Van d’ aanmerkelijkste Vogelen, en andere Gedierten, zo talrijk als
het Land de zelve op geeft.
Alle de werken Gods zijn heerlijk; hy heeft haar alle gemaakt met
wijsheid; het aard-rijk is vol van zijne goederen: maar men moet
bekennen dat onder alle de Schepzelen, die niet boven het gevoelig
leven hebben, de Vogelen, veel luider als eenige andere, d’
on-uitputtelijke rijkdommen van zijne goedheid en van zijne
voorzienigheid verkondigen: En ook dat het voor ons behoorlijk is, door
de zoete gelijk-luidentheid van haren zang, door de beweeglijkheid van
hare vlugt, door de levendige verwen en door alle de pragt van hare
vederen, te loven en te verheerlijken die Oppermogende Majesteit, die
haar zo voordelig heeft op-gepronkt, en verzierd met zo vele zeldzame
volmaaktheden.
[Uwara Piranga.] Uware Piranga, zo groot als een Henne, heeft een lange
nebbe, de beenen als een Reiger, dog in alles niet wel zo lang; heeft
zijn voedzel aan ’t strand der Zee, nestelende op de Klippen. Deze
verandert de koleur zijner vederen wel drie verscheide malen.
[Jacoutin, Jucoupen en Jacouonasson.] Jacoutin, Jucoupen en
Jacouonasson, deze zijn van grote gelijk Kraaijen, en hebben swarte en
ook asgrauwe veren, smaken uittermaten wel.
[Mouton.] Mouton, een zeer kostelijke Vogel, zijnde zo groot als een
Pauw; hare vederen hebben de koleur als de voorgaande, men kan ze ook
zelden bekomen.
[Jambour-mire, Pegassou en Piracuroba.] Jambour-mire, zo groot als een
Veld-hoen.
Pegassou, deze is zo groot als een Duif.
Piracuroba, mede in grote als de Duif, en alle deze drie zoorten goed
om t’ eten.
[Arat-vogel.] Arat-vogel, wiens snavel en klauwen krom zijn, de veren
boven al uit-muntende schoon, alzo dat men oordeelt geen schoonder
bekend te zijn; zo dat de Scheppinge Gods hier ten hoogsten is te zien;
zijnde anderhalf voet lang, deels hoog purpere en rode veren, deels
Hemels-blauw voor ’t geheel. Als deze Vogel in de Zon is, daar hy zig
gaarne houd, zo kan men hem niet genoeg aanzien.
[Canide.] Canide, heeft iets slegter vederen, dog die aan de hals zijn
glimmen als goud, aan ’t lijf en de steert schijnt hoog Hemels-blauw
met goud, in aanzien als een opstaande pool van Fluweel; van deze Vogel
zingen de Indianen mede in hare Liederen. Nestelende meest op de toppen
der Bomen, ontrent de Dorpen meerder als in de Bosschen. Daar uit komt
het dat de Indianen ’s Jaars drie en vier malen deze Vogels plukken,
makende uit deze veren Zijde, die ook hare lighamen wonderlijk daar
mede verzieren.
[Toucau.] Toucau, is de aldervoornaamste Vogel onder alle de andere,
deze is mede zo groot als een Duif, en heeft een steert als een Raaf,
uitgenomen de borst die is Safferaan koleur, en heeft een bleek rode
halsband van Natuur. Dit zelve gebruiken de Landaard mede tot zieraad
als zy Danssen, noemende de zelve Dans-veren; de nebbe van deze Vogel
is groter als de voorgaande, diergelijke weet men niet dat meer bekend
is.
[Swarte Minog.] Swarte Minog, deze hangen hare nesten aan de uiterste
eindens van de takken der Bomen, uit vreze van de diefze Apen, dewelke
de zelve anders vernielen zoude.
[Marganas of Papegaay.] Marganas of Papegaay, deze zijn zo gemeen als
de Duiven, daarom worden die niet geagt, zijnde het vlees hard en zeer
dorre.
[Ponau.] Ponau, is zo groot en van koleur als de Tortel-duif, de borst
rood.
