XII. HOOFT-DEEL.

Van de Visschen en Zee-gedrogten die op deze Kust gevonden werden.

Hoe grimmelt fluks het strant, wanneer Neptunus benden,

Haar Kanoes volgelaân verblijd ten Oever wenden

Elk water-tand, wel ligt krijgt poes’le water angst,

Is Zee-baard slegts verlieft, ’t puik zootje uit de vangst.

Hoewel het Land rijk in ’t Pluim-gedierte is; zo is het niet minder

verzien van veelderleije zoorten van Visschen, als mede van

Zee-gedrogten; die door de Goddelijke voorzienigheid, zo in Zee als in

de Rivieren, geplaats zijn. De voornaamste dan zullen we hier ter

nederstellen.

[Espadon of swaart-vis.] Espadon of Swaart-vis, die zo genaamt is, ter

oorzake dat hy aan zijn bovenste kaak-been eene verwering heeft van de

breedte van eenen groten Dolk, die aan weder-zijden harde en scharpe

tanden heeft. Daar zijn van deze Visschen waar van die weêrbare

werk-tuigen vijf voeten lang zijn, aan het benedenste einde zes duimen

breed, en aan yderen rijg voorzien met zeven-en-twintig witte en vaste

tanden, en het lighaam groot zijnde na gelijkmatigheid. Zy hebben alle

het hoofd plat en ysselijk, van gedaante als een hert; digt by hare

oogen twe snuif-gaten, daar zy uit werpen het water dat zy hebben

ingeswolgen; zy hebben gene schubben; maar zy zijn op haren rugge

bedekt met eene huit die grauw is, en wit onder den buik, die hompelig

is als eene vijle; ook hebben zy zeven vinnen, twe aan elke zijde, twe

anderen op den rugge, en dan die haar tot eenen steert dient.

[Menaty.] Menaty, een Vis die langs de Rivieren haar zelve voed met

struiken of bladeren van dien. Deze werden van hare Jongen gezogen als

een Koey; smakende meerder na Vlees als Vis.

[Torpedo of Num-eel.] Torpedo, of zo de Engelschen zeggen Num-eel, zo

veel als een beroerde Aal of Paling, dewelke levendig zijnde eenig

ander Schepzel aanrakende, geeft aan alle leden van de zelve eene zulke

doofheid en beroerte, dat zy voor een tijd lang ten eenemaal

ongevoelig; en het is gelooflijk dat verscheide Luiden verdronken zijn,

die het ongeluk gehad hebben dat zy in ’t swemmen over de Rivieren door

zo een Vis geraakt geworden. Zijn ook by andere Kramp-vis genaamt;

staande de Menschen onwetende, wanneer zy door een schielijke bevinge,

(het welk dit Gedierte in de Natuur heeft, en schijnt als gegeven te

zijn tot een middel om daar door zijne vryheid te bekomen,) ademende

zulke koude dampen uit, dat de zelve die het Gedierte aan raken

gelijkzaam alle kragten verliezen. In der waarheid een vreemde en

wonderlijke eigenschap, dewelke ons met geweld dringt vele andere

Natuurlijke dingen, tot nog toe niet aangenomen, te geloven.

[Paling.] Paling, vind men hier wel zo swaar, dat ’er eenige wel dartig

ponden van wegen, die daarom niet te hatelijker, maar boven maten zoet

en lieflijk zijn.

