VIII. HOOFT-DEEL.

Van de gewoonlijke Maaltijden der Karaïbanen. Onthaal dat zy doen

aan die haar gaan bezoeken. Van de Oorlogen en onthaal aan hare

Oorlogs-gevangenen. Huwelijken, Geboorte, en van d’ Opvoedinge der

Kinderen. Ouderdom, Ziekten, van de hulpmiddelen om de gezontheid

weder te krijgen, van hare Dood, en van hare Lijk pligten.

[De Karaïbanen zijn zober en zinlijk in hare Maaltijden.] Het grootste

gedeelte van de Wilde en Barbarische Volkeren zijn gulzig en ongeschikt

in hare Maaltijden. Maar men moet aan de Karaïbanen den lof geven van

zober te wezen, en zinlijk in hare gewoonlijke Maaltijden, alzo wel als

die van de vaste Kust, hoe wel eenige onder haar deze prijzing niet

verdienen, gelijk ’er gene zo algemene regel is die zijne uitsluiting

niet heeft.

Dit Volk eet dikwils te zamen in het openbaar Huis, gelijk wy het

byzonderlijker hier na zullen zien, of om zig te verlustigen in

ongebondentheid, of zelf om haar onder elkander t’ onderhouden van den

Oorlog, en van de gemene zaken. De Vrouwen, gelijk in [De Vrouwen eten

niet eerder voor dat de Mannen het gedaan hebben.] eenige andere Landen

der Barbaren, eten niet voor dat hare Mannen hare Maaltijd hebben

gedaan, en zy hebben gene gestelde uure tot deze oeffening. Hare mage

is haar Uurwerk. Zy lijden den honger zo geduldig, dat als zy van de

Visscherije weder-keren, zy het gedult zullen hebben om den Vis te doen

braden met een slap vuur, op een Rooster van hout van de hoogte van twe

voeten of ontrent, onder dewelke zy een zo klein vuur aansteken, dat

’er zomtijds een gantsche dag van noden is om den Vis te doen braden

gelijk zy hem begeren. De gene die ’er op hare wijze af hebben gegeten,

de zelve hebben bevonden van goeden smaak, en gebraden in

volkomentheid. Zy nemen algemeenlijk waar in alle de Spijzen die zy

bereiden van haar aldus langzaam, en by een flauw vuur te doen braden.

[Haar Tafel gereedschap.] Zy eten gewoonlijk op kleine gestoelten

gezeten, en yder van haar heeft zijne kleine Tafel byzonder, die zy

Matoutou noemen. Zomtijds ook eten zy op d’ aarde, huikende op de

knien, en in het ronde d’ een by d’ andere. Voor Tafel-klederen, hebben

zy geen lijnwaad gelijk wy; maar schone en brede bladeren van Bananie

bomen, die zeer bekwaam zijn om voor Tafel lakenen te dienen. Dit zijn

ook hare Servetten, en zy leggenze op haren schoot om ’er aan te vegen.

Ook wasschen zy altijd zorgvuldiglijk hare handen voor den eten. En

zelf in hare Keuken raken zy nimmer iets aan van het gene men mag eten

voor dat hare handen schoon zijn. Eindelijk in alle hare gewonelijke

Maaltijden blijkt met de matigheid, eene zinlijkheid die men ter

nauwernood zig zoude konnen in beelden onder de Wilden.

[De bereidinge van het Cassave Brood.] Haar gewoonlijk Brood is eene

zekere platte Koeke tamelijk lekker, die zy Cassave noemen, gemaakt van

de Manioc-wortel. Het word op deze wijze gemaakt; de wortel, hoe wel zy

zomtijds is van de dikte der dije, word gemakkelijk uit d’ aarde

gerukt. Men schrapt haar terstond met een Mes, om af te schillen eene

kleine, harde huit die haar bedekt, en dan raspt men haar, met een

platte raspe van yzer of van koper, van goede grote: en men perst het

Meel dat ’er afkomt in eenen lijnen zak, of in langwerpige koussen, of

zakken, behendiglijk gevlogten van biezen, of Latanie-bladeren, door de

hand der Karaïbanen, om ’er het zap uit te drukken. De Wilden, eer men

haar van deze raspen hadde gebragt, gebruikten in plaatze van dit,

zekere harde kartelige steenen, die op hare stranden worden gevonden;

zy zijn onze puim-steenen gelijk. Als de vogtigheid van den Manioc wel

uitgetrokken is, laat men het Meel door eene zeve gaan, en zonder het

te mengen met eenige vogtigheid, werpt men het op een Plaat, die

zomtijds maar van aarde is, waar onder men vuur stookt. Als het van d’

eene zijde is gebakken, keert men het op d’ andere. En als het genoeg

gebakken is, legt men het in de Zon, om het nog harder te doen worden,

en op dat het beter zoude konnen bewaart worden, maakt men het

gewoonlijk niet dikker als een pink, en zomtijds minder, na de

zinlijkheid van d’ Inwoonderen. Het blijft verscheide Maanden goed.

Maar om het best te bevinden, moet men het eten eenen dag of twe oud

zijnde. Daar zijn ’er die het om ons gewoonlijk Brood niet zouden

willen verlaten. En dit is een wonder, dat van een wortel zo zorgelijk

van hare nature, men door de konst zulk een uitstekend voedzel kan

trekken.

[Van de Maïs.] Men maakt ook eene andere zoorte van Brood met Spaans

koren, dat men Maïs noemt. Eenige eten ook in plaatze van Brood de

wortel Patate genaamt.

[Wat hare allergemeenste Spijzen zijn.] Wat betreft d’ andere

leef-togten die de Karaïbanen gebruiken, hare allergemeenste Spijzen

zijn d’ Echdisschen, de Vis van alle zoorten, uit gezondert de

Schild-padden; en de Moes-kruiden, gelijk de Kool, d’ Erweten, en de

Bonen. Maar haar allergewoonlijkste eten zijn Krabben wel gezuivert van

hare schelpen, en geroostert in haar eigen vet, en met zap van

Citroenen en Pyman, die zy ongemeen beminnen, en waar mede zy alle

zaucen vervullen. Niettemin als zy Europeanen ontfangen, zijn zy ’er zo

verkwistende niet af; en zy schikken haar hier in na den smaak van

deze, door eene behaaglijkheid en bescheidentheid die niet al te

Wild-aardig is. Het binnenste van de Krabbe noemen zy Taumaly: en hier

af is het dat zy hare gewoonlijkste honger-verwekkende Spijze maken met

water, met Mouchache of fijn Meel van Manioc, en geweldig veel Pyman.

Voor het laaste geregt gebruiken zy Vrugten, gelijk wy. En gewoonlijk

genoegen zy haar met Vijgen, met Bananien, of met Ananas. Indien zy

Vlees of gezoute dingen eten, dat is alleenlijk door behaaglijkheid tot

de Vremdelingen, om niet overlastig te vallen aan die haar ontfangen;

en om te gemoete te komen de gene die haar gaan bezoeken. Want als dan,

bereiden zy ten meesten dele Spijze na de smaak van deze. En hier in is

het dat men moet toe geven, dat zy nimmer Zout, Verkens-vlees, nog

Schild-padde, nog Lamantin eten.