[Quampiam.] Quampiam, deze is zo groot als een Krams-vogel, heeft ook
rode karmosijn veren.
[Gonambucho.] Gonambucho, daar over is mede iets verwonderens, zijnde
niet groter als een Leuwerik, zingende ook lieflijk en helder als een
Nagtegaal, heeft witte glimmende veren; zittende gaarne op de opperste
toppen van de Turksche Tarwe of Milie.
[Ajourons.] Ajourons of Papegaay, de kop is rood, geel en violet, de
vleugels aan ’t einde purper, de steert heel lang, anders zijn die aan
het lijf groen; deze komen weinig in Europa. Zy zijn zeer opmerkende
dat zy niet alleen de spraak verstaan, maar leren zingen en danssen,
doende wat men haar gebied; zijnde ook van de Indianen bezonder geagt,
en beswaarlijk van haar te bekomen.
[Tovis.] Tovis, mede een Papegaay, deze is zo lang als een Snip, heeft
een lange steert met Safferaan verwige veren, anders is hy in ’t geheel
groen over ’t lijf.
[Bijen-vogel.] Bijen-vogel, twederlei groot en kleine, in schoonte
bezonder aangenaam, wezende niet magtiger als een grote Torre of
Hommel; deze zig in de Bosschen hier en daar omdraaijende, vertoont
zulk een menigte van schoonste levende koleuren, dat het onmogelijk is
om ’er genoeg van te schrijven, halende hare voedzel van de Bloemen.
[Dodotono.] Dodotono of Vleder-muis, een naam welke haar gegeven is ten
aanzien harer een-voudigheid; een Vogel dewelke, ter oorzaak van zijn
gestalte en zeltzaamheid, eene Phenix zoude mogen genaamt worden; het
lighaam is rond en in alles vet, veroorzaakt door haar eigen traagheid
en gang; weinig zijn ’er die minder als vijftig ponden wegen; beter om
aan te zien als te gebruiken. Haar gedaante is swaarmoedigheid als
gevoelig van het onregt der natuur haar aangedaan, zo een groot lighaam
te voeren, om gedreven te worden door zulke kleine vleugelen, dat ze
nauwlijks waard zijn de naam te voeren, als niet vermogen het lighaam
van de grond op te heffen; het hoofd is ook verscheide in gedaante, aan
d’ eene zijde gehuift met swarte veren, en aan d’ andere zijde volkomen
naakt, alleenig met een zeer dunne doorschijnende (als wol) vlies;
hebbende onder ’t lijf ligt groene veren; haar oogen zijn rond en
klein, blinkende gelijk Diamanten, d’ andere vederen op ’t boven
lighaam zijn van ’t alderfijnste Dons, haar steert is als een spits
uitstaande knevel-baard eens Mans, de beenen dik, swart en sterk, hare
klauwen en sporen scherp.
[Hallebranches.] Hallebranches, de zelve Vogels leggen hare Eijeren in
’t zand en begraven die in het zelve, zo dat het moeite heeft die te
vinden, dog de wind waaijende komt men de zelve wederom te ontdekken,
deze Eijeren zijn zeer goed om t’ eten, en met de vederen drijven zy
handeling.
[Cormorans of Struis-vogel.] Cormorans of Struis-vogels, deze eten
Serpenten; van deze Vogels houd altoos een der zelver de wagt op dat zy
niet mogten verrast worden; houden haar altoos aan de Zee-kust. Zijnde
zo groot, dat, wanneer eenige daar van by malkanderen zijn en men verre
van daan was, men zoude denken het een Compagnie Soldaten te zijn; de
vederen zijn scharlake verwe, zo door geen konst na te bootzen, gevende
zodanig een glans van haar, dat zy in schijn van glans meest de oogen
verduisteren door ’t flikkeren.
