Veelderlei zoorte van Diertjes, zo Ongedierte als andere.
[Water-Slangen van twintig voeten lang.] Men vind hier Water-Slangen,
of anders Lagartos, die twintig voeten lang zijn, de dikte na advenant;
’t is ook waar dat by deze beesten zo veel gevaar niet te verwagten is
als men wel meend, dan als zy geen honger hebben geenzins zo bits niet
zijn als men ’er van kalt. Komende by wijlen ook op ’t Land, wat zy tot
haar voedzel betrappen, ’t geschied met een zeer grote vaardigheid, men
heeft geen exempel dat de Menschen daar van aangevogten worden, konnen
door de grote ook ligtelijk gezien worden, houdende haar verblijf meest
in de oever. Vullende zijne gretige balg met Visschen en borre kikkende
Vorschen. Wanneer de Poel uit droogt, plijtende de grond van hitte, dan
springt deze Slang op ’t droge Veld, en hare rode blikken op slaande,
glipt verwoed van dorst en razende van hitte vervarelijk over de Akkers
henen; dan zoude het my niet lusten onder de blauwen Hemel te slapen,
nogte in de schoot van ’t gras te leggen; wanneer ze d’ oude huit
afgesloopt hebben wederglimt en jeugdig word, of hare Jongen en Eijers
in het nest latende, met hare drie puntige tong tegens de Zon aanleid
en flikkerd.
[Andere van vijf-en-twintig voeten.] Hier te Lande wierd eens een
geweldige grote Slang gevonden, die wel vijf-en-twintig voeten lang was
en middel matig Mans dikte; de koleur meest swart met geel gesprenkeld.
Deze Slang wierd dan van een Christen geschoten, daar zig d’ Indianen
over verwonderden, om dat zy bekenden nooit een zo grote gezien te
hebben. Deze hadde grote schade voortijds gedaan in ’t swemmen dier
Menschen, haar onder ’t water getrokken en gegeten; wordende deze
wrekige Slang, in weer-wraak van d’ Indianen, wederom gegeten.
[Een kleinder slag dog zeer venijnig.] Daar is een andere en kleinder
slag in menigte, daar men zig wel voor hoeden mag dat zy u niet
verrassen, wijl daar eenige zo sterk venijnig onder zijn dat haar niets
te boven gaat; als men daar droevige ervarentheid van gehad heeft, dat
niet alleen Menschen die van haar zijn beschadigt geweest korten tijd
daar na gestorven, maar dat het vlees van de beenen, der gener die zy
gebeten hadden, afgevallen is met stukken binnen vier-en-twintig uuren.
Vele nogtans die estimeren deze slingerende Dieren om de glinsterende
aangenaamheid, nemen haar de angel of om ’t kwaad voor te komen,
latende haar dan zelfs over al hene kruipen; in ’t bezonder de weepsche
Jufferen, dertelende in Min-zieke lusten tusschen de Venus heuvelen van
Cupidos verstandeloze dwalingen, tot aan de meer-poel van dier
onzinnigheid, als of de aanschouwer een behoeder van ’t onwetende kwaad
voorwerp, en navolger tot herstelling dier gevoelige en aanleidende
prikkelingen zijn moeste, zig egter wapenende met een zinneloos gedult
tegen zijne driften. Hier volgen veel veranderinge der Slangen in
zoorten; als
De Pijl-Slang.
De Bloem-Slang.
De groene Oog-Slang.
De kleine Mieren-Slang.
De Slaap-Slang.
De groene Oog-Slang met twe witte strepen.
De Klip-Slang.
De Stink-Slang.
De Ratel-Slang.
De slegte Oog-Slang.
De Buffel-Slang.
De Slang met witte en swarte vlakken.
De donker bruine Stink-Slang.
De Indiaansche Slang zonder vergift.
De Honds-Slang.
De Slang met gele en yzer verwige vlekken.
De Rivier-Slang met verscheide Arabische Characteren.
De grijze Stink-Slang, men kan egter de Slange met stank van Galben
verdrijven.
Men heeft gezien kleine Slangen nieuwlijks uit den dop der Eijeren
gekomen, waar in zy geteeld waren, zijnde pas een duim lang, dewelke na
dat men die hadde bewaart in een Kasse overdekt met papier op dat zy
door geen opening uit en kosten, dog vol van kleine spelde gaatjes op
dat de lugt daar vry in kost; zo zijn zy zo zeer gegroeid in agt of
tien Maanden dat het ongelooflijk is. Wijl dag en nagt even lang
zijnde, de lugt allervolst is van balsemtique ondelen, dewelke haar ook
het meeste voedzel toebrengt; als zijnde in de lugt een verborgene
voedzel voor ’t leven. Hebbende deze kleine Slangetjes niet anders als
alleenlijk de lugt die haar voeden, en niettemin, met deze fijne spijze
wierden zy in minder dan een Jaar langer als een voet en dik na
advenant. Van daar is ’t dat de Natuurkundige zeggen, Cest in ære
occultus vitæ cibus.