[Hoe hare drank bereid werd.] Belangende haren drank, even als in vele

gewesten van Amerika, de zelve Granen van Maïs die dienen om Brood af

te maken, worden gebruikt tot de mengeling van eenen drank die plaatze

houd van Wijn: en gelijk wy onder ons, van de zelve koren Granen die

ons Brood verschaffen, ook Bier brouwen; zo mede in deze Eilanden, met

de wortelen van Pataten en van Manioc, die tot Brood verstrekken, maakt

men dranken, die gewoon zijn in dat Land. Den eersten en

allergemeensten die gemaakt word van Pataten in water gekookt, is Maby

genaamt. Hy verfrist en verslaat den dorst verwonderlijk, en hy heeft

ook eene graagmakende kragt, die alle het slijmagtigheden van de lage

delen doet af-zetten. Van waar komt dat men niemant der gener die hem

gebruiken van Graveel hoort klagen. Den anderen drank die men Ouïcoú

noemt word gemaakt met de Cassave zelf, desgelijks in water gezoden.

Men laat hem door een Teems lopen, die de Wilden Hibichet noemen. Dees

drank is uitnemender als de Maby, en verschilt weinig van het Bier in

verwe, en in kragt. d’ Indianen maken hem geweldig aangenaam, maar

daar-en-boven van zodanig eene kragt dat zo men hem te veel in neemt,

maakt hy dronken als Wijn. Zy maken hem van Cassave wel geroost op de

Plate, dan gekneet door de Vrouwen, en gegoten in Vaten vol water:

alwaar, na ontrent twe dagen door zijne eigene kragt, zonder vuur,

gelijk de nieuwe Wijn doet, gewrogt en gekookt te hebben; men

vervolgens hem met instorting door een Teems laat lopen. En het zap dat

men ’er aftrekt twe andere dagen bewaart zijnde, word in zijne

volkomentheid gevonden om gedronken te worden. Voorts, om deze

mengeling te doen koken, legt men in het Vat twe of drie wortelen van

Pataten, wel klein geraspt. En het is waar dat deze gewoonte die de

Wilden waarnemen, van de Cassave te brijzelen eer men haar in het Vat

werpt, zo walgelijk als mogelijk is: maar ook is het vast en zeker, dat

de drank die ’er op deze wijze af word gemaakt, onvergelijkelijk beter

is als den genen die anders gemaakt word.

[Verzameling van de Wijn de Palm.] Boven deze dranken, maakt men nog in

verscheide plaatzen wellustige Wijnen. De Negeren, die Slaven op deze

Eilanden zijn, maken in-snijdingen in de Doornige-palm-bomen, waar uit

druipt eene zekere vogtigheid den witten Wijn gelijk, dewelke zy

verzamelen in verscheide Kalebassen die zy hegten aan d’ openingen van

deze Bomen, die ’er yder op elken dag twe pinten af geven, en zomtijds

meer. d’ Aller-oudste Schrijveren leren ons dat onder d’ Oosterlingen

de Wijn van de Palmen geweldig in gebruik was, gelijk hy ’er nog heden

is: Men dient ’er zig ook mede in eenige gewesten van Afrika, gelijk in

Monomotapa.

[Bananien drank.] Dat meer is, zy maken met Bananien eenen anderen

drank, die ook elders word gevonden, en die eenige Couscou noemen. Maar

om dat deze Wijn, hoewel zeer aangenaam en vol van kragt, grote

winderigheden veroorzaakt, zo is hy weinig in gebruik.

[Klugtig onthaal dat zy doen aan die haar gaan bezoeken.] De Karaïbanen

der Zuiderlijke vaste Kust, onthalen hare Gasten op eene geweldige

klugtige wijze. Want de Cacikes van de Karaïbanen, geleid den genen die

hem komt bezoeken, in het openbaar Huis, zonder eenigzins te spreken;

dan bied men hem een Stoel en Tabak aan, en men laat hem aldus eenigen

tijd zonder een woord te zeggen, tot dat hy wat gerust, en zelf

ge-eindigt heeft van zijn Tabak te zuigen. Dan nadert de Cacikes, en

vraagt hem of hy gekomen is? d’ Ander antwoordende, dat ja, zo gaat hy

by hem zitten, en onderhoud hem. Daar na komen die van het gemeen, hem

op de zelve wijze vragende, of hy gekomen is? En hem t’ eten aangeboden

hebbende, onderhouden zy ook elkander geweldig vermakelijk. Maar als zy

Europeanen ontfangen, die het stilswijgen zo lange niet kunnen bewaren,

dan spreken zy tot haar, en onderhouden haar van stonden aan, gelijk wy

gezegt hebben, haar schikkende na de zinlijkheden van d’ andere, en

doen, om hun te behagen, tegen de regelen van hare eigene plegtigheden.

Maar het Gastmaal dat zy willen houden is voortaan bereid; laat ons dan

zien hoe dat zy haar daar [Tafel en geregten die zy aan de

Vreemdelingen geven.] in bestieren. Zy geven aan yder zijne kleine

Tafel, en zijne geregten alleen. Eenige brengen gebakkene Echdissen; d’

andere gesnerkte Krabben; eenige Moeskruiden; en andere Vrugten, enz.

Gedurende de Maaltijd, onderhouden zy u en dienen u met eene

verwonderlijke zorgvuldigheid. Men zoude haar geen groter vermaak

konnen aandoen als wel te eten en te drinken, en zy houden niet op u

daar zeer minlijk toe te prangen, met u wel te drinken te schenken, en

agt te nemen of ydere Tafel wel voorzien is. Men moet als men drinkt

niet in de kroes laten, indien men haar niet misnoegen wil. Dat zo gy

alle de Cassave die zy u gegeven hebben niet kunt op eten, moet gy het

overschot by u steken, en mede dragen; anders zoud gy haar kwalijk

verpligten.

Na de Maaltijd, geleiden de Karaïbanen u uit wandelen in hare byzondere

Huizen, en Tuinen, tonen u hare Wapenen, hare zinlijkheden, en hare

snuisterijen; en geven u geschenken van Vrugten, of van eenige kleine

werken op hare wijze gemaakt.

[Voor de beleeftheit die zy gedaan hebben moet ook iets geven.] Maar

dit zoude eene onbehoorlijke onbeleeftheid wezen deze goede lieden te

gaan bezoeken, en van hare milde hand t’ ontfangen, zonder haar ook met

iets te beschenken. Daarom is het dat de vremden die haar gaan bezien,

altijd eenige granen van Glas-koraal of van Kristal by haar hebben, of

eenige Vishaken, Naalden, Spellen, of kleine Messen, en andere kleine

snuisteringen. En op het einde van de Maaltijd, leggen zy op de kleine

Tafel, waar aan zy gegeten hebben, eenige van deze dingen. Die het

Gastmaal hebben bereid, houden haar hondert malen vergolden, en betonen

’er een grote voldoening voor, en eene onvergelijkelijke erkentenisse.