De Indianen houden in grote waarde een zonderling Vogel, die zy zelfs
geen leed doen, maar straffen den gene die hem kwaad bedrijf; zijnde zo
groot als een Duif, heeft as grauwe veren en een klagende treurende
stem, men hoort deze meest by de nagt en ’s daags niet veel. En hebben
een gelove en zeker vertrouwen, aan deze, zo dat de verstorvene
Vrienden de zelve tot haar zenden, als mede dat zy haar lieden geluk by
brengen, en dat zy haar een goede moet geeft om hare Vyanden in den
Oorlog sterker aan te vallen; zy houden ook als zy op hare beduidinge
agt geven, dat zy hare Vyanden in dit leven overwinnen zullen, en na
hare dood hare zielen over ’t gebergte zal vliegen, en met hare Ouderen
als dan in veel vreugde leven.
Men vind een klein Vogeltje wat groter als een Cijsken, diens naam my
onbekend is; men zeide my dat het nooit van Zee en ging, nogte aan Land
kwam, en dat wanneer het Wijfjen d’ Eijeren wilde leggen, ’t zelve uit
het gezigt om hoge vloog en alzo zijn Eijeren leide, namentlijk; eene
t’ elken maal, en dat dit Ey, terwijl het aldus door de lugt
nederdaalde; eer het in Zee viel door de hitte van de lugt word
uitgebroeid, en daar na door de Zee het Schepzel gevoed word, dat
ongemeen in de Natuur te bezeffen is.
[Duivels-vogel.] Een swarte Zee-vogel met lange vleugels, by de
Zee-lieden het Duivels-vogel genoemt, alzo ’t eerder een waarschouwinge
van God is, dat nooit gezien word, dan op het aanstaan van Onweer.
[Tuppin-unbastonis.] Tuppin-unbastonis, is zo groot als een Spreeuw, de
steert is lang met Safferaan-verwige vederen, anders zijnze gans groen.
[Araracanga.] Araracanga, deze zijn zo groot als onze Ravens, hebben
een grote boven platte en brede kop, schone Hemels-blauwe oogen met een
swartagtige oog-appel, en uitwendig een wit oog-lid, ook zijn de
kinne-bakken en ’t onderste deel des snavel wit, ’t welk krom van
gestalte groot, bovenwaarts witagtig, onderwaarts swart, de boven
snavel is ontrent drie vingeren lang, diep en breed; hare voeten en
beenen zijn swart, ’t gansche hoofd, den hals, de borst, ’t lijf, ’t
bovenste der beenen, en ’t onderste des staarts desgelijks; ’t begin
harer vleugelen opwaarts geven een lieflijke rode glans van zig, ’t
overige der vederen tot de helft der vleugelen is groen; ’t laaste
halve deel, tot aan ’t einde der pennen, is gesmukt met Hemels-blauw;
’t einde van de rug na by de steert, gelijk ook de steert zelfs,
bestaat uit ligt-blauwe pluimen, daar evenwel eenige bruine doorlopen,
de lengte dezes steert is van ontrent tien vingeren en strekt zig onder
de vleugelen zeer wijd uit.
[Ararauna.] Ararauna, is de voorgaande in gedaante dog niet in verwe
gelijk, toond een swarte bek, blauwagtige grauwe oogen en swarte
oog-appels, de witte huit by d’ oogen werd geborduurt met swarte
pluimen, gelijk als op ’t konstigste met de naalde gestikt; de beenen
en voeten zijn swart bruin, ’t hoofd heeft voor boven de snavel een
kuifje van groene vederen, onder de onder-snavel aan de keel staan
swarte vederen, ’t overige van de keel, de zijden van hals, de gansche
borst, en ’t onderste deel des lijfs, zijn bedekt met gele pluimen; aan
’t laaste deel des hoofds en hals, desgelijks over de gansche rug en ’t
buitenste der vleugelen, spelen Hemels-blauwe vederen; aan de uiterste
spits der vlerken met geel door-mengt; de steert bestaat uit lange heb
der blauwe pennen, door vlamd van eenige gele, in ’t gemeen zijn de
blauwe onderwaarts swart, en trekken ook eenigzins deze swartigheid van
zig na de zijde toe.
[Tuiete.] Tuiete, deze is de grote der Leuweriken gelijk, en over al
groenagtig, behalven aan den aanvang der vleugelen zijnde zierelijk
blauw, gelijk ook ’t begin van al de slag-vederen.
