Van de Visschen en Zee-gedrogten die op deze Kust gevonden werden.
Hoe grimmelt fluks het strant, wanneer Neptunus benden,
Haar Kanoes volgelaân verblijd ten Oever wenden
Elk water-tand, wel ligt krijgt poes’le water angst,
Is Zee-baard slegts verlieft, ’t puik zootje uit de vangst.
Hoewel het Land rijk in ’t Pluim-gedierte is; zo is het niet minder
verzien van veelderleije zoorten van Visschen, als mede van
Zee-gedrogten; die door de Goddelijke voorzienigheid, zo in Zee als in
de Rivieren, geplaats zijn. De voornaamste dan zullen we hier ter
nederstellen.
[Espadon of swaart-vis.] Espadon of Swaart-vis, die zo genaamt is, ter
oorzake dat hy aan zijn bovenste kaak-been eene verwering heeft van de
breedte van eenen groten Dolk, die aan weder-zijden harde en scharpe
tanden heeft. Daar zijn van deze Visschen waar van die weêrbare
werk-tuigen vijf voeten lang zijn, aan het benedenste einde zes duimen
breed, en aan yderen rijg voorzien met zeven-en-twintig witte en vaste
tanden, en het lighaam groot zijnde na gelijkmatigheid. Zy hebben alle
het hoofd plat en ysselijk, van gedaante als een hert; digt by hare
oogen twe snuif-gaten, daar zy uit werpen het water dat zy hebben
ingeswolgen; zy hebben gene schubben; maar zy zijn op haren rugge
bedekt met eene huit die grauw is, en wit onder den buik, die hompelig
is als eene vijle; ook hebben zy zeven vinnen, twe aan elke zijde, twe
anderen op den rugge, en dan die haar tot eenen steert dient.
[Menaty.] Menaty, een Vis die langs de Rivieren haar zelve voed met
struiken of bladeren van dien. Deze werden van hare Jongen gezogen als
een Koey; smakende meerder na Vlees als Vis.
[Torpedo of Num-eel.] Torpedo, of zo de Engelschen zeggen Num-eel, zo
veel als een beroerde Aal of Paling, dewelke levendig zijnde eenig
ander Schepzel aanrakende, geeft aan alle leden van de zelve eene zulke
doofheid en beroerte, dat zy voor een tijd lang ten eenemaal
ongevoelig; en het is gelooflijk dat verscheide Luiden verdronken zijn,
die het ongeluk gehad hebben dat zy in ’t swemmen over de Rivieren door
zo een Vis geraakt geworden. Zijn ook by andere Kramp-vis genaamt;
staande de Menschen onwetende, wanneer zy door een schielijke bevinge,
(het welk dit Gedierte in de Natuur heeft, en schijnt als gegeven te
zijn tot een middel om daar door zijne vryheid te bekomen,) ademende
zulke koude dampen uit, dat de zelve die het Gedierte aan raken
gelijkzaam alle kragten verliezen. In der waarheid een vreemde en
wonderlijke eigenschap, dewelke ons met geweld dringt vele andere
Natuurlijke dingen, tot nog toe niet aangenomen, te geloven.
[Paling.] Paling, vind men hier wel zo swaar, dat ’er eenige wel dartig
ponden van wegen, die daarom niet te hatelijker, maar boven maten zoet
en lieflijk zijn.
