De Aard der Bomen, dier Vrugten en Aardgewassen.
De Aarde is de leegste hooft-stof van de wezentlijke stoffen, gelijk
een grond of grondvest van de overblijvende; want al wat d’ andere
stoffe op de zelve doen nedervallen en afkomen, dat ontfangt zy alles;
bewaart het gene bewaart moet worden, en brengt te voorschijn ’t welk
openbaar moet wezen. Zy is de trouwe Schat-kist aller dingen, in welke
al het voortgebragte blijft, en door de bewegende warmte in de zelve
verrot zijnde, werd door de zelve vermeerdert. Het reine van het
onreine gescheiden zijnde, ’t gene in haar swaar is werd verborgen; het
ligte werd van de bewegende warmte na de vlakte uitgedreven, en gelijk
die bestaat in een slijkagtigheid, alzo is zy aller Zaden en vermengder
dingen voester en Moeder.
[Van de Cinaas-bomen.] De Bomen deze kragt ontfangende geeft zulk een
sterke drang, zo dat de Cinaas-bomen hier zo groot worden als de
Vaderlandsche Linden, zo ook in dikte van hare stammen en pronk
zieraden harer kronen, mild dragende van rijpe Appelen, groene,
aankomende (ook bloeizels) gezegend met een dun schilletje, daar ’t
wel-smakent vogt in huis-vest, om de lekker tandige te vervarssen.
[Oranje-bomen.] Oranje-bomen, zijn mede van de zelve gestalte, wilde de
top nog wel trotzer in hoog-moet opheffen. Pralende met een rijke schat
harer natuurlijke baarmoeder, in twe zoorten zure en zoete, met hare
rijpe, groene en aankomende telingen, neffens de bloeizelen.
[Lamoenen.] Lamoenen, zure en zoete, van een extraordinarie grote vind
men hier; en daar op de Plantagies, deze als de vorige Bomen wel
vrugt-dragende, maar de Bomen wassen zo zierelijk niet, zijnde meerder
in verwerringe met kleine takken uit de grond opgeschoten, in maniere
als grote Hagedoorn, en zijn niet veel met vogt beladen ter oorzaak van
hare dikke binnen en buiten schil. Maar de
[Lemmetjes.] Lemmetjes, zijnde een kleinder zoorte, even als de
kleinste Spaansche Lamoentjes; deze zijn bezonder dun van schil, zijnde
byna even gevliest, zo dat daar zeer weinig wit aan is. Deze zijn heel
rijk van zap en dragen boven alle voorgaande Vrugten zeer mildadig, en
nog veel scherper van zuur-vogt als de Citroenen. Waar van ook vele
geperst, gezouten, en de kleinste gekonfijt, na Europa gezonden word.
Leggende door meer als rijp te zijn genoegzaam op de grond gevallen,
die ook elk zonder prijs mag kopen, zonder nogtans schade aan de Bomen
by te brengen.
[Palmites-boom.] Palmites-boom, deze wassen ter hoogte van stam van
150. tot 200. voeten zonder takken, alleen hebbenze een struik, van
natuur en smaak als een witte Kool, daar de bladeren en zaat uit voort
komen. Buiten deze zoort vind men nog vierderlei andere Palmites, als
Latanir-palmites, Epinu-palmites, Vin-palmites en Copelet of Palmit de
Montagne, enz.
[Goyavis.] Goyavis, is mede een zeer aangename Vrugt, zijnde de Bomen
van een matige dikte, van twe en vier duimen in ’t ronde. Deze wassen
in de Savanes, of vrije Wei-landen hier en daar een Boom. Die gekookt
worden als Kruis-besien pap; gestooft de Que-peer gelijk in smaak
zijnde; en groen gegeten zijnde den buik te stoppen: waarom hem vele
ook gebruiken tegen den bloed-loop; maar rijp gegeten zijnde, heeft hy
een tegen-strijdige uitkomst. De koleur is geel aan de Bomen; de grote
hebbende als een Appricoos en ontrent het zelfde gewas gelijkende;
zijnde mede gemeen en genoegzaam tot vervullinge der Huis-houding.
[Pompelmoessen.] Pompelmoessen, een zoort van Oranje Appels, de vrugt
is zo groot als een ordinarie Pompoen, maar meer in de ronte
kees-gewijze, zijnde de schil mede als de Oranje, en ’t vogt zuur en
zoet in twederlei zoort. Deze hangen door de swaarte nederwaarts aan de
Bomen, en zeer mild dragende.
[Suersakken.] Suersakken, deze in hoedanigheid de voorgaande naby
komende, alleene dat zy wat langwerpig zijn, en de buiten schil aan den
groene; wordende mede tot refrissementen gebruikt.
[Cacaos-bomen.] Cacaos-bomen, van deze zijn mede Plantagien, en wassen
in dunne stammen van de hoogte als een middelmatige Karsse-boom; heeft
een aangename opwassinge en een zierlijke Bloem.
[Karsse-bomen.] Karsse-bomen, zijn van grote als die in Neerland; maar
de vrugt is geribt met agt kanten, hebbende zo veel steentjes in hem
gesloten als ’er verdelinge zijn. Dragende mildadig vijf en zes malen
’s Jaars Vrugten, die ook wel in ’t wild in de Bosschen groeijen.
[Mandepore.] Mandepore, daar van de Vrugt niet gebruiklijk is; deze
heeft grote brede bladeren met een rand opstaande daar in het water
staan blijft, zo dat het daar niet uit kan, nog en verteert zig niet;
even als of het een Schotel was daar zig een half mingelen water in
onthouden kan. De Indianen maken uit de Wortel mede een Drank die zy in
een Vijzel stoten, gevende dan een vogt als Melk; en zo men dit vogt
met water mengt, geeft het de smaak als Wijn.
[Coparibas.] De Plant Coparibas, beproeft heilzaam tegens wonden en
vergift.
[Palm-boom.] Palm-boom, deze Boom heeft geen gebruikende Vrugt,
wassende linie regt als de Sparre-boom met lange smalle bladeren, de
stam redelijk dik en in zig heel zagt. Deze om verre gehouwen zijnde,
zo word het pit uit de zelve Boom genomen, dat werd gekookt, en dan zo
lang in riemen gesneden als men het begeert; in manier als Aspersien
bereid en gebruikt, dat heel wel smakend en goed is.
[Vijge-bomen.] Vijge-bomen, in zoorten, deze zijn niet min smaaklijk
groen gegeten, van grote als een Peer; hangen byna het gansche Jaar aan
de Bomen. Zijnde twederlei in aard, d’ eene Mannelijk en d’ ander
Vrouwlijk; de eerste draagt en baart ontelbare menigte van Vrugten
welke nooit rijp worden, dog dat die ontbreekt heeft de Vrouwlijke Vijg
overvloedig in haar, derhalven is ’t dat de Plantende, op dat de
rijpheid der Vijgen te eerder volvoert werde, met de Vrouwlijke Vrugt
de Mannelijke Vijgen omzetten, waar door de zelve in ’t korte volkomen
rijp werden. De reden hier van is, dat ’er van d’ eene iets kragtig
uitgaat, ’t welk in d’ andere als een Simpatie ingetrokken werd en de
rijpheid veroorzaakt.
[Mancenillie.] Mancenillie, een Boom die Appels draagt in gelijkheid
van de Kannetjes Appelen, deze zijn zeer vergiftig van natuur; zo dat,
wanneer iemant de zelve aanraakt zoude door zijn sterk vergift het vel
van de hand afknagen, en aan de oogen komende zoude men de zelve daar
door verliezen. Als men de zelve begeert te hebben, zo maken de Swarten
of Indianen, de handen eerst nat in zout water. De Boom in zig zelven
is egter schoon hout tot het maken van Kasten en Kabinetten, het is wit
en fraai flammig, maar de Boom moet eerst gebrand worden eer dat men de
zelve kan gebruiken. De Wilden, zeer wel de nature van deze
Mancenillie-bomen kennende, vermengen ook de Melk van den Boom, en den
dauw die ’er af-valt, en het zap van de Vrugt in haar vergif, daar zy
gewoon zijn hare Pijlen mede te vergiftigen.