[Tuipara.] Tuipara, deze is insgelijks zo groot als een Leuwerik,
overal bleek groen, kort van steert, zo dat de zelve te gelijk met de
vleugelen ophoud, de snavel is incarnaat, de beenen grijs-grauw; daar
de bek begint, regt voor de stern, ziet men een Vermillioen verwige
vlek in de gedaante eens halven Maans, byna als een kroon welke beneden
waarts word gezien, maar midden op yder vleugel een rood-gele of oranje
verwige.
[Anarca.] Anarca, heeft eene swart-bruine kromme snavel, boven op ’t
hoofd lever-verwige vederen, aan de zijde nevens de oogen bruine, aan
de krop as-verwige, aan de boven-hals en de zijde groene, aan de buik
bruin-rode, op de rug groene, getekend met een ligt-bruine plek, en de
steert is bleek bruin, aan de rand zit een bloed-rode zoom; ’t overige
der vederen is groen, d’ einden der zelver zijn zee-verwig, de beenen
boven met groene vederen bewassen; onder is de huit grauw, de klauwen
worden swartagtig; waar uit de schoonheid dezes Vogels ligtelijk kan
afgenomen worden.
[Jendaya.] Jendaya, deze is zo groot als een Lijster, heeft een swarte
snavel en swarte beentjes, desgelijks swarte oogen, met een goude ring
daar rondom; de rug vleugelen en steert hebben groene vederen,
door-mengt met zee-verwe, dog de uiterste einden der vlerken werden een
weinig swart; hoofd, hals en borst zijn ligt-geel en rood-geel
gemengeld.
[Tuitirica.] Tuitirica, deze is wat groter, geheel over groen, dog op
den rug en de vleugelen gemenelijk hoog-groener als aan d’ andere delen
des lighaams; de snavel is krom en incarnaat verwig, d’ oogen zijn
swart, de voeten blauwagtig. Deze zoort werd gans tam en gemeenzaam, zo
datze zig met de handen laten vatten, en iemant de spijs uit de hand
halen; leren ook klappen gelijk andere Papegaijen.
[Peroketjes.] Peroketjes, deze zijn niet groter als een Leuwerik,
hebben een grijze kromme snavel, en een keel van gelijke verwe, swarte
oogen, verzierd met een zilver verwige Cirkul; de tong is van de grote
Papegaijen gelijk vormig, boven op ’t hoofd wassen eenige zeer schone
tedere pluimkens uit even als een kam, de beenen en voeten zijn
as-verwig; de steert is geweldig lang, zig uitstrekkende tien vingeren
breed buiten de vleugelen, boven is ze zierlijk rood, gelijk ook het
hoofd, den hals en het onderste deel des buiks, dog aan de borst en
onder de steert, pronken hare vederen met een bleke roos-verwe,
eindigende ten laasten met een vermengde koleur uit Hemels-blauw, wit
en groen aan de vleugelen, heerschet de groene verwe evenwel met
tusschen door-lopinge van eenige rode, welkers helft met roze en oranje
verwe zo lieflijk gemengeld is, datze, wanneer de Zon daar op speelt,
een wonderlijke weêrglans en wel duizend goude glinsterende stralen van
zig werpen, zijnde daarom zeer hoog in waarde geagt.
[Ajurucurau.] Ajurucurau, deze hebben op ’t hoofd een schoon
Hemels-blauw kuifje of mutsje; de keel, gelijk ook yder zijde in ’t
opperste des hoofds, is met lieflijke gele, ’t gansche lijf met een
ligt-groene, verwe verzierd; aan ’t einde der vleugelen tonen zig de
vederen ter eener helft swart, ter andere Safferaan-koleuragtig, ten
dele ook blauw, ten dele hier en gins groen; al t’ zamen zijn zy zeer
schoon en de verwen vind men boven maten wel gezet; de steert is groen,
dog als ze zig uitbreid, met swart, rood en blauw geborduurt. De snavel
of bek uit den grauwen-donker-bruin; d’ oogen zijn swartagtig, om
Cirkeld van een goud-verwige ring.