[Reversus.] Reversus, ook Guaican of Keer-weer, deze vis is zo groot
als een grote Aal, heeft agter aan de hals een huit of zakje,
schijnende een grote buidel gelijk; deze houdenze onder aan ’t Schip
aan een touw gebonden, ’t welk zo veel bots werd gegeven dat de Vis
gants bedekt kan blijven van ’t water onder aan de kiel des Schips,
wijl hy de glans van de lugt geenzins kan verdragen. Als nu de
Visschers een grote Vis of een Zee-Schildpad gewaar werden, zo latenze
deze Reversus los, die zo haast hy voeld dat de teugel hem lang word
gelaten, sneller als een Pijl uit een Boog op de Vis konnen swemmen, en
hem met het gedagte zakje zodanig vast houd, dat men hem door geen
geweld den roof kan ontrukken, ten zy men hem allengsken, door ’t weder
in halen des touws, met den buit tot byna boven ’t water trekt, alwaar
hy de lugt gewaar werdende zijnen roof ter stond verlaat; zo haast nu
de Visschers bemerken dat de buit by ’t Schip en haast boven is, zo
springen eenige in ’t water, zo veel als ’er van noden zijn tot
behandeling van den gevangene Vis, en beuren den zelven in ’t Schip;
daar na latenze ’t touw zo verre los, als de Jager behoeft, om weer
zijn vorige plaats onder ’t water te bereiken; dan werd aan een ander
touw een stuk van den bejaagden roof gebonden, en den vanger
toegezonden, tot een beloning van zijne gedane moeite.
[Arend-vis.] Arend-vis, een wonderlijk Schepzel, d’ oogen staan vijf
vierendeel van malkanderen af; van ’t uiterste van d’ eene vin tot het
einde van d’ andere heeft het meerder als vier ellen lengte; een
lelijke wijde mond met tanden voorzien, de steert is lang en dun.
[Zee-Peroketten.] Zee-Peroketten, zijn van schubben als den Karper,
maar van groene verwe gelijk de vederen van een Peroket: waar van ook
komt dat men haar Zee-Peroketten noemen. Hare oogen zijn schoon en
geweldig tintelende, d’ oog-appelen helder als Kristal die omringt zijn
met eenen verzilverden kring, besloten zijnde in eenen anderen, die
esmaragd-groen is, gelijk de schubben van haren rugge; want die van
onder den buik zijn van een geluwagtig groen. Zy hebben gene tanden,
maar hare kaak-beenen van boven en van onder zijn van een vast been,
dat uitnemende sterk is, van de zelve verwe als hare schubben, en
verdeelt in kleine by-voegzelen, schoon om aan te zien; zy leven van
Schelp-visschen, en brijzelen met die harde kaak-beenen, gelijk
tusschen twe Molen-steenen; d’ Oesters, de Mosselen, en d’ andere
schelpen, om haar met het Vlees dat daar in is te spijzigen.
Uitmuntende zijn zy om t’ eten, en zo groot, dat ’er gezien worden die
meer als twintig ponden wegen.
[Panapana.] Panapana, tamelijk lang, op zijn lijf is ’t vel zo ruig,
als een sterke Mans hairen op de hand; deze is een lelijk Monster.
[Kurema, of ook wel Paraty.] Kurema, of ook wel Paraty, een Vis
gelijkende de Barber, swemmende in menigte by malkanderen, schietende
daar door de zelve met de Pijlen, zo zeker, dat zy menigmaal twe en
drie in een schoot treffen; deze Vis gekookt en gebraden is zeer goed,
maar in den aard zagt; men droogt die ook en rijst dan de zelve tot
Meel.
[Lamantin.] Lamantin, deze is onder de Zee-gedrogten goed om t’ eten,
en die men in voorraad bewaart, gelijk men in Europa de Salmen en den
Abberdaan doet. Dit is een Gedrogt dat met den ouderdom tot zulk eene
vreemde grote groeid, dat men ’er gezien heeft die ontrent agtien
voeten lang waren, en zeven dik in het midden van het lighaam. Zijn
hoofd heeft eenige gelijkformigheid met dat van eene Koeije, van waar
komt dat eenige hem Zee-Koeije noemen. Hy heeft kleine oogen, en zijn
huit is dik, van bruine verwe, in eenige plaatzen gerimpeld en
door-zaaid met eenige kleine haartjes. Droog zijnde word zy zo hart,
dat zy mag verstrekken voor eene on-doordringelijke Rondas tegen de
Pijlen van d’ Indianen: ook gebruiken haar eenige Wilden om de Pijlen
van hare Vyanden af te schutten als zy ten strijde gaan. Hy heeft gene
vinnen, maar in hare plaatze heeft hy onder den buik twe kleine voeten,
die yder vier tenen hebben, geweldig swak om den last van zulk een lomp
en swaar lighaam t’ onderschragen; en hy is van genige andere verwering
voorzien. De Vis leeft van Kruid dat wast by de Rotzen, en op de de
Banken die maar ontrent een vadem lengte met zee-water zijn bedekt. De
Wijfjes werpen hare vrugt uit, op de wijze van de Koeijen, en hebben
twe tepels met dewelke zy hare Jongen zogen; zy werpen ’er twe t’ elker
dragt, die haar niet verlaten, totdat zy gene Melk meer van noden
hebben, en dat zy het Kruid konnen afweiden, gelijk hare moeders.
