IX. HOOFT-DEEL.

Van de viervoetige Dieren, zo wilde als tamme, die op de Kust van

Zuriname gevonden werden.

[Van de Tygers.] Van de wilde Dieren die op deze Kust gevonden werden

zijn de Tygers de gevaarlijkste, deze plagten de Europeanen veel

overlast te doen, maar zedert dat ’er altemets eens Jagt is opgemaakt,

zijn ze verder Landwaarts opgeweken.

[Tyger-katten.] Tyger-katten of de gevlogte Tyger, zijnde een kleinder

zoort.

[Wilde Varkens.] Hier aan volgen de wilde Varkens, die hier redelijk

veel zijn, haar hair of borzels is ongelijk veel dikker al dat van d’

Europesche, want het schijnen eerder pennen, die op het end heel scherp

zijn, als hair. Deze werden van de Zurinaamsche opgevoet, nog klein

zijn, gelijk als tamme Verkens, werd haar ook mede een naam gegeven, en

als ze geropen werden zo komenze aanlopen en strijken tegen de beenen

van haar Opvoeder aan, werden gestreeld gelijk de Honden.

[Pinco.] De Pinco is niet zo groot als ’t wilde Verken, maar wel in

edelheid in vele overtreffende; zijnde deze zoorten ook zeer

menigvuldig, en heb die gezien in driften van 40. à 50. stuks by

malkanderen. Deze gebruiken gene omwegen in de ren, maar lopen in alles

regt uit regt aan, door Wateren, Huizen en Menschen, wijkende voor

niets; leggende de snuit malkanderen agter op de heup, en zo daar een

of meer uitgeschoten worden sluiten de andere wederom.

[Buffels.] Buffels, deze zijn zo groot als Koeijen, hebbende een vlees

als Osse of Koe-vlees, wegende 500. à 600. ponden swaar, zijnde zeer

goed en nutbaar om t’ eten.

[Ossen en Koeijen.] Ossen en Koeijen, maar zo menigvuldig niet dat de

Vlees-houwers daar veel zoude te doen hebben.

[Harten.] De Harten worden veel tijds van rode of swarte Slaven

gevangen, want de Planters hebben gemeenlijk een of twe swarte, dog

meestendeel rode (om dat die het Land best kennen) Slaven, die

dagelijks op de Jagt en uit Visschen gaan. Die van Parimaribo, zo ze in

staat zijn, houden hier toe ook een of twe; dog liefst hebben zy

Karaïbanen, want deze haar grootste vermaak is om te Jagen en te

Visschen; wanneerze swaar werk, gelijk de swarte Slaven, moeten doen

dan lopen zy weg.

[Kabritjes of Rheën.] Kabritjes of Rheën, deze werden by de Borgers en

Planters opgevoet als ander tam Vee, zijn niet groter als een gemene

Bok; haar vlees is heel lekker, en zy bletteren als Schapen.

[Hazen.] De Hazen zijn hier ook wel te hebben, maar van een ander slag

en maakzel; de rug is bruin vermengt met witte stippen, de poten en

ooren kort, zulks dat zy in ’t geheel geen gelijkenisse na andere

hebben; de smaak is zeer delicaat en niet wild, zijnde het vlees heel

en al als Kalfs-vlees.

[Konijnen.] Konijnen, deze zijn zo aangenaam niet als de Vaderlandsche,

hoewel deze nog zo blank zijn, ’t vlees veel droger, derhalven niet zo

smakelijk. De kop alleen gelijkt iets na de Vaderlandsche Konijnen, zo

men ’er egter de ooren af uitzondert, dewelke even als de poten heel

kort zijn, ’t hair is doorgaans grauw.

[Krocodillen.] Krocodillen zijn niet heel groot, en ook ziet men ze

zelden.

[Quotoes.] Quotoes, deze is swart en eenige manier als de Apen, dog wat

groter met een lange steert, waar mede zy zig van d’ eene Boom na d’

andere swengt; zy hebben een rood bakkes, het hair over ’t voor-hoofd

hangende ziende uit als een oud grimmig gedrogt.

[Cuscary.] Cuscary, deze is mede swart en kleinder, al om geschapen in

gelijkheid van de Leeuw.

[Bos-dier Hayi.] Het Bos-dier Hayi, deze is zo groot als een Hond,

heeft mede een aangezigt als een Meer-kat, ook een hangende buik ligt

grauw, een zeer lange steert, wonderlijke plompe voeten als een Beer,

lange klauwen, en schoon het zeer wild is zo werd het dog ligtelijk

getempt, als het gevangen is; wegens de lange klauwen spelen de

Indianen daar niet mede; dit Dier heeft men nog in de Bosschen, nog in

de Huizen, ooit zien eten.

[Marmazet.] Marmazet, deze is een klein aardig Diertje van een gele en

groene koleur, veel kleinder als een Aap, nogtans beheerst het alle de

andere Boom-danssende Aperige gezellen, op hare rug, rijdende,

springende de dienaars van deze Marmazet van d’ eene Boom op d’ andere,

haar daar-en-boven de spoor gevende met haar in de ooren te bijten, zo

dat zy zelfs niet konnen afgesmeten worden, om dat zy zeer vast houden.

