Van de viervoetige Dieren, zo wilde als tamme, die op de Kust van
Zuriname gevonden werden.
[Van de Tygers.] Van de wilde Dieren die op deze Kust gevonden werden
zijn de Tygers de gevaarlijkste, deze plagten de Europeanen veel
overlast te doen, maar zedert dat ’er altemets eens Jagt is opgemaakt,
zijn ze verder Landwaarts opgeweken.
[Tyger-katten.] Tyger-katten of de gevlogte Tyger, zijnde een kleinder
zoort.
[Wilde Varkens.] Hier aan volgen de wilde Varkens, die hier redelijk
veel zijn, haar hair of borzels is ongelijk veel dikker al dat van d’
Europesche, want het schijnen eerder pennen, die op het end heel scherp
zijn, als hair. Deze werden van de Zurinaamsche opgevoet, nog klein
zijn, gelijk als tamme Verkens, werd haar ook mede een naam gegeven, en
als ze geropen werden zo komenze aanlopen en strijken tegen de beenen
van haar Opvoeder aan, werden gestreeld gelijk de Honden.
[Pinco.] De Pinco is niet zo groot als ’t wilde Verken, maar wel in
edelheid in vele overtreffende; zijnde deze zoorten ook zeer
menigvuldig, en heb die gezien in driften van 40. à 50. stuks by
malkanderen. Deze gebruiken gene omwegen in de ren, maar lopen in alles
regt uit regt aan, door Wateren, Huizen en Menschen, wijkende voor
niets; leggende de snuit malkanderen agter op de heup, en zo daar een
of meer uitgeschoten worden sluiten de andere wederom.
[Buffels.] Buffels, deze zijn zo groot als Koeijen, hebbende een vlees
als Osse of Koe-vlees, wegende 500. à 600. ponden swaar, zijnde zeer
goed en nutbaar om t’ eten.
[Ossen en Koeijen.] Ossen en Koeijen, maar zo menigvuldig niet dat de
Vlees-houwers daar veel zoude te doen hebben.
[Harten.] De Harten worden veel tijds van rode of swarte Slaven
gevangen, want de Planters hebben gemeenlijk een of twe swarte, dog
meestendeel rode (om dat die het Land best kennen) Slaven, die
dagelijks op de Jagt en uit Visschen gaan. Die van Parimaribo, zo ze in
staat zijn, houden hier toe ook een of twe; dog liefst hebben zy
Karaïbanen, want deze haar grootste vermaak is om te Jagen en te
Visschen; wanneerze swaar werk, gelijk de swarte Slaven, moeten doen
dan lopen zy weg.
[Kabritjes of Rheën.] Kabritjes of Rheën, deze werden by de Borgers en
Planters opgevoet als ander tam Vee, zijn niet groter als een gemene
Bok; haar vlees is heel lekker, en zy bletteren als Schapen.
[Hazen.] De Hazen zijn hier ook wel te hebben, maar van een ander slag
en maakzel; de rug is bruin vermengt met witte stippen, de poten en
ooren kort, zulks dat zy in ’t geheel geen gelijkenisse na andere
hebben; de smaak is zeer delicaat en niet wild, zijnde het vlees heel
en al als Kalfs-vlees.
[Konijnen.] Konijnen, deze zijn zo aangenaam niet als de Vaderlandsche,
hoewel deze nog zo blank zijn, ’t vlees veel droger, derhalven niet zo
smakelijk. De kop alleen gelijkt iets na de Vaderlandsche Konijnen, zo
men ’er egter de ooren af uitzondert, dewelke even als de poten heel
kort zijn, ’t hair is doorgaans grauw.
[Krocodillen.] Krocodillen zijn niet heel groot, en ook ziet men ze
zelden.
[Quotoes.] Quotoes, deze is swart en eenige manier als de Apen, dog wat
groter met een lange steert, waar mede zy zig van d’ eene Boom na d’
andere swengt; zy hebben een rood bakkes, het hair over ’t voor-hoofd
hangende ziende uit als een oud grimmig gedrogt.
[Cuscary.] Cuscary, deze is mede swart en kleinder, al om geschapen in
gelijkheid van de Leeuw.
[Bos-dier Hayi.] Het Bos-dier Hayi, deze is zo groot als een Hond,
heeft mede een aangezigt als een Meer-kat, ook een hangende buik ligt
grauw, een zeer lange steert, wonderlijke plompe voeten als een Beer,
lange klauwen, en schoon het zeer wild is zo werd het dog ligtelijk
getempt, als het gevangen is; wegens de lange klauwen spelen de
Indianen daar niet mede; dit Dier heeft men nog in de Bosschen, nog in
de Huizen, ooit zien eten.
[Marmazet.] Marmazet, deze is een klein aardig Diertje van een gele en
groene koleur, veel kleinder als een Aap, nogtans beheerst het alle de
andere Boom-danssende Aperige gezellen, op hare rug, rijdende,
springende de dienaars van deze Marmazet van d’ eene Boom op d’ andere,
haar daar-en-boven de spoor gevende met haar in de ooren te bijten, zo
dat zy zelfs niet konnen afgesmeten worden, om dat zy zeer vast houden.