[Maaltijden waar in de Karaïbanen de Raads-besluiten van den Oorlog

nemen.] Het is gemeenlijk in hare algemene Maaltijden dat de Karaïbanen

de Raads-besluiten van hare Oorlogen nemen. Maar om te komen tot t’

ontlediging van de Raads-plegingen harer Oorlogen; als zy beginnen de

herzenen verhit te hebben door hare drank, komt eene oude Vrouw in hare

vergadering treden met een klagend gebaar, en een droevig gelaat, en

met de tranen in d’ oogen, verzoekt zy gehoor. Het gene haar ligtelijk

word toegestaan ter oorzake van d’ eerbiedigheid en het ontzag dat men

tot haren ouderdom draagt: met eene klagende stemme, en doorbroken met

zugten, vertoont zy de schade die de gehele Natie heeft ontfangen van

d’ Arouâges, hare oude en voornaamste Vyanden. En na dat zy eene

optellinge heeft gedaan van de grootste wreedheden, die zy ten anderen

tijde tegens de Karaïbanen hebben geoeffent, en van de dappere Mannen

die zy hebben gedood, of gevangen genomen in de Veldslagen, die gegeven

zijn tusschen haar, zo daalt zy byzonderlijk af tot die verschelijk

zijn gevangen, vermoort en gegeten, in de laaste ontmoetingen; en

eindelijk zy besluit, dat dit in hare Natie eene schadelijke en

onverdragelijke lafhertigheid zoude wezen, indien zy de wrake van zo

vele kwalen niet namen; navolgende de kloekmoedigheid van hare

Voorzaten, strijdbare Karaïbanen, die niets in grotere gebiedenisse

hebben gehad als reden te vorderen van de beledingen die men haar hadde

gedaan: En die, na dat zy hadden afgeschut, het juk dat de Geweldenaren

haar wilden opleggen om hare oude vryheid dienstbaar te maken, zo

dikmalen hare overwinlijke Wapen hebben gevoert op de gronden van hare

Vyanden, die zy hebben vervolgt met de Pijle en het vuur tot op hare

hoogste Bergen, haar hebbende gedwongen te verschuilen in de holen van

d’ allerdiepste Afgronden, in de geopende kloven der Steen-rotzen, en

in de yslijkheid van d’ allerdigtste en dikste Wouden: met zulk eene

gelukkige uitkomste, dat zelf tegenwoordig zy niet te voorschijn zouden

derven komen op de Kusten van hare zeën, ende en zouden zulk eene

afgelegene woonplaatze niet konnen vinden daar zy haar beschutten

mogten tegen d’ aanvallen van de Karaïbanen; de schrik en de

vervaartheid haar hebbende vervult na zodanige grote overwinningen. Dat

men dan moediglijk dit spoor moet volgen, en zig niet vermoeijen, voor

dat dit Vyandelijk geslagt, t’ eenemaal is uitgeroeit.

[Gesprek van de Hoofdman over de Oorlogs-zaken.] Alzo ras als het

gesprek van d’ oude Vrouw geeindigt is, redeneert de Hoofdman op het

zelve onderworpzel, om de geesten nog meer te bewegen, waar na men de

gantsche vergadering als uit eene mond op zijne voorstelling ziet

toestemmen, en alle zoorten van teikenen geven, dat zy de Geregtigheid

van de zake erkennen. En van dien oogenblijk aan, geprikkelt zijnde

door de woorden, die zy verstaan hebben, zo snakken zy niet als na

bloed en moord. De Hoofd-man, wel oordelende door de toejuiging, en

door hare mijnen en toedraging, dat zy tot den Oorlog besluit, hoewel

zy het niet zegt door hare woorden, zo maakt hy, ter zelver uure de

schikking, en bepaalt den tijd van d’ onderwinding door eenige van hare

wijzen van tellen. Want als zy ten Oorlog moeten gaan, en haar bereid

moeten vinden aan d’ algemene wijkplaats, ten gestelde dagen, nemen zy

yder d’ een na d’ ander even gelijk getal van Erweten, in hare gehoude

by-een-komste, gelijk drie of vier tien getallen, en eenig getal onder

de tien indien het nodig is, na dat zy beraadslaagt hebben haren

aanslag te vorderen. Zy storten deze Erweten in eene kleine Kalebasse,

en elken uchtent nemen zy ’er een af, en werpen hem weg; als ’er nu

geen meer overschieten, dit is te zeggen dat de vast gestelde tijd tot

het vertrek is vervallen, en dat men zig bereid moet maken om des

anderendaags voort te trekken. Of anders, zy doen yder zo vele knopen

in eene kleine koorde, en ontknopen ’er eenen op yderen dag: en als zy

tot de laaste gekomen zijn, laten zy haar op de wijkplaats vinden.

Zomtijds ook nemen zy kleine stukjes hout, op de welke zy zo vele

kerven maken, als zy dagen willen besteden tot hare toebereiding. Alle

dagen snijden zy eene van deze teikenen af: en als zy de laaste hebben,

begeven zy haar op d’ aangewezene plaatze.

[Bereidinge ten Oorlog.] Van des anderendaags van deze vergadering, zo

ziet en hoort men in alle kwartieren van het Land, niet anders als de

toerustingen tot den Oorlog. Eenige maken hare Bogen glad; andere maken

hare knodzen gereed; andere bereiden, slijpen en vergiftigen hare

Pijlen; andere, eindelijk, stellen en vaardigen hare Pirauges. De

Vrouwen aan hare zijde, bereiden en verzamelen de noodzakelijke

leeftogten voor het Leger. En op den verschenen dag laat yder hem

vinden zonder missen op den Oever van de zee, met zijne gehele

toerusting, om in te schepen.

Zy voorzien hun alle met eenen goeden Boog, en met eenen dikken tros

van Pijlen die gemaakt zijn van een zeker klein glad Riet, aan het

einde gewapent met een yzer, of met een been uit een Rochestaart,

getant, en uit muntende steklig. De Karaïbanen voegen aan de hare, om

haar ontzaglijker te maken, nog een vergif ten alleruiterste doodelijk,

gemengt met zap van Mansenillien, en andere vergiften; de minste

schrabbinge die zy geven, is eene doodelijke wonde. Zy dragen ook yder

dat swaart van hout dat zy Boutou noemen, of om beter te zeggen, die

swaarwigtige knodze die by haar de plaatze van het swaart bekleed, en

waar mede zy verwonderlijk schermen.

[Grote verwoedheid indien zy Veldslag leveren.] Als zy malkanderen een

opentlijke Veldslag leveren, zo is het kwalijk te geloven wat een

schrikkelijke en verwoede grote battalie dat zy houden, even eens of

’er een Donderslag in de wolken, die zy Canopo noemen, gehoort wierde.

Wijzende malkanderen de gebeentens der dooden, en der zilver

bekkenelen. En de tanden harer Vyanden, die eenige hele snoeren vol

meer als twe ellen lang, aan de hals hebben hangen; stellende zig zo

gruwelijk aan dat men zig daar voor ontzetten zoude.

Schietende de wraak gierige Pijlen zo menigvuldig onder malkanderen,

dat het schijnt of ’t een menigte Muggen zijn. Trekkende uit liefde de

gewonde malkanderen de Pijlen, met grote moet en gretigheid, uit de

borst of gekwetste huit; daar in bijtende als gulzige honger balgende

Honden, latende niet na tot verlies der Vyanden zo lang zy adem-halen

konnen; zo dat men nooit gehoort heeft, dat deze anders lafhertige

guilen ligtelijk geweken zijn.