[Reversus.] Reversus, ook Guaican of Keer-weer, deze vis is zo groot

als een grote Aal, heeft agter aan de hals een huit of zakje,

schijnende een grote buidel gelijk; deze houdenze onder aan ’t Schip

aan een touw gebonden, ’t welk zo veel bots werd gegeven dat de Vis

gants bedekt kan blijven van ’t water onder aan de kiel des Schips,

wijl hy de glans van de lugt geenzins kan verdragen. Als nu de

Visschers een grote Vis of een Zee-Schildpad gewaar werden, zo latenze

deze Reversus los, die zo haast hy voeld dat de teugel hem lang word

gelaten, sneller als een Pijl uit een Boog op de Vis konnen swemmen, en

hem met het gedagte zakje zodanig vast houd, dat men hem door geen

geweld den roof kan ontrukken, ten zy men hem allengsken, door ’t weder

in halen des touws, met den buit tot byna boven ’t water trekt, alwaar

hy de lugt gewaar werdende zijnen roof ter stond verlaat; zo haast nu

de Visschers bemerken dat de buit by ’t Schip en haast boven is, zo

springen eenige in ’t water, zo veel als ’er van noden zijn tot

behandeling van den gevangene Vis, en beuren den zelven in ’t Schip;

daar na latenze ’t touw zo verre los, als de Jager behoeft, om weer

zijn vorige plaats onder ’t water te bereiken; dan werd aan een ander

touw een stuk van den bejaagden roof gebonden, en den vanger

toegezonden, tot een beloning van zijne gedane moeite.

[Arend-vis.] Arend-vis, een wonderlijk Schepzel, d’ oogen staan vijf

vierendeel van malkanderen af; van ’t uiterste van d’ eene vin tot het

einde van d’ andere heeft het meerder als vier ellen lengte; een

lelijke wijde mond met tanden voorzien, de steert is lang en dun.

[Zee-Peroketten.] Zee-Peroketten, zijn van schubben als den Karper,

maar van groene verwe gelijk de vederen van een Peroket: waar van ook

komt dat men haar Zee-Peroketten noemen. Hare oogen zijn schoon en

geweldig tintelende, d’ oog-appelen helder als Kristal die omringt zijn

met eenen verzilverden kring, besloten zijnde in eenen anderen, die

esmaragd-groen is, gelijk de schubben van haren rugge; want die van

onder den buik zijn van een geluwagtig groen. Zy hebben gene tanden,

maar hare kaak-beenen van boven en van onder zijn van een vast been,

dat uitnemende sterk is, van de zelve verwe als hare schubben, en

verdeelt in kleine by-voegzelen, schoon om aan te zien; zy leven van

Schelp-visschen, en brijzelen met die harde kaak-beenen, gelijk

tusschen twe Molen-steenen; d’ Oesters, de Mosselen, en d’ andere

schelpen, om haar met het Vlees dat daar in is te spijzigen.

Uitmuntende zijn zy om t’ eten, en zo groot, dat ’er gezien worden die

meer als twintig ponden wegen.

[Panapana.] Panapana, tamelijk lang, op zijn lijf is ’t vel zo ruig,

als een sterke Mans hairen op de hand; deze is een lelijk Monster.

[Kurema, of ook wel Paraty.] Kurema, of ook wel Paraty, een Vis

gelijkende de Barber, swemmende in menigte by malkanderen, schietende

daar door de zelve met de Pijlen, zo zeker, dat zy menigmaal twe en

drie in een schoot treffen; deze Vis gekookt en gebraden is zeer goed,

maar in den aard zagt; men droogt die ook en rijst dan de zelve tot

Meel.