Onder alle de Visschen, is ’er geen die zo veel goed Vlees heeft als
den Lamantin: want men moet ’er zomtijds maar twe of drie hebben om den
last te maken van eenen groten Kanoa; en dit Vlees is dat van een
Land-dier gelijk, kort, blozende, smakelijk en door-lopen met vet, dat
gesmolten zijnde nimmer schimmel. Als het twe of drie dagen in het zout
gelegen heeft, is het beter voor de gezontheid dan vers gegeten zijnde.
Men vind deze Visschen meer voor de mond van de Rivieren van zoet
water, als in de volle Zee. De Lief-hebberen maken groten staat van
zekere steenen die zy in haar hoofd hebben, om dat zy tot stof gemalen
zijnde, de kragt hebben om de Nieren van Graveel te zuiveren, en zelf
om den Steen te breken, die ’er gevormt zoude zijn. Maar om dat dit
hulp-middel fel is, raad men niemant het zelve te gebruiken zonder den
raad van eenen wijzen en ervaren Genees-meester.
[Comonroupony-Ovassou.] Camonroupony-Ovassou, deze is een grote Vis,
heel goed om t’ eten; van deze gedenken zy ook in hare Liederen; ik kan
ze niet wel ergens by gelijken.
[Ovara en Acara-Ovassu.] Ovara en Acara-Ovassu, deze twe zoorten in
onderscheid zijnde de voorgaande niet ongelijk, dog nog beter voor de
mond en gebruik; gelijkende de Ovara zeer wel na de Forellen.
[Acarapet.] Acarapet, deze is een brede Vis als de Braassem, als men
deze kookt zo komt daar een gele vettigheid van; dit gebruikt men wel
voor zout aan Tafel, dewijl die aard in alles aan zig heeft.
[Pira Ypochi.] Pira Ypochi, is zo lang als een Aal, men eetze mede dog
zeer weinig, om dat ze zeer sterk roert.
[Acarabout.] Acarabout, deze is een slijmige Vis, en is de Riet-Voorn
gelijk.
[Philantropia.] Philantropia of zugt tot de Menschen, by den Dolphin te
vergelijken; maar de steen dewelke vast in haar hoofd gevonden word is
van grote waarde, want in Wijn gelegt en nugteren gedronken, is een
bezonder hulp-middel tegens de Steen en Colijk.
[Padde-vis.] Padde-vis, mede een vergiftige Vis; deze wierd haastig
gegeten door de Zee-lieden, een dwalinge die zommige het leven koste;
een al te kostelijke en dierbare betaling, voor een onaangename
Maaltijd. Deze is de Schol niet ongelijk, maar veel swarter gesprikkelt
en lelijk beschildert, en van heel afschrikkelijke gedaante.
Nog een Klip of Steen-Aaltje, Almanachs-visje genaamt.
Een donkere platte Vis met witte strepen.
Een schone Voorn met strepen.
Nog een Voorns gewijsde Vis.
Nog een Indiaansche kleine Klip-vis, of Donderpad, met donkere grijze
vlakken.