[Marmelade.] Marmelade, deze Boom is ook van een gemene hoogte,
wassende de Vrugt tusschen twe schelpen byna als de Roomsche Bonen, die
de schil niet zo dik maar wel zo breed is. Deze Vrugt is van buiten
mede geel en van binnen roodagtig, smakende als iets dat gekonfijt is.
[Katoen-boom.] Katoen-boom, die de Wilden noemen Manoulou-Akecha, waar
van de zelve grote gemakken konnen trekken. Hy wast tot de hoogte van
een Persich-boom: zijne schorze is bruin, de bladeren zijn klein, in
drie verdeelt. Hy draagt een bloem van de grote als eene Roze, die
ondersteunt is van beneden, op drie kleine groene en stekende bladeren,
die hem besluiten. Deze bloem is te zamen gezet van vijf bladeren, die
guldig-geluw zijn, zy hebben in haren grond kleine strepen van
purper-verwe, en een geluwe knop, die omringt is met kleine draden van
de zelve verwe. De bloemen worden gevolgt van een vrugt na de gedaante
van een lang-werpig rond, die van grote is als eene kleine Note met
hare schelpe. Als hy tot zijne rijpheid gekomen is, is hy gans swart
van buiten, en hy opend zig op drie plaatzen, die de witheid van het
Katoen doen zien, het welke hy onder dit harde dekzel besluit. Men vind
in yder vrugt zeven kleine Bonen, die het zaad zijn van den Boom. Daar
is eene andere zoorte van Katoen-boom, die langs der aarde kruipt,
gelijk de Wijngaart van stutten ontbloot: dezen is het die het fijnste
en het meest-geagte Katoen voort brengt. Men maakt van den eenen en van
den anderen webben, en verscheide kleine stoffen, die van groot gebruik
in het Huishouden zijn.
[Mispel-boom.] Men heeft ook de Mispel-boom, dog de onze aan smaak en
koleur ongelijk, dan die vrugt is rood als Karssen en heel zoet, dog
niet zo wel van smaak; en ook witte van deze zoort, dog beide zonder
steenen.
[Paco-Aire.] Paco-Aire, deze Boom is tien à twaalf voeten hoog, en maar
een span dikte in de ronte; en mede heel zagt en teer, zo dat men hem
met een streek van een Zabel kan nederhouwen. De Appel die ’er op wast,
Paco genaamt, is een hand lang, aan de koleur als een Comcommer, de
groene schil bulterig. Wassende twintig à vijf-en-twintig aan een
klomp, die de Indianen daar van halen, en kwalijk in de hand houden
konnen; de schil daar af zijnde is ’t korrelagtig. Werden mede voor
Vijgen gehouden; zijn bladeren zijn in ’t gemeen zes voeten lang en twe
voeten breed, dog worden weinig gegeten.
[Sagatemener, Osamener en Pummukkoner.] Sagatemener, Osamener en
Pummukkoner, zijnde driederlei vrugten, de Peere gelijk, die de
Inwoonders drogen, en als zy die eten willen laten zy die eerst in
water weken; gekookt zijnde eten zy het, of in zig zelfs alleen, of
verstoten het tot Meel, makenden een Bry daar uit; daar zy ook, rauw
zijnde, eene zeer zoeten Olie konnen uitparssen.
[Sapummener.] Sapummener, een Boom-vrugt; deze is klein, gekookt en
uitgedrukt smaakt ze als Kastanien; daar van bakken de Land-aard ook
wel Brood.
[Mangummenauk.] Mangummenauk, wast op een Boom de Eiken-boom
gelijkende, niet groter als de Ekkels. Deze word mede eerst gedroogt,
nagaans in ’t water gelegt en gekookt; dat ook de Land-aard, by
manquement van Brood, tot Vlees en Vis eten.
[Carpok-boom.] De Carpok-boom, deze heeft een vrugt aan zig tot
ververssinge, maar moet veel gebruikt worden.
[Wandelende Limoen-boom.] De Wandelende Limoen-boom, zo genaamt om de
gedurige beweginge zijner bladeren zo ze afgebroken zijn; dat my voor
waarheid is mede gedeelt, zijnde iets na oordeel boven natuurlijk.
[Betel.] Betel, een wonderlijke schone uitmuntende Boom, wegens een
zekere deftige Genees-balssem die hy van zig geeft.
[Janipapa-Poceywa.] Janipapa-Poceywa, na de Land-tale; deze heeft mede
een vrugt de Appels niet ongelijk. Het zap daar uitgeparst bestrijken
d’ Indianen zig mede, zijnde eerst om ’t lijf als water, na eenige tijd
word het swart als Inkt, en na dat het negen dagen op ’t lighaam
gezeten heeft zo vergaat het wederom; daarom het van de Christenen
negen-dagig Swart genaamt word, zijnde verscheide in zoort.
[Peruviaan of Gannaperida.] De Boom Peruviaan of Gannaperida, deze is
een Medicinaal; de bast van deze Boom voor eenige Jaren in Europa
gebragt, welkers poeder tot de Koortzen gebruikt word. Gannaperida is
te zeggen Koorts-hout, en deze bast China genaamt; hebbende een koleur
als roestig yzer, bitteragtig van smaak. ’t Is eerst aan den
voor-deftigen Kardinaal de Lugo gezonden, en van daar is het in
Neerland gekomen. Te Romen is het by de Vaders der Maatschap van Jesus
te koop, die alleen deze bast een tijd herwaarts bekomen hebben; zijnde
nu des zelfs deugt by de Medicijn-meesters genoegzaam bekent. Dog deze
vind men alhier niet overvloedig.
[Turbit.] Turbit, is een Wortel; die heel wit is word meest gezogt, en
is zo ligt dat het weg stuift als men het breekt. De Indianen gebruiken
egter het grauwe, dat beter ruikt, daar van een dragma meer werking
heeft als ’t witte van drie.
[Cocos-boom.] De Cocos-boom, deze alleen geeft alles wat byna de
Indianen van noden hebben. Van de stam maken zy Planken en Scheepjes;
van de baste die om de Cocos-noot zit bereiden zy Touwen, van de bladen
ook Zeilen en dekzels voor hare Huizen, Waaijers, Matten en Tenten. In
de Neut vinden zy veel zoet, klaar en gezond water; ook de bladeren in
de mond genoemen voet de Mensch voor honger en dorst. In yder Neut is
wel een halve Kan vol nat, als zy onrijp is; als de Neut rijp word, dan
is dat water in een smakelijk pit, gelijk dat van de Hazel-noten, in
een vaste substantie geheel verandert. De harde schil van de Neut is
bekwaam om Lepels en Bekers, neffens Kalebassen, en alle andere gebruik
van te maken. Zy drukken uit het pit een zap als zoete Melk, en ook een
zeer lieflijke Olie, als die wat Oud is. Als zy een blossem af-trekken
en op die plaats een Kan hangen, zo hebben zy alle dagen een Kanne vol
nat als zoet Wei; als dit zap een uur in de Zon gestaan heeft, dan zo
is het goede Azijn; zy maken ook van deze vogt goede Zuiker. Op het pit
van de stam des Booms groeit een dun wit vlies, toegevouwen als Papier,
wel 50. à 60. stuks dik op een, ’t welk ook Papier van de Indianen is.
Daar-en-boven als deze Boom heeft beginnen te dragen; vind men hem
nimmer zonder vrugt: want hy brengt ’er nieuwe voort by yder Maand van
het Jaar.
[Kanelen-hout.] Kanelen-hout, deze Boom mag plaatze grijpen, onder die
tot de Genees-konst dienen, dewijl dat zijne kruidige schorze gezogt is
van alle die met koude trekkingen gekweld worden, en gebruikt word om
de mage t’ ontlasten van alle drabbige en slijmagtige vogtigheden die
haar ’t onder houden. Den goeden reuk en d’ eeuwigdurende groenig van
dezen schonen Boom, hebben eenige over-redet dat dit eene zoorte van
Lauwerier was; maar hy wast veel hoger, zijn stam is ook dikker, zijne
takken zijn meer uit-gespreid, en zijne bladeren die niet wel zo lang
zijn, zijn veel zagter en van een vrolijker groen. Zijne schorze die
bedekt is onder een as-verwige huit, is dikker, en van eene wittere
verwe als de Kanele die van den Op-gang komt; zy is ook van een
scherper en van een bijtender smaak; maar in de schaduwe gedroogt
zijnde, geeft zy een zeer lieffelijken geur aan de spijzen.