[Vijper-Slangen.] De Vijper-Slangen werden alleenig uit de lugt gevoed;
gelijk men zulks ook in andere Serpentjes ondervonden heeft. En de
Manucodiates met de Hay alleen hare voedzel uit de lugt zouden trekken;
en te gelijk heeft men een groot Serpent aangemerkt, dat hy ten
eenemaal blind was, na dat hy, zo men vermoede in ’t Hutje daar hy in
was, zijn oude huit niet konde afleggen. Men derf nogtans in d’ Astomi,
of Volkeren zonder mond, van Plinius niet geloven, dat die by de
ademinge des lugts en de reuk zouden leven: Ook dat de Chamæleoen by de
wind leeft; en de Menschen van Olyinpiodorus alleen by de Zon en lugt
zouden leven, gelijk ons zommige gaarn willen wijs maken. ’t Is eene
andere reden der Menschen, en een andere reden de bloedeloze Dieren, in
natuur en eigen geschapentheid.
[Vledermuizen.] Vledermuizen, schadelijke Creaturen voor Menschen en
Beesten, want zy trekken beide gaar het bloed af, en dat zo behendig
dat men het niet en voelt als door de smerte. Zy zijn van grote als
Duiven, dog een groot nadeel voor de Varkens, om dat de zelve haar de
tepels afbijten.
[Kreuten of Padden.] Kreuten of Padden, het verschrikzel van ’t
Vrouwlijk geslagt, makende ’s avonds, na dat ’er een regen gevallen is,
zulk een barbarische toon, dat haar Artem Musicam, hoe ongelijk die ook
is, gelijkt wel gekerm en gesteen van zieke Menschen.
[Kakkerlakken.] De grootste Kakkerlakken hebben de lengte van een duim,
zy zijn bruin en plat van lijf, derhalven bekwaam om door te eten in
Kisten en Kasten te komen, en doen veel schade aan Linnen en Wollen;
als mede aan Parkement en omslagen van Boeken. De Schepen die na ’t
Vaderland gaan hebben ’er ook grote over last van, want zy komen
zomtijds by menigte uit de Bosschen, en verhouden haar in alle hoeken
en gaten. Zy komen eerst met den avond te voorschijn, hebbende
vleugelen gelijk een zoort van Torren.
[Muskita.] Muskita, een zoort van Muggen, daar van men onaangenaam
word, aangetast, als of zy in hare dunne magere huit eenige oncen bloed
wilde verbergen; hebbende lange diefze prikkels, met deze kwanten heeft
men de meeste aanvegting, als wanneer men eerst in ’t Land komt.
[Makers, Moepieren en Vliegen.] Makers, Moepieren en Vliegen, die, als
zy ’s avonds swerven in de Bosschen, een ligt van zig geven als of men
Keersjes van verren ziet.
[Petattes-luizen.] Petattes-luizen, deze onthouden haar in ’t gras, en
lopen de Perzonen die ’er door gaan by de beenen op, gaan of kruipen
tusschen vel en vlees, ’t geen een grote jeukte door de leden
veroorzaakt; men kan ze schier door de kleinte niet zien.
[Grote schade die de Hout-luizen doen.] Hout-luizen, deze zijn by grote
menigte in de grond onder de floeren van de Huizen, en leven van ’t
hout t’ eten. ’t Is het schadelijkste Gedierte van ’t gansche Land,
want als ’t gebeurt dat ’et veel Regend, en het water de grond over al
door nat gemaakt heeft, dan komen ze uit de grond opzetten, lopen by de
stijlen en wanden van de Huizen op, en eten over al het hout waar haar
loop is hol; zomtijds gebeurt het ook wel datze in een Kist of Kast
komen, en eten al het goed dat ’er in mogte wezen binnen eenige uuren
te schande, ja zo dat ’er niet een heel stuk weer uitkomt; want ze
lopen niet by 10. of 20. maar by honderden, en gaan al gedurig heen en
weder gelijk de Mieren; haar grote komt met de Zurinaamsche Mieren
over-een, maar zy zijn wat dikker van gat. ’t Is gebeurt dat zeker
Gouverneur op een nagt, van deze Hout-luizen, voor vier duizend Guldens
aan goederen op-gegeten wierd; door dien hy eerst in Zuriname was
gekomen, en het middel dat ’er voor gedaan word had hy zo ten eersten
niet by der hand. De Kisten en Kasten moeten op hoge voeten staan, en
die weer in Lodene of Kopere Bekkens met water gevuld, indien ze dan by
voornoemde Bekkens op lopen zo verdrinken ze; dit is wel ’t bekwaamste
middel dat ’er voor gedaan kan werden. Zommige nemen ook wel Teer of
Terpentijn, en besmeren daar mede de voeten, alwaar het goed opstaat,
zo lang het nat blijft is het goed, maar door de grote warmte droogt
het zeer gauw en daar moet gedurig op-gepast werden.
