haar zelven noemen; maar dat zy die
verbinden aan eenen van de drie perzonen, zo hebben wy haar hier op den
eersten perzoon gestelt. Die haar op d’ andere wil voegen, zal maar d’
eerste letter van yder woord te veranderen hebben.