[Aygans of Duivels-boom.] Aygans of Duivels-boom, waar van men een tak
of blad plukkende, het zelve altoos in beweginge is en over de aarde
heen en weer sweeft; daarom een Wandel-boom, of Blad, genaamt word,
daar de Indianen zeer veel agtinge voor hebben en supperstitie
opbouwen.
[Een wonderlijke Boom.] Volgens getuigenisse der Indianen, vind men een
zeldzame Boom dewelke vrugten draagt als Eike, en bladeren als
Oker-noten Bomen, zeer schoon en wel riekende. Staande op een Eiland
daar geen Put, Bron, nogte water te vinden is, en aldaar geen Regen van
den Hemel valt, (gelijk als men zegt in Egypten) uit welkers bladeren
druipt gestadig zo veel water, terwijl dag en nagt even lang zijnde de
dikke nevel op die Boom hangt, dat alle de Menschen en Beesten, op het
gehele Eiland, overvloed van water konnen krijgen; ’t welk een
wonder-werk in de Natuur is.
[Druive-boom.] Den Druive-boom, die de Karaïbanen noemen Ouliem, wast
tot eene middel-matige hoogte, en kruipt byna by der aarde aan den
oever van de Zee: Maar in eene goede aarde word hy hoog, gelijk een van
de schoonste Bomen van het Wout. Zijn bladeren zijn rond, dik,
door-mengt met rood en groen. Onder de schorze van den stam, na dat men
daar heeft af-geligt een bast van ontrent twe duimen dik, zo vind men
een hout dat violet, vast en zeer bekwaam is om uitstekende
Schrijn-werken af te maken. Hy brengt aan zijne takken vrugten voort,
die men, als zy rijp zijn, nemen zoude voor grote violette Druiven:
Maar in plaatze van korlen, heeft yder graan onder een tedere schelle,
en onder zeer weinig stoffe die zuur-agtig, verversschende, en van
tamelijk goeden smaak is, een harde kraak-steen gelijk die van de
Pruimen.
[Sassefras-boom.] Sassefras-boom, beter als het Fransche van Doctor
Monardes, daar hy veel van geschreven heeft.
[Tuna.] Tuna of Vijgen-boom, welke schoonze geen vrugt dragen egter
hoger werden gehouden als d’ andere van die naam. Want van deze bekomt
men het bekende Cochinillie; onder aan de bladeren kleven Wormkens
zijnde bedekt met een dunne huit, de gemelde Wormkens zijn van buiten
wit, van binnen Scharlaken-rood; werden genereert uit de zaad-kornkens,
die men derhalven Purper of Scharlaken kornen noemd; dog deze Bomen
vind men weinig.
[Honus-boom.] Honus-boom, deze is hoog en zierelijk; werd zeer geroemd
wegens zijne schaduwe, als lieflijk en gezond zijnde. Derhalven zo
dikmaals als d’ Indianen zig ten Oorlog begeven, over Land reizende,
(onder den open Hemel leggen,) legeren zy zig alle onder deze Bomen om
hare schaduwe te mogen genieten; wijl die daar onder slapende het hoofd
daar door niet beswaart en word, gelijk als onder andere Bomen gebeurt.
[Boom Acaia.] De Boom Acaia wast byna in alle plaatzen, dog meest aan
Berg-agtige wel-gematigde dalen. Zien ’er gans woest en doornig uit, de
bladeren zijn klein, subtijl en smal gelijk Vogel-vederen; hy maakt zig
aangenaam door een lange zeer lieflijk smakende hulzen, vrugt vol zaad
hier en gins af hangende; van de zelve bakken d’ Inwoonderen mede
Brood.
[Samouna-boom.] Samouna-boom, aan ’t bovenste en onderste des stams
heeft hy een gemene dikte, dog in ’t midden is hy meer als twemaal zo
lijvig. Hebbende zo een tonnige en dik buikige gedaante, dat de voorby
Reizende zig niet konnen onthouden van stil te staan. Uit de takken
komen lange strengels, yder voorzien met een vijf bladig kwasje, zeer
zierlijk verdeelt, gekerft en met veel aderen overtogen. Hy brengt
lang-agtige hulzen voort, waar in zig rode Erweten onthoud, zijnde goed
om te eten.
[Copeja.] Copeja, deze heeft zeer wonderlijke bladeren, dewelke zig aan
beide zijden laat beschrijven gelijk Papier, want yder blad is dikker
als een dubbelt Parkament, en gans taai: terwijl hy nog vars is, schoon
dit lof-groen is, zo vertonen egter die daar opgestelde letteren zig
wit; als de gedagte bladeren droog zijn geworden, werdenze wit en zo
hard als een paneel van hout; dan nemen die daar op geschrevene eene
geele verwe aan. Dit Boom papier verderft ganschelijk niet, en ’t daar
op-staande schrift kan men niet weg nemen, niet anders als ’t door ’t
vuur te verdelgen.
[Molli-boom.] Molli-boom, zijne vrugten zijn klein en rond, de telgen
zijn desgelijks klein en onvergelijkelijk groen; de kernen zijn
uitwendig aan de bast zoet, inwendig een weinig bitter: uit deze bereid
men een zeer lieflijken drank, vermits de vrugt in ’t water zo lang
gedrukt werd, datze eindelijk haren nectar van zig moet geven. Deze
Boom werd by d’ Indianen in zulk eene hoge agtbaarheid gehouden, dat de
zelve de Goden hebben toegewijd.
[Guiti-iba.] Guiti iba, deze zoort vind men menigerlei; de bast is
grijs, de stam overtreft Teiken-hout in hoogte, vastigheid, hardigheid
en geduurzaamheid. Aan de takken zitten de bladeren d’ eene onder
d’andere, lang-agtig rond gevormd als een tong; de blossem zijn
lang-werpig, klein, geel en zonder reuk. De Boom bloeid lang, en krijgt
langzaam vrugten; dikmaal werd d’ eene helft des Booms in dit, d’ ander
in ’t volgende Jaar met rijpe vrugten bezet; in ’t derde Jaar rust hy,
eindelijk werd hy in ’t vierde Jaar overal vrugtbaar. De vrugt is
genoemt Guiti-coroya, is groter als een gemene Appel, vol bulten of
zeer gebuchelt; de verwe der huit vergelijkt zig met swart Brood; ’t
marg is week geel, zo wel van smaak als van reuk, zoet en aangenaam,
over-een-komende met Brood. De grote en gedaante van de inwendige
steenen verbeelden een Ey; de basten zijn hout-agtig ruig en besluiten
eene witagtige kern.
[Ayaquicueramo-boom.] Ayaquicueramo-boom, of ’t geschilderde hout, van
andere genaamt Tyger-boom; deze is groot en in menigte bebladert met
Olmen-loof, al hoe-wel nog smalder. ’t Hout is bont-verwig geschakert,
waar door buiten twijffel de naam van Tyger-boom ontstaan is; en zinkt
fluks na de grond, zo haast men ’t in ’t water werpt. ’t Is
inzonderheid bekwaam voor Draaijers, schoon in ’t oog en van een goeden
reuk; daar druipelt een Oly uit zo goed als Styrax, en word in gebruik
zo dienstig gehouden.
[Yito.] Yito, zijnde in grote de Europæische Peere-boom gelijk, met
lang-agtige dunne toegespitste en na de lengte merkelijk dik geäderde
bladeren, staande aan kleine steeltjes; de vrugten wassen digt aan een
op de wijs der Druiven. De meeste Inwoonders is deze Boom wegens zijn
zierelijke vrugten genoegzaam bekent; zijnde ondeugend tot nuttiging en
van binnen geheel houtig. Men vind deze vrugten ’t gansche Jaar door,
en in de Lente zeer schoon geel, korts daar na verandert ze zig in een
donker gemengde verwe, zonder eenige hoop van gebruik te geven, even zo
weinig als de bladeren en het hout des Booms zelfs.