Indien zy iemant van hare Vyanden levendig mogen krijgen; binden zy

hem, en voeren hem gevankelijk [Zorgvuldigheid die ze dragen voor hun

dooden of gekwetsten.] in hare Plaatzen. Dat zo iemant van haar Volk

dood of gekwetst op het Oorlogs-veld nederstort, dit zoude haar een

eeuwig en onverdraaglijk verwijt zijn, dat zy hem zouden laten in het

vermogen van hare Vyanden. En daarom werpen zy haar als razende in het

midden van d’ allergrootste gevaarlijkheden; en met bukkende hoofde

doordringen zy met een gemeen geweld alles wat haar wederstand bied, om

de lighamen van hare medegezellen op te nemen, en die met kragt uit de

handen van hare Vyanden hebbende gerukt, gaan haar in hunne Schepen

brengen.

[Vreugde-geschreeuw indien zy d’ overwinning hebben.] De Karaïbanen

genoegen haar, indien zy d’ overwinning hebben gehad, dat zy een

vreugde-geschreeuw aanvangen op de doode lighamen van d’ Aroüages, en

op hare stranden met gejuig de tonen van hare vrolijkheid te doen

klinken, om dit Vyandelijk land nog te beswaren, eer zy ’er afscheiden.

Maar na dat zy op dezen uitheemschen bodem een gedeelte van hare

zege-pralende liederen hebben uitgestort, zo klimmen zy weder

neerstelijk in hare Schepen, om het overschot in den schoot van hun

Vaderland te brengen.

[Onthaal aan hare Oorlogs-gevangenen.] De rampzalige die by de

Karaïbanen op een krijgstogt gevangen genomen worden, zitten omtrent

drie weken opgesloten en ook geboeid; gedurende welke tijd dat zy hem

van goede spijs en drank verzorgen. Ondertusschen houden zy haar

gedurig bezig, om in deze bekommerlijke staat wat tijd passering te

hebben, met een Pagaal of Bennetje te maken; werdende by de nagt

bewaakt. En tegens dat iemant van de zelve door verbrandinge ter dood

gedoemt word, zo bereiden de Vrouwen een menigte van drank, Pernou

genaamt. Onthalende de elendige deftig met spijs en drank, op dat hy

dog sterk en dapper ter dood mogte gaan. Op de nademiddag, tot een

voorbereiding, word deze zukkelaar als tot een spot zijn ’er geslagte

van ’t eene Huis in ’t ander te zien geleid; by welke gelegentheid hy

wel onverwagt een slag op ’t hoofd krijgt, dat daar het bloed by

nederloopt; bijtende den miesserabele toe, uwe Vrienden hebben ’t aan

de onze ook wel gedaan. De Zon aan het duiken der kimmen zijnde, vraagt

een Kapitein aan de gevangene of hy de Zon nog wel ziet? waar op de

bedroefde ja geantwoord hebbende: Antwoord de Kapitein gy zult hem niet

weder zien; zijnde dit dan in ’t geheel zijn vonnis. Waar op de Patient

zegt, het lot is tegenwoordig op my gevallen, dog mijne Vrienden zullen

ook wel ter eeniger tijd by u komen, en rekenschap eischen van de

tormenten die gy my staat aan te doen, maar dit moeit my dat ik sterven

moet zonder wraak over mijn dood te konnen nemen. Met den avond langen

zy hem weder eten en drinken zo veel hy begeert, brengende een iegelijk

het hem al eens toe; daar na binden zy hem de handen op de rug, en aan

yder voet een touw, by haar Mussurana genaamt. Ondertusschen hebben de

genodigde Schouw-speelder zig aldaar vervoegt, elk voorzien met een

Maquary of Sweep, zijnde met een zeker zoort van goed bestreken, het

welk de hoedanigheid van Pek heeft, op dat het dies te beter zoude

branden. Daar op begint men ’s avonds omtrent zeven uuren rondom en

binnen het Huis vuur te maken, waar na de gevangene in ’t midden zijn

’er Vyanden gesteld zijnde, word door den Oudsten Kapitein een groot

misbaar bedreven, schreeuwende luit keels, uw Volk heeft van mijne

Vrienden gekregen en hem zodanig gehandelt. Hier op stoot een yder, die

hem kan bereiken, met deze brandende Sweep tors op de huit en in ’t

gezigt, wordende alzo gemartilariseert; en ook met de touwen, by andere

Iwerapemme, getrokken. Stoppende de Wijven hem het agter fondament

zijns lighaams toe; gevende hun in middels korte verpozinge om iets by

zig zelven te komen, drinkende in middels eens om. Nagaans neemt elk

een Mes, en snijden een yder een stuk na zijn welgevallen uit de

gevangen zijn lijf, en andere hem de beenen en armen af passende, alzo

elk wat te raken. De tong en herssenen zijn voor de Jongens, het

afgesnede vlees word gekookt en in de Peper-pot gedaan, en op zijn

tijd, uit wraakgerigheid onder malkanderen gegeten, roepende de

elendige, uw komt alle ongelukken over aan mijn etende lijfs-kost, ik

zal uw nog heden dezen dag de kop stukken slaan, mijner Vrienden dood

te wreken: ben ik hier gekomen, uw vlees zal eer de Zon ondergaat aan

dezen dag mijn gebraad zijn.

Men ziet in Amerika Wilden die zo wild en zo beestelijk zijn, dat zy

niet weten wat het Huwelijk voor een zaak is, maar zy vermengen haar

zonder onderscheid, [Huwelijken der Karaïbanen.] gelijk de beesten.

Maar als de Karaïbanen begeren te Trouwen hebben zy regt om alle hare

naaste Nigten te verkiezen, en niet anders te zeggen als dat zy haar

tot hare Vrouwen nemen; zy zijn haar natuurlijk toegeschikt, en zy

mogen haar in hare Huizen mede brengen zonder andere Plegtigheid; en

van als dan worden zy voor hare wettige Vrouwen gehouden. Zy hebben zo

vele Vrouwen als het haar behaagt: Boven al de Hoofd-mannen

verheerlijken haar hier in dat zy ’er vele hebben. Voor yder Vrouwen

bouwen zy een byzondere Hutte; en wonen zo langen tijd als zy willen

met die haar de meeste behaagt, zonder dat ’er d’ andere minne-nijdig

op zijn. Die, met de welke zy zijn, dient haar met eene

onvergelijkelijke zorge en genegentheid.

Hare Mannen beminnen haar geweldig: maar deze liefde is als een vuur

van stroo, aangezien zy haar dikwils alzo ligt verlaten als zy haar

aannemen; zy verlaten evenwel hare eerste Vrouw zeer zelden,

voornamentlijk als zy ’er Kinderen uit hebben geteelt.

[Nemen ook Vrouwen die ze in den Oorlog verovert hebben.] Wanneer zy

eenige Oorlogs-gevangenen hebben die haar behagen, dan nemen zy haar

tot Vrouwen. Maar hoewel de Kinderen die uit haar geboren worden vry

zijn, zo worden zy wat haar aangaat, altijd voor Slavinnen gehouden.