Nog een rode Klip-vis.
Een gele platte Vis met donkere strepen.
De blauwe Vis, of Snot-olf genaamt.
[Tamovata.] Tamovata, deze is een span-hand lang, met een grote
ysselijke kop, onder in de mond heeft hy twe steek-vederen als Elssen,
en heel scharpe sterke fijne tanden, en op de rug harde schubben.
De Indiaansche donkere platte Vis.
De kleine Indiaansche Karper, in menigte.
De drie-hoekige Indiaansche Vis.
De vier-hoekige Indiaansche Vis met twe hoorns.
De gele Plat-vis met donkere kruis-wijze strepen,
[Makkerelen.] Makkerelen, deze zoort word van de Engelsche Eilanden,
gezoute als gerookt, in menigte aan deze Kust overgebragt.
[Snoek.] Snoek, die edel van smaak, maar in gedaante tegens de
Hollandsche verschillende.
[Querman en andere zoorten.] Querman, van smaak de Salm gelijk.
Pakkoesjes, Preparie, Warapper, Jammes, Jakjes, schone Baars en Post,
by uitnementheid vet.
[Haaymaar en Bot.] Haaymaar, of anders Cabbeljauw, Bot, en nog vele
zoorten van een (Vis) rijke menigte, als ik geloof ergens in de gehele
Wereld zal gevonden zijn.
De Indianen in vlietende wateren Vis vangende, (eer zy van yzer of
staal waren voorzien) staken zy een zonderlinge Vis-steert, die een
Zee-Kreeft gelijkt, zo inwendig hol is, of van een andere bekwame Vis,
in plaats van Vis-hoeken, aan het einde van haar riet of een stok, met
dewelke zy de Vis by nagt en dagen weten te door-steken en te vangen.
Zy konnen ook van dunne tenen Korven vlegten, die aan de mond of ingang
heel wijd zijn, en hoe langer hoe wijder vallen, dog met een
middel-schot; die zy aan stokken binden en zo in de grond zetten, door
welk middel zy Visschen, dat niet onvermaaklijk te zien is,
overtreffende de Europeaansche Viskonst; werdende door de menigte
gemaklijk de vangst volbragt.
[Homars.] Homars, zijn een zoorte van Kreeften; zo groot dat ’er maar
eenen van noden is om eene Schotel te vullen; haar Vlees is wit en
smakelijk, maar wat hard om te verteren. d’ Indianen vangen haar by
nagt op het zand, of op de platen van de zee; en met de hulpe van een
Toorts-ligt of de helderheid van de Mane, zo door-rijgen zy haar met
eene kleine yzere vorke.
[Kreeften.] Kreeften, deze zijn van de zelve gedaante als die men in
Europa vischt; daar zijn ’er van onderscheide grote, maar d’
ongemeenste zijn die van roof leven. Zy houden haar onder de struiken
van de Bomen aan den oever van de zee: en na het voorbeeld van die
Kik-vorschen die men Vissige noemt, zo verspieden zy uit hare sterkte
d’ Oesters en de Mosselen, om haar tot buit te maken, en zy vangen haar
door eene verwonderlijke listigheid. Die deze is; dat zy bespeurt
hebbende hoe hare tanden en hare verweringen niet sterk genoeg zijn om
de Schelpen te breken, die deze lekkere Visschen dekken: en ook
vernomen hebbende hoe zy verscheide malen op eenen dag hare Schelpen
openen om de versche lugt te scheppen, verspieden zy dien tijd
zorgvuldiglijk, en haar voorzien hebbende met eenen kleinen ronden
Keizel-steen, die zy uit het drijf-zand hebben gekoren, zo houden zy
hem gereed in d’ eene van hare tangen, en naderen by den Oester, of by
den Mossel, laten zy hem met zulk eene gauwigheid vallen in hare
geopende Schelpe, dat zy haar niet weder konnende toe-sluiten, den Vis
tot eenen roof blijft van deze loze jageren.