[Boom Mazarandiba.] Boom Mazarandiba, mede onze Karssen-boom in wasdom,
hout, bladeren en vrugten t’ eenemaal gelijk zijnde. Uit zijne wildheid
in de Hoven gebragt, daar hy bloeid en draagt ontelbare vrugten, een
weinig anders als de Europæische Karssen, als ook van gestalte. Wijl
deze zulken rondheid niet hebben, maar een weinig plat-agtiger, ook
korter, maar dikker gesteld zijn; hier by komt nog datze met eene taije
huit zijn overtrokken, in ’t begin rood, dog als zy rijp zijn geworden
van eene gemengde verwe en verschotene koleur; ’t zap is wonderlijk,
werdende van de Inwoonders met grote begeerte genoten.
[Ibipitanga.] Ibipitanga, voortijds gerekend onder de wilde gewassen,
en om zijn zierelijkheid in de Hoven verpland: zy zijn onze
Karsse-bomen in alles gelijk, behalven dat de stam zig veel krommer
omdraaid, en hem nevens de tak nu gins, dan herrewaarts wend. Heerlijk
zijnze verzierd met een gans groene loof en witte bloemen, na welke een
ronde vrugt voort komt gelijk een Moerbesi, in ’t begin van een
gemengde verwe, dog allengskens rood worden; heeft ook diepe striemen
en een bloem-navel. Gemenelijk werden deze vrugten in de Regen-maand
rijp, niet alleen de huit, maar ook ’t vlees is gemengd rood; ’t zap
rijk van een warme en eenigzins bittere smaak, egter vermengt met een
aangename scherpheid een weinig zamen trekkende; van binnen zit een
wit-agtige steen, waar in een warme bittere kern is. Deze vrugt diend
niet alleen tot een bancquet, maar ook een aangename verkwikking voor
de zieke; zy verfrissen een swakke maag, benemen de walging en
verdrijven de winden.
[Guanaua.] Guanaua, zijnde een klein lustig Boomtje, dewelke een vrugt
draagt byna een ’s Menschen hert gelijk zijnde; hebbende voor aan een
spitje groene en harde schelpen; uitwendig is ze met een huitje
omvangen, inwendig Sneeuw wit. Aan eenige Plaatzen vind men deze
vrugten van eene andere gestalte en vorm, zijnde de Appel rond en
goud-verwig, inwendig vol kleine besien of kernkens, welke Kastanien
bruin, en in ’t eten boven-maten lieflijk zijn.
[Janipabas.] Janipabas, deze Boom strekt in een grijs-grauwe bast; zijn
hout is gebrekkelijk, dog marg rijk; de telgen zijn bekleed met
lang-agtige bladeren, hebbende de gestalte van Osse tongen, dog aan
beide einden onder en boven spits toelopende, ontrent een of ander half
voet lang; welke yder Jaar, inzonderheid in December, afvallen,
al-hoe-wel niet al te zamen gelijk, maar op verscheide tijden. Egter
ontbreekt het deze Boom niet aan een rok, want terstond komen weêr
varsche bladeren voort, welke de plaats, der oude afgeworpene lompe,
met een nieuw kleed verzieren, ’t geen yder Maand geschied. Zijn
bloemen, welke hy in Maart en April vertoond, zijn klein en koekig wit
van verwe; de vrugt is zo groot als een Oranje Appel en ook wel groter,
dog dun van bast; heeft een lijm-agtig marg, wel-riekend, scherp van
smaak en verkoelende. Midden in den Appel vind men een hol met
zaat-kernen vervuld, en met wat weker vlees omringt, welke ook gegeten
werden. Deze Appelen nog onrijp zijnde zijn groen, maar als die tijdig
zijn geworden gelijk de Mispelen, rotten ook gelijk deze, en zijn dan
ook eerst regt murwe om t’ eten. ’t Gehele Jaar door komenze voort;
werden niet gezoden maar rauw genuttigt, zijnde aller aangenaamst
wanneerze in Zuiker in-geleid zijn.
[Chilli.] Chilli, deze is van twederlei geslagt; d’ eene zoort heeft
eene grote gladde rode-gele stam, vervuld met een taai merg; de bloemen
zijn wit-agtig, de bladeren geweldig groot en bleek-rood; de vrugt is
de rode Hazel-noten gelijk, overtrokken met een witte-gele huit, de
smaak is bitter.
d’ Andere zoort, draagt Citroen gelijke bladeren, dog groter, beide
basten zijn bitter, en in water gezoden is goed voor de Loop.
[Boom Guayaba.] Boom Guayaba, heeft de grote van een Steen of
Steek-eik, of Oker-note-boom; de bast is uitwendig as-grauw, dog met
vele groene vlekken beworpen; inwendig byna rood, een halve vinger dik
en bovenmaten hard; zo dat men de zelve, als ’t hout eerst nieuwelijks
geveld is, nauwelijks met Bijlen of yzere Knodzen van de stam kan
afkrijgen, wijlze zo gans vast daar aan kleeft, dog na verloop van
eenige tijd laatze zig met weinig moeite aflossen. ’t Gedagte hout
schijnt van buiten byna swart-agtig; in swaarte van gewigte gaat het
alle ander hout te boven, ’t minste stukje daar van, hoe klein ’t ook
zijn mag, zal nooit op ’t water boven drijven, maar terstond na de
grond zinken. De smaak is niet onaangenaam, schoon men straks eenige
bitterheid op de tong gewaar word; de bladeren zijn dik, klein, hard,
groen en veel geädert. De vrugt heeft eenige gelijkheid met de
Kastanien, zommige met Pruimen, andere met twe aaneen gewassene Vijgen,
nog andere de gedaante van een hert; de lengte is van een dwars-vinger,
de breedte wat minder, de verwe als een verwelkte Pruim.
[Acajou.] Acajou, deze is eene grote Boom, zo hoog als onze Europæische
Beuken, dog nog wijd uitgespreider van takken, welke zelfs tot op d’
aarde komen. De bladeren zijn stekelig, zeer breed, dog tegen de steel
spits, en lopen voorwaarts rond toe. Zijne bloessemen draagt hy kroons
wijze, zo dat ’er 8. 9. à 10. by een staan, en in een bundeltje of
kroon zig over de hondert vertonen. Yder bloem bestaat uit vijf smalle
bladerkens spits toelopende en van een aangename reuk: na deze bloem
komt een Kastanie voort, in de gedaante van een nier; terwijl de zelve
toeneemt, wast allengsken tusschen haar en de stengel of steel, een
langwerpige Appel, Ey-rond, ook wel gans bal-rond, rijp zijnde, heeft
hy een spons-agtig taai vlees of marg, en veel scharp zoete t’ zamen
trekkende zap, dat grotelijks den dorst lescht, en dat men hout zeer
nuttig voor de borst te wezen, en voor de flauwten, gemengt zijnde met
wat Zuiker. Uitwendig is de schil of gans geel, of gans rood, of ook
uit beide deze verwen gehalveert. Op zommige Bomen ziet men deze vrugt
bloed-rood en kogel-rond, deze is wel het zuurste; aan andere wederom
geel en langwerpig; aan nog andere geel en rond. Van dit Appel-zap,
werden de Doeken of Langoutiens der Indianen besmet als yzer vlakken,
’t welke daar niet uit is te krijgen, voor dat deze Bomen wederom een
nieuw Zomer kleed aan trekken, en hare bloei geven.
[Grote Wol-boom.] Wol-bomen, verdeelt in grote en kleine; de grote zijn
hoog, ruig van doornen, en gebladert gelijk de Olijven, met witte
kleine bloemen. De vrugten vergelijken zig in gestalte en grote met een
kleine Meloen, zijnde vol witte vezel-agtige vlekken, tusschen welke
ronde zoete kernen steken gelijk Hennip-zaad; zeer gezond zijn ze
gegeten, zo wel rauw als geroost, en maken ’t lighaam vet.
[Kleine Wol-boom.] De kleine Wol-boom, hebbende een middel-matige
hoogte, en is bewassen met kloek-vormige gele bloemen. Als de vrugt
rijp is werd ze in vier delen geklooft, uit welke de Boom-wol voort
komt, in de grote van kleine pillen; in ’t midden vind men swarte
zaad-kernen, zo dik als een Boon en dragende de gedaante als een nier:
van deze Wol spinnen de Indianen ’t Gaarn tot de Hang-matten.