Alle de Vrouwen spreken met wie zy willen: Maar de Man derft hem niet

onderhouden met d’ Ouderen van zijne Vrouwe, als in buiten gewone

gelegentheden.

[Geboorte harer Kinderen.] Men ziet onder deze arme Indianen weinig

gewoonten die zo beestelijk zijn, als die zy gebruiken in de Geboorte

van hare Kinderen. Hare Vrouwen baren zonder grote moeite; en zo zy

eenige swarigheid gevoelen, nemen zy haren toevlugt tot de wortel van

Bieze, waar uit zy het zap drukken, en dat gedronken hebbende, zijn zy

terstond verlost. Zomtijds op den zelven dag van hare baring, gaan zy

haar met haar Kind afwasschen, in de naast-gelegene Riviere of

Spring-ader; en begeven haar weder tot het gewoonlijk werk van het

Huis-houden.

[Waar over de Man in ’t Kraambed gaat leggen.] Ter zelver tijd als de

Vrouwe verlost is gaat de Man in ’t bedde leggen, om hem te beklagen en

den gelegenen te maken: gewoonte, die hoewel zy wild en belachelijk is,

niettemin gevonden word, na men zegt; onder de Boeren in eene Provintie

van Vrankrijk; en zy noemen dat faire la Couvade. Maar het gene

moeijelijk valt voor den armen Karaïbaan, die hem te bedde heeft

begeven in de plaatze van de Kraam-vrouwe, dat is, dat men tien of

twaalf dagen agter een zobertjes, en zieke-lieden kost doet eten, hem

op yder dag niet meer gevende als een klein stukje van de Cassave, en

een weinig water, in het welke men ook een weinig van dit Wortel-brood

heeft doen koken. Daar na eet hy een weinig meer: maar hy tast de

Cassave die hem aangeboden word niet aan, als by het midden gedurende

de veertig dagen, en latende de randen geheel die hy ophangt aan zijne

hutte, om te dienen tot het Gastmaal dat hy in het gevolg gewoonlijk

voor alle zijne Vrienden aanregt. En zelf hy speent hem hier na,

zomtijds tien Maanden, of een geheel Jaar, van verscheide spijzen,

gelijk van de Lamantin, van de Schild-padde, van Verkens-vlees, van

Hoenderen, van Vis, en van andere lekkere dingen: vrezende door eene

erbarmelijke dwaasheid, dat dit schadelijk aan het Kind zoude wezen.

Maar zy houden deze grote Vasten niet als op de geboorte van haar

eerste Kind: want op die van d’andere, zijn hare Vasten by-verre zo

gestreng niet, en veel korter, wezende gemeenlijk niet als van vier of

vijf dagen ten hoogsten.

[Swagtelen hare Kinderen niet.] Zy swagtelen hare Kinderen niet; maar

zy laten haar de vryheid om te verroeren na haar gemak in kleine

Amakken, of Bedden van Katoen, of op kleine leger-plaatzen van

Bananie-bladeren, die gespreid zijn op d’aarde, in een hoek van hare

Hutten: En niettemin hare leden worden ’er niet mismaakt door; maar

haar gants lighaam is volkomen wel gemaakt.

De namen van hare Kinderen geven zy haar niet terstond na de geboorte;

maar zy laten twaalf of vijftien dagen door-lopen, en dan roept men een

Man en eene Vrouwe die de plaatze bekleden van Peet-oom en van

Pete-moeije, en die het Kind zijne ooren doorboren, zijne onderste

lippe, en de scheiding van de neusgaten, en zy laten ’er een draad

doorgaan, op dat d’opening gemaakt zy om ’er behangzelen aan te hegten.

Zy hebben niettemin de bescheidentheid, van deze plegtigheid uit te

stellen, indien de Kinderen te swak zijn om deze doorboringen te

lijden, tot dat zy kloeker worden bevonden.

[Namen die ze aan de zelve geven.] Het grootste gedeelte der namen die

de Karaïbanen hare Kinderen geven, zijn genomen van hare Voorzaten, of

van verscheide Bomen die in hare Eilanden wasschen; of anders van

eenigen voor-val die den Vader is overkomen gedurende dat zijne Vrouwe

swanger ging, of gedurende zijn Kraam-bedde. De namen die zy hare

Mannelijke Kinderen en weinig na hare geboorte opleggen, zijn niet voor

haar gants leven. Want zy veranderen van naam als zy gekomen zijn tot

den Ouderdom die haar toelaat onder het getal haar ’er Soldaten

aangenomen te worden; en als zy haar dapperlijk in den Oorlog hebben

gekweten, en dat zy een Opperhoofd van d’ Aroüages hebben gedood, dan

nemen zy zijnen naam voor haar tot teiken van eere.

[De Vrouwen zogen zelf hare Kinderen, en drage grote zorge daar voor.]

De Karaïbaansche Vrouwen zogen zelf hare Kinderen, en zijn zeer goede

voedsteren, en zeer teer-gevoelige Moederen, dragende alle zorgen die

men mag inbeelden om haar wel te voeden. En zelf hare zorgen die

strekken haar uit tot de Kinderen van hare geburinnen, als zy ten

Oorlog zijn. De Moederen geven haar niet alleen de mamme; maar zo ras

zy een weinig kragt hebben gekregen, kauwen zy haar de Pataten, de

Bananien en d’ andere Vrugten die zy haar geven. Hoewel zy zomtijds

hare Kinderen geheel naakt op d’ aarde laten kruipen, en dat zy dikwils

stof eten, en duizend onreinigheden die zy in haren mond brengen, zo

groeijen zy niettemin verwonderlijk wel, en het grootste gedeelte word

zo kloek, dat men ’er heeft gezien die op de zes Maanden konden gaan

zonder steunzel.

[Verdere opvoedinge.] Maar de voornaamste zorge die de Karaïbanen

betuigen in d’opvoeding van hare Kinderen, die is dat zy haar geweldig

behendig maken om met den Boge te schieten. En om ’er haar ter goeder

uure na te schikken, ter nauwernood konnen zy gaan, of de Vaderen en de

Moederen hebben deze gewoonte, dat zy haar ontbijt aan den tak van

eenen Boom hegten, waar van deze kleinen het met de Pijle moeten

afschieten, zo zy begerig zijn om t’ eten; want daar is geen

barmhertigheid. Zy snijden ook zomtijds eenen Bananie-boom af, en

leggen hem ter aarde, gelijk tot doel-wit, om hare Kinderen te leren na

de Vrugt te treffen. Het gene te wege brengt dat met den tijd zy haar

volkomen in deze oeffening maken.

De Karaïbanen leren ook zorgvuldig aan hare Kinderen het Swemmen, het

Visschen, en eenige werken te maken, als daar zijn Korven, Boutous,

Bogen, Pijlen, Riemen, Bedden van Katoen, en Piraugen. Maar eenige

zorge te dragen om haren geest te voegen en te bouwen, en hare eere,

Borgerlijken ommegang, of deugt te leren; dit moet men niet van deze

arme Wilden verwagten; die genen anderen Leitsman, nog ander ligt tot

zulk eene opvoeding hebben, als haar verstand dat blind is, en vervult

met dikke duisternissen; nog anderen regel in alle de handelingen van

haar leven, als d’ongeregeltheid en de wanschikkelijkheid van hare

ondeugende en bedorve nature.