[Lamantin.] Lamantin, deze is onder de Zee-gedrogten goed om t’ eten,

en die men in voorraad bewaart, gelijk men in Europa de Salmen en den

Abberdaan doet. Dit is een Gedrogt dat met den ouderdom tot zulk eene

vreemde grote groeid, dat men ’er gezien heeft die ontrent agtien

voeten lang waren, en zeven dik in het midden van het lighaam. Zijn

hoofd heeft eenige gelijkformigheid met dat van eene Koeije, van waar

komt dat eenige hem Zee-Koeije noemen. Hy heeft kleine oogen, en zijn

huit is dik, van bruine verwe, in eenige plaatzen gerimpeld en

door-zaaid met eenige kleine haartjes. Droog zijnde word zy zo hart,

dat zy mag verstrekken voor eene on-doordringelijke Rondas tegen de

Pijlen van d’ Indianen: ook gebruiken haar eenige Wilden om de Pijlen

van hare Vyanden af te schutten als zy ten strijde gaan. Hy heeft gene

vinnen, maar in hare plaatze heeft hy onder den buik twe kleine voeten,

die yder vier tenen hebben, geweldig swak om den last van zulk een lomp

en swaar lighaam t’ onderschragen; en hy is van genige andere verwering

voorzien. De Vis leeft van Kruid dat wast by de Rotzen, en op de de

Banken die maar ontrent een vadem lengte met zee-water zijn bedekt. De

Wijfjes werpen hare vrugt uit, op de wijze van de Koeijen, en hebben

twe tepels met dewelke zy hare Jongen zogen; zy werpen ’er twe t’ elker

dragt, die haar niet verlaten, totdat zy gene Melk meer van noden

hebben, en dat zy het Kruid konnen afweiden, gelijk hare moeders.

Onder alle de Visschen, is ’er geen die zo veel goed Vlees heeft als

den Lamantin: want men moet ’er zomtijds maar twe of drie hebben om den

last te maken van eenen groten Kanoa; en dit Vlees is dat van een

Land-dier gelijk, kort, blozende, smakelijk en door-lopen met vet, dat

gesmolten zijnde nimmer schimmel. Als het twe of drie dagen in het zout

gelegen heeft, is het beter voor de gezontheid dan vers gegeten zijnde.

Men vind deze Visschen meer voor de mond van de Rivieren van zoet

water, als in de volle Zee. De Lief-hebberen maken groten staat van

zekere steenen die zy in haar hoofd hebben, om dat zy tot stof gemalen

zijnde, de kragt hebben om de Nieren van Graveel te zuiveren, en zelf

om den Steen te breken, die ’er gevormt zoude zijn. Maar om dat dit

hulp-middel fel is, raad men niemant het zelve te gebruiken zonder den

raad van eenen wijzen en ervaren Genees-meester.

[Comonroupony-Ovassou.] Camonroupony-Ovassou, deze is een grote Vis,

heel goed om t’ eten; van deze gedenken zy ook in hare Liederen; ik kan

ze niet wel ergens by gelijken.

[Ovara en Acara-Ovassu.] Ovara en Acara-Ovassu, deze twe zoorten in

onderscheid zijnde de voorgaande niet ongelijk, dog nog beter voor de

mond en gebruik; gelijkende de Ovara zeer wel na de Forellen.

[Acarapet.] Acarapet, deze is een brede Vis als de Braassem, als men

deze kookt zo komt daar een gele vettigheid van; dit gebruikt men wel

voor zout aan Tafel, dewijl die aard in alles aan zig heeft.

[Pira Ypochi.] Pira Ypochi, is zo lang als een Aal, men eetze mede dog

zeer weinig, om dat ze zeer sterk roert.

[Acarabout.] Acarabout, deze is een slijmige Vis, en is de Riet-Voorn

gelijk.

[Philantropia.] Philantropia of zugt tot de Menschen, by den Dolphin te

vergelijken; maar de steen dewelke vast in haar hoofd gevonden word is

van grote waarde, want in Wijn gelegt en nugteren gedronken, is een

bezonder hulp-middel tegens de Steen en Colijk.

[Padde-vis.] Padde-vis, mede een vergiftige Vis; deze wierd haastig

gegeten door de Zee-lieden, een dwalinge die zommige het leven koste;

een al te kostelijke en dierbare betaling, voor een onaangename

Maaltijd. Deze is de Schol niet ongelijk, maar veel swarter gesprikkelt

en lelijk beschildert, en van heel afschrikkelijke gedaante.

Nog een Klip of Steen-Aaltje, Almanachs-visje genaamt.

Een donkere platte Vis met witte strepen.

Een schone Voorn met strepen.

Nog een Voorns gewijsde Vis.

Nog een Indiaansche kleine Klip-vis, of Donderpad, met donkere grijze

vlakken.

Nog een rode Klip-vis.