[Achiote.] Achiote, deze Boom wast byna in alle Amerikaansche Landen,
en zig begerelijk makende, niet alleen by de Wilden, maar ook by de
Christenen, Barbaren en Europëers, zo door zijne gezonde eigenschappen,
als door de rode verwe welke hy uit-levert. ’t Hout dezes Booms, wrijft
men aan een ander hout van den zelven aard, en zo bekoomt men ’er vuur
van; gelijk by ons uit staal en vuur-steen. De bast dient tot
Touw-werk, ’t welk sterker is als ’t geen men uit Hennip werkt. De rode
kernen uit de vrugt zijn koud, droog en een weinig zamen trekkende; dit
werp men in warm water, ’t welk men roerd, tot dat het de roodheid der
gedagte kernen na zig heeft getrokken. Hier na maakt men ’er kleine
Koekjes van, welke niet alleen een treffelijk Heel-middel is tegens
alle onordentlijke Bloed-vloeden, maar ook onder de spijze gemengt
zijnde de zelve een aangename smaak en lieflijke verwe geeft;
inzonderheid komenze met deze hare deugd de Chocolate te nut, in eene
zekere maat daar by gedaan werdende, konnende dan deze drank veel
zekerder gebruiken, gevende kragt tot reininge des bloeds en sterkinge
des ingewants.
[Musa.] Musa, een Indiaans Gewas of Boom, ’t wast ontrent zes of zeven
ellen hoog; de bladeren zijn gelijk die van ’t Zuiker-Riet, breiden zig
ook zodanig uit datze zomtijds een gansche el lang en een halve el
breed zijn, in ’t midden door trokken van eene brede rib. In de Zomer
verwelken deze bladeren, ’t zy van zelfs of van de grote hitte, zo
datze gezamentlijk afvallen; en in de Herfst of Groten Regen-Tijd
alleen de blote ribben overig laten. De vrugten zijn niet groot, en
rijp wordende zo krijgenze een geel bleke verwe; uitwendig zijnze met
een huit overtrokken de Vijgen, welke zig met de vinger laat afstropen.
Daar is nog kern nog zaad in; als men ze eet zo schijnenze in ’t eerst
zonder smaak te zijn, maar daar na bevind men ze hoe langer hoe
lieflijker.
[Guabipocacabila, of Pao-vello.] d’ Indiaansche Boom Guabipocacabila,
of anders geheten Pao-vello, wijl zijne basten zeer week en gerimpelt
zijn; als de bloemen afvallen, (’t welk in de Lente of Kleine
Regen-Tijd geschied,) zo volgen daar op zoete, dog krom-gedraaide en
onvormelijke, hulzen; in ’t begin groen, maar na verkregene volle
rijpheid werdenze swart en verrotten. Dezen Boom heeft geen lust aan
beschaduwde Bosschen, maar gebeert van de Zon beschenene Velden, alwaar
hy de voor-by gangers lieflijk verlustigt door zijne zierlijke
bloessemen en reuk, gans aangenaam voor oog en neus. In hout, bast, pit
en gebrekelijkheid, komt hy met de Flier-boom byna over-een; voor aan
de tak gaan lange spruiten uit, en uit de zelve vele telgjes, drie of
vier nevens den anderen; de bladeren zitten altoos twe en twe tegens
over malkanderen aan korte steeltjes, zijn in ’t aantasten hard gelijk
Parkament; uitwendig in aderen en verwe de varsse Salie-bladeren
gelijk. Onder en tusschen de blad-telgjes wassen desgelijks steeltjes,
twe of drie vingeren lang, en aan de zelve twe of vier-en-twintig
bloemen op een trosje, yder aan vijf bleek-gele bladeren, in plaats van
de bloem-lellekens hangen ’er vele draden uit ander halve vinger lang,
de binnenste helft geel, de buitenste rood-agtig en gekruid zijnde.
Deze bloemen maken zig gans aangenaam door haren behaaglijken reuk, en
te gelijk de gehele Boom: de vrugt komt in hulzen, vier of vijf
vingeren lang en voor toegespitst. ’t Marg uit de wortel is wit-geel;
eerst doet men de dunne bast daar van, daar na snijt men ze in stukken,
en men leegt ze in Fontein-water eene gehele nagt lang onder den open
Hemel; dan zo drinkt men ’t voor velerlei gebreken en swakheden des
lighaams met groot voordeel.
[Tzapotl of Chochizapotl.] Tzapotl of Chochizapotl, deze Boom is groot
en van een wild aanzien, zijn loof is als dat van de Citroen-bomen dog
dun; drie en drie bladeren zitten altijd by een. De stam is met witte
vlokken besprenkelt; de bloessem bleek en klein; de vrugt van gestalte
en grote als een Quee, wel lieflijk t’ eten, maar niet zeer gezond,
vermits de kern, des daar aan zittende steens, een dodelijk vergif in
zig heeft.
[Timbo.] Timbo, deze vind men in veelderlei en wonderlijk gevormde
zoorten, ’t werd ook op menigerlei wijs gebruikt en te gelijk
misbruikt; zijnde van een vermakelijke aanschouwinge. Vertonende zig
gelijk Touwen in de Lugt uitgespannen, en schoon hare dikte nauwelijks
die van een duim is, zo verheffen zig egter de takken zo hoog als den
top der aller hoogste Bomen, verootmoedigen dan van boven zig
nederwaarts ter aarde, klimmen dan ander-maal weder op, en formeeren op
deze wijs ontelbare veel zodanige Touwen, waar door ten laasten, uit
deze hoog opklauwterende, gansche toegewassene en byna
ondoordringelijke Bosschen komen te ontstaan. Eenige vind men zo dik
als een Menschen been, nu van een vierkante, dan van een rond figuur.
[Papayo of Papaye.] Papayo of Papaye, is een Boom die zonder takken
groeid, tot de hoogte van vijftien tot twintig voeten, dik na
gelijkmatigheid, hol en sponsie-agtig van binnen, daarom gebruikt men
hem om over-al waar men wil de vlieten van de water-sprongen te leiden.
Daar zijn ’er van twe zoorten, waar van d’eene gemeenlijk gezien word
in vele Plaatzen. Zijne bladeren zijn verdeelt in drie puncten, byna
als het blad van den Vijge-boom, zy zijn gehegt aan lange staarten, die
dik zijn gelijk den duim, en hol van binnen: zy komen uit den top van
den Boom, van waar gebogen zijnde, verscheide vrugten bedekken, die
rond zijn, en van grote als een Quee-peer, zy wasschen rondom den stam,
waar aan ze gehegt blijven.
[Papaye-boom van een ander zoorte.] d’ Andere zoorte van Papaye-boom,
is schoonder en meer beladen met bladeren als den anderen. Maar het
gene hem meer doet agten, dat is zijn vrugt die van de grote is als een
Meloen, en van de gedaante als een Vrouwe borst. Inwendig is ’t vlees
rood agtig en boven-maten zoet, zo morw, dat men ’t met een Lepel kan
uit scheppen; de hoedanigheid is gans koud, ja tot zo verr’ toe datze
te veel gegeten zijnde, een Man tot het Egt-werk onbekwaam maakt.
Dikmaal vind men aan deze Boom Lelijen gelijke bloemen, en te gelijk zo
wel onrijpe groene, als rijpe gele vrugten. Deze Bomen, hebben dit
byzonders, dat zy nieuwe vrugten geven yder Maand van het Jaar. Als men
maar een blad, of een stuk van de stam in d’ aarde werpt, zo schiet dit
gedeelte terstont wortelen, en wast veerdig op tot een zeer groten
Boom. Deze vrugt gesneden in riemen, als Rapen, en gestooft, met een of
ander stuk Gezoute, of Vars of Rook-vlees, Spek of gerookte en
ingeleide Worsten, daar een hongerige eere voor dragen kan.