De Karaïbanen zijnde van hare nature van eene zeer goede tempering, en

haar leven door-brengende in zoetigheid en in ruste des geestes, zonder

kwelling en ongerustheid: Hier by ook gevoegt de gewoonlijke zoberheid

die zy onderhouden in het geleide van haar leven; zo is het niet wonder

dat zy bevrijd zijn van oneindige ongemakken en ziekten, die andere

Natien kwellen; en dat zy veel spader ten grave komen, als het grootste

gedeelte van d’ andere Volkeren. De goede lugt die zy genieten, helpt

mede nog tot hare gezondheid, en tot de lankheid van hare dagen.

[De Karaïbanen bereiken een hogen Ouderdom.] Men ziet onder haar

weinige van die bekorte ouderdommen, waar van men ’er onder ons zulk

een groot getal ziet: Maar zo zy van gene felle dood sterven, dan

sterven zy byna alle oud. Haar ouderdom is uit der mate kloek: en op de

negentig Jaren telen de Mannen nog voort. Daar word een groot getal

onder haar gezien, die meer als hondert Jaren hebben, en nog geen wit

hair. Haar gewoonlijk leven is tot hondert en vijftig Jaren, en

zomtijds meer. Want hoewel zy hunne Jaren niet konnen tellen, zo kan

men evenwel het getal daar van verzamelen, door de teikenen die zy ’er

u van geven. En in der daad, dat zijn lieden die mogen doorgaan voor de

schaduw van een lighaam, en die byna niets meer levendig hebben als het

herte, gelegen zijnde in een Bedde, onbeweeglijk en vleescheloos,

gelijk geraamten; zy hebben evenwel nog gezontheid. En het blijkt wel

dat hare tonge niet meer dood is als haar herte, en dat hare reden nog

adem schept. Want niet alleenlijk spreken zy met gemak; maar de

geheugenis en het oordeel vergezelschappen hunne worden.

[Gebruiken ook Medicamenten.] Wanneer het gebeurt, gelijk het niet

anders kan geschieden, dat onze Karaïbanen van eenig kwaad worden

aangetast, dan hebben zy de kennisse van menigte van Kruiden, van

Vrugten, van Wortelen, van Olijen, en van Gommen, door de hulpe van

welke zy in haast weder tot de herstelling van hare gezontheid komen,

indien het kwaad niet ongeneeslijk is. Zy hebben nog een verzekert

geheim om de bijtinge van de Slangen te genezen, aangezien dat zy

d’ader niet hebben door-drongen; want als dan is ’er geen hulp-middel.

Dit is het zap van een kruid dat zy op de wonde leggen, en binnen

vier-en-twintig uuren zijn zy onfeilbaar genezen.

[Zy zijn meest alle met een kwaal als de Kinder-pokken gekweld.] Het

kwade voedzel van de Krabben, en van andere Ondieren waar mede zy haar

gewoonlijk spijzen, is oorzaak dat zy byna alle onderworpen zijn eene

moeijelijke ziekte, die zy in hare tale Pyans noemen, gelijk de

Europeanen aan de Kinder-pokken. Wanneer zy, die van deze vule ziekte

zijn besmet, van de versche Schild-padde, of van den Lamantin, of van

den Caret, dat eene andere zoorte van Schild-padde is, eten, zijn zy

terstond daar na geheel belopen met bultjes, om dat deze spijzen dit

kwaad doen uitslaan. Zy hebben ook dikwils grote Geswellen,

bloed-sweren, en vurigheden op verscheide plaatzen van haar lighaam. Om

deze kwalen te genezen, die ten meesten dele voortspruiten uit het

kwaad voedzel dat zy gebruiken; hebben zy de schorze van eenen Boom

Chipiou genaamt, zo bitter als roet, dewelke zy in het water doen

weken, en hebbende in deze vogtigheid geraspt de grond van eenen

zekeren groten Kink horen, die men Lambys noemt, zo drinken zy deze

Medicijne in. Zy drukken ook zomtijds de vogtigheid uit de schorze die

vers van eenige Bomen van Miby, is geschilt, of andere ranken die op

d’aarde kruipen, of die haar aan de Bomen hegten, en drinken het zap

dat zy ’er hebben uitgeperst: maar zy gebruiken dit Geneesmiddel niet

geerne, dan als de Bomen in hare allergrootste zappigheid zijn.

[Gebruiken ook zalve aan die met de Pyans gekwelt zijn.] Boven deze

Genees-middelen, met dewelke zy de kwade vogtigheden van binnen

zuiveren; zo leggen zy nog buiten op zekere zalven, en besmeringen, die

eene zeer byzondere kragt hebben om alle de puisten te zuiveren die

gewoonlijk overblijven op de lighamen der gener die van de Pyans zijn

gekwelt. Deze hulp-middelen mengen zy met d’asschen van gebrande

Rieten, dewelke zy roeren in water, dat zy vergaderen van de bladeren

die aan den stronk van den Balasie-boom zijn. Zy gebruiken ook tot het

zelve voornemen, zap van de Vrugt van Junipa, en zy leggen op de

knobbelen de kern van deze zelve Vrugt; om dat zy de kragt heeft van

alle den etter uit de wonde te trekken, en de lippen van de sweren toe

te sluiten. ’t Gebruik hebben zy niet van het bloed-laten door opening

van eene ader, maar zy gebruiken koppen en schrabbingen op het

smertelijk deel, dat prikkelende met den tand van een Agouty, en het

een weinig doende bloeden. En om te verminderen de verbaastheid die

veroorzaakt mogt worden door zo vele in-snijdingen, gelijk wy hebben

gezegt dat deze Barbaren haar om verscheide oorzaken geven, en die

aanleiding zouden geven om zig van hare Perzonen altijd bloedige

lighamen in te beelden, en bedekt met wonden; zo moet men weten dat zy

ook geheimenissen en hulp-middelen hebben die onfeilbaar zijn om haar

schielijk te genezen, en de wonden zo zinlijk aan te doen groeijen in

het sluiten van de kwetzure, dat men op het lighaam ter nauwer nood het

minste lijkteiken kan bespeuren.

[Badinge en Badstoven.] Zy dienen haar ook met konstig badingen, en

doen sweten door eene zoorte van Badstove waar in zy den lijdenden

besluiten, die door dit hulp middel zijne gehele genezing verwerft. En

tot de genezing van de wonden zuigen zy ’er het bloed uit, gelijk d’

oude Genees-meesteren dat in gebruik hadden, wanneer iemant van een

vergiftig Beest hadde gebeten geweest, daar toe al voren doende

bereiden die dezen dienst moest uitvoeren. Maar zegt ook dat onze

Karaïbanen, als zy van een gevaarlijk Serpent zijn gesteken geweest,

hare wonden doen uitzuigen door hare Vrouwen, na dat zy eenen drank

hebben ingenomen, die de deugt heeft om de kragt van het vergif te

vernietigen.