[Krabben.] Krabben die men Tourlourou noemt, deze zijn wel de kleinste;
haar bast is rood geteikend met eene swarte vlekke, zy zijn tamelijk
aangenaam van smaak: maar ter oorzake dat ’er vele aan te pluizen is,
en weinig af te halen, en dat men ook houd dat zy den bloed-gang voort
brengen, worden zy weinig gezogt als by nood.
[Witte Krabben.] Witte Krabben, alzo genaamt om dat geheel wit zijn;
deze onthouden haar aan de voeten van de Bomen, by den oever van de
Zee, en in gaten die zy in d’ aarde maken, waar in zy haar vertrekken,
gelijk de Konijnen in hare holen. Dit slag zijn de grootste van allen,
en daar worden ’er zodanige gezien, die zo veel Vlees in eene van hare
poten hebben als de grote van een Ey, alzo lekker als die van de
Rivier-Kreeften. Zy vertonen haar zelden by dag: maar gedurende de nagt
komen zy met benden uit hare holen, om onder de Bomen te gaan eten; en
by dezen tijd is het ook dat men haar gaat vangen, met Lantaarnen of
Toorts-ligten. Zy verlustigen haar voornamentlijk onder de
Paretuve-bomen, en onder d’ andere Bomen die aan den oever van de Zee
zijn, en in d’ allermoeraschigste plaatzen. Als men in d’ aarde of in
het zand delft om haar in hare vertrek-plaatzen te zoeken, vind men
haar altijd half-lijfs in het water; even als het meeste gedeelte van
d’ andere Twe-naturige Dieren.
[Beschilderde Krabben.] Beschilderde Krabben, deze zijn de schoonste,
de verwonderlijkste, en de meest-geprezene van allen; zy hebben wel de
gedaante als de voorgaande, maar zy zijn met zo vele verwen
beschildert, die alle zo schoon en zo levendig zijn; dat ’er niet
vermakelijker is, als haar op den vollen dag te zien kruipen onder de
Bomen, daar zy haar voedzel zoeken. d’ Eenen hebben het gants lighaam
van violet verwe, gepluimt met wit; d’ anderen zijn van een schoon
geluw, dat geschakeert is met verscheide kleine grijsagtige en
purper-verwige trekjes, die aan de kele beginnen, en haar slingeren
over den rugge. Daar zijn ’er zelf eenige die op eenen taneiten grond,
bestraald zijn met rood, met geluw, en met groen, dat haar de
rijkelijkste en beste-gemengde verwing geeft die men zig zoude konnen
verbeelden. Men zoude zeggen in haar van verre te zien, dat alle deze
aangename verwen, daar zy natuurlijk mede zijn geëmaillieert, nog niet
droog zijn, zo blinkende zijn zy; of dat men haar nog vers met vernis
heeft uit-gehaald, om haar meer luister te geven. Deze Beschilderde
Krabben, zijn niet gelijk de Witte, die haar by dag niet derven
vertonen: Want men ontmoet haar boven al des morgens en des avonds, en
na den Regen onder de Bomen, daar zy haar met troepen verkwikken. Zy
laten haar ook wel van na-by komen; maar zo ras als men gebaar maakt
gelijk of men haar wilde tegen houden met een roede, (want het zoude te
gevaarlijk wezen daar de handen toe te gebruiken) wijken zy zonder hare
vervolgers den rugge toe te keren, en al af-schuvende zijelinks uit
tonen zy hare tanden; en aanbieden hare opene verweringen, dat die twe
tangen of bijters zijn, die zy aan hare poten hebben, zo beschutten zy
’er het geheel lighaam mede, en zy doen die van tijd tot tijd den eenen
tegen den anderen kletzen, om hare Vyanden schrik aan te jagen; en in
dit postuur winnen zy hare sterkte, die gemeenlijk is onder de wortel,
of in het hol van eenigen verrotten Boom, of in de kloven van de
Steenrotzen.