[Caarobo.] Caarobo, van deze Boom vind men verscheide geslagten, ’t
zaad hier van zig vergelijkende met het Radijs-zaad; gedroogt, gestoten
en met zekere Hars vermengt, geneest de been-breuken en verstruikte
leden. De bladeren werden gebruikt tegen allerlei smerten des lighaams,
zelfs ook tegen de vuile Pokken; dog men moet voorzigtig hier meê
omgaan, na regte maat en gewigte, of anders een wanzinnigheid, of
zeldzame Phantazy verwagten.
[Hoitzxochitl.] Hoitzxochitl, deze is klein maar gans loof-rijk; de
bladeren zijn groter als die van de Myrthen, en met verwondende stekels
gewapend. Is verzierd met kleine ronde Karmosijn-rode bloessems, welke
de Indianen aan een draad rijgen, werdende gebruikt tot Conserven. De
bast pulverizeert men tot verdrijving der lit-tekenen der vuile Pokken.
De kern der vrugt in water gesmolten en in de neus-gaten gedruppelt
zijnde, verzagt de Hoofd-pijn, en neemd weg de Tand-smerten.
[Mandyba-boom.] Mandyba-boom, heeft een stam ontrent een duim dik met
knobbels zes, zeven à agt voeten hoog opschietende; heeft in zig een
marg gelijk dat van de Flier-boom, en geeft een zap of Melk. Boven
heeft deze stam vele takken, en uit de grote spruiten vele kleine
telgen, waar aan drie, vier of meer smalle bladerkens zijn, langagtig
van gestalte, gevormd als een Starre, groen verwig, en de
Pæonien-bladeren niet ongelijk. Deze staat op eene wortel die twe of
drie voeten lang, en zo dik is als een Menschen been, onder aan ’t
einde rondagtig; uitwendig van verwe gelijk de bast der
Hazel-noten-boom; inwendig wit, morw en vol lijmagtig zap, ’t welk een
zeer dodelijk vergif is.
[Govoua.] Govoua, deze Boom heeft een vrugt, in grote en gestalte de
Pompoenen niet ongelijk; ja zo, dat men nauwelijks eene der zelve in de
hand kan houden. Dit gewas snijden de Vrouwen aan stukken, en werpen ’t
in een groot aarde Vat; doen ’er water op en roerent met een stok
geweldiglijk om tot dat het schuim van zig geeft: ’t welke de
Indiaansche Vrouwen gebruiken in plaats van Zeep, en de gedagte
Hang-matten zo wit als Sneeuw mede maken.
[Aloë-boom.] Aloë-boom, ’t welk de Indianen tot kennis hebben; de zelve
is een genoegzaam groten dikken Boom, dragende bladeren die gelijken
naar die van een Persich-boom, dog een weinig groender en blinkender.
De Boom eigentlijk vervat in zijn hart een swart en Oly-agtig hout,
bijtende en van een zeer goede reuk zijnde, wezende die van de dikte
eener Tonne, hebbende hy in zijn hart niet meer dan dit swart hout,
gelijk men pitte in een kleine Amandel-boom van 6. à 7. Jaren van
binnen zoude mogen vinden. Dit hout is heel hart, en waar het swart is
aldaar stuit de Bijl in ’t houwen op af; en gaat te gronde, in ’t water
geworpen zijnde, als een steen.
[Sandel-hout-boom.] Sandel-hout-boom, of by andere genoemt
Roze-bomen-hout, hebbende byna die reuk, bezonder als zy eerst vars
gehouwen is; dog by vervolg van tijd verliest het weder de zelve.
[Tamarinde.] Tamarinde, de bolsters zijn van gedaante byna als de
Roomsche Bonen in hare basten, dog breder en wel groter.
[Bananas-boom.] Bananas-boom, zy klimt in de hoogte van twaalf tot
vijftien voeten uit ’er aarde. De vrugt is lang van twaalf tot dertien
duimen, een weinig gekromt na het uit-einde, dik byna als den arm;
brengt in zijn tros niet meer voort als vijf-en-twintig of dertig ten
meesten, die niet al te digt gedrongen zijn d’ eene tegen d’ andere;
hebben het vlees vast en digt, bekwaam om gebraden te worden, of onder
d’ assche, of in den Pot by de spijze, of gekonfijt, en gedroogt in den
Oven, of in de Zon, om beter bewaart te konnen worden. Om van deze
vrugten te hebben, zo snijd men de Bomen (die niet meer dragen als een
eenige reize in haar leven) by den voet af, en men ondersteunt met een
vork den dikken tros, uit vreze dat hy zoude blutzen in het vallen.
Maar men zet ’er het Sny-mes niet graag in, dan als men bespeurt dat
’er eenige van de Vrugten van yder tros zijn, die een geluwe huit
hebben; want dat is een teiken van rijpigheid: en dan te Huis gebragt
zijnde, zo rijpen d’ andere die nog groen waren d’ eene na d’ andere,
en men heeft yder dag nieuwe vrugt.
[Jak of Gjak.] Jak of Gjak, groeid op geen veel hoger Boom als de
voorgaande; de vrugt gelijk in grote een Pompoen, van buiten is hy
goud-geel, door streept met kloven, vol kernen, daar onder eene steen
die niet wel stukken te kraken is. Deze vrugt is eenigzins
onvermaaklijk in ’t eerst in de mond, als zijnde slijmagtig en klam,
maar geeft een dubbeld goed aan de maag, als zijnde zeer versterkende
en goed voor de lendenen.
[Duroyen.] Duroyen, deze is de Gjak eenigzints gelijk, rond van
gedaante, de aangenaamheid van buiten, is ongelijk die van binnen; op
’t eerste openen geeft het een reuk gelijk als een verrotten Ajuin, ’t
gene men daar van eet is wit-agtig, in twaalf Cellekens door de vliezen
verdeeld, welke gevult zijn met steenen, zo groot als Haze-noten, die
heel wit, en dies te neffens hartsterkende zijn.
[Arak-boom.] Arak-boom, deze groeid in de hoogte gelijk de
Palmites-boom; de vrugt is een sponsie-agtige holle zelfs-standigheid,
boven op met pluimen voorzien, daar de fruit in verborgen hangt, in
zijn kluisters besloten, het heeft de gedaante van een Oker-noot, van
gelijke grote, van binnen wit, dog de schil is niet ligt te breken. Het
heeft nog reuk, nog smaak, en word ook zelden alleenig gebruikt; zijnde
gemengt met de Betel zeer goed voor Colijk, voor swaarmoedigheid, voor
de Wormen, het wekt ook de Venus op, zuivert het ingewand, en voor komt
den honger.
[Boom Aovai.] Boom Aovai genaamt, de zelve stinkt zo misschelijk als of
het Knoflook waar, dan als de zelve afgehouwen word kan men kwalijk by
de stank duren. Zijn vrugt is mede de Kastanie gelijk, dog heel giftig;
maar de Wilden houden de zelve in eeren, dan zy maken hare Rasselen
daar van.
[Hivourac.] De Boom Hivourac, wiens bast zo dik is als een vinger; is
een vrugt die niet wel gelijkenis kan gegeven werden, dog van een zeer
goede smaak als die vars plukt.
[Ehonne.] De Boom Ehonne is redelijk hoog, als een Lauwerier; dier
zelver gewas is groen, en geformeert als een Hoender Ey, makende daar
ook wel hare Maraka uit.
[Cujeté.] De Boom Cujeté, deze draagt een vrugt als een Appel, twe
vuisten dik, zijn geformeert als een Kelk, onder in de zelve zijn
kleine kernen als Amandelen, hebben byna ook de zelve smaak; de schalen
gebruiken zy ook tot Kalebassen om uit te drinken.
[Ayri.] De Boom Ayri genaamt, de bladeren zijn den Palmboom gelijk, dog
zijn stam is rondom vol scharpe doornen; wiens vrugt is redelijk dik,
heeft midden in een Sneeuw witte kern, en om t’ eten is hy ook niet
goed. Van des zelfs hout maken de Wilden hare Pijlen.
[Bannijani.] De Boom Bannijani, gelijkende eenige aanmalkanderen
gebonden, welker takken zig van de hoogte of top punt af, wederom in
een regte linie planten, in ’t water, zo wel als in de grond,
spruitende alzo wederom uit eene gehele Akker in ’t ronde, door welke
groeizaamheid gehele Velden als in-gesloten zijn.