[De Mieren.] De Mieren zijn hier ook in grote menigte, en vallen veel
groter als in Europa; ze lopen by de Bomen op, wanneer ze spijs gebrek
hebben, en eten al de bladeren van de zelve af, ’t geen konstig van
haar gedaan werd, want boven op haar hoofd is een scherpte even als een
Scheer, waar mede zy stukken uit de bladeren knippen als een halve lid
van een vinger groot, en dat dragen ze op ’t hoofd na hare nesten; als
d’ eene Boom kaal is dan gaan ze weer na een ander. Door de grote
menigte, die ze uitmaken, en het gedurig heen en weder lopen, werd het
gras zo vertreden en vernield, als of ’er het zelve nooit geweest was.
[Malebonsse.] Malebonsse, een zoort van grote Bijen die geen Honig
geven, deze hebben haar verblijf in de Huizen, en gewapend met
venijnige angels.
[Bijen.] Bijen die Honig winnen, daar men een verblijfplaats voor moet
zoeken dat die voor de wind beschut zijn, om haar aas dies te beter t’
Huis te brengen. Men moet ontrent de volle Korven geen gespikkelde of
glibberige Hagedissen leggen, want deze vangen de Bijen met de bek om
hare Jongen daar lekkerlijk mede te aazen. Dezen Bijen-Honig is heel
helder en klaar, trekkende na het groen, gesloten zijnde in beurskens
(even als der oude Kooplieden stok-beurssen die een hand-vatzel hadden,
en daar veel beurskens aan vast zijn,) daar deze Honig met een vlies of
vel om zat, zijnde een zuivere vogtigheid. Wanneer men nu deze
beurskens op brak, kwam de Honig alleen uit het zelve lopen en niet uit
de andere, als elk gesepareert zijnde. Doende het eene naar het andere
open, en stortende de Honig daar uit in een Kalebasje, zijnde het zelve
een zeer uitnemende aangenaam zoet.
Dies te neffens vind men ook zo wit als Sneeuw, klaar en mede van een
goede smaak, maar grof gekorrent tegens de vorige, zijnde als een zeer
kostelijke Balssem. Deze Bijen zijn stroo geel van verwe, klein en
lang; vallende niemant in eeniger mate lastig, zelfs niet op de plaats
om deze Honig te bekomen. d’ Indianen gebruiken deze zoort tot
genezinge (in compositie) van wonden.
[Mantes of Sprinkhanen.] Mantes of Sprinkhanen, hebben een lange hals
gelijk de Kamelen, een glad lighaam nauwelijks een vinger lang aan
beide einden spits toe lopende, midden op de rug gaat in de lengte eene
merkelijke streep, met ter zijden afgaande kleine streepjes, gelijk d’
aderen in de Boom-bladeren; ’t hoofd maakt een drie hoek, op ’t zelve
steken twe hoorntjes uit; d’ oogen staan uitgepuild, zijnde donker
swart; de beenen zijn zes in getal, twe staan ’er boven by aan de hals
zo lang als een vinger met drie gevrigten, en aan d’ einden bezet met
kleine subtijle tandekens of spitzen; de twe paar andere zijn bleek
groen, gelijk een paar armen van haar t’ zamen gelegt, en opwaarts
gehouden werden, gelijk twe Menschelijk t’ zaam gevoegde en na den
Hemel verhevene handen.
[Spinnekoppen.] Spinnekoppen, groot en kleine in getal, daar zijn ’er
welke in ’t geheel meerder plaats besloegen als de palm van een hand,
’t lighaam alleen heeft de grote van een Rijksdaalder. Men vind egter
niet dat zy Menschen schade doen. Eenige Negers in passant een ziende
eten die voor hare lust, welk bancquet men niet hoort dat haar iemant
ontsnoept.
[Schorpionen.] Schorpionen, deze zijn swart, gelijkende wel een Kreeft,
schuilende meest in droog Hout of Koorn. Haar vergiftige prikkel is de
steert, werdende het Genees-middel genomen van het Schepzel zelven. Nog
vind men deze na-volgende zoorten:
De Indiaansche Mol.
De Hamerling.
De Indiaansche Kat met een Beere mond.
De Indiaansche Hemp-haan.
De Muis.
De Zee-Rot.
De Vijper, Tricoleur genaamt.
De Indiaansche Sallamander, Gecco genaamt.
De Indiaansche Zijde-worm.
Veel grote Ruspen in zoorten.
De Indiaansche Egel.
De rode Eekhoorn.
De grote Indiaansche Miere-eter of Duivel.
Vele goude en andere zoorten van Torren.
De witte Indiaansche Egel.
De Zurie-Kat.
De Zee-Kat met een schild.