[Zijn zeer geheim met haar Genees-konst.] De Karaïbanen zijn uitmuntend

jaloers over de geheimenissen van hare Genees-konst; boven alle de

Vrouwen die zeer verstandig zijn in alle deze zuiveringen: en waarom

het ook wezen mag, zy hebben tot nog toe aan de Christenen niet willen

mededeilen d’ opper-vermogende hulp-middelen, die zy hebben tegen de

kwetzingen van de vergiftige Pijlen. Maar zy weigeren niet daar over te

gaan en die te verbinden, als zy hare hulpe van node hebben: in het

tegendeel zy komen ’er vrolijk aan, en vrywillig. Aldus een Perzoon van

hoedanigheid onder de Europeanen gevaarlijk gebeten zijnde geweest door

een Serpent, werd gelukkiglijk genezen door haar middel.

[In hare ziekten nemen zy ook wel toevlugt tot hare

Swarte-konstenaren.] Wanneer de gewoonlijke hulp-middelen die onze

Karaïbanen in haren nood gebruiken, zodanig eene uitkomst niet hebben

gehad als zy haar belooft hadden, dan nemen zy toevlugt tot hare Boyez,

dat is te zeggen, tot hare Swarte-konstenaren, die ook de

Genees-meesteren na-apen: en haar verzogt hebbende om haar te komen

bezoeken, plegen zy raad met haar op d’ uitkomst van hare ziekten. Deze

ongelukkige onderstanden van den bozen Geest, hebben door hare

beguigelingen, zodanig een geloof onder deze arme bedrogene verworven,

dat zy geagt zijn gelijk Zegs-lieden van het leven en van de dood, en

zodanig ontzien ter oorzake van hare besweringen, en de wrake die zy

nemen over alle wie haar veragten, dat’er niemant is onder dit elendig

Volk, die niet voor eerlijkheid rekent met eene blinde gehoorzaamheid

haren raad aan te hangen.

[Verdere toestel.] Het moet voor alle andere dingen wezen, dat de Hutte

waar in de Boyé komen moet, wel zuiverlijk bereid zy: dat de kleine

Tafel, die zy Matoutou noemen, zy gedekt met Anakri voor Maboya, dat is

te zeggen, met eene Offerande van Cassave en van Ouycou voor den bozen

Geest; en zelf met d’ eerstelingen van hare Tuinen, indien ’t in het

zaizoen der Vrugten is: Daar moeten ook in een van de hoeken van de

Hutte zo vele kleine Stoeltjes staan, als ’er Perzonen by dit

afgrijzelijk werk zullen gevonden worden.

[Maniere hoe dat de Boyé de Duivel doet opkomen.] Na deze

voor-bereidingen, de Boyé, die nimmer dit werk der duisternissen pleegt

als by de nagt, hebbende zorgvuldig doen uit-blusschen alle het vuur

dat in de Hutte en daar ontrent was, gaat by deze donkerheid in, en

zijne plaatze gevonden hebbende ter hulpe van het swak schijnzel van

een aangesteke Tabak-einde dat hy in zijne hand draagt, zo spreekt hy

terstond eenige Barbarische woorden; daar na stampt hy met zijn slinker

voet op d’ aarde met verscheide hervattingen; en het Tabak-einde, dat

hy in zijne hand draagt, in zijnen mond gesteken hebbende, zo blaast hy

den rook die ’er uitkomt vijf of zes malen om hoog, daar na het

Tabak-einde in zijne hand brijzelende, zo verspreid hy het in de lugt.

En als dan de Duivel die hy door deze aperijen heeft doen opkomen,

schuddende met een felle waggeling het dak van de Hutte, of eenig ander

vervaarlijk gerugt verwekkende, komt alzo vaardig te voorschijn, en

antwoord onderscheidentlijk op alle de vragen, die hem door de Boyé

worden gedaan.

[De Boyé nadert het spook-beeld zo de zieke weder genezen zal werden.]

Indien de Duivel verzekert, dat de ziekte van den genen om wie met hem

raad word gepleegt, niet doodelijk is, dan naderen de Boyé en het

spook-beeld dat hem vergezelschapt by den zieken, om hem te verzekeren

dat hy wel haast zal genezen zijn, en om hem in deze hope

t’onderhouden, zo raken zy d’allersmertelijkste delen van zijn lighaam

zagtelijk aan, en die een weinig gedrukt hebbende, zo veinzen zy daar

uit te doen komen eenige doornen, gebrijzelde beenderen, splinteren van

hout, en stukken van steen, die, na het zeggen van deze ongelukkige

Genees-meesteren, d’ oorzake van zijne kwale waren. Zy bevogtigen ook

zomtijds met haren adem het swakke deel, en daar aan met verscheide

hervattingen hebbende gezogen, zo overtuigen zy den lijdenden, dat zy

door dit middel hebben uitgetrokken alle het vergif dat in zijn lighaam

was, en dat hem in kwijnen t’onderhield: Eindelijk tot het besluit van

deze vervloekte verborgentheid, zo wrijven zy het gants lighaam van den

zieken mee het zap van de Vrugt van Junipa, die het verft met een

geweldig donker bruin, het welke is als het teiken en het zegel van

zijne genezing.

[De Karaïbanen hebben de dood van hare Ouderen niet verkort ten zy dat

zy zulks begeerden.] Zekere Volkeren, niet konnende dragen de

moeijelijkheid en d’ ongemakken van eenen al te verminkten ouderdom,

waren gewoon met een glas Scherling hare ziele te verjagen, die al te

lange na haren zin in haar elendig lighaam kroop. Maar hoe verre

d’Ouderdom van onze Karaïbanen mag gekomen wezen, zo worden de Kinderen

nooit moede hare Vaderen en hare Moederen in dien staat te zien. Het is

waar, dat eenige Karaïbanen de dood van hare Ouderen hebben verhaastet,

en hare Vaderen en Moederen gedood, gelovende een goed werk te doen, en

haar eene lieftallige gedienstigheid te bewijzen, in haar te verlossen

van vele ongemakken en moeijelijkheden, die d’Ouderdom met hem sleept.

Maar eerstelijk, zy gebruikten deze onmenschelijkheid niet als wegens

de genen die het aldus begeerden, om van d’elenden dezes levens verlost

te wezen: en dat was niet als om te voldoen d’ ernstige gebeden van

haar die vermoeit waren in te leven wanneer zy aldus handelden.

Daar-en-boven, deze barbarije is nimmer algemeenlijk onder haar

aangenomen geweest: en d’ allerverstandigste hebben ’er tegenwoordig

eenen gruwel af, en onderhouden hare Vaderen en hare Moederen tot aan

den laasten oogenblijk van haar leven, met alle zorgvuldigheid, en alle

de betuigingen van vriendschap, eerbewijs, en van onderdanigheid die

men zoude konnen verwagten uit eene Natie, die geen ander ligt heeft om

haar te geleiden als dat van de verdorvene nature. Zy dragen

geduldiglijk de gebreken en de gemelijkheden van haren Ouderdom,

vermoeijen hun niet in haar te dienen en houden haar zo veel als

mogelijk is by haar om haar te vermaken. Het welke genen kleinen lof

verdiend, indien men overweegt dat dit by Barbaren word gedaan. Dat zo

eenige onder haar, hare Vaderen en hare Moederen aldus niet eeren, die

zijn ontaart van de deugt haar’er Voor-ouderen.