[Arabauten.] De Boom Arabauten, is de alderberoemste, voornamelijk
wegens de rode verw, zo de Schilders daar uit maken konnen; hy is in de
hoogte en de menigte der takken de Eiken-boom gelijk. Eenige dier Bomen
zijn zo dik dat zy drie vadem in de ronte houden; aan de bladeren de
Palm-boom gelijk; draagt gene vrugt. ’t Hout is zo hard dat men het
kwalijk splijten kan; in zig zelven van natuur of eigenschap niet
groen, of vogtig, maar droog, zo dat als men het aansteekt geeft het
een weinig rook van zig, en de as valt ook rood, daar een Loge van
gemaakt en wit Linnen daar in genat, zal het zelve ook vast rood
worden, en zodanig dat men het met Zeep niet kan uitwassen.
[Bomen die bekwaam zijn tot Timmeringe.] De Bomen die tot Timmeringe
gebruikt worden, als, Cederen-hout, in twe zoorten. Letter-hout, zo
menigvuldig dat het vervoert word. Wanen, Locus, Bruin-hart,
Groen-hart, Bijl-hout, Bolletrye, geel Spikkel-hout, Krap-hout, Yzer of
Zink-hout, wegens zijn vastigheid.
De Grond-gewassen bestaan ook uit verscheidene zoorten, als hier na zal
blijken.
[De Wortel Openawk.] Voor eerst dan Openawk, zijn ronde wortelen een
grote Boom-neut groot, eenige groter. Wassen aan vogtige plaatzen, en
hangen veel aan malkanderen, als of die met een snoer door trokken
waren: in water of andere vogt gekookt geeft een goede spijs.
[Okerpenauk.] Okerpenauk, deze is mede rond, wast aan dorre plaatzen,
zijn by wijlen zo groot als eene Menschen kop. Wijl zy van een drogen
aard zijn, moeten die vars genoten worden. Deze dienen nog te koken,
nog te braden, etende die in tijd van nood, als het aan andere bekwame
aard-vrugten mancqueert.
[Habascon.] Habascon, deze is een verwarmende wortel, in grote en
figuur de Aard-Appel gelijkende. Men pleeg die ook onder andere spijs
te koken, dan alleenig is deze niet goed.
[Aypi.] Aypi, deze diend niet alleen tot Meel, maar is ook goed om t’
eten. Als men die een weinig in de asse laat braden, word die week, en
barst door de warmte op gelijk Kastanien, hebbende ook gelijke smaak.
[Manioc-wortel.] Manioc-wortel, deze gebruiken d’ Indianen in plaatze
van Koren, van dewelke men een Brood maakt dat tamelijk lekker is, en
dat men Cassave noemt, waar van we te voren iets gesproken hebben. Deze
wortel is zo vrugtbaar dat een bunder Lands, daar mede beplant zijnde,
het meer Perzonen zal voeden als ’er geen zes zouden konnen doen met de
beste Tarwe bezaaid. Zy schiet een krom hout van de hoogte van vijf tot
zes voeten, dat zeer ligt om te breken is, en vervuld met kleine
kwasten; haar blad is smal, en lang-werpig. Ten einde van negen Maanden
is de wortel tot hare rijpheid. Zo d’ aarde niet te vogtig is, kan ’er
de wortel haar drie Jaren in behoeden zonder te bederven: alzo dat ’er
geen Koren-solder nodig is om ’er haar op te leggen, want men trekt
haar uit ’er aarde na de mate dat men haar heeft van doen. Om deze
wortel te doen op-komen, moet men dit hout nemen, en by stokken
snijden, die ontrent een voet lang zijn. Daar na in den Tuin kuilen
maken met een Spâ, en zetten drie van deze stokken op een drie-hoek in
d’ aarde die men uit deze kuilen gegraven heeft, en van welke men een
kleinen verheven hoop heeft gemaakt: Men noemt dit in de kuile planten.
Maar daar is eene andere wijze om den Manioc te planten, dat men noemt
te poten met den In-steker, die vaardiger en gemakkelijker is, dog die
zulk een schonen nog zo wel-geagten Manioc niet voort-brengt. Dit
bestaat niet als in een gat in d’ aarde te maken met een In-steker, en
daar het hout van den Manioc regt over einde in te poten. Maar men moet
agt nemen die plantende, de kwasten niet na beneden te stellen, om dat
als dan de stokken niet zouden voort-schieten. d’ Indianen gebruiken
gene andere wijze: dog om die op zijn tijd te hebben, nemen zy den loop
van de Mane waar, en dat d’ aarde een weinig bevogtigt is. Daar zijn
verscheide zoorten van deze Boomtjes, die niet onderscheiden zijn als
in de verwe van de schorze van haar hout, en van hare wortel. Welkers
schorze grijs; of wit, of groen is maken een Brood van goeden smaak, en
zy groeijen in weinig tijd: Maar de wortelen die zy voort-brengen zijn
van zo goeden bewaring niet, en zy vermenigvuldigen zo niet als die van
den roden of violetten Manioc, die de gemeenste is, de meest-geagte, en
d’ allervoordeligste in de Huishouding. Het zap van deze wortel is koud
gelijk dolle kervel, en het is zo kragtig een vergif, dat d’ arme
Indianen ten vuure en ten bloede vervolgt zijnde door de Spaanjaarden,
en willende een wreder dood vermijden, haar dienden met dit vergif om
haar zelven te doen sterven. Maar ten einde van vier-en-twintig uuren
dat dit zap, zo vergiftig voor allerhande Dieren, uit zijne wortel is
getrokken, zo verliest het zijne boze en gevaarlijke hoedanigheid.
[Patate.] Patate, is eene wortel die byna van de gedaante is als de
Artisiokken onder d’ aarde die men Toupinambous, of Indiaansche
Artisiokken noemt, maar van een veel verheven ’er smaak, en van eene
veel betere hoedanigheid voor de gezontheid. Zy wast tot volkomentheid
in ligte aarde, middelmatig vogtig, en een weinig gebouwt zijnde. Deze
wortelen zijn van onderscheide verwen, en uit een zelve veld zal men
’er dikwils trekken die wit zijn, als de gemeenste; die violet zijn;
die rood zijn, gelijk de Biete-wortelen; die geluw zijn; en die
gemarmert zijn. Zy zijn alle van een uit-nemenden smaak: want aangezien
zy met geen water zijn vervuld, en dat zy zijn gewassen in een
middelmatig vogtig en droog Land, dat van het eene en van het andere
mede-deelt, zo hebben zy den smaak van Kastanien, en zijn van een beter
voedzel als de Cassave, die het lighaam uit-droogt; want zy zijn zo
dorre niet. Gewoonlijk laat men deze wortel braden in een groten yzeren
Pot, op den bodem van dewelke men een klein weinigje water doet: Dan
stopt men zorgvuldiglijk met Lijnwaat het dekzel over-al digt toe, op
dat zy door deze verstikte hitte zouden braden. En dat is den
gemeensten opdis voor de Dienaren en voor de Slaven des Lands; die haar
eten zo uit den Pot komende, met eene zoppe gemaakt van Pyman en
Oranje-zap.
[Pyman of Amerikaansche Peper.] De Plante Pyman of Amerikaansche Peper,
is de zelve die de natuurlijke des Lands noemen Axi of Carive; zy wast
digt, gelijk een klein bosje zonder doornen. Haren stam is over-kleed
met een as-verwige huit, zy draagt verscheide kleine takjes, die
beladen zijn met eene menigte van bladeren, langwerpig, getant en van
verwe als aan-komend groen. Daar zijn ’er van drie zoorten die nergens
in onderscheide zijn als in de gedaante van de schelle, of van de vrugt
die zy dragen. d’ Eene brengt niet als een kleine rode knop voort, die
langwerpig is gelijk een Kruit-nagel, hebbende van binnen een dun zaad,
veel heter als de specerijen die van de Op-gang komen, en byna
in-brandende, het welke deze bijtende hoedanigheid ligtelijk mede
deelt, aan alles daar het by gebezigt word. d’ Andere zoorte, heeft een
veel dikker schelle, en langer, die volkomen Vermillioen word, rijp
zijnde, en als men die in de zaucen gebruikt, maakt zy haar geluw,
gelijk de Safraan zoude doen. De derde, heeft nog een groter schelle,
die dik is, rood gelijk het levendigste Koraal, en die niet eenparig is
vereenigt. Het graan zo scherp niet zijnde, nog zo gekruidet als dat
van d’andere, hangt in het midden. Dit is een van de schoonste vrugten,
die men zoude mogen zien, als hy rijp is. Men gebruikt deze schelle, en
het graan dat ’er in is, in plaatze van Peper, om dat deze vrugt een
verheven smaak geeft byna als die van deze specerije. d’Uitkomsten niet
te min zijn zo loffelijk niet; want na dat hy een weinig op de tonge
heeft gebeten, zo ontsteekt hy het gehemelte door zijne in-bijtende
kragt: in plaatze van de borst te versterken, en te verwarmen, zo
verswakt hy ze, en veroorzaakt ’er verkouwingen.