[Tatu.] Tatu, deze is een span hoog en anderhalve span lang, en over
al, tot zelf aan de buik, gewapend met schilden op malkanderen
sluitende met leden, als of het een Harnas ware; heeft een lange spitze
mond, een lange steert, onthoud zig by de Steen-klippen; zijn spijze is
eenig klein Gedierte als Mieren, en diergelijke Aard-diertjen, nogtans
hebben de zelve goed en vast vlees.
[Serwoy, ook wel Cerigons.] Serwoy, ook wel Cerigons, deze is wit,
swart en grauw, gelijkende een Kat, heeft ook een steert. Werpende
gemeenlijk zes Jongen, heeft een buidel met een snee of opening in de
buik een halve span lang, en inwendig des splits heeft het nog een vel,
dan de buik is hem niet open, en inwendig in de splits heeft het de
tepels, en waar het heen gaat draagt het de Jongen inwendig in de
splits, daar de zelve toe in en uit komen tot zy gaan konnen.
[Coaty.] Coaty, deze is van de grote als een Haas, heeft een aangezigt
als een Meer-kat, een hangende buik, kleine spitze ooren, een kleine
kop, en de mond is van d’ oogen af langer als een voet, na voren spits,
byna over al even dik; het heeft een enge bek, zo dat men kwalijk een
kleine vinger daar kan in steken; als het gevangen word trekt het alle
vier voeten by malkanderen, en men kan die met geen middel opbrengen.
[Pag of Pague.] Pag of Pague, is mede een wild Dier, tamelijk hoog,
hebbende eene wonderlijke gestalte van hoofd, een zeer schoon vel met
witte as-grauwe en swarte vlakken. Als men het in Europa hadde zoude
het veel in waardy zijn, maar word weinig gevangen.
[Tovous.] Tovous, deze is een Otter gelijkende, as-grauw van koleur en
spriklig bond, zijn voeten lang, redelijk dik, dog onaangenaam in ’t
gezigt; houdende zig in de grond in vlietende wateren, doende geen
Menschen schade; deze zijn boven alle zeer mals en aangenaam van vlees.
[Lootsmannen.] Lootsmannen, deze is klein dog in alles de Apen
gelijkende, hebbende lange nette baarden onder de kin, waar door zy
vertonen een zekere zoort van deftigheid.
[Bakkers.] Bakkers, worden zo genaamt, om dat zy de voorste poten zo
bewegen als iemant die Deeg kneet.
[Janovare.] Janovare, zijnde een knije hoog en zo veerdig als een
Wind-hond, heeft onder de keel haire in een bos, zien in gedaante als
een Vos; de Wilden vrezen het bezonder; levende van de roof als de
Leeuw, zy moeten het in ’t leger-stee overvallen om met de Pijl te
schieten, anders konnen zy het niet bekomen.
[Kaboutermannen.] Kaboutermannen, een zoorte van Aapjes, hebbende
mogelijk die naam gekregen van hare veerdige sprongen door de Geboomte,
dan ziet men die hier dan wederom daar, en dat met zulk een
geswindigheid dat men daar het oog nauwlijks op kan houden.
[Doodshoofjes.] Doodshoofjes, ook Aapjes, zeer zoete en aangename
beesjes, zy zitten gemeenlijk op grote Apen, welke zy als zy honger
hebben zo lang bijten tot dat zy haar op een vrugt-dragende Boom
brengen, daar zy t’ eten konnen bekomen.
[Leguanen.] Leguanen, deze zoort zijnder ook zeer veel, wegens de
koleur en maakzel de Hagedissen gelijk, zijnde buiten de steert wel
anderhalf voet lang. Zy leggen gemeenlijk in de dartig Eijeren daar
maar een vlies om zit, die, om te nuttigen, in alle gebruik zeer goed
zijn.
[Meer-katten.] Meer-katten, deze hebben een lange baard, als de
Zee-gebokken, daar van eenige rood zijn, springende met aardige
posturen op de Bomen.
[Sagovin.] Nog een zoorte van Meer-katten, Sagovin genaamt, deze is
rood en zo groot als een Eekhoorn, heeft anders een mond, borst, hals
(en andere leden) als een Leeuw, is bemind om zijn schoonte; ’t is zo
teer en swak dat het het dijnen van de Schepen niet kan uitstaan; zijn
in haar zelfs hoogmoedig, zo dat als men het in ’t minste benadeelt en
vertoornt, zo zoude het sterven.
[Hagedissen.] De Hagedissen zijn hier overvloedig veel, en groen van
koleur; konnen mede onder de viervoetige Dieren gerekend werden:
Wanneer ze Menschen vernemen, daar zullen ze snel voor weg lopen;
zijnde een teken van bangheid.
[Schildpadden.] Schildpadden, hoewel ze meest in ’t water haar verblijf
hebben, zijn mede verzien met vier voeten, en daarom hier ook
by-gevoegd. Veel werden ze hier niet gezien, maar die gevangen werden
zijn al vry groot; ’t vlees is heel lekker en smaakt even gelijk als ’t
Kalfs-vlees.