Daar zijn nog twe d’ eerste zoorte byna gelijk, behalven dat zy een
weinig anders gekoleurt zijn; op ’t hoofd hebben zy een witagtig geel
kapjen, boven de oogen en aan de keel zijnze gans helder geel, aan ’t
bovenste deel des beks een zee-groene vlak.
[Ajurucruka.] Ajurucruka, dragen desgelijks een kuifje op ’t hoofd van
blauw en swart gemengt, en is regt in ’t midden van ’t kapje verzierd
met een gele vlek; onder de oogen zit een gele, aan de keel een
Hemel-verwige plek, de borst is wat groender als de vleugelen en rug,
de steert en d’ einden der vleugelen vallen wat bleek groen, de
uiterste spitzen der vederen bestaan uit een vermengde gele, rode en
donker blauwe verwe; onder aan de steert vermengt zig geel en groen, de
beenen vallen van een as-verwige, op een blauwagtige koleur; de voeten
zijn swaar gespoort.
[Ajuracatinga.] Ajuracatinga, werd de zelfde zoort genoemd; deze
Papegaijen zijn zo groot als middelmatige Huis-hanen, gans rood van
oogen, en by de zelve verzierd met een witte huit, ook met een witte
snavel en witte beenen; de steert is lang en groen.
[Ajuruapara.] Met dit komt gans over-een een ander geslagt, geheten
Ajuruapara, behalven alleen dat ’t wat kleinder is.
[Maracana.] Maracana, is van ’t geslagt der gener welke men Arara
noemd, dog kleinder; zo groot als andere Papegaijen, en van gedaante
den Arara gelijk, heeft ook een even zo lange steert en snavel;
geelagtige oogen, groen verwig over ’t gansche hoofd, hals en
vleugelen, welke koleur egter op ’t hoofd een weinig verbleekt en na
het blauw trekt. De staart is boven met groene, aan ’t eind blauwagtig
en onder met rode vederen verzierd; ook zijn de vleugelen inwendig
rood, uitwendig groen; aan d’ einden donker blauw, en de vleugel begint
met een Vermillioen verwige plek; de beenen en voeten zijn swart, onder
d’ aanvangende snavel zit een swarte vlek; ’t geluit van de stem des
Papegaijs is oe, oe, oe.
[Tuiaputuuba.] Tuiaputuuba, deze is meerder groen en aan het overige
des lijfs bleek groen, dog aan de buik geelagtig en aan de vleugelen
donker groen; de steert is zeer lang, d’ oogen zijn groot, swartagtig
en omringt met een gele kring; boven de swarte kromme snavel zit aan ’t
hoofd grote goud-verwige vederen.
[Manier hoe de Papegaijen gevangen werden en hare nesten.] De
Papegaijen werden op deze manier gevangen en maken hare nesten, als
volgt. Deze Vogelen zoeken voor haar in verre afgelegene Bosschen de
alderhoogste Bomen, om hare nesten daar in te maken, daar ligtenze d’
Indianen uit als zy nog jong zijn. Nestelende in holle Bomen, maken van
buiten een rond gad en leggen twe of drie Eijeren daar in, (de Duive
Eijeren gelijk zijnde) ’t geen regt of afzonderlijk nest, gelijk andere
Vogelen hebben. Dan schoon men de Eijeren betast, zo werdenze egter
daarom van d’ oude niet vergeten, maar even zo gelukkig uitgebroeid als
de onaangeroerde. In Augusty werden de Jongen daar uitgenomen; die dan
vederen hebben gekregen, steekt in yder harer neusgaten een dik
Wormken, en boven op ’t hoofd toond zig gelijk als een oplopende buil,
waar in even zodanig een Worm verborgen zit, dog zy vallen van zelfs na
weinig tijds uit, en ’t gat sluit zig zo wel en digt weer toe, dat men
’t minste blijk teken daar van niet zien kan; haar onderhoud nemenze
van de Boom-vrugten, zo oude als jonge leven in de Natuur zeer lang.