[Ananas.] Ananas, deze is gehouden voor d’ allerlekkerste vrugt van
geheel Amerika. Hy is ook zo schoon en van zo zoet een reuk, dat men
zoude zeggen dat de Natuur in zijne gunste heeft besteed, alles wat zy
allerzeldzaamst, en allerdierbaarst onder alle hare schatten bewaarden.
Hy wast op een stronk ruim een voet hoog, die bekleed is met ontrent
vijftien of zestien bladeren. De vrugt die tusschen deze bladeren wast,
en die op dezen stronk verheven staat, is zomtijds van grote als een
Meloen. Zijne gedaante komt zeer na-by die van de Pijn-Appel. Zijne
schorze, die verheven is met kleine by-voegzelen in maniere van
schobben, van een bleek groen, met inkarnaat geboord, leggende op een
geluwe grond, is beladen van buiten met verscheide kleine bloemen, die
na de verscheide aangezigten van de Zon, haar bekleden met zo vele
verscheide verwen als men in de Regenboog bespeurt. Deze bloemen vallen
ten dele af, na de mate dat de vrugt rijp word. Maar dat hem meerder
glants geeft, en dat hem heeft verworven den tijtel van Koning onder de
vrugten, is dat hy gekroont is met een groten tros, gevlogten van
bloemen en van verscheide bladeren, vast, en getand, die van een
levendig en blinkend rood, en die hem eene verwonderlijke bevalligheid
geven. Het vlees of de pappe die onder de schorze begrepen word, is een
weinig draad-agtig; maar het versmelt t’ eenemaal tot zap in de mond.
Hy heeft zulk een verheven smaak, en die hem zo eigen is, dat de genen
die hem volkomentlijk hebben willen beschrijven, en dit niet konnende
doen onder een eenige gelijkenis, ontleent hebben alles wat lekker word
gevonden in de blauwe Pruim, in de Aard-besie, in de Muskaat, en in de
Renet-Appel, en na dat zy dit alles hadden gezegt, waren zy gedwongen
te belijden, dat hy nog een byzonderen smaak heeft, die niet ligtelijk
uit-geleid kan worpen.
[Milie of Maïs.] Milie of Maïs, anders Turksche Tarwe, gelijkende wel
de Engelsche Erweten, dog van verscheidene koleuren, zo wit, rood, geel
en Hemels-blauw. Als het tot Meel gestoten is, zo bereid men die met
Gerste Meel. Daar van werd ook een Bier gemaakt, en als men Hoppe daar
toe doet, geeft het heel goed en kragtig Bier. De korrelen zijn zeer
vermenigvuldigende, gevende een korrel wel ruim duizend wederom.
Groeijende van twe, tot zes en zeven voeten hoog; werdende ontrent in
elf of twaalf weken rijp.
[Purgeer-boontjes.] Purgeer-boontjes, by de Christenen bekent, deze
zijn van de grote als een Kersse. Zy groeijen in een dop die als zy
rijp zijn swart is: van smaak byna de Haze-noot gelijk zijnde, ja nog
beter, maar zo hart van kern niet. Deze moeten met voorzigtigheid
gegeten worden, want indien men ’er een vlies, zittende midden in ’t
pit, niet netjes af neemt, veroorzaakt de Mensch grote buik-loop en
elende, en men zoude een geruime tijd met de Broek in de hand lopen. De
nieuwlings in ’t Land komende Vrienden worden gemeenlijk van de
Inwoonders, tot een lachend klugje, daar mede verwellekomt.
[Bonen.] Bonen, wassen ’er van verscheide zoorten. De gemeenste zijn
witte, aan welke d’ eerste Inwoonderen een oneerlijken naam gegeven
hebben om haar gedaante. Zy brengen hare vrugt, die goed is om t’ eten,
zes weken na dat zy zijn geplant geweest. d’ Andere zijn geschakeert
met verscheide schone en onderscheidene verwen, gelijk die men Roomsche
Bonen noemt. Maar d’ aanmerkelijkste om hare zeldzaamheid, zijn die men
noemt Bonen van zeven Jaren, om dat een zelve struik zeven Jaren draag
zonder vermoeid te worden, en breid haar uit op de Bomen, op de Rotzen,
en alles waar zy by kan geraken. En het gene verwonderlijk is, dat is
dat ’er t’ aller tijd vrugt in zijn bloei staat, vrugt groen is, en
vrugt rijp is.
[Water-Meloenen.] De Water-Meloenen, deze wassen dikwils groter als een
hoofd, op eene ronde of ovaalsche gedaante. ’t Is een deftige vrugt en
zeer verfrisschende, en verwekken den honger.
[Tabak.] De Plante van Tabak, de naam voerende na een Eiland in
Amerika, Tabago genaamt. De Karaïbanen noemen haar in hare natuurlijke
taal Y-Ouli, die uit muntende veel daar van houden; leggende rokende
vieren daar van aan ter eere harer Duivelse Afgoden.
[Zijde-kruid.] Zijde-kruid, dit Kruid wast darde half voet en meer in
de hoogte; heeft bladeren byna twe voeten lang en een half voet breed.
Aan de bladeren wast een schone Zijde, zijnde een dun en glimment
vliesje als een Spinne-webbe, maar digt in een, ’t welk men daar maar
af neemt en gehaspelt kan worden.
[Europeïsche Aard-vrugten.] De Europeïsche Aard-Vrugten in deze Colonie
wassende, zijn Comcommers, Krop-zalade, Savoye en Witte Kool, Radijs,
Rammelatzen, Porsselijno, deze groeid in menigte in ’t wild;
Peterzelie, Kervel, Artisiokken, deze worden met Planten uit Holland
over gevoerd; Selderye, Knoflook, en by de Indianen in geen gebruik. Zo
dat van tijd tot tijd alles beter in ververssing word aangelegt als
voor dezen, makende elk Planter een Keuken-Tuin om alles dat mogelijk
is uit Hollandsche zaden voort te brengen.
Niet tegens staande dit alles, en nog in veel menigvuldiger zoorten van
Boom- en Aard-Vrugten te hebben is, en nog dagelijks meerder bezorging
daar over word gedaan, om aan de ververssinge te komen, als een
nootzaaklijk en dienstig werk tot voetzaamheid des Lighaams. En om tot
een beter oogmerk in ’t zelve te geraken, en de voortelinge te
bezorgen, zo worden eerst grote houte Bakken op Palen gestelt, wiens
onderstaande voeten geteerd worden, om te beletten dat de Mieren en
andere gediertens de zaden niet verteren, dat anders van deze
onder-aardsche gasten geschied; zo werd d’ aarde mede geprepareerd om
’t gedierte eerst te doden, en aldus gezuivert in de Bakken gedaan. ’t
Zaad gezaaid en tot Plantinge gekomen zijnde, nagaans in de grond
gestoken en zo zijn verdere wasdom bevordert word; dat met vereis van
eenige moeite wel kan gedaan worden, daar dog de Slaven voor zijn. Zo
dat beleid en oordeel hier veer meer kan bevorderen, in de Natuurlijke
schoot der aarde, als wel in andere Wereld-delen; wijl ’t groeizaam
Land daar toe in staat is om mildadig het vette der aarde, als zonder
Winter koude belet te wezen, aan de nutbare nootdruftige Menschen te
offeren.