[Tatu.] Tatu, deze is een span hoog en anderhalve span lang, en over

al, tot zelf aan de buik, gewapend met schilden op malkanderen

sluitende met leden, als of het een Harnas ware; heeft een lange spitze

mond, een lange steert, onthoud zig by de Steen-klippen; zijn spijze is

eenig klein Gedierte als Mieren, en diergelijke Aard-diertjen, nogtans

hebben de zelve goed en vast vlees.

[Serwoy, ook wel Cerigons.] Serwoy, ook wel Cerigons, deze is wit,

swart en grauw, gelijkende een Kat, heeft ook een steert. Werpende

gemeenlijk zes Jongen, heeft een buidel met een snee of opening in de

buik een halve span lang, en inwendig des splits heeft het nog een vel,

dan de buik is hem niet open, en inwendig in de splits heeft het de

tepels, en waar het heen gaat draagt het de Jongen inwendig in de

splits, daar de zelve toe in en uit komen tot zy gaan konnen.

[Coaty.] Coaty, deze is van de grote als een Haas, heeft een aangezigt

als een Meer-kat, een hangende buik, kleine spitze ooren, een kleine

kop, en de mond is van d’ oogen af langer als een voet, na voren spits,

byna over al even dik; het heeft een enge bek, zo dat men kwalijk een

kleine vinger daar kan in steken; als het gevangen word trekt het alle

vier voeten by malkanderen, en men kan die met geen middel opbrengen.

[Pag of Pague.] Pag of Pague, is mede een wild Dier, tamelijk hoog,

hebbende eene wonderlijke gestalte van hoofd, een zeer schoon vel met

witte as-grauwe en swarte vlakken. Als men het in Europa hadde zoude

het veel in waardy zijn, maar word weinig gevangen.

[Tovous.] Tovous, deze is een Otter gelijkende, as-grauw van koleur en

spriklig bond, zijn voeten lang, redelijk dik, dog onaangenaam in ’t

gezigt; houdende zig in de grond in vlietende wateren, doende geen

Menschen schade; deze zijn boven alle zeer mals en aangenaam van vlees.

[Lootsmannen.] Lootsmannen, deze is klein dog in alles de Apen

gelijkende, hebbende lange nette baarden onder de kin, waar door zy

vertonen een zekere zoort van deftigheid.

[Bakkers.] Bakkers, worden zo genaamt, om dat zy de voorste poten zo

bewegen als iemant die Deeg kneet.

[Janovare.] Janovare, zijnde een knije hoog en zo veerdig als een

Wind-hond, heeft onder de keel haire in een bos, zien in gedaante als

een Vos; de Wilden vrezen het bezonder; levende van de roof als de

Leeuw, zy moeten het in ’t leger-stee overvallen om met de Pijl te

schieten, anders konnen zy het niet bekomen.

[Kaboutermannen.] Kaboutermannen, een zoorte van Aapjes, hebbende

mogelijk die naam gekregen van hare veerdige sprongen door de Geboomte,

dan ziet men die hier dan wederom daar, en dat met zulk een

geswindigheid dat men daar het oog nauwlijks op kan houden.

[Doodshoofjes.] Doodshoofjes, ook Aapjes, zeer zoete en aangename

beesjes, zy zitten gemeenlijk op grote Apen, welke zy als zy honger

hebben zo lang bijten tot dat zy haar op een vrugt-dragende Boom

brengen, daar zy t’ eten konnen bekomen.

[Leguanen.] Leguanen, deze zoort zijnder ook zeer veel, wegens de

koleur en maakzel de Hagedissen gelijk, zijnde buiten de steert wel

anderhalf voet lang. Zy leggen gemeenlijk in de dartig Eijeren daar

maar een vlies om zit, die, om te nuttigen, in alle gebruik zeer goed

zijn.

[Meer-katten.] Meer-katten, deze hebben een lange baard, als de

Zee-gebokken, daar van eenige rood zijn, springende met aardige

posturen op de Bomen.

[Sagovin.] Nog een zoorte van Meer-katten, Sagovin genaamt, deze is

rood en zo groot als een Eekhoorn, heeft anders een mond, borst, hals

(en andere leden) als een Leeuw, is bemind om zijn schoonte; ’t is zo

teer en swak dat het het dijnen van de Schepen niet kan uitstaan; zijn

in haar zelfs hoogmoedig, zo dat als men het in ’t minste benadeelt en

vertoornt, zo zoude het sterven.

[Hagedissen.] De Hagedissen zijn hier overvloedig veel, en groen van

koleur; konnen mede onder de viervoetige Dieren gerekend werden:

Wanneer ze Menschen vernemen, daar zullen ze snel voor weg lopen;

zijnde een teken van bangheid.

[Schildpadden.] Schildpadden, hoewel ze meest in ’t water haar verblijf

hebben, zijn mede verzien met vier voeten, en daarom hier ook

by-gevoegd. Veel werden ze hier niet gezien, maar die gevangen werden

zijn al vry groot; ’t vlees is heel lekker en smaakt even gelijk als ’t

Kalfs-vlees.

Beschryvinge van de volk-plantinge Zuriname · 第 67 / 111 题