Een gele platte Vis met donkere strepen.

De blauwe Vis, of Snot-olf genaamt.

[Tamovata.] Tamovata, deze is een span-hand lang, met een grote

ysselijke kop, onder in de mond heeft hy twe steek-vederen als Elssen,

en heel scharpe sterke fijne tanden, en op de rug harde schubben.

De Indiaansche donkere platte Vis.

De kleine Indiaansche Karper, in menigte.

De drie-hoekige Indiaansche Vis.

De vier-hoekige Indiaansche Vis met twe hoorns.

De gele Plat-vis met donkere kruis-wijze strepen,

[Makkerelen.] Makkerelen, deze zoort word van de Engelsche Eilanden,

gezoute als gerookt, in menigte aan deze Kust overgebragt.

[Snoek.] Snoek, die edel van smaak, maar in gedaante tegens de

Hollandsche verschillende.

[Querman en andere zoorten.] Querman, van smaak de Salm gelijk.

Pakkoesjes, Preparie, Warapper, Jammes, Jakjes, schone Baars en Post,

by uitnementheid vet.

[Haaymaar en Bot.] Haaymaar, of anders Cabbeljauw, Bot, en nog vele

zoorten van een (Vis) rijke menigte, als ik geloof ergens in de gehele

Wereld zal gevonden zijn.

De Indianen in vlietende wateren Vis vangende, (eer zy van yzer of

staal waren voorzien) staken zy een zonderlinge Vis-steert, die een

Zee-Kreeft gelijkt, zo inwendig hol is, of van een andere bekwame Vis,

in plaats van Vis-hoeken, aan het einde van haar riet of een stok, met

dewelke zy de Vis by nagt en dagen weten te door-steken en te vangen.

Zy konnen ook van dunne tenen Korven vlegten, die aan de mond of ingang

heel wijd zijn, en hoe langer hoe wijder vallen, dog met een

middel-schot; die zy aan stokken binden en zo in de grond zetten, door

welk middel zy Visschen, dat niet onvermaaklijk te zien is,

overtreffende de Europeaansche Viskonst; werdende door de menigte

gemaklijk de vangst volbragt.

[Homars.] Homars, zijn een zoorte van Kreeften; zo groot dat ’er maar

eenen van noden is om eene Schotel te vullen; haar Vlees is wit en

smakelijk, maar wat hard om te verteren. d’ Indianen vangen haar by

nagt op het zand, of op de platen van de zee; en met de hulpe van een

Toorts-ligt of de helderheid van de Mane, zo door-rijgen zy haar met

eene kleine yzere vorke.

[Kreeften.] Kreeften, deze zijn van de zelve gedaante als die men in

Europa vischt; daar zijn ’er van onderscheide grote, maar d’

ongemeenste zijn die van roof leven. Zy houden haar onder de struiken

van de Bomen aan den oever van de zee: en na het voorbeeld van die

Kik-vorschen die men Vissige noemt, zo verspieden zy uit hare sterkte

d’ Oesters en de Mosselen, om haar tot buit te maken, en zy vangen haar

door eene verwonderlijke listigheid. Die deze is; dat zy bespeurt

hebbende hoe hare tanden en hare verweringen niet sterk genoeg zijn om

de Schelpen te breken, die deze lekkere Visschen dekken: en ook

vernomen hebbende hoe zy verscheide malen op eenen dag hare Schelpen

openen om de versche lugt te scheppen, verspieden zy dien tijd

zorgvuldiglijk, en haar voorzien hebbende met eenen kleinen ronden

Keizel-steen, die zy uit het drijf-zand hebben gekoren, zo houden zy

hem gereed in d’ eene van hare tangen, en naderen by den Oester, of by

den Mossel, laten zy hem met zulk eene gauwigheid vallen in hare

geopende Schelpe, dat zy haar niet weder konnende toe-sluiten, den Vis

tot eenen roof blijft van deze loze jageren.