[Wee-klagten over hare dooden.] Maar als, niet tegenstaande alle hare

zorgen en alle hare moeiten, zy iemant van hare Naasten of van hare

Vrienden verliezen, dan maken zy groot geschreeuw en grote wee-klagten

op zijne dood. Na dat de Karaïbanen het doode lighaam met hare tranen

hebben bevogtigt, wasschen zy het, maken het rood, wrijven het hoofd

met olije, kemmen het hair, vouwen het de beenen tegen de dijen, d’

ellebogen tusschen de beenen door, en zy buigen het aangezigt op de

handen, invoegen dat het geheel lighaam byna is in het zelve postuur

als het Kind in den buik van zijne Moeder, en zy winden het in een

nieuw Bedde, verwagtende dat zy het in d’ aarde leggen.

[Begraafplaats.] Zy maken gewoonlijk de kuil in de Hutte van den

overledenen, of zo zy hem elders begraven, dan maken zy altijd een

klein dekzel op de plaatze daar het lighaam rusten moet, en na dat zy

hem in deze kuil hebben laten zakken, en in zijn Amak gewonden, maken

zy ’er een groot vuur rondom, en alle d’ alleroudste zo Mannen als

Vrouwen huiken op hare knijen. De Mannen plaatzen haar agter de

Vrouwen, en van tijd tot tijd laten zy haar de hand over d’armen

glijden om haar tot weenen aan te porren. Daar na al zingende en

schreijende, zeggen zy alle mee eene erbarmlijke en klagende stemme.

„Ach! waarom zijt gy gestorven? Gy had zo vele goeden Manioc, goede

Pataten, goede Bananen, goede Annassen. Gy waart zo bemind van uw

Huisgezin, en men droeg zulk eene grote zorge over uwen Perzoon. Ach!

waarom zijt gy dan gestorven?” Indien het een Man is, dan voegen zy ’er

by. „Gy waart zo strijdbaar en zo edelmoedig. Gy hebt zo vele Vyanden

ter neder-geveld: gy hebt in zo vele gevegten uitgemunt: Gy hebt ons zo

vele Aroüages doen eten: Helaas! wie zal ons nu tegens d’ Aroüages

beschermen? Ach! waarom zijt gy dan gestorven?” En zy hervatten het

zelve lied verscheide malen.

[De Karaïbanen bedreven tien dagen rouw over hare dooden.] Het gejammer

en gehuil van de Karaïbanen pleeg ten anderen tijde tien dagen, of daar

ontrent, te duuren: want indien tijd, kwamen hare Bloed-verwanten en

zelf hare aller beste Vrienden den dooden twe malen, des daags aan de

kuil bezoeken. En zy bragten dezen dooden altijd t’ eten en te drinken,

yder reize tot hem zeggende. „Ach! waarom zijt gy gestorven? Waarom

wilt gy in het leven niet wederkeren. Zegt ten minsten niet dat wy u

geweigert hebben waar van gy leven moest. Want wy brengen u t’eten, en

te drinken.” En na dat zy hem deze schone vermaning hadden gedaan,

gelijk of hy die hadde konnen horen, zo lieten zy by hem op de kant van

de kuil de spijzen en de dranken tot aan het ander bezoek, dat zy haar

op zijn hoofd stieten, om dat hy zig niet gewaardigde zijne hand uit te

steken om haar aan te nemen.

[Eenige stellen nog wel spijs by de kuil.] Eenige Karaïbanen van

byzondere Plaatzen stellen nog heden spijzen by de kuil van den dooden;

maar zy laten haar zo lang een tijd niet zonder haar met aarde te

dekken, als zy ten anderenmale deden. Want na dat het Lijk-gezang

ge-eindigt is, en dat de Vrouwen alle hare tranen hebben uitgeput, legt

een van de Vrienden des overledenen hem eene plank op het hoofd, en

andere stouwen d’ aarde met de hand allengskens voort, en vullen de

kuil.

[Dooden ook Slaven om hare dooden te verzelschappen.] Zy dooden ook

zomtijds Slaven om de swervende Geesten van hare dooden te

vergezelschappen, en haar te gaan dienen in d’ andere wereld. Maar deze

arme elendige ontsnappen het te voet als haar Meester sterft, en

beschermen haar in eenig ander Plaats. Men krijgt een regtveerdige

schrik op het verhaal van deze onmenschelijke en Barbarische

Lijk-pligten, die bevogtigt worden met het bloed van de Slaven, en van

verscheide andere Perzonen, en die Vrouwen voor het gezigt stellen met

den strot af-gesneden, gebrand, of levendig begraven, om in d’andere

wereld hare Mannen gezelschap te gaan houden, gelijk men daar

voorbeelden af vind by verscheide Natien. Maar onze Karaïbanen genoegen

haar in deze ontmoetingen, met de Slaven van den overledenen te dooden,

zo zy haar konnen agter-halen.

[Plegen met hare dooden de toerustinge mede te begraven.] Eer de

Karaïbanen gemeenschap met de Christenen hadden gehad, doe begraven zy

met het Lighaam de Klederen, de toerusting, en den gantschen aanhang

van d’overledenen. Want in het laaste bezoek dat zy by den dooden

kwamen doen, bragten zy alle den Huis-raad die hem gedurende zijn leven

hebbe gedient, te weten, den Boog, en de Pijlen, de Boutou of de

Knodze, de Kronen van vederen, d’Oorbehangzelen, de Hals-snoeren, de

Baggen, d’ Armringen, de Korven, de Vaten, en d’andere dingen die tot

zijn gebruik waren, en begraven het alle te zamen met den dooden, of

branden het op de kuil. Maar tegenwoordig zijn zy zuiniger geworden:

want de naaste Bloed-vrienden van den overledenen behouden dit alles,

tot haar gebruik; of zy schenken het aan de behulpzame, die het bewaren

ter gedagtenisse van den overledenen.

[De naaste Bloed-magen zo eer het lighaam met aarde is bedekt vasten

strengelijk.] Na dat het Lighaam met aarde is bedekt, snijden de naaste

Bloed-magen hun hair af, en vasten gestrengelijk, gelovende dat zy hier

door en langer en gelukkiger zullen leven. Andere verlaten de Hutten en

de Plaatzen daar zy iemant van hare Vrienden hebben begraven, en gaan

elders woonen. Als het Lighaam ten naasten by verrot is, houden zy nog

eene verzameling, en na dat zy het Graf al zugtende hebben bezogt en

met voeten getreden, zo gaan zy hare ontugtigheden bedrijven, en hare

smerten in den Ouïcou verdrenken. Aldus is de Plegtigheid geeindigt, en

men komt dit arm Lighaam niet meer kwellen.

Laat ons nu weder eens zien wat Gedierten, zo wilde als tamme, onze

Zurinaamsche Kust uitleveren; waar van wy in ’t vervolg zullen

handelen.

Beschryvinge van de volk-plantinge Zuriname · 第 66 / 111 题