[Krabben.] Krabben die men Tourlourou noemt, deze zijn wel de kleinste;

haar bast is rood geteikend met eene swarte vlekke, zy zijn tamelijk

aangenaam van smaak: maar ter oorzake dat ’er vele aan te pluizen is,

en weinig af te halen, en dat men ook houd dat zy den bloed-gang voort

brengen, worden zy weinig gezogt als by nood.

[Witte Krabben.] Witte Krabben, alzo genaamt om dat geheel wit zijn;

deze onthouden haar aan de voeten van de Bomen, by den oever van de

Zee, en in gaten die zy in d’ aarde maken, waar in zy haar vertrekken,

gelijk de Konijnen in hare holen. Dit slag zijn de grootste van allen,

en daar worden ’er zodanige gezien, die zo veel Vlees in eene van hare

poten hebben als de grote van een Ey, alzo lekker als die van de

Rivier-Kreeften. Zy vertonen haar zelden by dag: maar gedurende de nagt

komen zy met benden uit hare holen, om onder de Bomen te gaan eten; en

by dezen tijd is het ook dat men haar gaat vangen, met Lantaarnen of

Toorts-ligten. Zy verlustigen haar voornamentlijk onder de

Paretuve-bomen, en onder d’ andere Bomen die aan den oever van de Zee

zijn, en in d’ allermoeraschigste plaatzen. Als men in d’ aarde of in

het zand delft om haar in hare vertrek-plaatzen te zoeken, vind men

haar altijd half-lijfs in het water; even als het meeste gedeelte van

d’ andere Twe-naturige Dieren.

[Beschilderde Krabben.] Beschilderde Krabben, deze zijn de schoonste,

de verwonderlijkste, en de meest-geprezene van allen; zy hebben wel de

gedaante als de voorgaande, maar zy zijn met zo vele verwen

beschildert, die alle zo schoon en zo levendig zijn; dat ’er niet

vermakelijker is, als haar op den vollen dag te zien kruipen onder de

Bomen, daar zy haar voedzel zoeken. d’ Eenen hebben het gants lighaam

van violet verwe, gepluimt met wit; d’ anderen zijn van een schoon

geluw, dat geschakeert is met verscheide kleine grijsagtige en

purper-verwige trekjes, die aan de kele beginnen, en haar slingeren

over den rugge. Daar zijn ’er zelf eenige die op eenen taneiten grond,

bestraald zijn met rood, met geluw, en met groen, dat haar de

rijkelijkste en beste-gemengde verwing geeft die men zig zoude konnen

verbeelden. Men zoude zeggen in haar van verre te zien, dat alle deze

aangename verwen, daar zy natuurlijk mede zijn geëmaillieert, nog niet

droog zijn, zo blinkende zijn zy; of dat men haar nog vers met vernis

heeft uit-gehaald, om haar meer luister te geven. Deze Beschilderde

Krabben, zijn niet gelijk de Witte, die haar by dag niet derven

vertonen: Want men ontmoet haar boven al des morgens en des avonds, en

na den Regen onder de Bomen, daar zy haar met troepen verkwikken. Zy

laten haar ook wel van na-by komen; maar zo ras als men gebaar maakt

gelijk of men haar wilde tegen houden met een roede, (want het zoude te

gevaarlijk wezen daar de handen toe te gebruiken) wijken zy zonder hare

vervolgers den rugge toe te keren, en al af-schuvende zijelinks uit

tonen zy hare tanden; en aanbieden hare opene verweringen, dat die twe

tangen of bijters zijn, die zy aan hare poten hebben, zo beschutten zy

’er het geheel lighaam mede, en zy doen die van tijd tot tijd den eenen

tegen den anderen kletzen, om hare Vyanden schrik aan te jagen; en in

dit postuur winnen zy hare sterkte, die gemeenlijk is onder de wortel,

of in het hol van eenigen verrotten Boom, of in de kloven van de

Steenrotzen.

Beschryvinge van de volk-plantinge Zuriname · 第 70 / 111 题